Ziekte en gezondheid
Kaal op mijn dertigste
Bevat beschrijvingen van ziekte en behandeling.
Hoofdstuk 1
Kaal op mijn dertigste
De eerste kale plek vond ik op een dinsdagavond. Ik stond in onze badkamer in Utrecht. Mijn vriend Daan zat beneden naar voetbal te kijken. Ik hield mijn haar omhoog omdat er iets trok achter mijn oor. In de spiegel zag ik een witte strook huid.
Ik pakte mijn telefoon en maakte een foto van mijn achterhoofd. Daarna nog een. Op de tweede foto was het duidelijk. Een ronde plek, zo groot als een munt van twee euro. Glad. Geen wondje. Geen schilfers. Gewoon een stuk hoofd waar niets meer groeide.
‘Daan?’
Hij hoorde me niet.
Ik liep naar de woonkamer en ging voor het scherm staan.
‘Kijk eens.’
Hij boog naar voren en schoof mijn haar opzij.
‘Heb je daar aan zitten trekken?’
‘Waarom zou ik dat doen?’
‘Weet ik niet. Onbewust misschien.’
Ik liet mijn haar vallen. Hij bedoelde het niet vervelend. Toch wilde ik hem op dat moment niet meer laten kijken.
Mijn naam is Noor van Dijk. Ik was net dertig. Ik werkte vier dagen per week als leerkracht op een basisschool in Overvecht. Ik fietste overal heen, had vaak haast en stelde een doktersbezoek meestal uit. Mijn haar was donker, dik en lang genoeg om tijdens het lesgeven in een rommelige knot te draaien. Ik dacht er weinig over na. Tot die dinsdag.
Die nacht bleef ik zoeken op mijn telefoon. Kale plek achterhoofd. Haaruitval vrouw dertig. Schimmel. Tekort. Auto-immuunziekte. Bij iedere foto voelde ik opnieuw aan de plek. Tegen twee uur legde Daan zijn hand over mijn scherm.
‘Morgen bel je de huisarts.’
‘En vannacht groeit het zeker terug?’
Hij trok zijn hand weg. Ik schaamde me direct, maar bood geen excuses aan.
De volgende ochtend zaten er haren tussen de tanden van mijn kam. Dat gebeurde vaker. Nu legde ik ze op de wastafel en telde ze. Bij zevenendertig hield ik op. Ik moest naar school.
Tijdens de rekenles bukte ik over het schrift van Yassin. Achter me zei een meisje: ‘Juf, je hebt een wit plekje.’
Ik kwam zo snel overeind dat mijn knie tegen de tafel stootte.
‘Waar?’ vroeg ik, alsof ik het niet wist.
‘Bij je oor.’
‘Ja. Ga maar verder met som vier.’
Mijn stem klonk streng. Het meisje, Liv, boog meteen haar hoofd. Tijdens de pauze zocht ik haar op bij het klimrek.
‘Je zei niks verkeerd, hoor.’
Ze haalde haar schouders op. Voor haar was het alweer voorbij.
Voor mij begon het toen pas. In het toilet van de personeelskamer probeerde ik met natte vingers een pluk over de plek te trekken. Het licht boven de spiegel was fel. Ik draaide mijn hoofd en ontdekte iets wat ik thuis niet had gezien. Hoger op mijn kruin zat nog een opening. Kleiner, maar onmiskenbaar.
Mijn collega Sanne klopte op de deur.
‘Alles goed? Je pleinwacht begint.’
‘Buikpijn.’
Het was de eerste leugen. Er zouden er meer volgen.
De huisarts kon me vrijdag zien. Drie dagen. Aan de telefoon klonk dat redelijk. In mijn hoofd was het een belachelijk lange tijd. Ik vroeg of het eerder kon.
‘Is uw hoofdhuid rood of pijnlijk?’ vroeg de assistente.
‘Nee.’
‘Heeft u koorts?’
‘Nee. Maar het wordt meer.’
Ze liet de afspraak staan.
Donderdagavond waste ik mijn haar niet. Ik durfde niet. Vrijdagochtend moest het wel. Ik boog onder de douche mijn hoofd achterover en voelde losse haren langs mijn schouders glijden. Bij het putje bleef een donkere prop liggen.
Daan vond me op de badrand, met een handdoek om mijn middel.
‘Noor?’
Ik wees naar het putje.
Hij pakte toiletpapier.
‘Niet opruimen,’ zei ik.
‘Waarom niet?’
Daar had ik geen goed antwoord op. Ik wilde bewijs bewaren van iets dat ik zelf nauwelijks begreep.
Een uur later zat ik bij huisarts De Bruin. Ze bekeek mijn hoofdhuid en vroeg naar medicijnen, recente ziekte en haarproblemen in mijn familie. Daarna schoof ze haar kruk naar achteren.
‘Ik denk aan alopecia areata,’ zei ze. ‘Pleksgewijze haaruitval.’
Ik kende de naam van mijn nachtelijke zoektochten.
‘Gaat het terugkomen?’
‘Dat kan. Maar ik kan je niet beloven wanneer of hoeveel.’
Ik keek naar haar handen. Ze lagen rustig op haar bureau.
‘Kan alles uitvallen?’
Ze wachtte niet lang, maar lang genoeg.
‘Bij sommige mensen wel.’
Hoofdstuk 2
Geen uitslag
Bij de dermatoloog in het Diakonessenhuis stonden zes stoelen langs een raam. Op de tafel lag een tijdschrift met een vrouw die haar shampoo aanprees. Ik draaide het om.
Daan pakte mijn hand. Ik liet het toe, tot mijn naam werd geroepen.
De dermatoloog heette dokter Vermeer. Ze keek met een klein vergrootapparaat naar mijn hoofdhuid. Ze schoof plukken opzij en vroeg of ik ook verandering aan mijn wenkbrauwen of nagels had gezien.
‘Mijn haar is wel genoeg,’ zei ik.
Ze keek me aan.
‘Dat begrijp ik. Toch wil ik het vragen.’
Ik voelde me onredelijk. Dat gebeurde steeds vaker. Mensen deden hun werk en ik hoorde in elke vraag een nieuwe dreiging.
Volgens haar paste het beeld bij alopecia areata. Mijn afweer viel de haarzakjes aan. Het was niet besmettelijk. Ik had het niet veroorzaakt door verkeerde shampoo of te vaak een knot te dragen. Aanvullend onderzoek was niet nodig om de diagnose te stellen.
‘Dus er is geen uitslag die dit definitief maakt?’ vroeg ik.
‘Wat ik zie is behoorlijk kenmerkend.’
Ik had gehoopt op bloed. Op een tekort met een getal ernaast. Iets waarvoor je een tablet kreeg en daarna een controledatum.
Ze besprak behandelingen. We begonnen met een sterke corticosteroïdlotion voor de plekken. Ik kreeg precies uitgelegd hoe ik die moest gebruiken. Het kon helpen. Het kon ook onvoldoende doen. Ze zei dat laatste zo duidelijk dat ik er boos om werd.
‘U zegt steeds dat u het niet weet.’
‘Omdat het verloop moeilijk te voorspellen is. Ik wil niet doen alsof ik meer zekerheid heb dan er is.’
Daan vroeg naar stress.
Ik draaide mijn hoofd naar hem.
‘Dit is dus niet omdat ik te druk ben?’
‘Je hoeft jezelf hier niet de schuld van te geven,’ zei de dermatoloog. ‘Bij veel mensen vinden we geen duidelijke aanleiding.’
Buiten bleef ik naast de fietsenstalling staan. Daan wilde weten of we koffie zouden halen.
‘Ik moet naar school.’
‘Je hebt de ochtend vrij.’
‘Dan kan ik alvast nakijken.’
Hij zei niets meer. We fietsten achter elkaar naar huis.
De lotion stond naast mijn tandenborstel. Iedere avond trok ik scheidingen met de steel van een kam. Daan behandelde de plekken die ik niet kon zien. Eerst was dat bijna prettig. Hij werkte voorzichtig. Hij vroeg of het koud voelde. Daarna werden het er zoveel dat hij begon te zuchten voordat we klaar waren.
‘Je mag het vervelend vinden,’ zei ik.
‘Ik vind het vervelend voor jou.’
‘Dat is niet hetzelfde.’
Hij draaide het dopje dicht. We gingen zwijgend naar bed.
Op school wist alleen Sanne het. Ik had haar meegenomen naar het magazijn, tussen de pakken kopieerpapier en de kerstversiering. Toen ik mijn haar optilde, sloeg ze haar hand voor haar mond.
Dat gebaar deed meer pijn dan ik verwachtte.
‘Sorry,’ zei ze meteen.
‘Zeg alsjeblieft niet dat het wel meevalt.’
‘Dat ging ik niet zeggen.’
Ze ging op een doos zitten en luisterde. Zonder oplossingen. Het was het eerste gesprek waarbij ik niet vermoeider naar buiten kwam dan ik naar binnen was gegaan.
Mijn moeder deed het anders. Ze belde vanuit Amersfoort met namen van vitamines. Mijn zus Eva stuurde een filmpje over hoofdhuidmassage. Een ouder op school vroeg of ik soms verkeerd at. Ik droeg inmiddels een brede haarband. Blijkbaar maakte die mijn hoofd tot een onderwerp waar iedereen iets van mocht vinden.
Ik kocht een duur supplement. Tegen beter weten in. Drie weken later stond het potje nog bijna vol in de keukenla. Ik had geen aangetoond tekort en de dermatoloog had me gewaarschuwd voor grote beloften. Toch voelde niets kopen soms alsof ik niets deed.
Tijdens de controle keek dokter Vermeer langer dan de eerste keer. De plekken waren samengegroeid. Achter op mijn hoofd lag een kale baan van oor tot oor.
‘De ziekte is actief,’ zei ze.
Ik hoorde Daan zijn adem uitblazen.
We bespraken het vervolg. Een andere behandeling. Meer controles. Opnieuw de onzekerheid.
‘Hoe lang kan dit doorgaan?’ vroeg ik.
Ze antwoordde zorgvuldig. Ik weet de precieze woorden niet meer. Wel weet ik dat ik na afloop in de lift mijn haarband afdeed. Er zaten losse haren aan de binnenkant.
Ik stopte de band in mijn tas.
Voor de spiegelwand hield ik beide handen tegen mijn hoofd. Alsof ik nog iets op zijn plaats kon houden.
Hoofdstuk 3
De tondeuse
Ik besloot op een zaterdag dat het eraf moest. Niet omdat ik er klaar voor was. Ik was nergens klaar voor. Maar ik kon niet nog een week beginnen met het onderzoeken van mijn kussen.
Er lagen haren op de bank, in mijn jas en tussen de bladzijden van mijn agenda. Ik vond er een in het broodtrommeltje dat ik op school gebruikte. Dat was het moment. Ik stond in de keuken met een boterham in mijn hand en begon zo hard te huilen dat Daan naar beneden kwam rennen.
‘Wat is er?’
Ik wees naar het aanrecht.
Hij zag het niet meteen.
‘Dat haar,’ zei ik. ‘Dat ene kutding.’
Die middag belde ik mijn kapper, Farida. Haar zaak zat aan de Amsterdamsestraatweg. Ik kwam er al zes jaar. Ze kende mijn scheve pony uit een impulsieve zomer en wist dat ik niet over vakanties wilde praten als ik moe was.
‘Kom na sluitingstijd,’ zei ze.
‘Je hoeft niet speciaal—’
‘Zes uur. Achterdeur.’
Daan wilde mee. Ik vroeg Sanne. Dat kwam hard aan bij hem. Ik zag het, maar kon er die middag niets mee. Bij hem was alles inmiddels beladen. Mijn haaruitval lag tussen onze tandenborstels, zat aan onze handdoeken en ging mee naar bed. Ik had iemand nodig die daarna weer naar haar eigen huis zou gaan.
Farida had de spiegels niet afgedekt. Daar was ik blij om. Ik wilde geen toneelstuk waarin iedereen deed alsof kijken verboden was.
Ze bekeek mijn hoofd.
‘Wil je het kort knippen of met de tondeuse?’
‘Wat is het eerlijkst?’
‘Dat is niet aan mij. Kort haar kan nog steeds ongelijk ogen. Met de tondeuse zie je je hoofdhuid beter.’
Ik ging in de stoel zitten.
‘De tondeuse.’
Ze legde haar hand even op mijn schouder. Daarna pakte ze eerst de schaar. Lange plukken vielen op de zwarte kapmantel. Het geluid was klein. Droog geknip. Ik had iets groters verwacht.
Sanne zat naast de kassa. Ze hield mijn jas op schoot.
‘Wil je dat ik praat?’ vroeg ze.
‘Nee.’
Na een minuut zei ik: ‘Jawel.’
Ze vertelde over een kind uit haar klas dat een levende slak in zijn etui had meegenomen. Ze vertelde het slecht, met te veel details. Ik was haar er dankbaar voor.
Toen de tondeuse aanging, kneep ik mijn ogen dicht.
‘Even stoppen?’ vroeg Farida.
‘Nee. Alsjeblieft niet.’
Ik keek pas toen ze klaar was. De resterende haren waren piepkort. Daartussen lagen grote, bleke stukken huid. Mijn oren leken verder uit te steken. Op mijn kruin zat een moedervlek die ik niet kende.
Ik zag mezelf. Ik zag mezelf niet.
‘Ik vind het verschrikkelijk,’ zei ik.
Niemand sprak me tegen.
Farida haalde de kapmantel weg. Mijn haar gleed op de vloer. Ze vroeg of ik iets wilde bewaren.
‘Nee.’
Buiten regende het. Ik trok een muts over mijn hoofd, hoewel het mei was. Bij de fietsen zei Sanne dat ze met me mee kon naar huis.
‘Daan is er.’
‘Bel als je wilt.’
Thuis stond hij in de gang. Ik trok mijn muts af voordat hij iets kon vragen. Zijn ogen gingen naar mijn hoofd en meteen terug naar mijn gezicht. Te snel. Ik wilde dat hij keek. Ik wilde dat hij niet keek.
‘Mag ik je vasthouden?’ vroeg hij.
Ik knikte.
Later zaten we op bed. Hij streek met zijn hand langs mijn nek. Ik verstijfde.
‘Voelt het raar?’ vroeg ik.
‘Anders.’
‘Dat bedoel ik.’
‘Noor, ik zoek het goede antwoord, maar ik weet het niet.’
Voor het eerst hoorde ik hoe moe hij was.
‘Ik ook niet,’ zei ik.
We sliepen die nacht slecht. Mijn hoofdhuid voelde iedere beweging van het kussensloop. Om vier uur stond ik op en liep naar de badkamer. Ik keek zonder muts, zonder haarband, zonder iets recht te trekken.
De volgende ochtend bestelde ik drie zachte mutsjes. Daarna belde ik de winkel waar het ziekenhuis me informatie over had gegeven. Een haarwerkspecialist. Het woord pruik kreeg ik nog niet gemakkelijk over mijn lippen.
‘Ik ben mijn haar aan het verliezen,’ zei ik.
De vrouw aan de telefoon vroeg wanneer ik kon komen.
Niet waardoor. Niet of ik al rozemarijnolie had geprobeerd. Alleen wanneer.
‘Zo snel mogelijk,’ zei ik.
Hoofdstuk 4
Onder het haar
De pruik kostte meer dan mijn eerste auto. Dat zei ik hardop in de winkel in Nieuwegein. De vrouw tegenover me, Marieke, keek niet beledigd.
‘Dan gaan we ook naar andere mogelijkheden kijken.’
Er stonden hoofden op planken. Met boblijnen, krullen en keurige scheidingen. Ik vond de winkel benauwend, al stond het raam open. Mijn moeder was mee. Ze had aangeboden bij te betalen, maar ik wist hoe vaak ze daarvoor haar spaarrekening moest openen.
We kozen uiteindelijk een synthetisch haarwerk. Een deel werd vergoed. Voor het overige maakte ik geld over dat bestemd was voor een vakantie aan de Portugese kust. Het voelde kinderachtig om juist daarom verdrietig te zijn. Toch was ik dat.
Marieke zette het haarwerk op mijn hoofd en schoof het voorzichtig op zijn plaats. Donkerbruin. Tot net boven mijn schouders. Bijna mijn oude kleur.
Mijn moeder begon te huilen.
‘Daar ben je weer.’
Ik keek haar via de spiegel aan.
Ze begreep het meteen.
‘Dat bedoel ik niet.’
‘Maar je zegt het wel.’
Marieke pakte rustig een doos met onderhoudsspullen. Ze gaf ons een minuut zonder er een bijzondere gebeurtenis van te maken.
In de auto zei mijn moeder dat ze me niet kwijt was.
‘Ik weet het,’ antwoordde ik.
Ik wist het ook echt. Maar haar woorden bleven hangen. Alsof de kale versie van mij tijdelijk ergens moest worden opgeborgen.
Maandag droeg ik het haarwerk naar school. Sanne stond bij het koffieapparaat.
‘Hoe zit het?’ vroeg ze.
Niet: wat mooi. Niet: net echt.
‘Strak,’ zei ik. ‘Maar misschien hoort dat.’
De kinderen merkten het onmiddellijk.
‘U bent naar de kapper geweest,’ zei Yassin.
‘Klopt. En ik draag een pruik. Mijn eigen haar valt uit door een aandoening.’
Ik had die zin thuis geoefend. Toch beefde mijn stem.
‘Heeft u kanker?’ vroeg Liv.
‘Nee. Dat heb ik niet. Mijn afweer maakt een vergissing bij mijn haar. Je kunt het niet van me krijgen.’
‘Komt het terug?’
‘Dat weet ik niet.’
Achterin stak iemand een vinger op.
‘Moeten we dat opschrijven?’
Ik lachte. Voor het eerst die ochtend ademde ik normaal.
De dagen daarna leken bijna gewoon. Ik gaf les. Ik vergat soms een kwartier lang mijn hoofd. Daarna voelde ik de rand bij mijn slapen en begon alles opnieuw.
Tijdens een warme middag stond ik met groep vijf in de gymzaal. De ventilatie maakte lawaai maar hielp nauwelijks. Het zweet liep achter mijn oren. Terwijl ik pionnen neerzette, voelde ik het haarwerk een beetje verschuiven.
Er was niets gevallen. Niemand had iets gezien. Toch raakte ik in paniek.
Ik liet de kinderen zitten en riep via de open deur een collega. Op het toilet trok ik de pruik af. Mijn hoofdhuid was rood van de warmte. Ik stond boven de wasbak en kreeg mijn ademhaling niet rustig.
Mijn directeur, Anja, vond me daar.
‘Je hoeft nu niet terug die zaal in,’ zei ze.
‘Ik kan toch niet ziek naar huis omdat ik geen haar heb?’
‘Je kunt naar huis omdat het niet gaat.’
Ik meldde me twee dagen ziek. Daarna volgde een gesprek met de bedrijfsarts. Tijdelijk minder belastende taken, voldoende ruimte voor afspraken en gesprekken met een psycholoog. Het waren redelijke voorstellen. Ik hoorde aanvankelijk alleen dat ik mijn werk niet meer aankon.
Thuis werd ik steeds stiller. Daan vroeg nauwelijks nog hoe het ging. Ik verweet hem dat. Toen hij het de volgende avond wel vroeg, beet ik hem toe dat hij het antwoord toch al wist.
Hij legde zijn vork neer.
‘Ik kan niet iedere dag raden welke vraag ik mag stellen.’
Ik wilde terugschreeuwen. In plaats daarvan begon ik te huilen boven mijn pasta.
‘Ik ben bang dat je me straks niet meer wilt.’
Hij keek me lang aan.
‘Ik mis je nu al,’ zei hij. ‘Maar niet je haar. Ik mis dat je me vertelt wat er gebeurt.’
Die avond zochten we samen een psycholoog. Ik vond het vernederend dat ik hulp nodig had voor iets waarvan mensen zeiden dat het “maar uiterlijk” was.
Bij het intakegesprek vroeg psycholoog Renske hoeveel tijd ik dagelijks met mijn haarverlies bezig was.
Ik rekende. Foto’s. Spiegels. Zoeken. Verbergen. Piekeren.
‘Bijna de hele dag,’ zei ik.
Ze knikte.
‘Dan beginnen we daar.’
Hoofdstuk 5
Nog een keuze
In augustus verloor ik mijn rechterwenkbrauw. Niet in één keer. Eerst ontstond een gaatje. Daarna bleef aan het uiteinde een dun boogje over. Ik tekende de ontbrekende stukken bij met een potlood dat Eva voor me had gekocht.
Mijn linkerwenkbrauw volgde twee weken later.
Het kale hoofd kon ik bedekken. Nu veranderde ook mijn gezicht. Zonder wenkbrauwen zag ik er op sommige ochtenden verbaasd uit. Op andere ochtenden ziek. Ik maakte twintig selfies om te controleren of de getekende bogen even hoog zaten. Vervolgens verwijderde ik ze allemaal.
De plaatselijke behandeling had onvoldoende geholpen. Mijn hoofd was vrijwel helemaal kaal. Bij de volgende afspraak besprak dokter Vermeer ook andere mogelijkheden, waaronder een behandeling met een JAK-remmer. Een tablet die ingreep in bepaalde signalen van het afweersysteem.
Ik ging rechter zitten.
Een pil klonk als een deur die eindelijk openging.
Toen kwamen de voorwaarden. Onderzoek vooraf. Bloedcontroles. Aandacht voor infecties en andere risico’s. De afweging hing af van mijn gezondheid en voorgeschiedenis. Niet iedereen kreeg voldoende hergroei. En als een behandeling werkte, kon stoppen opnieuw haarverlies betekenen.
‘Dus misschien moet ik lang medicijnen slikken voor haar?’
‘Voor een aandoening die veel invloed op je heeft,’ zei ze. ‘Maar je hoeft vandaag niets te besluiten.’
Daan en ik spraken soms over kinderen. Niet concreet genoeg voor een datum, wel concreet genoeg om die vraag te stellen. Ook daarmee moesten we bij deze behandeling rekening houden. De dermatoloog legde uit dat een zwangerschap vooraf zorgvuldig besproken moest worden.
Thuis spreidde ik de informatie over de eettafel. Daan las mee. Buiten reed de vuilniswagen door onze straat. Ik bleef naar dat gewone werk kijken. Bak optillen. Legen. Terugzetten. Ik verlangde naar een probleem met zo’n duidelijk einde.
‘Wat zou jij doen?’ vroeg ik.
‘Dat kan ik niet voor je beslissen.’
‘Dat vraag ik ook niet.’
Hij wreef over zijn gezicht.
‘Ik weet niet wat ik zou doen.’
Het was een eerlijk antwoord. Die middag vond ik eerlijkheid waardeloos.
Een week later ging ik naar een bijeenkomst van een alopeciavereniging in Amersfoort. Renske had voorgesteld om eens met mensen te praten die niet eerst hoefden te begrijpen wat haarverlies betekende.
Bij de ingang wilde ik omdraaien. Door het raam zag ik kale hoofden, sjaals en pruiken. Ik was bang voor mijn eigen toekomst in die zaal.
Een vrouw met grote rode oorbellen hield de deur voor me open.
‘Eerste keer?’
Ik knikte.
‘Ik ben Hester. Koffie is matig. Mensen meestal niet.’
Ze ging naast me zitten zonder me aan iemand voor te stellen. Dat hielp.
Hester was drieënveertig. Ze had al jaren wisselende haaruitval. Soms droeg ze een pruik. Soms niet. Ze vond haar hoofd op sommige dagen prima en op andere dagen afschuwelijk.
‘Ik dacht dat ik het uiteindelijk zou accepteren,’ zei ik.
‘Wat bedoel je daarmee?’
‘Dat het me niets meer doet.’
Ze roerde in haar koffie.
‘Dat is een zware eis.’
Aan onze tafel zat ook een man bij wie een behandeling goed aansloeg. Hij liet een foto zien van enkele maanden eerder. Naast hem zat een vrouw die was gestopt vanwege bijwerkingen. Niemand gebruikte hun verhalen als bewijs voor wat ik moest kiezen.
Ik bleef tot de stoelen werden opgestapeld.
Twee weken later besprak ik mijn vragen opnieuw met de dermatoloog. Ik besloot voorlopig niet aan de tabletten te beginnen. Ik wilde eerst minder uitgeput raken van alles wat rond mijn hoofd draaide. Die keuze was niet definitief. We spraken een nieuwe controle af.
Ik voelde geen opluchting toen ik buiten kwam. Eerder een leegte. Een besluit bleek niet hetzelfde als zekerheid.
Die avond haalde ik de lotion die ik niet meer gebruikte uit de badkamer. Ik bracht de rest later terug naar de apotheek. Het supplement ging uit de keukenla. Mijn telefoon kreeg een limiet op de websites waar ik uren bleef hangen.
Om tien uur wilde ik toch zoeken naar foto’s van hergroei. Ik stond al met mijn telefoon in mijn hand.
Toen belde ik Hester.
‘Ik wil dat het stopt,’ zei ik.
‘Het uitvallen?’
‘Alles eromheen.’
Ze bleef aan de lijn terwijl ik de vaatwasser uitruimde. We hadden geen goed gesprek in de gebruikelijke zin. We vielen stil. We praatten over een kapotte fietslamp.
Pas toen we ophingen, merkte ik dat ik mijn hoofd bijna een uur niet had gecontroleerd.
Hoofdstuk 6
Zonder reserve
De eerste keer dat ik zonder haarwerk naar de supermarkt ging, reed ik naar een andere wijk. Dat vond ik zelf nogal laf. Renske noemde het een tussenstap.
Ik koos een winkel in Kanaleneiland. Buiten bleef ik in de auto zitten met mijn muts in mijn hand. Het was september, warm voor de tijd van het jaar. Ik had alleen melk, tomaten en afwasmiddel nodig.
Binnen keek een jongen bij de broodafdeling naar mijn hoofd. Daarna keek hij naar zijn telefoon. Een oudere vrouw hield haar blik langer vast. Ik voelde mijn nek verstijven en wilde rechtsomkeert maken.
Toen zag ik dat ik de verkeerde melk had gepakt.
Ik moest terug naar het koelschap. Dat kleine ongemak hielp meer dan alle zinnen die ik had geoefend. Ik had boodschappen te doen.
Bij de kassa zei de medewerker: ‘Bonnetje?’
Ik liep naar buiten zonder toespraak, zonder applaus en zonder ramp. In de auto huilde ik alsnog. Niet van vreugde. Van spanning die nergens meer heen hoefde.
Op school bleef ik mijn haarwerk dragen. Dat mocht van mezelf, al duurde het even voordat ik het ook zo voelde. Ik had van kaal naar buiten gaan een nieuwe test gemaakt. Alsof ik pas goed met mijn aandoening omging als ik niets bedekte.
Hester prikte daar snel doorheen.
‘Ik draag ook schoenen die lekker zitten,’ zei ze. ‘Niet alles is een standpunt.’
De echte proef kwam tijdens een informatieavond voor ouders. Ik zou vertellen over lezen thuis en de nieuwe aanpak voor spelling. Dertig stoelen. Een presentatie. Mijn eigen lokaal. Normaal geen probleem.
Die middag deed de huid achter mijn oren pijn. Het haarwerk had de laatste tijd vaker geschuurd. Marieke had al geholpen met de pasvorm, maar die dag verdroeg ik het gewoon slecht.
Ik stond om half zeven voor de spiegel in het personeelstoilet. Mijn pruik lag op een stapel papieren handdoekjes. In mijn tas zat een dunne sjaal.
Sanne kwam binnen.
‘Wat wil je?’ vroeg ze.
‘Naar huis.’
‘Daarna?’
Ik lachte kort.
‘Die avond geven zonder dat ding.’
‘Oké.’
‘Je zegt het alsof het niks is.’
‘Nee. Ik zeg alleen oké.’
Om zeven uur liep ik mijn lokaal in. De eerste ouders zaten al. Een gesprek viel even stil. Dat had ik verwacht. Toch voelde het alsof ik een trede miste.
Ik zette mijn laptop aan. Mijn vingers gleden over het verkeerde knopje.
‘Voor we beginnen,’ zei ik, ‘jullie zien dat ik geen haar heb. Ik heb alopecia. Daarvoor word ik begeleid door een dermatoloog. De kinderen weten ervan. Vanavond wil ik het vooral over hun lezen hebben.’
Ik keek op. Een vader knikte. Een moeder glimlachte voorzichtig. Verder gebeurde er niets.
Na afloop kwam de moeder van Liv naar me toe.
‘Mijn zus kreeg chemo,’ zei ze. ‘Dus ik schrok even.’
‘Dat snap ik.’
‘Gelukkig is het bij jou dan alleen je haar.’
Ik voelde de bekende steek. Vroeger had ik haar gerustgesteld. Nu liet ik een korte stilte vallen.
‘Het is iets anders dan kanker,’ zei ik. ‘Maar het is voor mij niet alleen een praktisch probleem.’
Ze werd rood.
‘Nee. Natuurlijk. Sorry.’
‘Dank je.’
Het gesprek eindigde daar. Geen ruzie. Geen perfecte uitleg. Ik hoefde haar niet volledig te overtuigen.
Daan wachtte thuis met eten. Hij vroeg niet of iedereen me mooi had gevonden. Hij vroeg of de presentatie werkte.
‘De filmpjes deden het niet.’
‘Dus een normale ouderavond.’
Ik schoof tegenover hem aan en vertelde over Livs moeder. Daarna over de vader die wilde weten waarom zijn zoon geen extra dicteewoorden kreeg.
Halverwege het eten merkte ik dat we al tien minuten over mijn werk praatten zonder dat het over mijn hoofd ging.
Later pakte ik zijn hand en legde die op mijn kruin. Hij wachtte.
‘Het mag,’ zei ik.
Zijn hand was warm. Ik bleef gespannen, maar trok niet weg.
We waren er niet ineens uit. We hadden nog steeds ruzie over kleine dingen waar grote angsten onder zaten. Toch voelde die avond anders. Ik hoefde mijn gezicht niet van hem af te draaien.
Voor het slapengaan legde ik mijn haarwerk op de standaard. Mijn sjaal ging terug in de kast. Voor morgen wist ik nog niet wat ik zou dragen.
Ik liet het daarbij.
Hoofdstuk 7
Mijn eigen hoofd
Ruim een jaar na de eerste kale plek vond ik drie lichte haartjes boven mijn linkeroor. Ik stond opnieuw in de badkamer. Dezelfde spiegel. Dezelfde scheve tegel naast het stopcontact.
Ik boog dichterbij en voelde mijn hart versnellen.
‘Daan!’
Hij kwam naar boven.
‘Kijk.’
Hij moest zijn leesbril halen. Die had hij inmiddels nodig voor kleine letters en blijkbaar ook voor mijn mogelijke toekomst.
‘Ik zie ze,’ zei hij.
We glimlachten allebei te groot.
Bij de controle temperde dokter Vermeer de verwachtingen. Er was wat hergroei, maar die kon wisselend blijven. Drie haartjes voorspelden geen volle bos. Ik wist dat inmiddels. Toch had ik op weg naar het ziekenhuis al bedacht wanneer ik weer een kapper nodig zou hebben.
Een paar weken later waren ze verdwenen.
Ik huilde die avond. Daarna keek ik met Daan een slechte serie. Beide dingen pasten nu in dezelfde dag. Dat was nieuw.
Mijn hoofd bleef grotendeels kaal. Ook mijn wenkbrauwen kwamen niet blijvend terug. Ik had geleerd ze snel te tekenen. Soms deed ik dat. Soms niet. Mijn medische afspraken gingen door. We bespraken regelmatig of mijn situatie of wensen waren veranderd. Ik had behandeling niet afgezworen. Ik had alleen geen behoefte meer om ieder besluit voor de rest van mijn leven te laten gelden.
Ik werkte weer mijn gewone uren. Tijdens gym droeg ik meestal niets op mijn hoofd. Bij oudergesprekken soms wel. Ik had een tweede haarwerk gekocht, korter dan het eerste. Niet om mijn oude kapsel na te bouwen. Gewoon omdat ik het prettig vond.
Er waren nog dagen waarop ik iemand met lang donker haar op de fiets zag en boos werd. Op niemand in het bijzonder. Dan miste ik de vanzelfsprekendheid. Nat haar na het zwemmen. Een elastiekje om mijn pols. Niet eerst nadenken over wind, warmte of nieuwsgierige blikken.
Dat gemis werd niet kleiner doordat anderen grotere problemen hadden.
Mijn moeder begreep dat nu beter. Op een zondag lunchten we bij haar in Amersfoort. Ze vroeg of ik nieuwe wenkbrauwmake-up had.
‘Ja. Minder rood.’
‘Staat goed.’
Daarna vroeg ze of ik de mosterd wilde aangeven. Ik had nooit gedacht dat ik blij kon worden van zo’n gewoon vervolg.
Eva trouwde dat voorjaar in een kleine zaal in Zeist. Vooraf had ik weken gepiekerd over de foto’s. Met pruik leek makkelijker. Zonder voelde eerlijker. Uiteindelijk was ik die tegenstelling zat.
Ik droeg mijn haarwerk tijdens de ceremonie. Bij het dansen kreeg ik het warm en deed ik het af. Ik gaf het aan Daan, die er zo hulpeloos mee bleef staan dat ik begon te lachen.
‘Niet als een voetbal vasthouden.’
‘Er zit geen gebruiksaanwijzing aan.’
Hij bracht het naar mijn tas. Ik danste met Eva. Op een foto staan we naast elkaar met open monden. Haar sluier zit scheef. Mijn hoofd glimt van het zweet. Ik heb die foto laten afdrukken.
Niet omdat ik er dapper uitzie. Omdat we plezier hadden.
Een maand later vroeg Hester of ik wilde helpen bij een bijeenkomst voor nieuwe lotgenoten. Ik aarzelde. Ik voelde me geen voorbeeld. Ik had die ochtend nog tien minuten gevloekt omdat mijn getekende wenkbrauwen niet wilden lukken.
‘Mooi,’ zei Hester. ‘Dan vertel je dat.’
Bij de deur ontmoette ik een vrouw van zevenentwintig. Ze hield haar jas aan. Onder haar haarband zag ik een kale plek bij haar slaap. Haar ogen bleven op mijn hoofd rusten.
‘Is het bij jou ook zo begonnen?’ vroeg ze.
‘Met een klein plekje, ja. Maar jouw verloop hoeft niet hetzelfde te zijn.’
Ze knikte, al zag ik dat ze vooral bang was.
‘Ik heet Noor,’ zei ik.
‘Ilse.’
Ik wees naar de tafel bij het raam.
‘Zullen we daar zitten?’
Ze vertelde dat ze haren telde op haar kussen. Dat haar vriend telkens zei dat hij van haar hield. Dat ze hem geloofde en toch bang bleef.
Ik kende die combinatie. Ik hoefde haar niet te onderbreken om dat duidelijk te maken.
Toen ze vroeg of het ooit gemakkelijk werd, dacht ik even na.
‘Niet elke dag,’ zei ik. ‘Maar het neemt bij mij niet meer alles over.’
Na afloop fietste ik naar huis. Mijn muts zat in mijn fietstas. Bij een stoplicht trok ik hem aan, omdat mijn hoofd koud werd.
Daan had geappt of ik brood meenam.
Ik reed langs de bakker. Er stond een rij. Ik sloot achteraan aan en bedacht wat ik morgen met mijn klas zou doen.