Naar de inhoud
Terug naar het boek

Ziekte en gezondheid

Leven tussen ziekenhuisafspraken

Bevat beschrijvingen van ziekte en behandeling.

Hoofdstuk 1

De oranje bus en het telefoontje

Mijn naam is Dennis van Dijk. Ik ben achtendertig jaar oud en ik woon in Amersfoort, in een rijtjeshuis met een diepe tuin. Tot vorig jaar kende ik mijn lichaam alleen als een betrouwbare machine. Ik ben zzp’er in de bouw. Een timmerman die trappen plaatst, dakramen zet en oude balken vervangt. Mijn handen zaten altijd vol eelt, splinters en witte kitranden. Als mijn wekker om zes uur ’s ochtends ging, stond ik naast mijn bed voordat mijn hersenen goed en wel wakker waren. Een mok sterke koffie, een boterham met kaas op de vuist, en hup, de oranje bestelbus in.

Het begon niet met een ramp. Het begon met zeurende buikpijn. Een steek onder mijn ribbenkast die niet wegging met twee paracetamols. Ik dacht eerst aan een verrekte spier door het tillen van een zware badding. Daarna dacht ik aan verkeerd gegeten shoarma. Maar de pijn bleef. Wekenlang. Soms trok het door naar mijn rug, alsof iemand stiekem met een stompe schroevendraaier tussen mijn wervels zat te wroeten. Ik viel af. Mijn werkbroek, maat tweeëndertig, begon te slobberen rond mijn heupen. Ik trok mijn riem een gaatje strakker en werkte door. Want een zzp’er die thuis op de bank ligt, verdient geen cent.

Op een dinsdag in oktober stond ik op een steiger aan de Utrechtseweg. De wind was guur. We waren bezig met het herstellen van een zinken dakgoot. Mijn telefoon trilde in mijn broekzak. Ik veegde het zaagsel van mijn scherm en zag een onbekend vast nummer uit Amersfoort. Normaal neem ik niet op als ik op een steiger sta, maar mijn vinger gleed uit gewoonte over het scherm.

"Met Van Dijk," zei ik, terwijl ik een hand boven mijn oor hield tegen de wind.

"U spreekt met dokter Veenstra, maag-darm-leverarts in Meander," zei een rustige, te beheerste vrouwenstem. "Meneer Van Dijk, heeft u even tijd? Staat u op een rustige plek?"

Toen wist ik het eigenlijk al. Artsen bellen niet op een willekeurige dinsdagochtend om te vertellen dat je bloedwaarden zo fantastisch zijn.

"Ik sta op een steiger," zei ik kort.

"Dan wil ik u vragen om even naar beneden te komen en te gaan zitten," zei ze. Haar stem week niet af van haar zakelijke toon. "De uitslag van het weefselonderzoek van vorige week is binnen. Het is niet goed. We hebben een tumor gevonden in de overgang van uw twaalfvingerige darm. We moeten snel een behandelplan maken."

Het geluid van het verkeer op de Utrechtseweg leek ineens van heel ver te komen. De ronkende motor van een stadsbus klonk gedempt, alsof iemand een dikke wollen deken over de wereld had gegooid. Ik keek naar mijn knokkels. Ze waren wit omdat ik de stalen buis van de steiger veel te hard vastklemde.

"Hoe groot?" vroeg ik. Dat was het enige praktische wat in me opkwam. Net zoals ik op de bouw vraag hoeveel meter balkhout we nodig hebben.

"Rond de vijf centimeter," antwoordde dokter Veenstra. "We willen u morgenochtend om negen uur zien op de poli. Neem alstublieft iemand mee. Uw partner."

Ik hing op. Ik klom de ladder af, sport voor sport. Mijn knieën voelden slap, als nat karton. Mijn collega Raymon stond beneden bij de zaagtafel. Hij keek naar mijn gezicht en legde meteen zijn duimstok neer.

"Wat is er, Den?" vroeg hij.

"Ik moet naar huis," zei ik. "Het is foute boel in mijn buik."

Ik stapte in mijn oranje bus. Het dashboard lag vol bonnetjes van de bouwmarkt, lege plastic koffiebekers en een rol ducttape. Dingen die een uur geleden nog belangrijk leken. Ik startte de dieselmotor en reed naar huis, naar Laura en onze twee kinderen. Milan van acht en Sanne van vijf waren op school. Laura zat aan de keukentafel met haar laptop open voor haar werk als administratrice. Toen ze me midden op de dag binnen zag stappen, zonder jas, met zaagsel op mijn schouders, klapte ze haar laptop dicht. Ze vroeg niks. Ze zag het aan mijn ogen. Vanaf dat moment was de gewone tijd voorbij. De klok tikte niet meer in uren of dagen, maar in data op een ziekenhuispasje.

Hoofdstuk 2

Wachtkamer 4B

Het ziekenhuis heeft een eigen geur. Het is een mix van schrale schoonmaakazijn, warme handalcohol en geroosterde tosti’s uit het bezoekersrestaurant beneden. Die geur kruipt meteen in je neusgaten zodra de automatische schuifdeuren openzwaaien. Binnen drie weken kende ik de route uit mijn hoofd: lift naar de eerste verdieping, de gele lijn op de vloer volgen, rechtsaf bij de stilteruimte, en dan melden bij balie 4B.

Wachtkamer 4B werd mijn tweede huiskamer. Er stonden rijen grijze plastic stoelen met blauwe bekleding die nooit echt lekker zaten. Aan de muur hing een scherm met nummers en namen, en een digitale klok die rood oplichtte. Naast me zat Laura. Ze hield altijd een zwart notitieboekje op haar schoot. Daarin schreef ze alles op: vragen die we thuis bedachten, de Latijnse namen van medicijnen, de percentages die de artsen noemden. Zelf had ik mijn armen over elkaar geslagen. Ik keek naar de andere mensen in de zaal.

Er zat een oudere man met een gele huid en een petje van een voetbalclub. Een jonge vrouw met een witte hoofddoek die zachtjes wiegde. Niemand keek elkaar lang aan. We keken naar onze schoenen, naar de klok, of naar de folders over vermoeidheid en diëten die in een houder aan de muur haperden. Iedereen in die kamer had hetzelfde probleem: ons lijf was bezig ons te verraden.

"Meneer Van Dijk?"

Een verpleegkundige in een witte jas stak haar hoofd om de hoek. Laura stond meteen op. Haar pen klikte open. Ik kwam overeind en voelde weer die vertrouwde steek in mijn rechterzij. We liepen het kleine spreekkamertje binnen. Twee stoelen, een bureau met een groot beeldscherm, en achter het bureau dokter Veenstra. Ze had kort grijs haar en droeg een leesbril op een touwtje om haar nek.

Ze draaide het scherm naar ons toe. Daar zag ik mijn eigen binnenkant in zwart, grijs en wit. Een CT-scan. Het leek op een bouwtekening van een kelder die volgelopen was met troep. Ze wees met de achterkant van een balpen naar een doffe, grijze vlek die tussen mijn organen klem zat.

"Hier zit hij," zei ze nuchter. "De tumor drukt op de afvoer van uw galblaas en zit gevaarlijk dicht tegen een grote slagader aan. Een operatie is op dit moment te riskerig. Als we nu gaan snijden, kunnen we niet schoon werken. We moeten eerst krimpen."

"Krimpen met wat?" vroeg ik. Mijn stem klonk heser dan normaal.

"Een combinatie van gerichte tabletten en zware chemotherapie," zei ze. "We starten met vier kuren van twee weken. Infusen op de dagbehandeling, en pillen voor thuis. Uw bloed moet elke week gecontroleerd worden. Als uw witte bloedcellen crashen, leggen we het stil. Zo niet, dan gaan we door tot we hopelijk genoeg krimp zien voor een operatie."

Laura schreef driftig mee. De pen kraste over het papier. *Gerichte therapie. Witte bloedcellen. Vier kuren.*

"En mijn werk?" vroeg ik.

Veenstra keek me over de rand van haar bril aan. Ze glimlachte niet, maar haar blik werd iets zachter. "Meneer Van Dijk, u timmert voorlopig niet. U mag al blij zijn als u straks zonder hulp de trap op komt. Deze kuur sloopt alles wat snel deelt. Niet alleen de tumor, maar ook uw energie, uw smaak en uw weerstand. Uw werk is vanaf vandaag: overleven en naar uw lichaam luisteren."

Ik haatte die zin meteen. *Luisteren naar je lichaam.* In de bouw luister je niet naar pijntjes; je pakt een koud blikje cola, je zucht een keer en je tilt die balk toch naar boven. Je lichaam is een stuk gereedschap. Als je hamer een losse steel heeft, sla je er een extra wig in en ga je verder. Maar dokter Veenstra gaf me geen nieuwe wig. Ze pakte mijn hele gereedschapskist af en zette er een infuuspaal voor in de plaats.

Toen we naar buiten liepen, scheen de middagzon fel op de parkeerplaats. Mensen liepen met boodschappentassen over straat. Een fietser belde boos naar een overstekende hond. Het gewone leven denderde gewoon door, alsof er helemaal niks aan de hand was. Ik stapte in de auto, deed mijn gordel om en keek naar mijn handen op het stuur. Ze trilden lichtjes. Niet van de kou, maar van pure woede.

Hoofdstuk 3

Het infuus en de overgave

De afdeling dagbehandeling was een grote open zaal met tien leren relaxfauteuils, elk met een eigen infuuspaal op wieltjes. De stoelen waren elektrisch verstelbaar, alsof je in de eerste klas van een luxe vliegtuig zat. Maar niemand dronk hier champagne. Boven elke stoel hing een plastic zak met vloeistof. Soms helder als kraanwater, soms felrood of troebel geel.

Mijn eerste infuus duurde zes uur. De verpleegkundige, een stevige vrouw met de naam Karin, zocht naar een ader op mijn linkerarm. Mijn aders waren altijd dik en blauw geweest, kabels waar je blindelings een naald in kon prikken. Maar door de spanning leken ze zich teruggetrokken te hebben onder de huid.

"Even een klein prikje, Dennis," zei ze vrolijk.

De naald ging erin. Een scherpe beet. Ze plakte er een doorzichtige pleister overheen. Even later hoorde ik het ritmische gezoem van het infuuspompje. *Piek-piek-piek.* Zestig druppels per minuut. Ik voelde de koude vloeistof mijn arm binnenglippen. Het voelde letterlijk alsof er ijswater door mijn aderen stroomde, rechtstreeks naar mijn hart.

De eerste dagen na zo’n kuur waren een hel die ik van tevoren niet had kunnen bedenken. Het was geen gewone grieperigheid. Het was een loodzware, giftige vermoeidheid die vanuit mijn botten leek te komen. Mijn tong voelde aan alsof hij was ingesmeerd met schuurpapier korrel tachtig. Alles wat ik at smaakte naar koper en nat karton. Zelfs een glas koud water uit de kraan smaakte vies. Ik kreeg braakneigingen van de geur van gebakken uitjes of de wasverzachter die Laura gebruikte.

Het ergste was het verlies van controle over mijn eigen spieren. Na de tweede kuur begon mijn huid te vervellen. De toppen van mijn vingers scheurden open, kleine pijnlijke sneetjes die niet wilden genezen. Een pot pindakaas opendraaien lukte me niet meer; ik had simpelweg de knijpkracht niet. Ik stond in de keuken, klemde de pot tussen mijn knieën en probeerde het deksel los te wrikken tot het zweet op mijn voorhoofd stond. Milan kwam binnenlopen, zag me ploeteren en pakte de pot aan. Met zijn kleine achtjarige handen draaide hij hem met één soepele beweging open.

"Alsjeblieft, pap," zei hij zacht.

Hij keek me niet aan met trots, maar met een soort voorzichtige bezorgdheid die een kind van acht helemaal niet hoort te hebben. Dat sneed dieper dan welke naald ook. Ik was zijn vader. Ik hoorde hem op mijn schouders te dragen door de dierentuin. Ik hoorde hem te leren hoe je een spijker recht in een plank slaat zonder op je duim te timmeren. Nu maakte hij potten open voor mij.

Mijn haar viel niet helemaal uit, maar het werd dun en vaal, als dood gras in de winter. Mijn stoelgang werd een dagelijkse loterij van krampen en diarree. Mijn hele agenda werd leeggeveegd en opnieuw volgeschreven door de afsprakenplanner van het ziekenhuis.

Maandag: bloedprikken om half acht nuchter. Dinsdag: telefonisch consult met de oncologieverpleegkundige. Donderdag: kuur op de dagbehandeling. Vrijdag: injectie met groeifactoren om mijn beenmerg aan te jagen.

Tussen die afspraken door lag ik op de bank in de woonkamer onder een bruine fleeceplaid. Ik keek naar buiten, naar de kale takken van de appelboom in onze tuin. De seizoenen schoven voorbij zonder dat ik eraan meedeed. Buiten reden de werkbusjes van collega-aannemers door de straat. Ladders op het dak, gereedschapskisten rammelend in de laadruimte. Elke keer als ik zo’n diesel hoorde optrekken, voelde ik een steek van jaloezie die bijna fysiek pijn deed. Zij mochten nog meedoen. Ik zat op de reservebank van het leven, aangesloten op een zak gif.

Hoofdstuk 4

Het dieptepunt: Nul op de teller

Het dieptepunt kwam in de derde week van januari. Buiten vroor het dat het kraakte. De ruiten van onze slaapkamer waren bedekt met ijsbloemen. Midden in de nacht werd ik wakker met klapperende tanden. Mijn hele lijf schudde zo hevig dat het hoofdeind van ons bed tegen de muur tikte. Laura werd wakker en deed het nachtlampje aan.

"Dennis? Wat is er?"

"Koud," stamelde ik tussen mijn tanden door. "IJskoud."

Ze legde haar hand op mijn voorhoofd en trok hem meteen terug. "Je kookt, man. Wacht, ik pak de thermometer."

Negenendertig punt acht. Bij een gewone griep neem je een paracetamol en ga je zweten. Maar met chemo betekent koorts boven de achtendertig en een half code rood. Het betekent dat je afweersysteem op nul kan staan en dat een simpele bacterie je binnen vierentwintig uur kan slopen.

Laura belde het spoednummer van de oncologie. Binnen tien minuten zaten we in de auto. Ik lag half onderuitgezakt op de passagiersstoel met een winterjas en twee dekens over me heen. De straatlantaarns flitsten voorbij als wazige gele strepen. Mijn maag krampte hevig samen. Ik voelde me een zielig hoopje mens, een zak botten gehuld in een trainingsbroek.

Op de spoedeisende hulp ging alles in een stroomversnelling. Bloedkweekjes uit beide armen. Een infuusnaald in mijn handrug die brandde als hellevuur. Binnen een half uur lag ik op een isolatiekamer op afdeling West. Neutropene koorts, heette het. Mijn witte bloedcellen waren volledig weggevaagd door de kuur. Ik had nul afweer. De bacterie zat waarschijnlijk in mijn eigen darmen, die door de medicatie beschadigd waren.

De dagen die volgden zijn een aaneenschakeling van koortsdromen en pijn. Ik lag aan drie verschillende zakken antibiotica tegelijk. Een verpleegkundige met een blauw plastic schort en een mondkapje kwam om de twee uur mijn bloeddruk meten. De pomp van de bloeddrukband kneep elke keer pijnlijk hard in mijn magere bovenarm.

Op de vierde avond knapte er iets in mij. Laura zat op de stoel naast mijn bed. Ze had kringen onder haar ogen van vermoeidheid. Ze probeerde me een bekertje vla te voeren met een plastic lepeltje.

"Neem nou één hapje, Den," smeekte ze zacht. "Voor de calorieën. Alsjeblieft."

Ik keek naar die roze aardbeienvla. De zoete geur deed mijn maag omdraaien. Met een woedende zwaai sloeg ik haar hand weg. Het plastic bekertje kletterde tegen de linoleumvloer. De vla spatte uiteen tegen de witte plint.

"Hou op!" schreeuwde ik, met een stem die oversloeg van pure onmacht. "Hou toch verdomme op met dat gezeur over eten! Zie je dan niet dat het klaar is? Ik ben op! Ik kan niet meer! Laat me gewoon met rust!"

Het werd doodstil in de kamer. Alleen het eentonige gezoem van de luchtverversing was te horen. Laura keek naar de vla op de grond. Ze bukte niet om het op te ruimen. Ze bleef gewoon zitten, kaarsrecht op die harde ziekenhuisstoel. Haar lippen trilden, maar ze huilde niet.

"Denk je dat jij de enige bent die op is?" zei ze. Haar stem was griezelig kalm. "Denk je dat ik dit leuk vind? Ik sta elke ochtend om half zeven op. Ik smeer brood voor de kinderen. Ik lieg tegen Sanne als ze vraagt of papa doodgaat. Ik doe de was, ik betaal de rekeningen, ik beantwoord de appjes van je bezorgde vrienden, en daarna rijd ik hierheen om te kijken hoe jij ligt te verpieteren. En dan sla jij het eten uit mijn handen."

Ze stond op. Ze pakte haar jas van de haak.

"Je bent boos op je kanker, Dennis. Dat snap ik. Maar reageer het niet af op mij. Want als ik nu instort, heeft niemand meer iets. Jij niet, en de kinderen niet."

Ze liep de kamer uit. De zware branddeur viel met een doffe klap achter haar in het slot. Ik bleef alleen achter in het halfduister. Ik keek naar de roze vla op de vloer. Ik voelde me kleiner dan een stofje onder een zaagtafel. Dat was het moment waarop ik de bodem raakte. Ik had geen werk meer, geen kracht meer, en nu had ik ook de enige persoon die me overeind hield gekwetst. Ik trok het dunne ziekenhuislaken over mijn hoofd en huilde voor het eerst sinds mijn kindertijd. Zonder geluid, met schokkende schouders, tot mijn kussen doorweekt was.

Hoofdstuk 5

Het kleine houtblok

Twee weken later was de infectie geweken. De koorts was weg, mijn bloedwaarden kropen langzaam uit het dal, en ik mocht weer naar huis. Dokter Veenstra had de chemokuur tijdelijk stilgezet om mijn lichaam de kans te geven op adem te komen.

"We moeten wachten op de nieuwe scan," had ze gezegd. "Over tien dagen kijken we wat de kuren tot nu toe hebben gedaan."

Tien dagen pauze. Tien dagen zonder infuus, zonder die misselijkmakende pillen. Mijn hoofd werd langzaam helderder, alsof er een dikke mistflard uit mijn hersenen wegtrok. De smaak van gewoon eten kwam een klein beetje terug. Een geroosterde boterham met roomboter voelde als een overwinning.

Op een donderdagmiddag liep ik door de tuin naar achteren. Achterin stond mijn werkplaats: een houten schuur van vier bij zes meter die ik ooit zelf had gebouwd. Geïsoleerde wanden, een zware eikenhouten werkbank, rekken vol beitels, zagen en schroefkisten. Het rook er naar droog vurenhout, hars en lijnzaadolie. Het was de geur van mijn oude leven.

Ik deed het licht aan. De stofdeeltjes dansten in de baan van de tl-buis. Ik keek naar mijn grote cirkelzaag. De machine stond er koud en stil bij. Een paar maanden geleden tilde ik zonder nadenken een plaat multiplex van dertig kilo op die tafel. Nu durfde ik de schakelaar niet eens aan te zetten; ik was bang dat de terugslag van het hout mijn polsen zou breken.

Onder de werkbank lag een krat met resthout. Ik bukte me langzaam, met mijn hand op mijn zere buik, en viste er een blokje kersenhout uit. Het was niet groter dan een vuist. Ooit afgezaagd van een trapleuning. Het hout had een warme, roodachtige gloed.

Ik pakte een kleine gutsbeitel van het rek. Geen zware machines, geen lawaai. Ik ging op een oude houten kruk zitten en klemde het blokje hout vast in de bankschroef. Mijn handen voelden nog steeds wat stram, de huid op mijn vingertoppen was dun en gevoelig. Maar toen ik het staal van de beitel tegen het hout zette en zachtjes drukte, krulde er een flinterdunne houtkrul af.

*Rits.*

Het bekende, droge geluid van scherp gereedschap door hardhout. Ik deed het nog een keer. En nog een keer. Ik had geen plan. Ik wist niet wat het moest worden. Misschien een lepel. Misschien gewoon een gladde, ronde vorm die lekker in de hand lag.

Ik werkte een half uur. Mijn schouders begonnen te zeuren en mijn ademhaling werd zwaarder, maar voor het eerst in maanden dacht ik niet aan leukocyten, trombocyten, tumormarges of scans. Ik dacht alleen aan de nerf van het hout. Als je tegen de draad in snijdt, splintert het. Als je met de draad meegaat, wordt het oppervlak zo glad als zijde.

De deur van de schuur piepte open. Laura stond in de deuropening met haar jas nog aan. Ze had Sanne net uit school gehaald. Ze zag me zitten op de kruk, met het houtblokje in de bankschroef en de rode krullen op de vloer. Ze zei niks boos. Ze schrok niet.

"Je bent hier," zei ze zacht.

"Even wat schaven," zei ik. Ik legde de beitel neer en keek naar de vloer. "Het spijt me van het ziekenhuis, Lau. Van die vla. Van alles."

Ze liep naar me toe, stapte over de houtkrullen heen en legde haar handen op mijn schouders. Ze rook naar buitenlucht en koude regen. Ze boog voorover en drukte haar wang tegen mijn kale slaap.

"Ik weet het, Den," zei ze. "Het geeft niet. Maar we moeten dit samen doen. Niet jij tegen de wereld, en niet jij tegen mij. Gewoon wij samen."

Ik pakte haar hand vast. Mijn eelt was bijna helemaal verdwenen. Haar hand voelde zachter aan dan vroeger, maar haar greep was stevig. Ik keek naar het blokje kersenhout in de klem. Het was nog lang niet af. Het was ruw en hoekig, met diepe groeven van de zaag. Maar er zat een begin in. Een klein stukje controle over iets dat ik zelf kon vormen.

Hoofdstuk 6

De uitslag van november

De dag van de uitslag was de koudste dag van het jaar tot dan toe. De ruitenwissers van de auto veegden een mengsel van natte sneeuw en pekel van de voorruit terwijl we naar het ziekenhuis reden. De spanning in de auto was zo dik dat je er met een broodmes doorheen kon snijden. We zeiden bijna niks. De radio stond zachtjes aan op een nieuwszender, maar geen van beiden luisterde naar wat de nieuwslezer zei.

Dit was de beruchte *scanxiety*, zoals ze dat in de folders noemden. Het wachten op het vonnis. Was het gif in mijn lijf zijn werk waard geweest? Of had die grijze vlek op de scan zich nergens iets van aangetrokken en was hij vrolijk verder gegroeid richting mijn lever?

In wachtkamer 4B liep het spreekuur uit. Twintig minuten. Veertig minuten. Elke keer als de deur openging en een verpleegkundige naar buiten keek, schoot mijn hartslag omhoog naar honderdveertig. Mijn knie wipte op en neer. Laura zat naast me en kneedde haar vingers tot ze wit zagen.

Eindelijk: "Meneer Van Dijk?"

Dokter Veenstra zat weer achter haar bureau. Haar gezicht was zoals altijd onpeilbaar. Artsen leren op de opleiding waarschijnlijk dat ze niet moeten glimlachen als ze je binnenroepen, want valse hoop is gevaarlijk. Ze wees naar de stoelen.

"Ga zitten," zei ze. Ze klikte met haar muis en opende twee vensters naast elkaar op het grote beeldscherm. Links de scan van oktober. Rechts de scan van eergisteren.

"Ik zal meteen ter zake komen," begon ze. "De kuren hebben gewerkt."

Laura slaakte een korte, schokkerige zucht. Haar hand schoot naar de mijne en kneep zo hard dat mijn botten kraakten.

"De tumor is met iets meer dan veertig procent gekrompen," ging Veenstra verder. Ze wees met haar pen naar het scherm. De donkere vlek die eerst als een vuist tussen mijn organen lag, zag er nu meer uit als een verschrompeld ei. "Hij heeft losgelaten van de grote slagader. De marge is nu veilig genoeg. Dat betekent dat de chirurgen groen licht geven."

"Een operatie?" vroeg ik.

"Ja. Een Whipple-operatie. Het is een zware ingreep. Ze halen de kop van de alvleesklier, de twaalfvingerige darm, een stuk van de maag en de galblaas weg. Daarna bouwen ze de boel vanbinnen opnieuw op met lussen van uw dunne darm. Het is een operatie van zes tot acht uur. Maar het is de enige kans om dit ding definitief uit uw lijf te snijden."

Ik keek naar de grijze schaduw op het scherm. Veertig procent krimp. Het gif had niet alleen mijn conditie, mijn haar en mijn spieren gesloopt; het had die indringer ook half gewurgd.

"Wanneer?" vroeg ik.

"Over drie weken," zei ze. "U heeft nu drie weken om zoveel mogelijk aan te sterken. Eiwitshakes drinken, wandelen, slapen. Hoe sterker u die operatiekamer in gaat, hoe groter de kans dat u er goed uitkomt."

Toen we het ziekenhuis uitliepen, voelde de koude lucht op de parkeerplaats ineens niet meer guur aan. Het voelde fris. Alsof ik voor het eerst in maanden weer echt kon inademen. We stapten in de auto en Laura begon te huilen. Niet van verdriet, maar omdat de strakgespannen veer in haar lijf eindelijk even ontspande. Ze leunde tegen mijn schouder en huilde dikke tranen op mijn jas.

Ik sloeg mijn arm om haar heen. Ik wist dat we er nog lang niet waren. Een Whipple-operatie was geen blindedarmontsteking; het was een verbouwing van je hele spijsvertering. Mensen hielden er levenslang problemen met eten, gewicht en energie aan over. Maar er was een kans. Een kier in een deur die eerst potdicht leek te zitten.

"We gaan naar huis," zei ik zacht tegen haar. "En vanavond eten we pannenkoeken met de kinderen."

Hoofdstuk 7

Leven tussen twee data

Het is nu veertien maanden later. Het is een zaterdagochtend in het voorjaar. Ik sta in mijn werkplaats. De zon valt door het kleine raam naar binnen en verlicht de dwarrelende zaagseldeeltjes.

Als ik mijn T-shirt omhoog trek, zie ik het landschap dat de chirurgen hebben achtergelaten. Een litteken in de vorm van een omgekeerde Mercedes-ster loopt van mijn borstbeen naar beneden en buigt af naar beide zijkanten. Zesendertig nietjes hebben erin gezeten. De huid eromheen is stug en gevoelloos. Mijn buik rommelt bijna altijd. Mijn nieuwe binnenwerk, aan elkaar geknoopt met meters dunne darm, maakt geluiden alsof er een oude centraleverwarmingsketel aanslaat. Bij elke maaltijd moet ik enzymcapsules slikken, grote doorzichtige pillen met bruine korreltjes erin, anders kan mijn lichaam het vet in mijn eten niet verteren. Als ik die pillen vergeet, lig ik twee uur later met kramp op de grond.

Ik ben niet meer de Dennis van vroeger. Ik weeg twaalf kilo minder. Mijn oude werkbroeken hangen nog steeds ergens achter in de kast, maar ik pas ze niet meer; ik heb nieuwe moeten kopen. Drie dagen per week werk ik weer. Geen volle werkweken van vijftig uur meer, geen zware dakkapellen tillen met zijn tweeën. Ik doe nu fijnere klussen. Kozijnen restaureren, meubels op maat maken, een traprenovatie op mijn gemak.

Ik heb een leerling aangenomen, Tim. Een jongen van negentien met brede schouders en een grote mond. Hij doet het zware tilwerk. Hij sjouwt de eiken balken naar binnen. Als hij vraagt waarom ik halverwege de middag ga zitten op een omgekeerde speciekuip om een banaan te eten, zeg ik gewoon: "Omdat mijn motor anders afslaat, pik. Zaag jij die balk even op maat?"

Hij lacht dan en pakt de zaag. Hij weet dat ik niet lui ben. Hij ziet aan mijn littekens en mijn tempo dat ik ergens vandaan kom waar je liever niet wilt zijn.

Genezen? Dat woord gebruiken de artsen niet. Ze noemen het *geen aanwijzingen voor actieve ziekte*. Een formele, voorzichtige term. Elke drie maanden moet ik terug naar Meander. Bloedprikken voor tumormarkers. Een scan om te kijken of er geen cellen zijn ontsnapt naar mijn lever of longen.

Die drie maanden tussen de scans zijn een vreemd soort niemandsland. De eerste maand na een goede uitslag voel je je bijna normaal. Je viert het leven, je koopt een bloemetje voor Laura, je gaat met Milan en Sanne naar het pannenkoekenbos. De tweede maand werk je door en probeer je niet te veel na te denken over pijntjes. Maar in de derde maand, als de datum van de nieuwe afspraak dichterbij kruipt in de agenda op de koelkast, keert de onrust terug. Elk pijntje in mijn rug, elke scheet die dwarszit, elke keer dat ik me moe voel, schiet die ene gedachte door mijn hoofd: *is hij terug?*

Dat gaat nooit meer helemaal weg. Het vertrouwen in mijn eigen lijf is definitief beschadigd. Een houten balk die eenmaal diep gescheurd is geweest, kun je lijmen en klemmen met stalen pennen. Hij kan weer gewicht dragen. Je kunt er weer een vloer op leggen. Maar je weet altijd waar de scheur zit. Je kijkt er toch net iets vaker naar als het stormt.

Op mijn werkbank ligt het kersenhouten blokje. Het is af. Het is een eenvoudige houten lepel geworden. Niet perfect recht, de steel heeft een lichte kromming omdat ik de draad van het hout moest volgen om het niet te laten breken. Hij voelt glad aan, ingewreven met een beetje bijenwas.

Laura tikt op het raam van de werkplaats. Ze zwaait met twee mokken koffie. Sanne rent achter haar aan over het gras, met een plastic gietertje in haar hand om de bloemen water te geven.

Ik leg mijn beitel neer. Ik veeg het zaagsel van mijn broek. Mijn volgende afspraak in het ziekenhuis is over twee weken. Op een woensdagochtend om tien voor negen, bij balie 4B. Wat die uitslag brengt, weet ik niet. De controle heb ik niet, die heb ik nooit gehad.

Maar vandaag is het zaterdag. De zon schijnt op mijn werkbank. Mijn koffie wordt koud. En ik stap de schuur uit, de tuin in, naar mijn gezin.