Naar de inhoud
Terug naar het boek

Ziekte en gezondheid

Langzaam raak ik je kwijt

Bevat beschrijvingen van ziekte en behandeling.

Hoofdstuk 1

De koffiekop

Mijn naam is Dennis van Dijk. Ik ben 43 jaar en ik woon in Deventer. Ik werk als meubelmaker. Mijn dagen bestaan normaal uit hout, lijm en de geur van zaagsel. Ik hou van dingen die kloppen. Een rechte hoek is een rechte hoek. Een millimeter te veel en de la klemt. Zo leefde ik ook: overzichtelijk, nuchter en rustig. Tot die dinsdagochtend in oktober.

Linda stond aan het aanrecht. Ze is 41 en mijn vrouw. Ze zette koffie, zoals altijd. Ik zat aan de keukentafel en las de krant op mijn telefoon. Ik hoorde het sissen van het water. Daarna hoorde ik een doffe klap en het geluid van brekend aardewerk.

Ik keek op. Onze blauwe mok lag in vijf stukken op het linoleum. De hete koffie stroomde langs de plint. Linda stond erbij en keek naar haar rechterhand. Haar vingers stonden krom, alsof ze een onzichtbare bal vasthield.

'Wat doe je nou, Lin?' vroeg ik. Het was een domme vraag, maar je zegt wat.

Ze keek me aan. Haar blik was leeg. Ze deed haar mond open, maar er kwam niets. Alleen een zacht, nat geluid. Alsof haar tong plotseling te groot was voor haar mond. Het duurde misschien vier seconden. Toen knipperde ze met haar ogen en zakte haar schouder naar beneden.

'Mijn hand,' zei ze. Haar stem klonk opeens hees. 'Hij deed het even niet. Hij was gewoon weg.'

'Heb je pijn?' vroeg ik. Ik stond al naast haar.

'Nee,' zei ze. 'Geen pijn. Maar het voelde gek. Alsof iemand de stroom eraf haalde.'

Ik pakte een theedoek en veegde de koffie op. Ik zei dat ze even moest gaan zitten. Tien minuten later leek alles weer normaal. Ze lachte er zelfs om. Ze zei dat ze waarschijnlijk te snel was opgestaan. Maar ik zag het aan haar ogen. Ze was geschrokken. En ik ook. Meubelmakers letten op details. Als een machine een halve seconde hapert, zet je hem stil. Je gaat niet zomaar door.

Om elf uur zaten we bij de huisarts. Dokter Van Schaik liet Linda op haar tenen lopen. Ze liet haar met haar ogen dicht haar neus aanraken. Met links ging het perfect. Met rechts miste Linda haar neuspunt met een centimeter. Ze lachte zenuwachtig. Dokter Van Schaik lachte niet. Ze keek naar het dossier op haar computerscherm en zei heel rustig: 'Ik wil dat jullie vanmiddag naar het Deventer Ziekenhuis gaan. Voor een scan.'

Toen werd de lucht in de spreekkamer opeens zwaar. Het woord ziekenhuis voelde als een klap tegen mijn borst.

In het ziekenhuis rook het naar schoonmaakmiddel en koude koffie. Linda verdween in de tunnel van de MRI-scanner. Ik moest wachten in een kleine gang met tl-buizen. Door de dikke deur hoorde ik het apparaat beuken. Een ritmisch, metaalachtig lawaai. Bonk. Bonk. Tsjak. Het klonk alsof iemand met een moker tegen staal sloeg. Ik zat op een plastic stoel en keek naar mijn eigen handen. Er zat nog een splinter eikenhout onder mijn nagel. Ik peuterde eraan tot het bloedde.

Twee uur later zaten we tegenover de neuroloog, dokter Visser. Hij was een jonge man met een baard en een vriendelijk gezicht, maar zijn ogen stonden strak. Hij draaide zijn beeldscherm naar ons toe. Op het scherm zag ik een zwart-wit beeld van een schedel. De hersenen leken op een plattegrond van een oude stad. Aan de linkerkant zat een vlek. Een witte, wazige kring met een donkere kern. Het leek op een spinnenweb dat er niet hoorde.

'Hier zit het probleem,' zei de arts. Hij wees met de punt van een balpen naar de vlek.

'Wat is het?' vroeg Linda. Haar stem trilde niet. Ze zat kaarsrecht.

'Het is een tumor,' zei dokter Visser. 'We noemen dit een glioblastoom. Het is een agressieve vorm van hersenkanker.'

Ik hoorde de woorden, maar ze pasten niet in mijn hoofd. Kanker. Agressief. Hersenen. Het waren woorden uit een film, niet voor een dinsdagmiddag in Deventer. Linda pakte mijn hand. Haar vingers waren ijskoud. De arts praatte door over gradaties, over opereren, over bestraling en pillen. Ik luisterde, maar ik zag alleen die witte vlek op het scherm. Die vlek zat in het hoofd van mijn vrouw. Die vlek vrat aan de vrouw met wie ik al achttien jaar sliep. Mijn hele veilige wereld van rechte hoeken en glad hout werd in één minuut doormidden gezaagd.

Hoofdstuk 2

Het mes in je hoofd

Zes dagen later stonden we om zeven uur 's ochtends in de centrale hal van het ziekenhuis. Het regende tegen de grote glaswand. We liepen naar de afdeling neurochirurgie. Linda droeg een joggingbroek en haar lievelingstrui, een rode trui van zachte wol. Ze liep iets langzamer dan normaal. Niet omdat haar benen weigerden, maar omdat ze bang was. Dat zag ik aan de manier waarop ze haar tas tegen haar borst klemde.

Op de afdeling ging alles snel en zakelijk. Een verpleegkundige met rode krullen controleerde haar polsbandje. Daarna kwam een jonge assistent met een tondeuse. Dat was het eerste moment dat ik wilde schreeuwen. De assistent zette de tondeuse aan. Het apparaat gonsde zacht. Lok voor lok viel Linda’s blonde haar op het witte laken. Ze hield haar ogen stijf dicht. Ik hield haar hand vast. Haar haar rook naar kokosshampoo. Binnen twee minuten was de linkerkant van haar hoofd kaal. Er liep een witte hoofdhuid tevoorschijn met kleine sproetjes die ik nog nooit had gezien. Ze zag er plotseling uit als een kwetsbaar kind.

'Klaar,' zei de assistent zacht. Hij ruimde het haar op alsof het oud papier was.

Om half negen reden ze haar weg. De wielen van het bed piepten zacht op het linoleum. Bij de klapdeuren mocht ik niet verder. Linda keek om. Ze glimlachte even, heel strak. 'Tot straks,' zei ze.

'Tot straks,' zei ik. 'Ik hou van je.'

Toen vielen de deuren dicht.

De operatie duurde ruim vijf uur. Vijf uur is driehonderd minuten. Ik heb ze bijna allemaal geteld. Ik kon niet zitten in de wachtkamer. Ik liep door de gangen, naar het trappenhuis, naar de espressobar op de begane grond. Ik kocht koffie en gooide hem na één slok weg. Ik dacht aan wat de chirurg had gezegd: 'We halen weg wat we veilig weg kunnen halen. Maar we moeten heel voorzichtig zijn. Het zit vlak bij haar spraakcentrum.'

Een mes in haar hoofd. Een vreemde man in een blauw pak die in de herinneringen, de woorden en de gedachten van mijn vrouw sneed. Bij elke stap die ik zette, zag ik beelden voor me die ik niet wilde zien. Mijn maag draaide zich om van angst.

Om twee uur 's middags belde de arts. 'Meneer Van Dijk? De operatie is klaar. Het is technisch goed gegaan. U mag naar de uitslaapkamer.'

Ik rende bijna door de gang. Op de intensive care lag Linda tussen piepende kasten en infuuspalen. Ze had een dik wit verband om haar hoofd, als een scheve tulband. Haar gezicht was opgezwollen. Onder haar linkeroog zat een donkere, paarse bloeduitstorting. Er liep een dun slangetje uit haar neus. Ze zag er grijs uit.

Ik ging op de plastic kruk naast haar bed zitten. 'Lin,' fluisterde ik.

Haar oogleden bewogen. Langzaam gingen haar ogen open. Ze stonden dof, alsof ze door matglas keek. Ze zag me. Ik zag dat ze me herkende, want haar mondhoeken trokken iets omhoog. Maar haar rechterhand, die op de deken lag, bewoog niet.

'Water,' probeerde ze te zeggen. Maar het woord kwam er niet uit. Ze zei: 'Wa... nat. Nat.'

'Heb je dorst?' vroeg ik. Mijn keel zat dicht.

Ze knikte heel langzaam. Een verpleegkundige gaf me een sponsje op een plastic stokje. Ik doopte het in een bekertje water en streek voorzichtig over haar droge lippen. Ze zoog eraan als een baby. Het brak mijn hart in duizend stukken. Dit was Linda. Linda die de administratie van de hele gemeente deed, die altijd sneller praatte dan ik, die driftig kon worden als ik mijn sokken liet slingeren. Nu kon ze het woord voor water niet vinden.

Toen ze twee dagen later naar de gewone zaal mocht, zagen we het litteken voor het eerst. Het verband ging eraf. Er liep een boog over haar schedel, van haar oor tot bijna aan haar kruin. Tweeëndertig metalen nietjes hielden de wond bij elkaar. Ze glansden in het felle tl-licht. Ze zag eruit als een lappenpop die opnieuw aan elkaar was genaaid. Ik voelde een rilling over mijn rug lopen, maar ik dwong mezelf om te kijken. Ik streek over haar wang. 'Het geneest wel weer,' zei ik. Ik loog. En we wisten het allebei.

Hoofdstuk 3

Gif en vuur

Twee weken na de operatie begon het echte werk. De artsen noemden het 'adjuvante therapie'. Het klonk als een luxe woord voor marteling. Zes weken lang, elke werkdag, moesten we naar de afdeling radiotherapie. Eerst bestraling, daarna chemotherapie in pillen. Temozolomide heette het spul.

Het begon met het masker. In de kelder van het ziekenhuis maakten ze een masker van hard plastic over Linda’s gezicht. Het werd warm gemaakt in water en strak over haar gelaat getrokken terwijl ze op een smalle tafel lag. Het masker koelde af en werd keihard. Het had alleen kleine gaatjes voor haar neusgaten en haar ogen. Als ze op de bestralingstafel lag, klikten ze dat masker met vier klemmen vast aan de tafel. Ze kon haar hoofd geen millimeter bewegen. Geen millimeter.

'Ik stik daaronder, Dennis,' zei ze na de eerste keer in de auto. Ze trilde over haar hele lichaam.

'Ik weet het, schat,' zei ik. Ik hield het stuur met witte knokkels vast. 'Nog negenentwintig keer.'

Elke dag zag ik haar lichaam een stukje verder buigen onder de behandeling. Het begon met de vermoeidheid. Het was geen gewone moeheid, zoals na een lange werkdag. Het was een loodzware, verlammende uitputting. Na de bestraling liep ze naar de auto alsof ze door diepe modder waadde. Thuis viel ze op de bank in slaap met haar jas nog aan. Ze sliep tien, twaalf, veertien uur per dag. En als ze wakker werd, was ze nog steeds moe.

Daarna kwam de misselijkheid van de chemo. Ondanks de zware tabletten tegen het braken kon ze geen eten meer zien. Het ruiken van warm eten maakte haar al ziek. Ik kookte buiten op een campinggasstelletje in de schuur, zodat de geur van vlees of uien niet in huis bleef hangen. Zelf at ik staand aan het aanrecht, snel, met een schuldgevoel over elke hap die ik naar binnen kreeg.

En toen kwamen de steroïden. Dexamethason. De arts gaf het om de zwelling in haar hersenen tegen te gaan. Zonder die pillen zou ze epileptische aanvallen krijgen. Maar die pillen deden verschrikkelijke dingen met haar lichaam.

Binnen drie weken veranderde haar gezicht. Haar jukbeenderen verdwenen. Haar wangen werden bol en rood. Het heet een vollemaansgezicht, een vreselijke term voor iets dat zo pijnlijk is om te zien. Haar dunne benen en armen leken nog dunner te worden, terwijl haar buik opzwol. Maar het ergste was haar hoofd. De dexamethason maakte haar onrustig en agressief.

Op een donderdagavond stond ze om twee uur 's nachts in de keuken. Alle kastjes stonden open. Ze at koude vla uit een pak met een soeplepel. Haar ogen stonden wijd open en donker.

'Lin,' zei ik zachtjes vanuit de deuropening. 'Kom, we gaan weer naar bed.'

Ze draaide zich om. De vla zat op haar kin. Haar blik was ijskoud. 'Bemoei je met je eigen zaken!' schreeuwde ze. Het galmde door het stille huis. 'Ik heb honger! Laat me met rust, verdomme! Je zit me de hele dag achterna te lopen als een bewaker!'

Ik schrok achteruit. Linda had in achttien jaar nog nooit tegen me geschreeuwd. Nooit.

'Ik wil je alleen maar helpen,' zei ik.

'Rot op met je hulp!' riep ze. Ze gooide het pak vla op het aanrecht. Het spatte tegen de witte tegels. Daarna begon ze te huilen. Niet zachtjes, maar een luid, wanhopig gehuil, met schokkende schouders. Ze zakte door haar knieën op de vloer.

Ik ging naast haar zitten in de gemorste vla. Ik sloeg mijn armen om haar heen. Ze vocht eerst tegen me, duwde met haar vuisten tegen mijn borst, maar gaf het toen op. Ze rook naar zweet en zoete zuivel. We zaten daar op de keukenvloer, midden in de nacht. Het gif van de bestraling zat in haar hoofd, het gif van de pillen zat in haar bloed, en het vrat aan alles wat we waren. Ik voelde hoe ze langzaam uit mijn handen glipte, stukje voor stukje, terwijl ze gewoon naast me zat.

Hoofdstuk 4

De vloer van de badkamer

Het dieptepunt kwam in de vierde week na de bestraling. De buitenwereld dacht dat het ergste voorbij was, omdat we niet meer elke dag naar het ziekenhuis hoefden. Maar het gif bleef doorwerken. Haar bloedwaarden daalden naar een gevaarlijk niveau. Haar witte bloedcellen waren bijna weggevaagd. Ze mocht geen koorts krijgen, want elke simpele bacterie kon haar dood worden.

Het was een zaterdag in december. Buiten vroor het twee graden. Binnen stond de kachel op drieëntwintig, maar Linda lag onder twee dekbedden te rillen. Haar rechterbeen deed bijna niets meer. Als ze liep, sleepte ze haar voet over de vloer met een schurend geluid. Sjjjt. Sjjjt. Ik hielp haar met alles: aankleden, naar het toilet gaan, eten snijden.

Die nacht werd ik om kwart over drie wakker van een geluid. Een doffe plof, gevolgd door een zucht. Geen gil. Alleen een plof.

Ik schoot overeind. Mijn kant van het bed was warm, haar kant was leeg. Ik sprong uit bed en rende op blote voeten naar de overloop. De deur van de badkamer stond op een kier. Het felle lampje boven de spiegel brandde.

Linda lag op de witte badkamertegels. Ze lag op haar zij, half tussen het toilet en de wasmand. Haar nachthemd zat om haar heupen gedraaid. Ze had haar onderbroek half naar beneden getrokken. De vloer onder haar was nat. Ze had het toilet niet op tijd gehaald.

'Linda!' riep ik. Ik zakte op mijn knieën naast haar.

'Ga weg,' fluisterde ze. Haar gezicht lag plat tegen de koude tegels. Ze keek naar de afvoer van de douche. 'Ga weg, Dennis. Alsjeblieft.'

'Ik ga je optillen,' zei ik. Mijn hart sloeg in mijn keel.

'Nee!' gilde ze opeens. Het was een schor, breekbaar geluid. 'Kijk niet naar me! Raak me niet aan! Ga weg!'

De geur van urine sloeg in mijn neus. Ze lag in haar eigen vuil op de grond, machteloos, vernederd tot op het bot. Ik zag de blauwe plekken op haar heupen van de bloedverdunners. Ik zag haar kale schedel waar het haar nog steeds niet op terugkwam, alleen wat dunne grijze pluisjes aan de zijkant. Ze was een schim. En op dat moment voelde ik iets waar ik me tot op de dag van vandaag diep voor schaam: ik voelde woede.

Ik was woedend op die klootzak van een tumor. Ik was woedend op de artsen die haar opensneden en daarna naar huis stuurden. Maar ik was voor een seconde ook woedend op háár. Omdat ze uit bed was gestapt zonder mij te roepen. Omdat ze niet luisterde. Omdat ik niet meer sliep, niet meer werkte, niet meer ademde zonder angst. Ik wilde mijn handen in de lucht gooien, de deur achter me dichttrekken en keihard wegrennen, de vrieskou in, tot mijn longen brandden.

Ik ademde heel diep in. De woede trok weg en liet een gapend, koud gat achter. Pure vermoeidheid.

'Ik laat je niet liggen, Lin,' zei ik. Mijn stem klonk vlakker dan ik wilde.

Ik schoof mijn armen onder haar oksels. 'Help even mee met links,' zei ik. 'Zet af.'

Ze deed niets. Ze maakte zich zwaar, loodzwaar. Ik trok haar omhoog, maar mijn voet gleed uit op de natte tegels. We vielen bijna samen terug. Mijn rug schoot in een kramp. Pijn schoot door mijn onderrug. Ik beet op mijn tanden, zette mijn knie tegen de rand van het bad en trok haar met brute kracht overeind. Ik zette haar op de dichte deksel van de wc.

Ze boog haar hoofd en begon te snikken. Geen gewone tranen, maar een diep, schokkend verdriet. Ze sloeg haar handen voor haar gezicht. 'Ik kan niet eens meer plassen,' huilde ze. 'Ik ben een baby. Ik ben een walgelijk beest.'

Ik pakte een washandje. Ik zette de warme kraan aan. Zonder iets te zeggen veegde ik haar benen schoon. Ik waste haar billen, haar dijen, met warm water en zeep. Mijn tranen vielen op haar knie. Ik zag het pas toen ze vielen. Ik droogde haar af met een zachte handdoek, pakte een schone onderbroek uit de kast en trok hem over haar voeten.

Daarna ging ik naast haar op de grond zitten, met mijn rug tegen het bad. De vloer was koud onder mijn blote benen. Ik pakte haar linkerhand. Die hand leefde nog. Die hand kneep zachtjes terug.

'Het spijt me,' fluisterde ze.

'Mij ook,' zei ik. We zaten daar een kwartier in stilte. De badkamer rook naar lavendelzeep en urine. Daar, op die koude vloer, wist ik dat het oude leven voorgoed dood was. We zouden het nooit meer terugkrijgen.

Hoofdstuk 5

Een nieuw soort kracht

De volgende ochtend belde ik Joke. Joke was de wijkverpleegkundige die we na het ziekenhuis kregen toegewezen, maar die ik tot dan toe buiten de deur had gehouden. Ik dacht dat ik het zelf wel kon. Ik was haar man. Het was mijn taak. Wat een enorme vergissing was dat geweest. Trots is een nutteloze emotie als je vrouw kanker heeft.

Joke stond om elf uur voor de deur. Ze was een vrouw van een jaar of vijftig met kort grijs haar, stevige wandelschoenen en een stem die rust uitstraalde. Ze liep naar binnen, keek naar de stapel vuile was, keek naar Linda die apathisch op de bank lag, en keek naar mij. Ze zag mijn rode ogen en de donkere kringen eronder.

'Zo, Dennis,' zei ze, terwijl ze haar jas over een stoel hing. 'Jij gaat nu eerst een uur wandelen.'

'Dat kan niet,' zei ik meteen. 'Ik moet—'

'Je moet helemaal niets,' onderbrak ze me. Niet streng, maar beslist. 'Als jij instort, ligt zij morgen in een verpleeghuis. Zo simpel is het. Ga naar buiten. Ik ben hier.'

Ik pakte mijn jas en liep naar buiten. Ik liep over de dijk langs de IJssel. De wind sneed in mijn gezicht. Het water was grauw en kolkte snel. Ik liep en liep, tot mijn benen moe waren. Ik voelde me schuldig, maar voor het eerst in drie maanden voelde ik ook even rust. Er was iemand anders die de wacht hield. Die middag regelde Joke een hoog-laagbed, een postoel voor naast het bed en twee keer per dag thuiszorg voor het wassen.

Het loslaten van die zorg gaf me ruimte. Niet om uit te rusten, maar om weer haar man te zijn in plaats van haar uitgeputte verzorger. Daar begon onze veerkracht. Veerkracht is geen dapper woord. Het is geen heldendaad. Het is gewoon accepteren dat de situatie kut is, en kijken wat er binnen die puinhoop nog wél kan.

In mijn werkplaats pakte ik het gereedschap weer op. Ik kon nog geen hele kasten maken, maar ik moest met mijn handen werken om niet gek te worden. Ik zaagde een stuk glad essenhout af. Ik schaafde het tot het zijdezacht was. Ik maakte een stevige, ergonomische handgreep voor een lepel. Linda’s rechterhand kon door de verlamming geen gewone lepel meer vasthouden. Met deze dikke houten greep kon ze haar vingers eromheen klemmen zonder kracht te zetten.

Die avond gaf ik de lepel aan haar. We aten erwtensoep.

Ze keek naar het stuk hout. Ze pakte het vast met rechts. Haar vingers trilden, maar de greep was breed genoeg. Ze schepte heel langzaam een beetje soep uit haar kom. Ze bracht de lepel naar haar mond. Ze morste twee druppels op tafel, maar de rest ging naar binnen.

Ze keek me aan. Er brak iets door in haar blik. Een vonk. Het was geen vrolijkheid, het was trots.

'Zelf gedaan,' zei ze. De woorden waren kort, maar ze stonden als een huis.

'Zelf gedaan,' zei ik.

We begonnen een nieuw ritme te vinden. De fysiotherapeut kwam twee keer per week aan huis. Met een gele schuimrubberen bal oefenden ze op de bank. Knijpen. Loslaten. Knijpen. Loslaten. Soms lukte het vijf keer achter elkaar. Dan vierden we dat met een kop thee en een koekje. Als het niet lukte, vloekte ze een keer hardgrondig, en deden we de bal weg.

Op een zaterdagmiddag in februari scheen de zon. Het was koud, maar windstil. Ik pakte Linda helemaal in met een dikke jas, een wollen muts en een sjaal die over haar litteken viel. Ik zette haar in de rolstoel die Joke had geregeld en duwde haar naar het terras achter ons huis.

Ik zette de rem erop en ging naast haar op een houten bankje zitten. De zon scheen op onze gezichten. Linda sloot haar ogen. Ze ademde de koude, frisse lucht diep in. Haar gezicht was nog steeds getekend door de medicijnen, maar de spanning rond haar kaken was even weg.

'Fijn,' fluisterde ze.

'Ja,' zei ik. 'Heel fijn.'

Ik pakte een appel uit mijn zak, sneed hem met mijn zakmes in dunne partjes en gaf haar een stukje. We zaten daar twintig minuten in de winterzon, kauwend op zure appel. We wisten allebei dat de tumor er nog zat. We wisten dat hij terug zou komen. De statistieken logen niet. Maar op dat specifieke kwartier op het terras had de tumor geen macht over ons. We waren er nog. We leefden.

Hoofdstuk 6

De krimpende cirkel

De scan in april bracht het vonnis dat we al verwachtten, maar waar je nooit klaar voor bent. We zaten weer tegenover dokter Visser. Hij hoefde zijn mond nauwelijks open te doen; ik zag het al aan zijn schouders toen hij binnenkwam.

'Er is nieuwe groei,' zei hij. Hij wees niet eens meer naar het scherm. 'Rond de randen van het operatiegebied. Het weefsel reageert niet meer op de chemo.'

Linda knikte alleen maar. Ze leek niet eens verrast. 'En nu?' vroeg ik.

'We kunnen nog een ander soort chemo proberen,' zei de arts eerlijk. 'Maar de kans dat het aanslaat is minder dan tien procent. En de bijwerkingen zijn zwaar. Als u mijn zus was, zou ik zeggen: stop ermee. Zorg voor kwaliteit van leven. We gaan over op palliatieve zorg.'

Palliatief. Het woord hing als een natte deken in de spreekkamer. Het betekende dat we stopten met vechten tegen de dood, en begonnen met het wachten erop.

We kozen voor stoppen. Geen ziekenhuizen meer. Geen witte jassen, geen infusen, geen scanners die beukten in het donker. We gingen naar huis om het einde af te wachten.

In de weken daarna werd onze wereld kleiner. Het was alsof iemand een cirkel om ons heen had getrokken en die cirkel elke dag een stukje strakker aantrok. Eerst vielen de wandelingen af; de rolstoel werd te zwaar voor haar nek. Daarna viel de benedenverdieping af. We verhuisden haar bed naar de woonkamer, zodat ze naar de tuin kon kijken en de vogels bij het voederhuisje kon zien.

En de mensen vielen af. In het begin kregen we bloemen, kaarten en appjes van buren, collega’s en kennissen. Maar naarmate Linda zieker werd, bleven de mensen weg. Niet omdat ze gemeen waren, maar omdat ze bang waren. Ze wisten niet wat ze moesten zeggen. Ze konden niet omgaan met een vrouw van 41 die doodging en nauwelijks meer kon praten. Als ik naar de supermarkt ging, zag ik soms een bekende snel een ander gangpad inschieten om me maar niet tegen te komen. Ik nam het ze niet eens kwalijk. De dood maakt mensen laf.

Uiteindelijk bleven alleen Joke, mijn broer Peter en wij tweeën over. De stilte in huis werd dieper. Linda’s spraak verdween bijna helemaal. Woorden werden losse klanken. 'Koud.' 'Pijn.' 'Water.' Vaak was er zelfs geen klank meer, alleen een blik. Ik leerde een nieuwe taal. Als haar wenkbrauwen samenknepen, had ze hoofdpijn en gaf ik haar druppels morfine onder de tong. Als ze haar linkerhand open en dicht deed, wilde ze dat ik haar hand vasthield. Als ze naar het raam keek, schoof ik de gordijnen verder open.

Het was vreemd, maar in die krimpende cirkel ontstond een enorme tederheid. Alle ruis van het gewone leven was weg. Geen hypotheek, geen werkstress, geen ruzies over wie het vuilnis buiten zette. Er was alleen het nu. Haar lichaam gaf het langzaam op. Ze kon niet meer slikken, dus kreeg ze verdikkingsmiddel door haar water. Ze at niet meer dan twee lepels vla per dag. Haar botten werden zichtbaar onder haar huid. Haar sleutelbeenderen staken uit als richels van steen.

Op een middag in mei zat ik naast haar bed. Buiten zongen de merels. Ik had een cd opgezet van een band waar we vroeger vaak naar luisterden toen we net verkering hadden. Ze lag met haar ogen dicht. Haar ademhaling was zwaar en raspend.

Ik pakte een fotoboek van onze vakantie naar Noorwegen, tien jaar geleden. We stonden op een rots bij een fjord, met windjacks aan en haar haren wapperend in de wind. Ik hield het voor haar gezicht.

'Weet je nog, Lin?' vroeg ik. 'Die rotstocht waar we verdwaalden in de mist?'

Haar oogleden gingen langzaam omhoog. Ze keek naar de foto. Haar lippen bewogen even. Ze zocht naar de herinnering. Toen gleed haar blik van de foto naar mijn gezicht. Ze glimlachte niet met haar mond, maar met haar ogen. Een korte, heldere flits van herkenning. Een flits van de Linda die met mij door de mist liep.

Ze tilde haar linkerhand op, legde die heel zwaar op mijn knie en liet haar hand daar liggen. Ze zei niets. Ze hoefde niets te zeggen. We wisten het allebei. De cirkel was klein geworden, piepklein, maar binnen die cirkel waren we nog steeds samen.

Hoofdstuk 7

Wat overblijft

Begin juni zette de laatste fase in. Joke noemde het de terminale fase. Linda sliep nu bijna vierentwintig uur per dag. Het bed in de woonkamer was ons hele universum geworden. De schuifpui naar de tuin stond dag en nacht op een kier, zodat de geur van nat gras en bloeiende jasmijn naar binnen waaide.

Haar lichaam was op. Er was niets meer over van de gezonde, sterke vrouw die vorig jaar nog een halve marathon liep. Haar wangen waren ingevallen, haar lippen droog en gebarsten. Ik bevochtigde ze elk halfuur met een nat gaasje. Haar nieren begonnen ermee op te houden; haar urine in de katheterzak werd donker als thee. De arts van de thuiszorg kwam langs en sloot een morfinepomp aan. Een klein grijs apparaatje dat continu een lage dosis morfine en midazolam via een naaldje onder haar huid pompte. Tegen de pijn, tegen de onrust.

'Ze lijdt niet, Dennis,' zei de arts zacht. Hij legde een hand op mijn schouder. 'Ze zakt langzaam weg. Haar lichaam schakelt zichzelf uit, orgaan voor orgaan.'

Ik knikte. Ik huilde niet meer. Mijn tranen waren op. Wat overbleef was een vreemde, ijzige helderheid. Ik zat op de stoel naast haar bed. Ik sliep in hazenslaapjes van twintig minuten op de bank, maar bij het minste geluid was ik wakker.

Ik luisterde naar haar ademhaling. Dat werd mijn hele leven: luisteren. Soms stopte haar ademhaling opeens. Tien seconden. Vijftien seconden. Twintig seconden. Mijn eigen adem stokte dan ook. Dan kwam er weer een diepe, zagende zucht uit haar borstkas, en ging het ritme verder. Cheyne-Stokes-ademhaling noemde Joke dat. Het hoorde erbij. Het was de muziek van een lichaam dat afscheid nam.

Op de vierde nacht van juni was het buiten volkomen stil. Geen wind, geen verkeer. Alleen het getik van de klok aan de muur en het zachte zoemen van de morfinepomp.

Om half vier veranderde haar ademhaling. Het raspende geluid verdween. Ze ademde heel oppervlakkig, heel zachtjes. Alsof ze alleen nog maar lucht snoepte.

Ik stond op en ging op de rand van haar bed zitten. Ik pakte haar hand. Haar vingers voelden koel aan, haar handpalm nog lauw. Haar nagelbedden zagen een beetje blauw.

'Ik ben hier, Lin,' fluisterde ik in haar oor. 'Je hoeft niet meer te vechten. Het is goed. Laat maar los.'

Ik wist niet of ze me nog hoorde. Ze zeggen dat het gehoor het laatste zintuig is dat verdwijnt. Ik hoopte het maar.

Ze ademde in. Een heel klein zuchtje. Haar borstkas kwam nauwelijks omhoog.

Toen ademde ze uit.

Ik wachtte op de volgende inademing. Ik telde in mijn hoofd. Eén. Twee. Drie. Vier. Vijf.

Er kwam niets meer. Geen schok, geen kramp, geen drama. De stilte viel over de kamer als een dikke wollen deken. Haar gezicht ontspande zich helemaal. De diepe groef tussen haar wenkbrauwen, die er al die maanden van pijn en spanning had gezeten, trok weg. Haar trekken werden glad. Ze zag er opeens weer uit zoals vroeger, maar dan van steen.

Ik bleef zitten. Ik liet haar hand niet los. Ik voelde hoe de warmte heel langzaam uit haar huid wegtrok. Het duurde lang. Een lichaam geeft de warmte niet zomaar op.

Ik keek naar haar. Het was voorbij. De vlek op de scan had gewonnen. De tumor had haar spraak afgepakt, haar kracht, haar geheugen, haar beweging en uiteindelijk haar adem. Hij had haar lichaam van binnenuit afgebroken tot er niets meer van over was.

Maar toen ik daar zat, in het eerste grijze ochtendlicht dat door de schuifpui naar binnen scheen, voelde ik geen verslagenheid. Ik voelde een loodzwaar, diep verdriet, maar geen nederlaag. We hadden niet verloren. We hadden standgehouden. We hadden elke millimeter terrein die de ziekte opeiste, betaald met zorg en liefde. We hadden op de vloer van de badkamer gezeten, we hadden erwtensoep gegeten met een houten lepel, we hadden in de winterzon gezeten. We hadden tot de allerlaatste seconde niet weggekeken.

Ik boog voorover en kuste haar voorhoofd. Haar huid voelde koel aan tegen mijn lippen.

'Dag meisje,' zei ik.

Ik stond op, liep naar de schuifpui en schoof hem helemaal open. De ochtendlucht stroomde de kamer binnen, koud en zuiver. Buiten begon de eerste vogel te zingen. Ik haalde diep adem. Mijn lijf deed overal pijn, mijn ogen brandden, maar ik stond nog overeind. Ik leefde nog. En zolang ik leefde, zou ik haar niet kwijtraken.