Verlies en rouw
Leven met een gebroken hart
Gaat over overlijden en rouw.
Hoofdstuk 1
De dinsdag die alles brak
Mijn naam is Dennis Visser. Ik ben zesenveertig jaar en ik woon in Deventer. Mijn hele werkzame leven repareer ik cv-ketels en warmtepompen. Ik hou van dingen die je kunt vastpakken. Als een pomp lekt, vervang je de pakking. Als een brander hapert, maak je hem schoon. Alles heeft een oorzaak en een oplossing. Zo keek ik altijd naar het leven. Tot die ene dinsdag in november.
Het was kwart over zeven in de ochtend. Buiten was het nog pikdonker en koud. Er kletterde natte sneeuw tegen het raam van de keuken. Ik stond aan het aanrecht en goot heet water op het filter van de koffiepot. De geur van filterkoffie vulde de kamer. Aan de keukentafel zat onze jongste zoon, Bram van elf. Hij at zwijgend een boterham met pindakaas, zijn ogen nog half dicht. Boven hoorde ik gestommel. Dat was Luuk, veertien jaar, die ruzie had met zijn wekker.
Sanne kwam de keuken binnen. Ze was drieënveertig. Ze droeg haar grijze joggingbroek en had haar donkere haar in een snelle staart gebonden. Ze gaf me een vluchtige kus op mijn wang. Haar lippen voelden warm aan. Ze rook naar de kokoszeep die ze altijd gebruikte.
" Dennis, vergeet je vanmiddag die doos met winterbanden niet?" vroeg ze. Ze liep naar de gang om haar werkschoenen te pakken. Ze werkte parttime in een plantencentrum. Ze hield van aarde, van planten die groeiden tegen de verdrukking in.
"Ligt al achterin de bus," riep ik terug.
Toen hoorde ik de klap.
Het was geen harde knal van iets dat breekt. Het was een doffe, zware bons. Alsof er een zak tuinaarde van een meter hoog op de vloerbedekking viel. Meteen daarna was het stil. Vreemd stil.
"Sanne?" zei ik.
Geen antwoord.
Ik liep de twee stappen van de keuken naar de gang. Sanne lag op haar zij bij de kapstok. Haar linkerschoen had ze al aan. Haar rechterschoen lag een halve meter verderop. Haar arm lag vreemd onder haar lichaam gevouwen. Haar ogen stonden wijd open, maar ze keken nergens naar.
"Sanne!"
Ik viel op mijn knieën. De houten vloer deed pijn aan mijn botten, maar ik voelde het nauwelijks. Ik pakte haar schouders en draaide haar op haar rug. Haar hoofd viel slap opzij. Haar lippen waren blauw. Niet zachtblauw, maar de kleur van een oude inktvlek. Er kwam een schurend geluid uit haar keel. Eén keer. Daarna niets meer.
"Bram!" schreeuwde ik. Mijn stem klonk vreemd, schel en hees tegelijk. "Bel 112! Nu! Pak mijn telefoon van het aanrecht!"
Bram kwam de gang in gerend. Zijn gezicht werd wit als kalk. Hij zag zijn moeder liggen en bleef stokstijf staan. Zijn boterham lag nog in zijn hand.
"Nu, Bram! 112! Zeg dat mama niet meer ademt!"
Ik zette mijn handen op haar borst. Precies in het midden, zoals ik het ooit had geleerd op de BHV-cursus van de zaak. Dertig keer drukken, twee keer blazen. Eén, twee, drie, vier. Ik duwde met mijn volle gewicht. Onder mijn handpalmen voelde ik iets kraken. Een rib. Mijn maag draaide zich om, maar ik mocht niet stoppen. De man van de cursus had gezegd: doordrukken, kraken maakt niet uit, doordrukken.
Luuk kwam de trap af gestormd op zijn sokken. Hij bleef halverwege de trap staan, zijn handen om de leuning geklemd. Hij begon te hyperventileren. Een rauw, dierlijk geluid.
Bram hield de telefoon tegen mijn oor. De stem van de centralist was rustig. Dodelijk rustig. "Ga door met reanimeren, meneer. De ambulance is onderweg. Blijf tellen. Hardop."
"Eén, twee, drie, vier, vijf..." zweet liep in mijn ogen. Het brandde. Sanne's huid werd koud. Veel te snel koud. Hoe kon een mens in vier minuten zo koud worden? Ik blies lucht in haar mond. Haar borstkas kwam omhoog, maar er gebeurde verder niets. Geen hartslag. Geen pols. Niets dan de natte sneeuw tegen het raam en het piepen van de ambulance die in de verte door onze straat scheurde.
Toen de broeders binnenkwamen, duwden ze me opzij. Gele jassen. Zwarte tassen. Snoeren, plakkers op haar ontblote borst. Een apparaat dat piepte en een monotoon brommend geluid maakte. Ik zat op de vloer tegen de radiator gedrukt, met mijn armen om de benen van Bram. Luuk zat boven aan de trap met zijn hoofd tussen zijn knieën.
Ze hebben veertig minuten gevochten. Ze spoten medicijnen in haar benen. Ze gaven schokken. Haar hele lichaam wipte op van de vloer. Maar de lijn op het scherm bleef een strakke, groene streep.
De oudste broeder keek op. Hij deed zijn handschoenen uit met een zacht rubberen plopje. Hij keek naar mij, en toen naar de jongens op de trap.
"Het spijt me," zei hij zacht. "We kunnen niets meer doen. Haar hart heeft het begeven. Het is voorbij."
De klok in de gang tikte door. Zes minuten over acht. Buiten fietsten kinderen naar school. Binnen was onze wereld in minder dan een uur veranderd in een ruïne.
Hoofdstuk 2
Vreemde jassen in de gang
De eerste week na haar dood was een waas van dik grijs karton. Alsof iemand een filter over mijn ogen had getrokken waardoor alle kleur en scherpte verdwenen waren. Mijn huis was ineens geen huis meer, maar een doorgangshuis vol vreemden.
Er liep een uitvaartverzorger rond. Een man met een donkerblauw pak en een veel te zachte stem. Hij heette Peter. Peter had een tablet bij zich en schoof die steeds onder mijn neus. Welk hout voor de kist? Eikenhout, vurenhout, spaanplaat met fineer? Ik keek naar die plaatjes en dacht alleen maar aan een ketelombouw. "Doe maar gewoon hout," zei ik hees. "Niet te duur. Geen glans. Sanne hield niet van poheha."
"En de dragers, Dennis? Vrienden van de familie, of professionele dragers?"
"Ik draag haar zelf," zei ik. Mijn eigen stem klonk alsof hij van een ander was. Ver weg, uit een luidspreker in een tunnel.
Sanne lag in de voorkamer. We hadden haar thuis opgebaard. Ze lag op een koelplaat in de kist, met haar favoriete blauwe vest aan. Haar handen waren over elkaar gelegd op haar buik. Er zaten bloemen omheen. Iedereen zei dat ze er zo vredig bij lag. Ik vond het een leugen. Ze lag er niet vredig bij. Ze lag er dood bij. Haar wangen waren strak en bleek. Er zat geen enkele warmte meer in dat gezicht. Als ik haar hand aanraakte, voelde het als een stuk vlees uit de diepvries. Toch kon ik niet weggaan. Ik bleef 's nachts urenlang naast de kist zitten op een houten stoel, terwijl de jongens boven sliepen.
Luuk sliep trouwens niet. Hij lag met de dekens over zijn hoofd getrokken naar het scherm van zijn telefoon te staren. Hij sprak bijna geen woord meer. Als ik zijn kamer inliep, draaide hij zich om naar de muur. "Ga weg pap," zei hij dan. Niet boos, maar leeg.
Bram wilde juist niet van mijn zijde wijken. Hij hield mijn mouw vast. Als we thee zetten, hield hij mijn riem vast. "Pap, heeft mama het koud beneden?" vroeg hij steeds. "Die plaat is koud. Moet er geen extra deken over haar heen?"
"Nee jongen," slikte ik weg. "Mama voelt geen kou meer. Echt niet."
Overdag stroomde het huis vol. Buren die pannen met soep brachten. Kennissen die witte chocoladetaart neerzetten op het aanrecht. Mensen bedoelden het goed, maar ik kon die pannen soep niet meer zien. Er stonden zes pannen erwtensoep en kippensoep in de koelkast. Het rook overal naar selderij en dood. Mensen pakten mijn schouders beet. Ze keken me met grote, bange ogen aan. Want dat was het: ze waren bang. Sanne was kerngezond. Ze rookte niet. Ze dronk af en toe een glas droge witte wijn op vrijdagavond. Ze rende twee keer per week vijf kilometer langs de IJssel. Als zíj zomaar kon omvallen en dood zijn binnen een minuut, dan kon het iedereen overkomen. Dat zagen die mensen in. Ze keken naar mij en zagen hun eigen grootste nachtmerrie.
"Als er iets is, Dennis, je belt me hè? Dag en nacht."
"Je bent zo sterk voor de jongens, Dennis. Wat knap van je."
Ik was helemaal niet sterk. Ik functioneerde zoals een noodaggregaat functioneert wanneer de stroom uitvalt: op brute dieselkracht, ronkend, stinkend, bijna kapotdraaiend, alleen maar om de lampen aan te houden voor de kinderen.
De dag van de crematie regende het weer. Het aula-gebouw rook naar natte wollen jassen en witte lelies. Ik haat lelies sinds die dag. Die zoete, zware geur kruipt in je neusgaten en laat je niet meer los. Ik liep voorop bij de kist. Mijn broer en drie zwagers hielpen mee. De kist was zwaar. Het hout sneed in mijn vingers. Luuk en Bram liepen achter me. Ik hoorde het geschuifel van Brams nette schoenen over het grind.
Binnen speelde muziek die Sanne mooi vond. Een nummer van Bruce Springsteen. *The River*. Ze zong dat altijd keihard mee in de auto als we naar Frankrijk reden op vakantie, vals en lachend. Nu zat ik op de eerste rij van een kille zaal met honderd mensen achter me. Ik keek naar de houten kist voor me. Ik wachtte tot iemand zou opstaan en zou zeggen dat dit een grap was. Een vreselijke vergissing. Dat de monteurs een verkeerde leiding hadden aangesloten en dat we opnieuw konden beginnen.
Toen het liedje stopte, begon de stilte. De echte stilte. Iedereen liep langs me heen om een hand te geven. Handen. Slappe handen, klamme handen, knijpende handen. Ik voelde niets. Ik zei honderdtwintig keer "dank je wel" en "ja, fijn dat je er bent".
Toen we thuiskwamen, was het huis leeg. Peter had de koelplaat al opgehaald. De meubels stonden weer op hun plek. Alleen op de houten vloer in de gang zat nog een kras van een kistpoot. Ik zette de ketel aan voor thee. De stilte sloeg tegen mijn oren als een klap.
Hoofdstuk 3
De smaak van tomatensaus
Drie weken na de uitvaart ging ik weer aan het werk. De baas van het installatiebedrijf, Gert, had gezegd dat ik rustig aan moest doen. "Blijf thuis zolang je wilt, Dennis. We vangen het op."
Maar thuisblijven maakte me gek. Thuis zag ik overal haar spullen. Haar leesbril op het tafeltje naast de bank. Haar schoenen onder de kapstok. Een haar van haar op het kussen in ons bed. Dus stapte ik op een maandagochtend om half zeven weer in mijn witte bus. Mijn gereedschap lag er nog precies zo bij als op die fatale dinsdag. De schroevendraaiers, de buigijzers, de rollen teflontape. Alles was hetzelfde gebleven, behalve ik.
Het werk hielp een beetje. Je schroeft een mantel los, je kijkt naar de ontsteekpen, je meet de gasdruk. Dat zijn wetten van de fysica. Die liegen niet. Een ketel heeft geen verdriet. Maar de pauzes waren een hel. Als ik bij een klant een kop koffie kreeg aangeboden, wist ik niet waar ik moest kijken. De mensen wisten het vaak al, via via.
"Hoe is het nou met je Dennis?" vroegen ze dan met zo’n voorzichtige stem, alsof ik van glas was gemaakt en elk moment in duizend scherven uiteen kon spatten.
"Gaat wel," zei ik dan. "Druk op het werk."
"En met de jongens?"
"Redden zich wel. Luuk zit veel op zijn kamer. Bram voetbalt weer."
Ik dronk de koffie in drie grote slokken leeg, zette de beker op het aanrecht en dook weer onder de ketel. Praten hielp niet. Wat moesten ze zeggen? "Gecondoleerd" loste niets op. Het haalde Sanne niet terug uit die oven in het crematorium.
Het dieptepunt kwam op een donderdagmiddag, rond half vijf. Ik moest eten halen voor de avond. Luuk had gevraagd om macaroni. Gewone macaroni met smac en tomatensaus, zoals Sanne dat altijd maakte op donderdag voor ze naar haar yogales ging. Ik parkeerde de werkbus bij de grote supermarkt aan de rand van Deventer. De winkel was druk. Moeders met peuters in het winkelwagentje, mannen in pakken die snel een kant-en-klaarmaaltijd pakten, scholieren die blikjes energydrank kochten.
Ik liep het gangpad van de pastasauzen in. Rij na rij met glazen potten. Rood, oranje, groen. Bolognese, basilicum, traditioneel, pittig, zonder toegevoegde suikers. Ik stond voor het schap en wist het niet meer. Welke kocht Sanne altijd? Er stonden zeker dertig verschillende merken en soorten. Ze zagen er allemaal hetzelfde uit. Ik staarde naar die rode potten en mijn ademhaling stokte.
Het was een pot van een huismerk met een groen deksel, dacht ik. Of was het een blauw etiket? Ik wist het verdomme niet. Ik had in negentien jaar huwelijk nooit gekeken naar het etiket van de macaroni-saus. Sanne deed de boodschappen. Ik deed de tuin en de auto's en het onderhoud van het huis. Nu stond ik voor een plank vol glazen potten en voelde een hete golf van paniek omhoog kruipen vanuit mijn maag naar mijn keel.
Een vrouw met een kinderwagen wilde erlangs. "Mag ik er even bij, meneer?" vroeg ze vriendelijk.
Ik kon geen stap verzetten. Mijn voeten leken in het beton gegoten. Mijn hart bonsde tegen mijn ribben alsof het eruit wilde breken. Ik dacht ineens: *Als ik niet eens weet welke saus ze kocht, hoe moet ik die jongens dan in hemelsnaam grootbrengen? Ik kan dit niet. Ik ben een monteur, geen vader die alles weet.*
"Meneer? Gaat het wel?" De vrouw keek me nu bezorgd aan.
Ik draaide me om zonder een woord te zeggen. Ik liet mijn mandje met de geraspte kaas en het gehakt gewoon op de grond vallen. Een pot mayonaise viel eruit en kletterde kapot op het linoleum. Een witte vlek, scherven glas. Mensen keken geschrokken op. Ik liep met grote passen door de poortjes, langs de kassa's waar de caissières verbaasd riepen: "Meneer, uw spullen!"
Ik rende bijna naar mijn bus. Buiten sloeg ik het portier met een klap dicht. Ik klemde mijn handen om het stuur en legde mijn voorhoofd op het plastic. De claxon toeterde een kort, schril signaal door de druk van mijn hoofd. Daar, op de parkeerplaats tussen een Opel Corsa en een bakfiets, begon ik te huilen. Niet netjes met tranen in een zakdoek, maar brullend, schokkend, met kwijl dat over mijn kin liep. Mijn borstkas scheurde van binnen open. De pijn was fysiek. Alsof iemand een stalen breekijzer tussen mijn ribben had gezet en langzaam kracht zette.
Hoofdstuk 4
De scheur in de borstkas
Die pijn in mijn borst ging niet meer weg na die middag op de parkeerplaats. Het was geen doffe spierpijn. Het was een scherpe, stekende druk, precies achter mijn borstbeen. 's Nachts werd ik er wakker van, badend in het zweet. Ik dacht oprecht dat ik dezelfde aandoening had als Sanne. Dat mijn hart het ook ging begeven. En ergens, hoe ziek het ook klinkt, vond ik dat niet eens een eng idee. Dan was het klaar. Dan hoefde ik niet meer na te denken over de was, de rekeningen, de rapporten van Luuk en de tranen van Bram.
Maar ik had twee jongens. Twee kinderen die al een moeder kwijt waren. Ik kon het niet maken om ook dood te gaan.
Op een vrijdagochtend zat ik bij dokter Van Dam, onze huisarts. Een man van achter in de vijftig met een kalme blik en eelt op zijn knokkels. Hij luisterde naar mijn longen. Hij zette de stethoscoop op verschillende plekken op mijn borst. Hij liet me een hartfilmpje maken bij de assistente. Zuignappen op mijn enkels, polsen en borstkas. Precies dezelfde apparatuur die die ambulancebroeders hadden gebruikt op de vloer in onze gang. Ik lag op de onderzoeksbank en voelde mijn maag samentrekken.
Van Dam bekeek de strook papier die uit de machine kwam rollen. Hij vouwde hem zorgvuldig op en keek me over zijn brilletje aan.
"Je hart is kerngezond, Dennis," zei hij.
"Het voelt niet zo," zei ik met een schorre stem. "Het brandt. Het zit klem. Alsof er een baksteen op ligt. Soms kan ik niet eens doortrekken met ademhalen."
"Dat heet een gebroken hart," zei de dokter eenvoudig. Geen vage theorieën, geen pillenpraat. "Het bestaat echt. We noemen het in de geneeskunde soms takotsubo, maar bij jou is het pure, rauwe stress en rouw. Je lichaam reageert op een catastrofe. Je zenuwstelsel staat al zes weken in de noodstand. Je spieren rond je ribbenkast staan zo strak dat ze verkrampen. Je hartslag is te hoog omdat je lichaam denkt dat er nog steeds gevaar dreigt."
"Wat moet ik doen dan? Geef me iets. Een pil. Iets waardoor het stopt."
Van Dam schudde langzaam zijn hoofd. "Ik kan je slaapmiddelen geven voor een paar nachten, maar die lossen dit niet op. De enige manier om van deze pijn af te komen, is er dwars doorheen gaan. Je moet ademhalen, Dennis. En je moet praten met die jongens van je. Hoe gaat het met Luuk?"
Ik keek naar mijn handen. Er zat zwarte ketelkit onder mijn nagels die er met zeep niet af ging.
"Luuk praat niet," zei ik zacht. "Hij sloopt spullen. Vorige week trapte hij een gat in zijn slaapkamerdeur omdat zijn internet traag was. Hij eet bijna niets. Als ik er iets van zeg, schreeuwt hij dat ik moet oprotten. Dat het mijn schuld is dat we geen gewone familie meer zijn."
"En wat doe jij dan?"
"Ik loop weg. Ik ga naar de schuur en drink bier. Vier, vijf flesjes. Tot ik slaap."
Van Dam leunde naar voren. Zijn stem werd strenger, maar niet hard. "Dennis. Luuk schopt tegen die deur omdat hij wil zien of jij nog overeind blijft. Hij is doodsbang dat jij ook omvalt. Als jij wegloopt naar de schuur met je bier, bevestig je zijn angst. Ga niet naar de schuur. Blijf staan. Laat hem schreeuwen, en hou hem dan vast. Al trapt hij je schenen bont en blauw."
Ik liep terug naar huis door de kou. De woorden van de dokter tolden door mijn hoofd. Een gebroken hart was dus geen sprookje uit een damesroman. Het was een fysieke wond. Het voelde alsof er zout in een open snee werd gewreven, elke keer als ik een ademteug nam.
Thuisgekomen rook het huis muf. Ik had al dagen geen ramen opengezet. De afwas stapelde zich op op het aanrecht. Op de leuning van de bank lag Sannes lievelingsvest. Ik pakte het op en drukte mijn neus in de wol. De geur van haar kokoszeep was bijna weg. Het rook nu naar stof en oud huis. Het besef sloeg in als een sloopkogel: ze was aan het verdwijnen. Niet alleen haar lichaam, maar ook haar geur, haar geluiden, de manier waarop ze de theelepeltjes in de la legde. Alles begon te vervagen. Ik liet me op de bank vallen met het vest tegen mijn gezicht gedrukt en bleef liggen tot het donker werd.
Hoofdstuk 5
De voetbalschoenen
Het keerpunt kwam op een zaterdag in januari. Het had die nacht licht gevroren. De velden van voetbalvereniging Helios lagen er wit en hard bij, met flarden mist die over het gras dreven. Bram moest om negen uur spelen. Hij zat in de D-pupillen.
Normaal gesproken ging Sanne altijd mee naar zijn wedstrijden. Ze stond steevast langs de lijn met een beker lauwe koffie in haar handen, te springen om warm te blijven. Ze gilde altijd te hard als Bram aan de bal was. "Goed zo Brammetje, doorgaan!" Bram schaamde zich daar soms voor, maar hij keek na afloop altijd als eerste naar haar.
Ik was al drie maanden niet langs de lijn geweest. Mijn broer had hem een paar keer gebracht, of de vader van een teamgenootje. Maar die ochtend had Bram me aangekeken met zijn rode, betraande ogen terwijl hij zijn tas pakte.
"Ga je vandaag mee pap? Alsjeblieft?"
Ik kon geen nee zeggen. Ik trok mijn dikke werkjas aan en reed met hem naar het sportpark. Luuk was thuisgebleven, die lag nog in bed.
De kou sneed door mijn broekspijpen langs het veld. Er stonden een stuk of tien ouders langs de kant. Ze groetten me allemaal voorzichtig. Een knikje, een hand op mijn arm. Ik ging een meter of vijf apart staan, dicht bij de dug-out. Bram speelde midvoor. Hij deed zijn best, maar het liep niet. Zijn team stond na twintig minuten al met 3-0 achter. Bram gleed uit op de bevroren graspolletjes, verloor de bal en kreeg een duw van een grote verdediger van de tegenpartij. Hij viel hard op zijn knie.
De scheidsrechter floot niet. De tegenstander counterde en scoorde weer.
Bram bleef zitten op het bevroren gras. Hij stond niet op. Zijn schouders begonnen te schokken. De trainer liep het veld op, boog zich over hem heen en wenkte me toen.
"Dennis, kom even. Hij wil niet opstaan."
Ik stapte over de witte kalklijn. De bevroren sprieten kraakten onder mijn werkschoenen. Ik knielde naast Bram neer in de modder. Zijn gezicht zat onder het zwarte zand en het snot. Hij hield zijn rechterschoen vast.
"Heb je je bezeerd aan je knie, jongen?" vroeg ik zacht.
Bram schudde wild zijn hoofd. Hij trapte tegen de grond. "Mijn veters zitten verkeerd!" gilde hij over het veld. Het galmde tussen de bomen rond het sportpark. De andere jongens stopten met voetballen en keken naar ons. "Ze zitten te strak! Mama deed ze altijd met een dubbele knoop die niet losging! Jij trekt ze veel te strak aan, pap! Het doet pijn!"
Hij begon met zijn vuisten op zijn eigen knie te slaan. Pure razernij en verdriet, samengebald in een jongetje van elf met een modderig tenue.
Ik dacht aan wat dokter Van Dam had gezegd. Niet weglopen. Niet sussen. Niet zeggen dat hij zich niet zo moest aanstellen omdat iedereen keek.
Ik ging op mijn kont in de modder zitten. Midden op het veld, met mijn nette werkbroek in de vrieskoude drek. Ik trok Bram tegen me aan. Hij stribbelde eerst tegen. Hij duwde met zijn ellebogen tegen mijn borstkas, precies op die zere plek. Het deed verdomde pijn, maar ik liet hem niet los. Ik sloeg mijn armen om hem heen en hield hem klem.
"Het geeft niet," fluisterde ik in zijn muts. "Het geeft niet, Bram. Het is ook kut. Het is vreselijk kut."
Toen brak hij. De woede verdween uit zijn lijf en hij zakte helemaal in elkaar tegen mijn jas. Hij huilde zo hard dat hij naar adem moest happen. Ik zat daar in de modder met mijn zoon op schoot, voor het oog van dertig vreemden, en voor het eerst schaamde ik me nergens voor. Ik huilde met hem mee. Mijn tranen vielen op zijn zwarte krullen.
"Ik mis haar zo, pap," snikte hij.
"Ik ook, mannetje," zei ik. "Ik ook. Elke seconde van de dag."
De trainer kwam naar ons toe en legde een hand op mijn schouder. "We wisselen hem even, Dennis. Neem hem maar lekker mee naar de kantine."
Ik tilde Bram op, hoewel hij daar eigenlijk al te groot voor was. We liepen langs de stilstaande ouders. Niemand zei iets stoms. Een moeder van een ander jongetje veegde een traan van haar eigen wang. In de kantine kregen we warme chocolademelk met een dikke toef slagroom. We dronken het zwijgend op. Brams veters hingen los langs zijn modderige schoenen. Het maakte even helemaal niets meer uit.
Hoofdstuk 6
Het opruimen van een leven
In maart, vier maanden na die dinsdagochtend, scheen voor het eerst de zon fel naar binnen door de ramen van onze slaapkamer. Het stof danste in de lichtstralen. Op het bed lagen drie grote kartonnen verhuisdozen die ik van de zaak had meegenomen.
Het was tijd. Iedereen had gezegd dat ik moest wachten, maar ik merkte dat het huis een museum werd. Een graftombe waarin niets mocht bewegen. Luuk durfde de kledingkast van zijn moeder niet eens open te trekken om een schone handdoek te pakken. Als iets zo heilig wordt, verstikt het je.
Ik had Luuk en Bram gevraagd om mee te helpen. Bram zat op de rand van het bed. Luuk leunde tegen het kozijn van de deur, zijn armen over elkaar. Zijn gezicht stond gespannen.
"We gaan niet alles weggooien," zei ik duidelijk. "We kiezen wat we bewaren. Dingen die echt van haar zijn. De rest geven we weg aan het Leger des Heils. Daar kunnen andere mensen weer iets aan hebben. Dat zou mama ook hebben gewild."
Ik trok de deuren van haar kledingkast open. De geur sloeg me weer in het gezicht. Klerenhangers rammelden zachtjes tegen elkaar. Zomerjurken, vesten, haar dikke winterjas met die kapotte rits die ik altijd nog had moeten maken.
"Jullie mogen kiezen," zei ik tegen de jongens. "Wat moet sowieso blijven?"
Bram liep meteen naar voren. Hij wees naar een felgeel regenjack. "Die," zei hij beslist. "Die had ze altijd aan als we naar het bos gingen met de hond van oma. Dan zag je haar van een kilometer afstand al lopen tussen de bomen."
"Die blijft," zei ik. Ik legde het gele jack op de stoel.
Luuk bewoog niet meteen. Hij keek naar de stapels truien op de bovenste plank. Toen liep hij naar de kast en pakte een oud, zwart T-shirt van een concert van Pearl Jam. De opdruk was half weggewassen en er zat een klein gaatje bij de kraag.
"Deze," mompelde Luuk. "Die droeg ze als ze ging schilderen op zolder. Ze zette dan altijd die ouwe rockmuziek op en zong mee met een viltstift in haar hand alsof het een microfoon was."
Ik glimlachte. Een echte glimlach, klein en pijnlijk, maar hij was er. "Dat deed ze ja. Ze dacht dat ze Eddie Vedder was."
Luuk keek naar het T-shirt in zijn handen. Zijn schouders ontspanden een fractie. "Mag ik die houden pap? Om in te slapen?"
"Die is van jou, jongen."
Daarna begonnen we met inpakken. Kledingstuk voor kledingstuk. Broeken die netjes opgevouwen in de dozen verdwenen. Schoenen in plastic zakken. We vonden briefjes in de zakken van haar jassen. Een parkeerkaartje van het Deventer ziekenhuis van twee jaar geleden. Een pepermuntje met pluisjes eraan. Een boodschappenlijstje met haar hoekige handschrift: *melk, brood, eieren, lampje voor Dennis*. Ik streek met mijn duim over het papier. Mijn naam in haar handschrift. Dat briefje stopte ik in mijn portemonnee, achter mijn rijbewijs.
Het was zwaar werk. Na een uur zaten we gedrieën op de vloer tussen de dozen. Bram had haar zonnebril opgezet, een veel te groot model met gouden pootjes. Hij keek overdreven serieus naar ons.
"Lijk ik op een filmster?" vroeg hij.
Luuk schoot in de lach. Het was een raar, schor geluid, alsof zijn lachspieren verroest waren door maanden van stilte. "Je lijkt op een vlieg met die rotbril," zei Luuk, en hij duwde zijn broertje speels omver op het tapijt.
Ze begonnen te stoeien. Het was luidruchtig, lomp jongensgedoe. Brams sokken vlogen over de vloer. Ik keek naar hen en voelde de druk op mijn borst heel even minder worden. Niet weg, maar minder scherp. Het huis vulde zich weer met geluid. Geen geluid van schreeuwen of van huilen, maar van twee broers die elkaar in de ribben kietelden op een zonnige zaterdagmiddag.
Toen we de drie dozen dichtplakten met bruine tape, voelde de slaapkamer leger aan. Maar de leegte was niet meer dreigend. De kast was gewoon een kast geworden. Hout en planken. Sanne zat niet meer in die truien of in die broeken. Sanne zat in dat briefje in mijn zak, in die gele jas over de stoel, en in het lachje van Luuk dat sprekend op dat van haar leek.
Hoofdstuk 7
Wind op de dijk
Het is nu een jaar en twee maanden later. April. De natuur ontploft van het groen langs de uiterwaarden van de IJssel. De meidoorn bloeit wit en geurt zoetig in de voorjaarswind.
Vandaag zou Sanne vierenveertig zijn geworden. Vorig jaar op deze dag zaten we met taart die niemand opat en bloemen die na twee dagen verwelkten in een donkere kamer. Dit jaar doen we het anders.
We staan op de dijk net buiten Deventer, waar de rivier een scherpe bocht maakt. De wind waait hard uit het westen. Hij blaast door mijn jas en trekt aan de capuchons van de jongens. Bram rent naar beneden, naar de waterkant, en gooit platte keien over het wateroppervlak. Hij telt hardop: "Eén, twee, drie stuiters! Zag je dat pap?"
"Mooi gegooid!" roep ik terug.
Luuk staat naast me. Hij is in het afgelopen jaar bijna tien centimeter gegroeid. Hij is nu bijna even lang als ik. Zijn stem is zwaarder geworden, een echte mannenstem. Hij heeft zijn handen diep in de zakken van zijn spijkerjas gestoken.
"Denk je dat ze ons kan zien?" vraagt hij opeens, terwijl hij naar de grazende koeien aan de overkant van het water staart.
Ik denk even na over mijn antwoord. Ik ga geen mooie verhalen ophangen over engelen op wolkjes. Daar trapt Luuk niet in, en ik geloof er zelf ook niet in.
"Ik weet het niet, Luuk," zeg ik eerlijk. "Ik hoop het. Maar ik weet wel zeker dat ze in ons zit. In hoe jij je brood smeert, in hoe Bram lacht, in hoe ik naar jullie kijk. Zolang wij hier staan, is ze niet helemaal weg."
Luuk knikt langzaam. Hij haalt een hand uit zijn zak en tikt met zijn schouder tegen de mijne. Een klein gebaar, maar voor een jongen van vijftien betekent het alles. Het betekent: we zijn er nog. We redden het wel.
De fysieke pijn in mijn borst is verdwenen. Dokter Van Dam had gelijk. Het hart heelt langzaam van de schok. Maar de scheur blijft. Ik voel het nog elke dag. Het is geen brandende wond meer, maar een litteken. Net zoals het litteken op mijn wijsvinger van die keer dat ik uitschoot met een stanleymes toen ik twintig was. Het trekt een beetje als het koud wordt. Je ziet het altijd zitten. Je vergeet nooit meer hoe je eraan gekomen bent. Maar je kunt je vinger weer gebruiken. Je kunt weer gereedschap vasthouden.
We zijn geen gewoon gezin meer. De wasmand puilt nog steeds te vaak uit. De macaroni smaakt nog steeds niet precies zoals Sanne hem maakte, hoewel ik inmiddels weet dat ze er altijd een scheutje ketjap doorheen deed. We vergeten ouderavonden op school. We hebben ruzies die soms te hoog oplopen omdat de lontjes korter zijn dan vroeger.
Maar we eten weer samen aan de keukentafel. We kijken op vrijdagavond samen naar slechte actiefilms op de bank met een zak chips ertussen. We praten over Sanne zonder dat de kamer meteen volstroomt met loodzware stilte. Soms vertellen we een herinnering en moeten we lachen. Soms huilt Bram nog voor het slapengaan als hij een rotdag heeft gehad. Dan ga ik op de rand van zijn bed zitten en wrijf over zijn rug tot hij rustig wordt. Ik loop niet meer naar de schuur met bier.
"Pap!" roept Bram vanaf de waterkant. "Gaan we patat halen? Mama wilde op haar verjaardag altijd patat met pindasaus van die snackbar bij de brug!"
Ik kijk naar Luuk. Luuk grijnst.
"Patat met pindasaus," zegt Luuk. "Dat is traditie. Daar kun je niet omheen pap."
"Vooruit dan," zeg ik. "Kom naar boven Bram, we gaan."
We lopen met zijn drieën over het grindpad van de dijk terug naar de auto. De wind blaast in onze rug. Mijn hand glijdt even naar de binnenzak van mijn jas, waar dat opgevouwen briefje met haar handschrift nog altijd zit. Mijn hart klopt rustig en regelmatig. Het is gebroken, jazeker. Er ontbreekt een stuk dat nooit meer terugkomt. Maar het pompt het bloed rond. Het houdt me warm. Het doet zijn werk.
En voor vandaag is dat genoeg.