Ziekte en gezondheid
Kanker kreeg mijn lichaam, niet mijn naam
Bevat beschrijvingen van ziekte en behandeling.
Hoofdstuk 1
De plint die bleef liggen
Mijn naam is Dennis de Graaf. Tweeënveertig jaar oud, geboren en getogen in Dordrecht. Tot vorig jaar was ik keukenmonteur. Ik hield van mijn vak. Als ik een eiken werkblad van tachtig kilo op zijn plek tilde, gaf dat geen krimp. Mijn handen zaten onder het eelt, mijn knieën waren versleten van het tegelwerk, en mijn hoofd was altijd bezig met de volgende klus. Ik was de man die problemen oploste. Een scheve muur trok ik recht. Een leiding die in de weg zat, verlegde ik gewoon.
Het begon op een dinsdag in oktober, in een nieuwbouwhuis in Papendrecht. Ik stond op mijn knieën om een plint onder een vaatwasser te schroeven. Opeens leek het alsof iemand een roestige spijker door mijn onderbuik ramde. Ik liet mijn accuschroefmachine vallen. Het apparaat kletterde op het pas gelegde laminaat. Ik hapte naar adem en kneep mijn ogen dicht. Zweet brak uit op mijn voorhoofd, ijskoud en plakkerig.
"Alles goed daar beneden, Dennis?" riep mijn maat Mo vanuit de gang. Hij was bezig met het uitpakken van de bovenkastjes.
"Kramp," loog ik. Mijn stem klonk dun, alsof er een zware doek over mijn mond lag. "Gewoon even verkeerd bewogen."
Ik bleef een minuut op handen en voeten zitten. De pijn trok langzaam weg, maar er bleef een doffe, kloppende leegte achter. Het was niet de eerste keer. Al twee maanden voelde ik me raar. Mijn ontlasting was donker, bijna zwart, en soms zat de pot vol met donkerrood bloed. Ik had tegen mezelf gezegd dat het aambeien waren. Mannen van in de veertig die zwaar tillen, krijgen aambeien. Dat hoort erbij, dacht ik. Je zeurt niet, je smeert wat zalf en je gaat door.
Die middag kreeg ik de plint niet meer vast. Ik kon niet meer bukken zonder het gevoel dat mijn darmen in brand stonden. Ik stuurde Mo naar huis met een smoes over een kapotte zekering en reed zelf naar de bouwmarkt. Op de parkeerplaats van de Gamma bleef ik twintig minuten in mijn bus zitten. Mijn handen trilden op het stuur. In de achteruitkijkspiegel zag ik mijn eigen gezicht. Mijn huid was vaalgeel, de kleur van oud krantenpapier. Onder mijn ogen hingen donkere kringen die er vorige maand nog niet zaten.
Toen ik thuiskwam, rook het huis naar stamppot boerenkool. Mijn vrouw Ellen stond bij het fornuis. Onze zoon Timo van elf zat aan de keukentafel zijn huiswerk voor aardrijkskunde te maken.
"Je bent vroeg," zei Ellen. Ze draaide zich om en keek me aan. De pollepel bleef halverwege de pan hangen. Haar blik veranderde in een seconde van ontspannen naar bezorgd. "Dennis. Wat is er met jou?"
"Niks bijzonders. Gewoon gaar," zei ik.
"Niet liegen. Je bent zo wit als een laken. Je zweet."
"Ik heb buikpijn. Griepje, denk ik."
Ellen legde de lepel neer. Ze kwam naar me toe en legde haar hand tegen mijn voorhoofd. Haar vingers waren warm. Ik voelde me ineens vreselijk klein, alsof ik weer een kind was dat betrapt werd op een stomme streek.
"Je gaat morgenochtend naar de huisarts," zei ze zacht, maar met die harde rand in haar stem die geen tegenspraak duldde. "Ik bel om acht uur. En als jij niet gaat, sleep ik je erheen."
Ik protesteerde nog wat over een keukeneiland dat voor het weekend af moest, maar ik wist dat ze gelijk had. Die nacht sliep ik niet. Ik lag op mijn rug naar het plafond te staren en luisterde naar de ademhaling van Ellen naast me. Elke keer als ik me omdraaide, protesteerde mijn buik. Het voelde zwaar, log en vreemd. Mijn lichaam was altijd mijn gereedschap geweest. Een trouwe machine die deed wat ik wilde. Nu voelde het alsof de motor van binnenuit aan het vastlopen was.
De volgende ochtend zat ik om negen uur bij dokter Van Loon. Een rustige man met grijs haar en een bril met een dun montuur. Hij liet me op de onderzoeksbank liggen. Toen hij zijn vingers rechtsonder in mijn buik drukte, schoot ik overeind van de pijn.
Van Loon zei niet veel. Hij keek ernstig. Hij waste zijn handen bij het kraantje en droogde ze af met een papieren doekje. Het geluid van dat scheurende papier sneed door de stilte.
"Dennis," zei hij terwijl hij ging zitten achter zijn bureau. "Je bloeddruk is veel te laag en je pols gaat te snel. Ik ga direct bloed laten prikken, en ik wil dat je morgenochtend naar het ziekenhuis gaat voor een coloscopie. Ik bel de maag-darm-leverarts zelf even."
"Is het ernstig?" vroeg ik. De woorden smaakten naar droog zand.
"We moeten eerst kijken," antwoordde hij. Dokters antwoorden altijd zo als ze al weten dat het mis is. Ik liep naar buiten, de koude herfstlucht in. Mijn bus stond op de stoep. De gereedschapskisten rammelden achterin toen ik instapte. Ik startte de motor, maar ik wist ineens niet meer waar ik heen moest rijden.
Hoofdstuk 2
Tussen de tegels
Het Albert Schweitzer ziekenhuis rook naar schoonmaakmiddel en koude koffie. Ik zat naast Ellen in wachtruimte 4. Op de muur hing een poster over stoppen met roken en een scherm waarop nummers verschenen. We hielden elkaars hand vast. Ellens knokkels waren wit van het knijpen. Niemand zei iets. De mensen om ons heen keken allemaal naar de grond of naar hun telefoon. Niemand keek elkaar aan. Iedereen had zijn eigen ramp bij zich.
"Meneer De Graaf?" Een jonge arts in een witte jas stond in de deuropening. Dr. Visser, stond er op zijn bordje.
We liepen achter hem aan een spreekkamer in. Twee stoelen met blauwe bekleding, een bureau met een computer, een doos tissues die pontificaal in het midden stond. Die tissues vertelden me al genoeg voordat de dokter zijn mond opendeed.
Visser ging zitten, vouwde zijn handen over elkaar en keek me recht aan. Geen omwegen. Dat waardeerde ik achteraf wel, al voelde het op dat moment alsof hij een moker tegen mijn borstbeen zette.
"We hebben de beelden van het darmonderzoek en de scan bekeken, meneer De Graaf. Er zit een grote tumor in de dikke darm. Hij sluit de doorgang bijna af. En we zien helaas ook afwijkingen op de lever. Plekjes die daar niet horen."
De kamer werd plotseling heel stil. Alsof iemand het geluid van de hele wereld had uitgedraaid. Ik hoorde alleen de computerzoem van het scherm en het suizen van mijn eigen bloed in mijn oren.
"Kanker," zei ik. Het woord klonk plat en lelijk.
"Ja," zei Visser. "Darmkanker met uitzaaiingen naar de lever. Stadium vier."
Naast me gaf Ellen een rauw, kort gilletje. Ze sloeg haar hand voor haar mond. Haar schouders begonnen te schudden. Ik bewoog niet. Ik bleef naar de das van dr. Visser kijken. Blauw met kleine gele streepjes. Een keurige das. Waarom draagt een man zo'n das op de dag dat hij iemand vertelt dat zijn leven voorbij is?
"En nu?" vroeg ik. Mijn stem was hard, bijna boos. "Kan het eruit?"
"De darm moet snel geopereerd worden," legde Visser uit. "De tumor blokkeert de boel. Als we niks doen, knapt de darm binnen een paar weken. Daarna moeten we praten over chemotherapie voor de lever. Genezen... genezen is in dit stadium een heel moeilijk woord, Dennis. We gaan behandelen om het onder controle te krijgen. Om tijd te winnen."
Tijd winnen. Ik was tweeënveertig. Ik had net een nieuwe schutting geplaatst met hardhouten palen die vijfentwintig jaar mee moesten. En deze man had het over tijd winnen.
Drie dagen later lag ik op de operatiekamer. De felle lampen boven me leken op reusachtige spiegels waarin ik mijn eigen bleke, ontblote lichaam zag. Iemand zette een kapje op mijn gezicht. "Denk aan iets moois," zei een vriendelijke stem.
Toen ik wakker werd, was alles wit en vaag. Pijn sneed als een brandende draad door mijn buik. Slangen liepen uit mijn neus, een infuus zat in mijn handrug geprikt, en tussen mijn benen voelde ik een kille druk van een blaaskatheter. Maar het vreemdste gevoel zat rechts op mijn buik.
Ik schoof mijn hand voorzichtig onder het dunne ziekenhuislaken. Mijn vingers raakten plastic. Een bolling. Een zakje dat warm aanvoelde.
Een verpleegkundige met donker haar kwam naast mijn bed staan. Ze zag wat ik deed.
"Rustig maar, Dennis," zei ze zacht. "De operatie is goed gegaan. De chirurg heeft een stoma moeten aanleggen. Je darm was te ontstoken om de uiteinden weer aan elkaar te hechten."
Ik trok het laken een stukje naar beneden en keek. Op mijn buik, waar altijd een stevige rand spieren had gezeten, zat een ovale, rode bobbel die door mijn huid naar buiten stak. Eromheen zat een doorzichtige plak, met daaraan een zakje gevuld met bruine derrie. Het zag eruit als een stuk rauw vlees dat niet bij mij hoorde. Een vreemd, vies ding dat op mijn lijf was geplakt.
Ik draaide mijn hoofd weg naar de muur. De tegels waren wit, met grijze voegen. Ik begon de voegen te tellen. Eén, twee, drie, vier. Als ik bleef tellen, hoefde ik niet te voelen. Als ik bleef tellen, bestond die rode vleesklomp op mijn buik misschien niet.
Toen Ellen die middag binnenkwam met Timo, deed ik alsof ik sliep. Ik kon het niet aanzien. Ik wilde niet dat mijn zoon zijn vader zag als een hoopje ellende met een zak vol stront aan zijn buik geplakt. Ik kneep mijn ogen stijf dicht tot ze na twee uur weggingen. Pas toen de deur dichtklikte, liet ik de tranen over mijn wangen lopen. Ze smaakten naar zout en schaamte.
Hoofdstuk 3
De geur van koude thee
Chemo heeft een smaak. Niemand vertelt je dat van tevoren, maar het is zo. Zodra de vloeistof via het kastje onder mijn sleutelbeen naar binnen liep, proefde ik oud ijzer. Alsof ik op een roestige spijker zoog. Mijn mond werd droog, mijn tong voelde aan als schuurpapier, en elke slok water brandde in mijn keel.
In december zat ik elke twee weken op de dagbehandeling. Zaal B. Zes relaxstoelen op een rij, bekleed met hetzelfde nepleer als in een wachtkamer van de tandarts. Naast elke stoel stond een infuuspaal met een plastic zak vol gif dat me in leven moest houden door me bijna dood te maken.
Naast me zat mevrouw Berends. Zeventig jaar, grijze permanent, altijd gekleed in een gebreid vest. Ze dronk koude kamillethee uit een thermosfles en las streekromans. Soms keek ze op en knikte ze naar me. Een meelevend, vermoeid knikje. Lotgenoten, noemden ze dat in de folders die in de rekken hingen. Ik haatte dat woord. Ik was geen lotgenoot. Ik was een vakman die tussen de bejaarden zat te verpieteren terwijl zijn gereedschap in de schuur lag te roesten.
De verpleegkundige, Inge, sloot het infuus aan. Ze was een vrolijke meid van begin dertig. Ze kende iedereen bij naam.
"Zo, Dennis," zei ze terwijl ze de klemmetjes losmaakte. "Weer de oxaliplatin vandaag. Denk je aan je handschoenen als je thuiskomt? Niks kouds aanraken, hoor. Zelfs de koelkastdeur niet."
"Ik weet het," zei ik kortaf.
De zenuwpijn was het ergste van dat spul. Zodra de temperatuur onder de vijftien graden kwam, leek het alsof er duizenden naalden in mijn vingertoppen werden gestoken. Ik kon geen koud glas melk pakken zonder dat mijn vingers verkrampten. Een vork vasthouden voelde alsof ik prikkeldraad vastpakte. Mijn handen, waarmee ik vroeger op de millimeter nauwkeurig een scharnier afhing, waren veranderd in onhandige klauwen die het dopje van een tandpastatube niet eens meer los kregen.
Thuis was het stil. Veel te stil.
Timo durfde amper herrie te maken. Vroeger rende hij door de gang, gooide hij zijn schooltas in de hoek en zette hij hard muziek op. Nu sloop hij op sokken door de woonkamer. Als hij me op de bank zag liggen met een deken over mijn benen, fluisterde hij:
"Slaap je, pap?"
"Nee jongen. Kom maar."
Dan kwam hij op het puntje van de bank zitten, met zijn handen tussen zijn knieën geklemd. Hij durfde me niet eens meer goed te knuffelen, bang dat hij mijn buik of mijn infuuspoort zou raken. Hij keek me aan met grote, vragende ogen waarin de angst te lezen stond. Een kind van elf hoort niet bang te zijn voor zijn vader. Een kind hoort te denken dat zijn vader onoverwinnelijk is. Die illusie had ik hem afgenomen.
Ellen werkte zich ondertussen een slag in de rondte. Ze deed haar eigen parttime baan op het administratiekantoor, deed de boodschappen, kookte het eten, hielp Timo met school en verschoonde mijn stomamateriaal als mijn handen te erg trilden om de plak recht te knippen.
Op een donderdagavond in januari ging het mis.
Ik lag op bed. Ellen stond in de badkamer de was op te vouwen. Opeens voelde ik een warme, weeïge stroom langs mijn lies lopen. Ik wist meteen wat het was. De plak van het stomazakje had losgelaten.
"Ellen!" riep ik. Mijn stem sloeg over.
Ze kwam direct aangerend, nog met een opgevouwen theedoek in haar handen. Ze zag het laken, waar een donkere, natte vlek snel groter werd. De geur sloeg ons meteen in het gezicht. Scherp, zuur en doordringend.
"Blijf liggen," zei ze snel. "Niet bewegen, ik pak handdoeken."
"Laat maar!" schreeuwde ik. Ik probeerde overeind te komen, maar ik gleed weg op het bevuilde laken. De smurrie zat nu aan mijn hemd, aan mijn boxershort, op mijn benen. "Raak me niet aan! Ga weg!"
"Dennis, doe niet zo idioot, ik help je gewoon..."
"Ik zei rot op!" brulde ik. Ik sloeg wild om me heen en raakte de nachtkastlamp, die met een doffe klap op het laminaat viel. "Kijk naar me! Ik ben een debiel! Ik schijt mezelf onder in mijn eigen bed! Ben je getrouwd met een vent of met een kleuter van tachtig?"
Ellen bleef staan in de deuropening. Haar gezicht trok wit weg. Ze huilde niet. Dat was misschien nog wel het ergste. Haar ogen waren leeg, doodmoe. Ze liet de handdoek vallen op de vloer.
"Je bent ziek, Dennis," zei ze heel zacht. "Maar als je zo tegen me blijft doen, ben ik straks weg. Niet omdat je ziek bent. Maar omdat je een klootzak wordt."
Ze draaide zich om en liep de trap af. Beneden hoorde ik de keukendeur dichtvallen. Ik bleef alleen achter in het donker, zittend in mijn eigen vuil. De geur vulde de kamer. Buiten waaide de wind tegen het slaapkamerraam. Ik voelde me leger dan ik ooit voor mogelijk had gehouden. Mijn lichaam was niet meer van mij. Het was een vijandig stuk vlees geworden dat me alleen nog maar vernederde.
Hoofdstuk 4
Het dieptepunt in het gangpad
Eind februari besloot ik dat ik er klaar mee was. De chemo had een week pauze. De misselijkheid was gezakt tot een dof brommen op de achtergrond. Ik kon weer op mijn benen staan zonder meteen te wankelen.
"Ik ga naar de Gamma," zei ik tegen Ellen bij het ontbijt. Het klonk als een oorlogsverklaring.
Ze keek op van haar koffie. "Moet dat nou? Ik kan die schroeven ook wel even halen als ik Timo naar voetbal breng."
"Nee," zei ik stug. "Jij haalt de verkeerde. Ik moet zelf zien wat ik nodig heb. Ik ben niet invalide."
Ze zuchtte, maar ze hield me niet tegen. Ze had de puf niet meer om ruzie te maken. Ik trok mijn oude werkjas aan. Hij hing slap om mijn schouders. In vier maanden tijd was ik veertien kilo kwijtgeraakt. Mijn broekriem zat op het laatste gaatje en zelfs dan moest ik mijn broek ophouden. Maar toen ik de sleutels van mijn bus van het haakje pakte, voelde ik voor het eerst in maanden een sprankje van de oude Dennis. Ik ging naar buiten. Onder de mensen. Even geen ziekenhuis, geen zusters, geen pillendoosjes.
De lucht op de parkeerplaats van de bouwmarkt was koud en grijs. Het rook er vertrouwd: naar zaagsel, pallets en rubber. Ik pakte een oranje winkelmandje en liep naar binnen. Het vertrouwde geluid van een heftruck die achterin pallets verplaatste, deed me goed. Ik kende deze paden uit mijn hoofd. Gangpad 6: ijzerwaren en pluggen.
Ik zocht naar zware keilbouten. Ik wilde in de schuur een nieuwe balk ophangen om mijn zware gereedschap aan te bevestigen. Pure bezigheidstherapie, maar ik had een doel nodig. Terwijl ik voor het schap stond, voelde ik een steek in mijn onderbuik. Een bekend, gemeen krampje. Lucht.
Bij een stoma kun je scheten niet inhouden. Er zit geen sluitspier op. Als er lucht komt, vult het zakje zich met een zacht, ritselend geluid. Normaal gesproken vangt het koolstoffilter in het zakje de geur op. Maar vandaag was mijn buik onrustig.
Ik bukte om een doos bouten van de onderste plank te pakken. Een kilo of drie, meer was het niet.
Toen knapte het.
Het was geen geluid dat iemand anders kon horen, maar ik voelde het meteen. Een scheurend gevoel bij de plak op mijn huid. De spanning van het bukken, gecombineerd met een zakje dat al te vol zat. Binnen twee seconden voelde ik de warme, brandende vloeistof door de zijkant van de plak breken. Het liep over mijn buik, onder de elastieken band van mijn onderbroek door, recht in mijn spijkerbroek.
Ik verstijfde. De doos bouten viel uit mijn handen en kletterde over de betonnen vloer. IJzeren pluggen en ringen rolden alle kanten op.
"Kan ik u helpen, meneer?" Een jonge jongen in een Gamma-polo kwam het gangpad ingelopen. Hij bukte al om een paar bouten op te rapen.
"Blijf van me af," siste ik.
De jongen keek verbaasd op. En toen rook hij het. Zijn neusgaten trokken samen. Zijn blik gleed omlaag, naar mijn kruis. Op mijn lichtblauwe spijkerbroek tekende zich een grote, donkerbruine vlek af die steeds verder naar beneden zakte richting mijn knie.
In het gangpad liep een vrouw met een klein meisje voorbij. De vrouw bleef abrupt stilstaan. Ze keek naar mij, zag de vlek, rook de lucht, en trok haar dochter direct een meter achteruit alsof ik een open rioolbuis was. Haar blik was niet eens boos. Het was pure, onvervalste walging. Die blik brak iets in mij wat de artsen tot dan toe heel hadden gelaten.
Ik liet het winkelmandje vallen. Ik liet de bouten liggen. Ik draaide me om en begon te lopen. Niet rennen, want elke stap deed pijn en zorgde ervoor dat de smurrie verder langs mijn been schuurde. Ik liep met grote, stijve passen langs de kassa's. De caissière keek me stomverbaasd aan toen ik zonder te betalen langs de poortjes beende. Ik keek niemand aan. Mijn ogen waren strak op de automatische schuifdeuren gericht.
Pas toen ik in mijn bus zat, sloeg ik de deur dicht en draaide ik het slot erop. Ik startte de motor niet. Ik zakte in elkaar over het stuur. Mijn voorhoofd rustte op het koude plastic van de claxon.
De geur in de cabine was verstikkend. Mijn hele rechterbeen plakte. Ik voelde de koude buitenlucht door de natte stof heen trekken. En daar, op de parkeerplaats tussen de aanhangwagens en de containers, begon ik te janken. Niet zachtjes, niet beheerst. Het kwam uit het diepste van mijn maag. Een rauw, schor gehuil van een man die niets meer overhad. Geen waardigheid. Geen controle over zijn eigen ontlasting. Geen toekomst.
De kanker had gewonnen, dacht ik toen. De dokter kon lullen over centimeters tumor en bloedwaarden wat hij wilde, maar de waarheid zat hier op mijn stoelbekleding. Ik was geen Dennis de Graaf meer. Ik was een wandelend kadaver. Een kapotte machine die weggestopt moest worden voordat andere mensen er last van kregen.
Hoofdstuk 5
Schuren met korrel tachtig
Twee dagen na het incident bij de bouwmarkt kwam ik mijn bed niet uit. Ik lag met mijn gezicht naar de muur. Ellen bracht thee, die koud werd op het nachtkastje. Timo kwam één keer binnen om te vragen of ik wilde kijken naar zijn tekening. Ik zei dat hij weg moest gaan. Mijn stem klonk hol en leeg.
Op de derde dag werd ik wakker van een straal zonlicht die door de gordijnen sneed. Het was zaterdag. Buiten hoorde ik het geluid van een cirkelzaag van een van de buren. Het snerpende, hoge geluid sneed door mijn kop. Vroeger was dat het geluid van mijn zaterdagen. Het geluid van bouwen, van leven.
Ik gooide het dekbed van me af. Mijn benen waren dun, wit en slap. Ik trok een joggingbroek aan en een oude trui. Ik liep de trap af. Ellen was naar de markt met Timo. Het huis was verlaten.
Ik liep naar de achterdeur, draaide de sleutel om en stapte de tuin in. De lucht was fris. Het rook naar nat gras en het begin van de lente. Aan het einde van het tegelpad stond mijn schuur. Twee bij vier meter, gebouwd van zwarte rabatdelen. Mijn heiligdom.
Ik opende de houten deur. Binnen hing de vertrouwde geur van houtstof, olie en terpentine. Op de werkbank lag nog het project waar ik vorig jaar aan begonnen was: een massief eiken salontafeltje voor mijn zus. Het blad was half geschaafd. Het gereedschap lag precies zoals ik het die laatste middag had neergelegd. Een laag fijn, grijs stof bedekte alles.
Ik liep naar de werkbank en legde mijn hand op het hout. Het eiken voelde koud aan, maar massief. Eerlijk.
Ik pakte een stuk hout van de stapel onder de bank. Een restje Amerikaans notenhout. Donker, zwaar en met een prachtige vlam in de nerf. Het was een balkje van dertig centimeter lang, vijf centimeter dik. Ik pakte een handschaaf van het bord aan de muur. Mijn vingers kenden de greep nog, ook al voelden de toppen nog steeds wat doof aan door de chemo.
Ik klemde het hout vast in de bankschroef. Ik ging wijdbeens staan, zette de zool van de schaaf op het hout en duwde.
Niets.
De schaaf hapte in het hout en bleef steken. Ik had niet genoeg kracht gezet. Mijn armen trilden al na die ene beweging. Een vlaag van woede schoot door me heen. Ik rukte aan de schaaf, duwde nog een keer, harder. Mijn buikspieren spanden zich aan en meteen voelde ik een felle steek rond mijn stoma. Ik moest loslaten. Ik greep naar mijn zij en zakte door mijn knieën op de betonnen vloer van de schuur.
Daar zat ik dan. Tussen de krullen en het stof. Zelfs een stuk hout schaven lukte niet meer.
"Klootzak," schold ik mezelf uit. "Waardeloze zak."
Ik keek naar mijn handen. Ze lagen open op mijn knieën. Ze waren mager geworden. De pezen staken duidelijk af onder de huid. Maar de vorm was hetzelfde. De brede nagels, de kromme linkerwijsvinger van die keer dat ik in 2012 met een beitel uitschoot. Het waren nog steeds mijn handen.
Ik bleef tien minuten op de vloer zitten tot de pijn in mijn buik zakte. Toen stond ik langzaam op, steunend op de werkbank.
Ik pakte de schaaf niet meer. In plaats daarvan pakte ik een kurken schuurblokje en een vel schuurpapier. Korrel tachtig. Grof genoeg om iets te doen, licht genoeg om geen buikspieren voor nodig te hebben.
Ik zette het schuurblokje op de rand van het notenhout en begon te bewegen. Heen en weer. Regelmatig. Het geluid van schurend papier over hout vulde de kleine ruimte. *Sssjt. Sssjt. Sssjt.*
Fijn, bruin stof dwarrelde naar beneden over mijn vingers. Na vijf minuten begon mijn schouder te branden van vermoeidheid. Maar ik stopte niet. Ik paste mijn tempo aan. Langzamer. Bewuster. Kijken naar de nerf. Voelen waar de oneffenheden zaten. Waar het hout ruw was, en waar het begon te glanzen.
Toen ik na een kwartier stopte en met mijn duim over het hout wreef, voelde het zijdezacht aan. De scherpe rand was verdwenen. Er was een perfecte, vloeiende afronding ontstaan.
Ik snoot mijn neus in een oude zakdoek. Mijn ademhaling was zwaar, maar mijn hoofd was voor het eerst in vijf maanden stil. De kanker zat in mijn darmen. De uitzaaiingen zaten in mijn lever. Het zakje zat op mijn buik en dat zou daar waarschijnlijk altijd blijven zitten.
Maar dit stukje hout wist niet dat ik kanker had. Dit stukje hout vroeg niet naar mijn bloedwaarden of naar mijn overlevingskansen. Dit stukje hout reageerde gewoon op mijn hand. Op het vakmanschap dat al twintig jaar in mijn spieren zat opgeslagen.
De ziekte had mijn spieren afgepakt, mijn conditie, mijn zekerheid en mijn darmen. Maar het had mijn kennis niet. Het had mijn oog voor de nerf niet. En het had verdomme mijn naam niet. Ik was Dennis de Graaf. Niet "de patiënt van kamer 12". Niet "de man met de stoma".
Ik blies het stof van het blokje hout en legde het schuurblokje netjes terug op zijn plek. Voor het eerst sinds oktober voelde ik geen haat voor mijn lichaam. Alleen een soort diepe, vermoeide wapenstilstand.
Hoofdstuk 6
De witte jassen en de grens
Twee weken later zaten we weer in de spreekkamer van dr. Visser. De driemaandelijkse scan was gemaakt. De spanning in de kamer was bijna tastbaar. Ellen zat naast me, haar vingers weer stevig om mijn hand geklemd. Maar dit keer kneep ik terug.
Visser klikte met zijn muis. Op het scherm verschenen de zwart-witbeelden van mijn binnenkant. Voor een leek leek het op een doorsnede van een oude boomstam, vol vage vlekken en grijstinten. Voor Visser was het een landkaart van mijn verval.
"Goed," begon de oncoloog. Hij leunde achterover. "De tumor in de darm is rustig na de operatie, daar zien we geen nieuwe activiteit. Dat is positief. Maar op de lever zien we een gemengd beeld. Twee plekjes zijn iets gekrompen door de oxaliplatin, maar aan de linkerkant zien we een nieuwe schaduw. Dat betekent dat de huidige kuur zijn langste tijd heeft gehad."
Ellen hield haar adem in. Ik voelde haar hand verslappen.
"Wat betekent dat concreet?" vroeg ik. Mijn stem trilde niet. Ik keek hem recht in zijn ogen.
"Concreet betekent het dat we moeten overstappen op een tweedelijnsbehandeling," zei Visser zakelijk. "Irinotecan gecombineerd met doelgerichte therapie. Een zwaardere kuur. Meer kans op misselijkheid, diarree en vermoeidheid. Maar we moeten agressief blijven om de groei in de lever af te remmen."
"En als we dat doen?" vroeg ik. "Hoeveel tijd levert dat op?"
Visser aarzelde even. Artsen houden niet van getallen, dat wist ik inmiddels. "Statistisch gezien praten we over maanden. Misschien een jaar als het goed aanslaat. Zonder behandeling praten we over een kortere periode. De leverfunctie zal dan langzaam achteruitgaan."
"En hoe zien die maanden eruit?" vroeg ik door.
"Nou ja, je zult veel in het ziekenhuis zijn. De bijwerkingen zijn niet mals. Je zult het grootste deel van de tijd rust moeten houden."
Ik keek naar mijn handen. Op mijn knokkels zaten nog vlekjes van de beits waar ik gisteren mee had gewerkt in de schuur. Ik had een klein vogelhuisje gemaakt voor Timo. Gewoon rustig aan, twee uurtjes per middag. Het dakje paste perfect. We hadden het samen geverfd.
"Nee," zei ik.
Visser knipperde met zijn ogen. Hij leek niet gewend aan dat woord. "Wat zegt u, meneer De Graaf?"
"Ik zeg nee tegen die zware kuur. Niet op die manier."
Ellen draaide haar hoofd geschokt naar me toe. "Dennis... wat zeg je nou? Je moet toch vechten? Je kunt het toch niet zomaar opgeven?"
"Ik geef niks op, El," zei ik zacht. Ik pakte haar andere hand erbij en keek haar aan. "Luister naar me. Als ik die kuur neem, lig ik weer vier maanden kotsend op bed. Dan kan ik mijn vingers niet bewegen. Dan kan ik niet met Timo naar het voetbalveld lopen. Dan ben ik een lijk dat toevallig nog ademhaalt op de bank. Voor wat? Voor twee extra maanden waarin ik nóg zieker ben?"
Ik draaide me weer naar dr. Visser. De arts zat roerloos achter zijn bureau.
"Dokter, ik snap wat de cijfers zeggen. Maar ik ben geen statistiek. Ik ben een man van tweeënveertig met een vrouw en een zoon. Ik wil weten wat de tussenweg is. Een lagere dosis? Alleen de tabletten? Iets waardoor ik mijn dagen nog kan gebruiken?"
"Een gereduceerde dosis remt minder af, Dennis," zei Visser voorzichtig. "Dat moet je je goed realiseren. Daarmee kiezen we voor kwaliteit van leven boven maximale levensduur."
"Mooi," zei ik. Het woord viel als een zware eiken balk op tafel. "Dan kiezen we daarvoor."
Er viel een stilte in de kamer. Geen paniekerige stilte dit keer, maar een stilte van helderheid. Alsof de mist die de afgelopen zes maanden over ons leven had gehangen, ineens optrok. De arts keek me anders aan dan voorheen. Niet meer als een dossier dat volgens protocol behandeld moest worden, maar als een man die de regie over zijn eigen ondergang opeiste.
"We kunnen een mildere kuur proberen," zei Visser na een halve minuut. "Eens per drie weken. Minder zwaar voor de zenuwen, minder kans op extreme misselijkheid. Zodra de bijwerkingen te erg worden, stoppen we of schalen we af. We monitoren je bloed, maar jij bepaalt de grens."
"Afgesproken," zei ik.
Toen we naar buiten liepen, scheen de voorjaarszon over de parkeerplaats. Ellen liep naast me. Ze hield mijn arm vast. Ze huilde, maar haar stappen waren minder gehaast dan toen we binnenkwamen.
"Ben je boos op me?" vroeg ik toen we bij de bus stonden.
Ze schudde haar hoofd. Ze veegde een traan weg met de rug van haar hand. "Ik ben bang, Dennis. Doodsbang om je kwijt te raken."
"Ik ben er nog," zei ik, en voor het eerst sinds die dinsdag in Papendrecht meende ik het echt. "Kijk naar me. Ik sta hier. Mijn buik is een puinhoop, maar ik sta hier. En zolang ik hier sta, bepalen wij hoe we de dagen vullen. Niet die witte jassen."
Hoofdstuk 7
Wat overblijft
Het is nu veertien maanden na die eerste middag in de nieuwbouw. Het is weer herfst. De bladeren van de bomen langs de Merwede kleuren rood en geel. De wind waait koud over de kade, maar vandaag heb ik geen hekel aan de kou.
Ik werk niet meer als keukenmonteur. Die tijd is voorbij. Dertig kilo tillen kan mijn buikwand niet meer aan; de kans op een breuk rond de stoma is te groot. Ik heb mijn bus verkocht. Dat deed even pijn toen de koper ermee wegsteed, maar het geld gaf ons wat lucht. Geen hypotheekstress, geen gejaag meer.
In plaats daarvan sta ik drie ochtenden in de week in mijn schuur. Ik maak kleine dingen. Snijplanken van kopshout, wandrekjes, houten speelgoedkisten met zwaluwstaartverbindingen. Dingen die tijd kosten. Dingen die geduld vragen. Ik werk langzaam. Als ik na twee uur voel dat de vermoeidheid als lood in mijn benen zakt, leg ik mijn gereedschap neer en ga ik binnen op de bank liggen. Zonder schuldgevoel. Zonder mezelf uit te schelden.
Mijn lichaam is niet genezen. De leverplekken zitten er nog steeds. Ze slapen niet, ze groeien heel langzaam door, als onkruid tussen de tegels dat je niet helemaal wegkrijgt. De milde chemokuur houdt het een beetje in toom, maar dr. Visser windt er geen doekjes om: er komt een dag dat de remmen het begeven. Misschien volgend voorjaar. Misschien over een jaar. Niemand die het weet.
Maar het gekke is: de angst is veranderd. De paniek die me vorig jaar naar de keel vloog, heeft plaatsgemaakt voor een scherpe, nuchtere blik op wat er nu is.
Mijn stoma zit er nog steeds. Elke ochtend sta ik voor de spiegel in de badkamer en trek ik de oude plak eraf. Mijn huid is soms rood en geïrriteerd. Het litteken van de operatie loopt als een scheve rits over mijn middenrif. Het is geen mooi gezicht. Het zal nooit een mooi gezicht worden. Maar het is het landschap van mijn overleving. Dat zakje zorgt ervoor dat ik hier vanochtend sta, dat ik mijn tanden kan poetsen en dat ik naar beneden kan lopen om een boterham met kaas te smeren voor Timo.
Vandaag is het zaterdag. Timo staat naast me in de schuur. Hij is twaalf geworden vorige maand. Hij is gegroeid, zijn schouders worden al wat breder.
"Kijk pap," zegt hij. Hij houdt een stuk vurenhout omhoog dat hij zelf heeft afgekort. De zaagsnede is een beetje scheef.
Ik pak zijn werkstuk over en bekijk het. Ik pak mijn winkelhaak en leg hem langs de rand. Er zit twee millimeter speling in.
"Wat denk je zelf?" vraag ik met een glimlach.
"Niet haaks," zucht hij.
"Geeft niet," zeg ik. Ik geef hem de schaaf aan. "Je zet hem vast in de klem. Niet duwen vanuit je armen, Timo. Je moet je gewicht erachter zetten. Vanuit je benen werken. Rustig aan. Laat het staal het werk doen."
Hij knikt serieus, klemt het hout vast en zet de schaaf erop. Ik leg mijn hand over de zijne om hem de juiste hoek te laten voelen. Mijn vingers zijn eeltig, zijn vingers zijn nog zacht. Als hij schaaft, vliegt er een dunne, gekrulde houtsliert door de lucht. Het ruikt naar hars.
"Zo?" vraagt hij, terwijl hij opkijkt.
"Precies zo," zeg ik.
Als mensen me vragen hoe het gaat — en mensen vragen dat altijd met die voorzichtige, gedempte stem alsof ze op een begrafenis lopen — geef ik geen antwoord over tumormarkers of overlevingskansen. Ik zeg gewoon: "Vandaag gaat het goed."
Het is geen overwinning. Kanker is geen vijand die je met een potje wilskracht 'verslaat', zoals ze in die stomme reclames altijd beweren. Het is een biologische weeffout, een domme speling van het lot die toevallig mijn cellen heeft uitgekozen. Het heeft mijn darmen gesloopt, het sloopt langzaam mijn lever, en op een dag zal het mijn ademhaling stoppen.
Maar tot die dag komt, ben ik degene die beslist wat er gebeurt met de uren die ik heb. De kanker kreeg mijn gezonde cellen. Het kreeg mijn spierkracht. Het kreeg mijn pensioenplan en mijn onbezorgdheid.
Maar als ik hier sta in het zaagsel, met mijn zoon naast me en de geur van vers hout in mijn neus, weet ik één ding heel zeker.
Mijn lichaam mag dan beschadigd zijn, half uit elkaar geschroefd en gestut met pillen.
Maar ik heet nog steeds Dennis de Graaf. En zolang ik die schaaf kan vasthouden, blijft dat precies wie ik ben.