Psychische gezondheid
Langzaam weer kleur zien
Dit boek gaat over psychische klachten. Zoek hulp als het onderwerp je raakt.
Hoofdstuk 1
De gele krat
De eerste keer dat ik instortte, hield ik een gele krat boven mijn hoofd.
Ik werkte bij een kleine drukkerij aan de rand van Amersfoort. We maakten menukaarten, folders en geboortekaartjes. Die dinsdag moest een bestelling voor een restaurant in Leusden nog voor twaalf uur weg. Ik wilde de krat met papier van de bovenste plank pakken. Mijn armen begonnen te trillen.
‘Mara, gaat het?’ vroeg Nordin.
Ik hoorde hem wel. Toch kwam zijn stem ergens anders vandaan. Uit de gang misschien. Mijn hart sloeg hard tegen mijn borst. Ik kreeg geen lucht en kon de krat niet terugzetten.
Nordin nam hem van me over.
‘Ga even zitten.’
‘Ik heb iets aan mijn hart.’
Hij trok een stoel naar me toe. Ik ging zitten tussen twee stapels dozen. Onder de tafel lag een afgesneden strook papier. Ik bleef ernaar kijken. Als ik mijn ogen ergens op vastzette, zou ik misschien niet doodgaan.
Ik was vierendertig. Mijn naam was Mara de Wit. Tot dat moment had ik mezelf vooral iemand gevonden die gewoon doorging.
Mijn baas belde de huisarts. Nordin bleef naast me zitten tot ik naar de praktijk kon. Hij stelde geen vragen. Alleen toen ik opstond, zei hij: ‘Ik rijd. Jij niet.’
De huisarts onderzocht me en vroeg hoe lang ik slecht sliep.
‘Een paar nachten.’
‘Hoeveel ongeveer?’
Ik keek naar het houten model van een knie op zijn bureau.
‘Misschien zes weken.’
Dat was ook niet waar. Het waren maanden.
Sinds januari werd ik rond vier uur wakker. Dan dacht ik aan fouten op mijn werk. Aan geld. Aan mijn moeder, die in september was overleden. Aan het laatste telefoontje dat ik had weggedrukt omdat ik bij de kassa stond. Ze was die avond onverwacht gestorven. Niemand had kunnen voorspellen dat het zou gebeuren. Toch bleef ik denken dat ik had moeten opnemen.
Overdag controleerde ik drukproeven steeds opnieuw. Ik las een adres vijf keer en wist daarna nog niet of het klopte. Thuis at ik boven het aanrecht. Soms vergat ik het eten helemaal.
‘Dit kan een paniekaanval zijn geweest,’ zei de huisarts. ‘Maar ik wil verder kijken. Naar je stemming, de spanning en hoe je functioneert.’
‘Wanneer kan ik weer werken?’
‘Laten we eerst zorgen dat je vandaag thuiskomt.’
Mijn zus Eva haalde me op. Ze droeg haar verpleeguniform onder een open jas. Ze had iemand gevraagd haar dienst over te nemen.
‘Dat had niet gehoeven,’ zei ik.
‘Stap maar in.’
Bij mijn flat in Schuilenburg liep ze achter me aan naar boven. Voor mijn deur probeerde ik haar tegen te houden.
‘Ik ga gewoon slapen.’
‘Prima. Ik zet thee.’
Binnen rook het naar oud afval. Er stonden drie volle vuilniszakken naast de koelkast. Op de bank lagen kleren, brieven en een bord met harde rijst. Eva keek rond. Ik wachtte op haar gezicht. Op de afkeer.
Ze zette haar tas neer.
‘Waar liggen je afvalzakken?’
Ik begon te huilen voordat ik iets kon zeggen. Niet rustig. Mijn mond trok scheef en ik maakte een geluid dat ik niet kende. Eva kwam naar me toe, maar ik duwde haar handen weg.
‘Niet doen. Dan wordt het erger.’
Ze ging aan de keukentafel zitten.
‘Dan blijf ik hier.’
Ik huilde tot mijn hoofd pijn deed. Daarna schaamde ik me voor de natte plek op mijn trui.
Eva gooide het bedorven eten weg. Ze vroeg steeds wat mocht. De enveloppen liet ze liggen. Toen ze soep opwarmde, wilde ik zeggen dat het allemaal wel meeviel. Dat ik een drukke periode had gehad. Maar ik kreeg de woorden niet meer geloofwaardig uit mijn mond.
‘Ik denk dat ik kapot ben,’ zei ik.
Ze draaide het vuur lager.
‘Ik denk dat je hulp nodig hebt.’
Die avond belde mijn baas, Ronald. Ik liet de telefoon gaan. Even later kwam er een bericht.
Neem rust. We spreken donderdag.
Ik las het alsof er stond dat ik ontslagen was.
Eva bleef slapen op de bank. Ik lag in bed en luisterde naar haar bewegingen in de woonkamer. Om halfvier werd ik wakker. Mijn hart begon meteen weer te jagen.
Ik ging rechtop zitten. Mijn telefoon lag naast me. Ik kon mijn zus wakker maken. Ze was maar één deur verder.
Toch duurde het twintig minuten voordat ik haar naam riep.
Hoofdstuk 2
De ochtend erna
Eva kwam binnen met een afdruk van het bankkussen op haar wang.
‘Wat is er?’
‘Het begint weer.’
Ze deed het grote licht niet aan. Alleen het lampje op mijn nachtkastje. Ik zat met mijn voeten op de grond. Mijn knieën trilden zo hard dat het bed meetikte.
‘Zal ik naast je zitten?’
Ik knikte.
Ze vroeg of het hetzelfde voelde als op mijn werk. Dat deed het. We volgden de afspraken die ik met de huisarts had gemaakt. Ze bleef bij me. Ik probeerde mijn adem niet steeds te controleren. Buiten reed een scooter voorbij. Ergens sloeg een deur dicht.
Na een tijd werd mijn hart rustiger. Ik was uitgeput, maar durfde niet terug onder de dekens.
‘Als ik slaap, merk ik het misschien niet op tijd.’
‘Wat merk je dan niet?’
‘Dat er iets misgaat.’
Eva keek naar haar handen. ‘Je hoeft vannacht niet alleen te blijven.’
Om zeven uur aten we beschuit. Zij twee stuks. Ik een halve. Daarna belde ik zelf de praktijk voor een vervolgafspraak. De assistente vroeg waarvoor ik kwam.
‘Ik trek het niet,’ zei ik.
Het was de eerste keer dat ik dat hardop tegen een vreemde zei.
Twee dagen later zat ik tegenover huisarts Van Dijk. Hij schoof zijn toetsenbord opzij. Ik had een lijstje meegenomen, omdat ik bang was dat ik alles zou vergeten. Slecht slapen. Geen eetlust. Angst. Nergens zin in. Niet kunnen kiezen welk shirt ik aantrok.
Hij vroeg door. Ook naar dingen waar ik geen lijstje van had gemaakt.
‘Denk je weleens dat je niet meer wilt leven?’
Ik keek meteen naar de deur.
‘Ik ga niks doen.’
‘Dat hoor ik. Maar dat was niet precies mijn vraag.’
Ik draaide het papier om.
‘Ik denk soms dat het makkelijker zou zijn als ik niet wakker werd.’
Hij bleef rustig. Hij vroeg hoe vaak ik dat dacht, of ik plannen had en of ik me thuis veilig voelde. Ik vertelde dat ik geen plan had. Dat de gedachte me vooral bang maakte. Dat ik tegelijk soms verlangde naar het moment waarop alles even ophield.
We maakten afspraken. Wie ik kon bellen. Wanneer ik direct hulp moest zoeken. Er kwam een vervolgafspraak, en hij verwees me voor verdere behandeling. Tot die tijd zou ik ook met de praktijkondersteuner praten.
Buiten belde ik Eva.
‘Ben je nu opgenomen?’ vroeg ze.
‘Nee.’
‘Sorry. Dat klinkt stom.’
‘Ik dacht het zelf ook.’
Op donderdag belde Ronald precies om tien uur. Ik had mijn telefoon al vanaf kwart over negen vast.
‘Hoe gaat het?’
‘Beter,’ loog ik.
Hij vertelde over de bestelling voor Leusden. Die was op tijd bezorgd. Daarna viel er een stilte.
‘Heb je enig idee hoe lang dit duurt?’
Ik begon meteen te rekenen. Maandag was te vroeg. Woensdag misschien.
‘Volgende week kan ik vast—’
‘Dat hoef je nu niet te beloven,’ zei hij. ‘Ik moet alleen wat regelen.’
Toch hoorde ik vooral dat ik lastig was.
Na het gesprek trok ik mijn werkschoenen aan. Ik wilde bewijzen dat ik nog gewoon naar buiten kon. Bij de supermarkt aan de Operapleinbuurt ging het mis tussen het brood en de zelfscankassa's. Het piepen, de stemmen, een kind dat tegen een mandje schopte. Alles kwam even hard binnen.
Ik zette mijn mandje op de grond en liep naar buiten zonder boodschappen.
Thuis bleef ik met mijn jas aan zitten. Ik had zelfs geen brood kunnen kopen. Hoe moest ik ooit weer werken?
Die middag kwam een bericht van Nordin.
Je beker staat nog hier. Die met die lelijke gans.
Ik glimlachte heel even. Daarna huilde ik omdat dat blijkbaar nog kon.
Ik typte: Gooi maar weg.
Ik verwijderde het.
Uiteindelijk schreef ik: Wil je hem bewaren?
Zijn antwoord kwam direct.
Tuurlijk. Hoe is het echt?
Ik keek lang naar die vier woorden. Toen stuurde ik een foto van mijn schoenen, nog steeds aan mijn voeten, midden in de woonkamer.
Niet best.
Hij vroeg niet waarom. Hij zei dat hij zaterdag brood kon brengen.
Ik wilde weigeren. Ik wilde niet dat iemand van mijn werk mijn huis zag.
Maar ik had honger.
Dus schreef ik: Graag. Gewoon volkoren.
Hoofdstuk 3
Stoelen in een kring
De praktijkondersteuner heette Judith. Ze had een bril aan een rood koord en een bureau zonder stapels papier. Tijdens ons eerste gesprek vroeg ze hoe een gemiddelde dag eruitzag.
‘Ik doe niet zoveel.’
‘Neem me eens mee vanaf het wakker worden.’
Ik vertelde over vier uur. Over mijn telefoon. Over het zoeken naar verklaringen voor mijn hartslag. Over opstaan om koffie te zetten en die vervolgens koud laten worden. Rond elf uur ging ik soms douchen. Daarna moest ik liggen.
‘En wanneer eet je?’
‘Als Eva het vraagt.’
Judith schreef iets op. Ik wilde weten wat. Lui? Afhankelijk? Volwassen vrouw kan geen boterham smeren?
‘Wat noteer je?’ vroeg ik.
Ze draaide haar papier naar me toe.
Weinig structuur. Hoge spanning. Veel zelfkritiek.
‘Je mag het gewoon vragen,’ zei ze.
We maakten geen groot schema. Alleen een vaste tijd om op te staan, iets eten en iedere dag kort naar buiten. Ik vond het beledigend eenvoudig.
De volgende ochtend lukte zelfs dat niet.
Om halfnegen zette ik mijn wekker uit. Om kwart over tien werd ik wakker met een droge mond. Ik stuurde Judith bijna een bericht om de volgende afspraak af te zeggen. Als ik dit al niet kon, had praten weinig zin.
In plaats daarvan at ik om elf uur een boterham. Daarna liep ik tot de brievenbus.
Bij onze volgende afspraak noemde Judith dat bruikbare informatie.
‘Ik noem het mislukken,’ zei ik.
‘Dat merk ik.’
Ik moest lachen. Het klonk kort en boos, maar het was lachen.
De verwijzing naar een behandelpraktijk liep. Er was wachttijd. Judith hield contact en wees me daarnaast op een lotgenotengroep in Amersfoort. Geen therapie, zei ze. Een plek waar mensen ervaringen uitwisselden.
Ik liet de folder een week op tafel liggen.
De dinsdag daarna stond ik voor een buurthuis met een blauwe voordeur. Binnen rook het naar koffie en natte jassen. Ik hoorde mensen lachen. Meteen wilde ik weg. Blijkbaar waren zij al beter.
Een vrouw kwam de gang in.
‘Zoek je de groep?’
‘Misschien.’
‘Dan zit je goed. Ik ben Saskia.’
Ze wees naar een kamer met acht stoelen. Geen kaarsen. Geen spreuken aan de muur. Wel een klok die hard tikte.
Ik ging het dichtst bij de deur zitten.
Er waren zes deelnemers. Henk had vroeger bij de spoorwegen gewerkt. Bilal studeerde in Utrecht, maar had zijn opleiding tijdelijk stilgezet. Anja zei meteen dat ze slecht had geslapen en daarom misschien weinig zou zeggen.
Saskia legde de afspraken uit. Je hoefde niet alles te vertellen. We hielden persoonlijke verhalen binnen de groep. We gaven niet zomaar advies.
Toen ik aan de beurt was, zei ik: ‘Ik ben Mara. Ik ben sinds twee weken thuis.’
Daar stopte ik.
Niemand trok aan me.
Henk vertelde dat hij drie keer naar dezelfde winkel was gelopen voordat hij naar binnen durfde. De vierde keer kocht hij batterijen, terwijl hij brood nodig had.
‘Batterijen liggen dichter bij de uitgang,’ zei hij.
Ik keek op.
‘Ik liet mijn mandje staan.’
Hij knikte. ‘Dat heb ik ook gedaan.’
Het was een klein gesprek. Toch herinner ik me precies hoe ik mijn handen toen van elkaar losmaakte. Ik had ze de hele tijd zo hard vastgehouden dat mijn vingers wit waren.
Na afloop liep Bilal met me naar de fietsenrekken.
‘Eerste keer is beroerd,’ zei hij.
‘Tweede keer beter?’
‘Bij mij niet. Derde wel.’
Dat antwoord vertrouwde ik.
Thuis had ik hoofdpijn. Ik had niets opgelost. De vuile was lag er nog. Mijn inbox stond vol. Toch zette ik thee in plaats van meteen in bed te kruipen.
Op mijn telefoon stonden twee gemiste oproepen van Eva. Ik belde terug.
‘Waar was je?’ vroeg ze.
‘Bij die groep.’
‘En?’
Ik keek naar de folder op tafel. Er zat een koffievlek op de hoek.
‘Er was iemand die ook geen brood kon kopen.’
Eva bleef even stil.
‘Was dat fijn?’
‘Ja,’ zei ik. ‘Heel fijn eigenlijk.’
Die nacht sliep ik nog steeds slecht. Om vier uur lag ik weer wakker. Maar toen ik mezelf waardeloos begon te noemen, hoorde ik Henk over zijn batterijen praten.
Ik zou hem nooit waardeloos hebben genoemd.
Waarom ging dat bij mezelf zo makkelijk?
Hoofdstuk 4
De blauwe jas
In juni kon ik terecht bij psycholoog Lotte Vermeer. Haar praktijk zat boven een apotheek, dicht bij station Amersfoort Centraal. Vanuit de wachtkamer zag ik mensen naar hun trein rennen.
Ik was twintig minuten te vroeg. Te laat komen leek me een slechte manier om te bewijzen dat ik geholpen wilde worden.
Lotte vroeg waar ik op hoopte.
‘Dat ik weer normaal word.’
‘Wat betekent normaal voor jou?’
‘Werken. Slapen. Boodschappen doen zonder bang te zijn.’
‘En hoe ging het daarvoor echt?’
Ik keek naar haar schoenen. Donkergroen. Een veter zat los.
Voor mijn uitval werkte ik vaak door in mijn pauze. Ik nam drukproeven mee naar huis. Als Ronald vroeg wie zaterdag kon komen, stak ik mijn hand op voordat ik in mijn agenda had gekeken. Mijn moeder belde me vroeger soms drie keer per dag. Ik nam bijna altijd op.
Behalve die laatste keer.
Na meerdere gesprekken bespraken we depressieve klachten, paniek en de manier waarop ik met spanning omging. Het waren geen woorden die alles verklaarden. Ze hielpen wel om minder willekeur te voelen. Lotte stelde een behandeling voor met vaste gesprekken, oefeningen en kleine stappen terug naar activiteiten.
Met de huisarts besprak ik ook medicatie. Ik stelde veel vragen over werking en bijwerkingen. Uiteindelijk besloot ik het te proberen. De eerste periode voelde ik me misselijk en onrustig. We hielden contact en beoordeelden samen hoe het ging. Er kwam geen dag waarop alles plotseling licht werd.
Wel merkte ik na verloop van tijd dat ik soms een gedachte kon laten liggen zonder hem een uur uit te pluizen.
Toen kwam de blauwe jas.
Eva wilde spullen van onze moeder verdelen. Ze had er maanden mee gewacht. Op een zaterdag stonden we in de berging bij haar huis in Soest. Er waren vier dozen en twee grote tassen.
‘We hoeven niet alles vandaag,’ zei ze.
Ik trok een tas open. Bovenop lag de jas die mijn moeder bijna altijd droeg. Blauw, met een kapotte drukknoop bij de hals. Ik pakte hem op en drukte mijn gezicht tegen de kraag.
Hij rook naar wasmiddel. Niet naar haar.
Dat vond ik erger dan ik had verwacht.
‘Mag die weg?’ vroeg Eva voorzichtig.
‘Waarom zou die weg moeten?’
‘Dat zeg ik niet. Ik vraag het.’
‘Je wilt alles gewoon opruimen.’
Eva zette een doos neer.
‘Mara, ik heb dit negen maanden bewaard.’
‘Alsof je daar een medaille voor moet krijgen.’
Zodra ik het zei, wilde ik het terugpakken.
Eva liep de berging uit. Ik bleef staan met de jas in mijn handen. Na een paar minuten ging ik achter haar aan. Ze stond in de keuken en dronk water.
‘Sorry,’ zei ik.
Ze knikte niet meteen.
‘Ik mis haar ook. En ik ben moe. Van de spullen, van mijn werk. Van steeds nadenken hoe iets bij jou valt.’
Ik voelde mijn gezicht heet worden.
‘Dan moet je me maar met rust laten.’
‘Dat wil ik niet. Maar ik kan niet altijd beschikbaar zijn.’
Ik ging naar huis zonder een doos mee te nemen. Alleen de jas lag op de achterbank.
Die avond belde ik Eva niet. Ik bleef wachten tot zij zou bellen. Toen ze dat niet deed, gebruikte ik het als bewijs dat ik te veel was.
Maandag vertelde ik Lotte over de ruzie.
‘Wat zei Eva precies?’ vroeg ze.
Ik herhaalde haar woorden.
‘En wat hoorde jij?’
‘Dat ze klaar met me is.’
Lotte liet de stilte staan.
Ik zuchtte. ‘Dat zei ze niet.’
We oefenden een gesprek. Ik vond het ongemakkelijk om tegen een lege stoel sorry te zeggen. Toch belde ik Eva die middag.
‘Ik was gemeen,’ zei ik. ‘En jij mag moe zijn.’
Ze ademde hoorbaar uit.
We spraken af dat ze niet iedere avond zou controleren of ik had gegeten. Ik kon haar bellen, maar soms zou ze later terugbellen. Voor moeilijke momenten had ik ook andere mensen en professionele hulp nodig.
Na het gesprek hing ik de blauwe jas in de kast.
Niet tussen mijn eigen jassen. Aan een aparte haak.
Ik hoefde nog niet te beslissen wat ik ermee zou doen.
Hoofdstuk 5
Twee uur terug
Mijn eerste ochtend terug op de drukkerij begon op de parkeerplaats.
Ik zat in Eva's oude Toyota, die ik mocht lenen. Het was tien voor negen. Met de bedrijfsarts had ik een voorzichtige start afgesproken. Twee keer per week twee uur. Overzichtelijke taken. Geen spoedorders. We zouden regelmatig bekijken of dat paste.
Om vijf voor negen begon ik te zweten.
Ik zag Nordin door het raam. Hij zette een stapel papier recht. Alles ging daarbinnen gewoon verder. De machines draaiden. De bestelbus stond bij de achterdeur. Mijn afwezigheid had geen gat in het gebouw gemaakt.
Ik wist niet of dat me geruststelde of verdrietig maakte.
Om negen uur stapte ik uit.
Nordin deed de deur open.
‘Je gans staat klaar.’
Mijn beker stond op de werktafel. Er zat thee in. Geen koffie. Dat had ik hem een keer verteld: van veel koffie werd mijn onrust erger.
Ronald kwam uit zijn kantoor.
‘Fijn dat je er bent. We doen rustig aan.’
Ik kreeg een stapel proefkaarten die ik op formaat moest sorteren. Werk dat ik vroeger tussen twee telefoontjes door deed. Nu legde ik iedere tien minuten mijn handen op tafel om te voelen of ze trilden.
Niemand keek.
Om elf uur trok ik mijn jas aan. De stapel was niet af.
‘Laat maar liggen,’ zei Nordin.
‘Ik kan dit laatste nog—’
Hij wees naar de klok. ‘Morgen ook papier.’
Thuis ging ik op de bank liggen. Ik sliep anderhalf uur. Toen ik wakker werd, dacht ik dat ik te vroeg terug was gegaan. Lotte hielp me later onderscheid maken tussen moe zijn na een inspanning en mezelf volledig voorbijlopen. Dat verschil voelde ik nog slecht.
De weken erna hield ik kort bij wat ik deed en hoe het daarna ging. Niet ieder gevoel. Alleen genoeg om patronen te zien. Na twee rustige uren herstelde ik meestal. Na drukte bleef ik tot diep in de avond gespannen.
Dat wist ik dus.
Toch zei ik ja toen Ronald me op een donderdag om hulp vroeg.
Een klant had verkeerde bestanden gestuurd. Er moesten nieuwe naamkaartjes komen voor een bijeenkomst in Utrecht. De koerier zou om één uur komen.
‘Kun jij alleen even de namen nalopen?’ vroeg hij.
Ik had nog twintig minuten.
‘Ja hoor.’
Het waren honderdveertig namen. Er kwamen wijzigingen binnen terwijl ik bezig was. Ronald belde met de klant. Nordin stond bij de snijmachine.
Ik voelde de oude haast. Die was niet alleen vervelend. Even was ik weer iemand op wie ze konden rekenen.
Om kwart over twaalf zat ik er nog.
Bij een dubbele achternaam versprong mijn blik. De letters leken niet meer bij elkaar te horen. Ik las dezelfde regel opnieuw. Mijn hart bonsde.
‘Mara?’ zei Ronald.
‘Even.’
‘Heb je die laatste versie?’
‘Even!’
Het werd stil.
Ik schoof mijn stoel achteruit en liep naar het toilet. Daar draaide ik de deur op slot. Ik leunde tegen de muur en begon te huilen. Boos huilen. Omdat ik beter had moeten weten. Omdat één verzoek genoeg was om alle afspraken te vergeten.
Nordin klopte zacht.
‘Ik zet je tas bij de deur. Je hoeft niks af te maken.’
‘Sorry.’
‘Dat bespreken we later wel.’
Ik bleef nog tien minuten zitten. Daarna liep hij met me naar buiten. Eva haalde me op; ik durfde niet te rijden.
De volgende ochtend wilde ik mijn werkmail openen en ontslag nemen. Dan hoefde niemand nog rekening met me te houden.
In plaats daarvan belde ik de bedrijfsarts voor overleg. Daarna stuurde ik Ronald een kort bericht. Dat de spoedtaak buiten de afspraken viel. Dat ik zelf ook te laat had aangegeven dat het niet ging.
Hij belde terug.
‘Ik had je dat niet moeten vragen,’ zei hij.
Ik had me voorbereid op discussie. Door zijn antwoord wist ik even niets te zeggen.
We maakten de afspraken concreter. Mijn eindtijd kwam op het planbord. Spoedwerk ging naar iemand anders. Ook als ik zelf zei dat het wel kon.
Maandag ging ik terug.
Ik wilde niet. Mijn maag deed pijn toen ik de deur opende.
Maar mijn beker stond er nog.
Hoofdstuk 6
Donderdag zonder plan
In september ging het een paar weken beter. Dat durfde ik voorzichtig te zeggen. Ik werkte weer wat meer uren. Ik kookte twee of drie keer per week en vroor porties in. Soms liep ik langs de Eem zonder voortdurend te controleren hoe ver ik van huis was.
Toen naderde de sterfdag van mijn moeder.
Ik had gedacht dat de datum gewoon een datum zou zijn. We hadden geen groot plan. Eva en ik zouden zondag samen naar het graf gaan. Daarna ergens koffie drinken.
Maar op donderdag werd ik om drie uur wakker met haar laatste voicemail in mijn hoofd.
Hoi, met mam. Niks bijzonders hoor. Bel maar als je tijd hebt.
Ik had het bericht nog. Ik luisterde er bijna nooit naar. Die ochtend deed ik het zeven keer.
Daarna meldde ik me ziek.
Ik trok de gordijnen niet open. Mijn ontbijt bleef op het aanrecht staan. Tegen de middag was ik ervan overtuigd dat alle vooruitgang nep was geweest. Ik had mezelf en iedereen om me heen iets wijsgemaakt.
Rond vier uur dacht ik: als ik er niet was, hoefde niemand dit steeds mee te maken.
Die gedachte bleef dit keer langer hangen.
Ik schrok ervan, maar niet genoeg om meteen iets te doen. Dat vond ik later het moeilijkste om te vertellen. Een deel van mij wilde hulp. Een ander deel wilde dat niemand nog iets vroeg.
Op de koelkast hing het briefje dat ik met Lotte had gemaakt. Mijn vroege signalen. Slecht eten. Afspraken afzeggen. Steeds dezelfde schuldgedachte. Daaronder stonden concrete stappen en telefoonnummers.
Ik las het vanaf de bank.
Toen draaide ik mijn hoofd weg.
Om halfzes belde Eva. Ik liet de telefoon gaan. Ze stuurde: Vandaag geen ruimte om te bellen, of gaat het slecht?
Ik typte: Gewoon moe.
Mijn duim bleef boven verzenden hangen.
Ik wist nog hoe Lotte had gevraagd wat het voor mij moeilijk maakte om hulp te zoeken.
‘Dat ik dan moet toegeven hoe erg het is,’ had ik gezegd.
Nu verwijderde ik de tekst.
Het gaat slecht. Ik vertrouw het niet om alleen te blijven.
Eva belde meteen.
‘Ik kom,’ zei ze. ‘En we bellen hulp. Ben je nu veilig?’
Ik zei dat ik nog niets had gedaan en dat ik wilde dat ze kwam. Ze bleef aan de telefoon terwijl ik opstond en de voordeur van het slot haalde.
Samen namen we contact op met de huisartsenpost. Ik moest vertellen wat ik dacht en hoe de dag was verlopen. Ik schaamde me voor de rommel in mijn hoofd. De medewerker stelde rustige, directe vragen en regelde een beoordeling door de crisisdienst.
Later die avond spraken we met twee hulpverleners. Ze vroegen ook naar mijn medicatie, mijn behandeling en de mensen om me heen. Er werd niet geschrokken gekeken. Er werd wel serieus doorgevraagd.
We spraken af dat ik die nacht niet alleen bleef. Er kwam vervolgcontact en afstemming met mijn eigen behandelaars. Als het onveilig werd, zouden we direct opnieuw bellen. Eva ging pas akkoord toen ze wist wie ze buiten kantooruren kon bereiken.
Ik sliep bij haar in de logeerkamer. Er stond een strijkplank tegen de muur. Op de vensterbank lag een dode vlieg.
Niets zag eruit als een beslissend moment.
Toch was ik blij dat ik daar lag.
De volgende ochtend voelde ik me niet ineens beter. Wel kon ik een boterham eten. Eva zat tegenover me met haar laptop. Ze had vrij genomen, maar moest nog iets regelen.
‘Je hoeft niet steeds naar me te kijken,’ zei ik.
‘Ik keek naar de printer.’
Ik lachte. Daarna huilde ik weer.
Bij Lotte praatten we over de datum, het slaaptekort en de stapeling van spanning. Ook over het voicemailbericht. Ze zei niet dat ik me niet schuldig mocht voelen. We onderzochten wat ik mezelf precies verweet, en wat ik werkelijk had kunnen weten.
Zondag gingen Eva en ik alsnog naar het graf. Korter dan gepland. Koffie namen we mee in papieren bekers.
‘Ik mis haar,’ zei Eva.
‘Ik ook.’
Meer zeiden we even niet.
Toen we wegliepen, pakte ik mijn telefoon. Ik verplaatste de voicemail naar een map, zodat ik hem niet steeds zag.
Wissen kon ik nog niet.
Dat hoefde die zondag ook niet.
Hoofdstuk 7
Een groene stoel
In november kocht ik een stoel bij de kringloop in Amersfoort. Een houten stoel met groene bekleding. Er zat een kleine scheur onder de zitting.
‘Vijftien euro,’ zei de medewerker.
Ik ging erop zitten. De stoel kraakte.
‘Tien?’ vroeg ik.
Hij keek naar de scheur. ‘Twaalf.’
Ik rekende af en belde Nordin. Of hij na zijn werk even kon helpen tillen. Pas toen ik ophing, merkte ik wat ik had gedaan. Ik had iets gekozen. Geld uitgegeven. Hulp gevraagd. Zonder eerst alle mogelijke bezwaren langs te gaan.
De stoel kwam bij het raam te staan. Daar dronk ik 's ochtends thee. Niet iedere ochtend. Soms bleef ik nog te lang in bed. Soms keek ik een halfuur naar mijn telefoon voordat ik opstond.
Het verschil zat niet in perfect gedrag. Het zat erin dat een slechte ochtend minder vaak de hele dag bepaalde.
Ik werkte inmiddels drie korte dagen. Minder dan vroeger, en voorlopig genoeg. Samen met de bedrijfsarts en Ronald bleef ik de opbouw beoordelen. Mijn inkomen was lager dan ik prettig vond. Ik moest beter plannen. Dat vond ik niet leerzaam of bevrijdend. Het was gewoon vervelend.
Ook mijn behandeling liep door. Met de huisarts bleef ik mijn medicatie bespreken. Ik veranderde daar niets zelf aan. De gesprekken met Lotte werden langzaam minder frequent, met duidelijke afspraken over wat ik kon doen als klachten terugkwamen.
We praatten ook over terugvallen zonder ieder somber uur meteen een terugval te noemen.
‘Anders maak ik van elk slecht humeur een noodgeval,’ zei ik.
‘En van elk goed humeur een bewijs dat je alles weer moet kunnen,’ zei ze.
Dat schreef ik op.
Op een woensdag vroeg Ronald of ik mijn vaste controletaken weer wilde oppakken. Ik voelde meteen plezier. Daarna angst. Vroeger had ik binnen een seconde ja gezegd.
‘Ik wil er een dag over nadenken,’ zei ik.
Hij keek verbaasd, maar knikte.
De volgende ochtend bespraken we welk deel haalbaar was. Niet het hele pakket. Geen eindverantwoordelijkheid voor spoedbestellingen. We zetten het op papier.
Toen ik naar mijn werktafel liep, keek Nordin op.
‘Onderhandelingen geslaagd?’
‘Gedeeltelijk.’
‘Klinkt gezond.’
Ik gooide een prop papier naar hem. Mis. Hij liet hem liggen tot ik zelf langsliep.
Er waren ook dingen die niet terugkwamen. Een vriendin had nauwelijks gereageerd tijdens mijn ziekte. Toen we eindelijk koffie dronken in de binnenstad, zei ze dat iedereen het tegenwoordig druk had.
Ik probeerde uit te leggen wat er was gebeurd. Halverwege merkte ik dat ze op haar telefoon keek.
We hebben daarna weinig afgesproken.
Dat deed pijn. Ik ging er niet aan kapot. Ook dat was nieuw.
Met Eva ging het beter sinds we niet meer deden alsof zij alles kon opvangen. We wandelden soms op zondag. Ze vertelde dan over haar eigen werk, haar rugpijn en de buurman die altijd voor haar garage stond. Ik oefende in luisteren zonder mijn schuldgevoel ertussen te zetten.
De blauwe jas van mijn moeder hing nog in mijn kast. In een zak vond ik een kassabon van een tuincentrum. Potgrond en twee plantjes. Ik streek het papier glad en legde het bij een foto. De jas gaf ik later aan een kledinginzameling.
Daarna at ik patat met Eva. We hadden allebei geen zin om te koken.
Bij de lotgenotengroep kwam in december een nieuwe vrouw. Ze ging bij de deur zitten en hield haar tas op schoot. Ik herkende haar gespannen mond.
Na afloop stonden we tegelijk bij de kapstok.
‘Ik heb bijna niks gezegd,’ zei ze.
‘Dat hoeft ook niet.’
‘Kom jij hier al lang?’
‘Een paar maanden.’
Ze keek me onderzoekend aan. ‘Gaat het nu goed?’
Ik dacht na voordat ik antwoord gaf.
‘Vaker. Niet altijd.’
Buiten was het al donker. Ik liep naar mijn fiets en controleerde of mijn lamp het deed. Morgen moest ik werken. Vrijdag had ik een afspraak met Lotte. Voor het weekend had ik nog niets bedacht.
Thuis schoof ik de groene stoel iets dichter bij de verwarming. Ik warmde een rest pasta op en zette de radio zacht aan.
Na het eten was ik moe. Gewoon moe, voor zover ik kon voelen.
Ik liet mijn bord staan tot later en ging zitten.
De scheur onder de stoel was nog niet gerepareerd. Op tafel lag een rekening die ik morgen moest betalen. Mijn moeder was nog steeds dood. Ik kon nog steeds bang worden.
Maar ik had gegeten. Ik had iemand gesproken. Voor morgen lag er schoon ondergoed klaar.
Ik bleef een tijdje bij het raam zitten. Daarna stond ik op om mijn bord af te wassen.