Liefde, relaties en gezin
Je was er nooit en dat is prima
Hoofdstuk 1
Het telefoontje op perron 3
Mijn naam is Dennis Berends. Ik ben vierendertig jaar oud, ik woon in een flat in Amersfoort en ik werk als ploegleider in een distributiecentrum voor pakketten. Mijn leven draait om roosters, vrachtbrieven en pallets die op tijd de juiste vrachtwagen in moeten. Ik hou van duidelijkheid. Als een doos naar Groningen moet, plak je er een barcode op en dan gaat hij naar Groningen. Als iets kwijt raakt, zoek je tot je het vindt. Zo zit de wereld in elkaar. Dacht ik.
Het was een dinsdagmiddag in november. Ik stond op perron 3 van station Amersfoort Centraal met een beker automaatkoffie in mijn hand. Het miezerde. Mijn telefoon trilde in mijn jaszak. Een onbekend vast nummer uit de regio Apeldoorn.
"Met Dennis," zei ik.
"Spreek ik met Dennis Berends? Zoon van Huub Berends?" vroeg een vrouwenstem. Ze klonk gehaast maar vriendelijk, zoals verpleegkundigen klinken als ze een lijstje moeten afwerken.
Ik bleef stilstaan tussen de forenzen. De geur van nat asfalt en remstof sloeg in mijn gezicht. Huub Berends. Die naam had ik in geen twintig jaar hardop gehoord.
"Ja," zei ik voorzichtig. Mijn stem klonk dunner dan ik wilde.
"U spreekt met Marja van de afdeling interne geneeskunde in het Gelre Ziekenhuis," zei ze. "Uw vader ligt hier. Zijn toestand is de afgelopen dagen hard achteruitgegaan. Hij heeft gevraagd of we contact met u wilden opnemen. De arts denkt dat het niet heel lang meer duurt. Een paar dagen, misschien een week."
Ik keek naar de rails voor me. Een goederentrein denderde voorbij met lege containers. Het kabaal dreunde door de tegels onder mijn zolen. Huub. Mijn vader. De man die in de zomer van 1998 in een donkerblauwe Opel Astra stapte en nooit meer terugkwam.
"En wat moet ik daarmee?" vroeg ik.
Er viel een stilte aan de andere kant van de lijn. De verpleegkundige was gewend aan verdriet of aan paniek. Niet aan een droge, praktische vraag.
"Hij is erg zwak, meneer Berends," zei ze zacht. "Hij hoopt dat u langskomt. Hij heeft verder niemand opgegeven als contactpersoon. U bent de enige."
"Ik ken hem niet," zei ik.
"Dat begrijp ik," zei ze. "Toch geef ik het door. Bezoektijd is tot acht uur vanavond. Kamer 114."
Ze hing op. Ik bleef staan met de telefoon tegen mijn oor totdat het scherm zwart werd. Mijn koffie was lauw geworden. Ik gooide de beker in een prullenbak en liep naar de uitgang van het station, weg van het perron waar mijn trein naar huis net binnenrolde.
In mijn herinnering was Huub altijd groot. Hij rook naar zware shag, pepermunt en koude wind. Als hij thuiskwam van zijn werk op de bouwplaats, gooide hij zijn zware leren tas in de hoek van de gang. Dan riep hij mijn naam, tilde me op tot mijn hoofd bijna het plafond raakte en zette me weer neer. Dat was het leuke deel. Het andere deel was zijn stilte. Weken waarin hij aan de keukentafel zat en naar de muur staarde. Ruzies met mijn moeder achter gesloten deuren, waarbij borden braken en stemmen oversloegen.
Op een zaterdag in augustus zei hij: "Ik ga even tabak halen, jongen." Hij gaf me een tikje op mijn schouder. Ik was acht jaar oud. Ik zat op de vloer met een doos Lego. Ik keek door het raam hoe hij in die blauwe auto stapte. Hij startte de motor, zette de ruitenwissers aan tegen een paar spatten regen en reed de straat uit. Mijn moeder heeft die avond tot twee uur 's nachts bij het raam gestaan. Daarna deed ze de gordijnen dicht en zei ze: "Zo is het goed, Dennis. We gaan naar bed."
Nu stond ik bij mijn fiets op het stationsplein. De regen werd dikker. Waarom belt iemand na zesentwintig jaar? Wat verwacht een man die een kind van acht achterlaat van een man van vierendertig? Ik stapte op mijn fiets en trapte tegen de wind in naar huis. Ik wilde niet gaan. Maar terwijl ik over de natte klinkers reed, wist ik al dat ik die avond de auto naar Apeldoorn zou pakken. Niet uit liefde. Niet uit plichtsbesef. Maar omdat ik wilde zien wat er overblijft van een spook als je het recht in de ogen kijkt.
Hoofdstuk 2
De schaduw in de gang
Onze flat in Liendert was klein. Mijn moeder werkte overdag op een kinderdagverblijf en 's avonds maakte ze schoon in een kantoorpand bij het station. Ze deed alles om de boel draaiende te houden. We hadden geen overvloed, maar mijn kleren waren heel en er stond altijd warm eten op tafel. Toch hing er jarenlang een schaduw in de gang. Een leegte die de vorm had van een man die er hoorde te zijn, maar er simpelweg niet was.
In het begin verzon ik verhalen. Op school vertelde ik aan andere jongens dat mijn vader kapitein was op een groot zeeschip. Dat hij naar plekken voer waar het altijd warm was en dat hij niet kon bellen omdat er op de oceaan geen telefoonpalen stonden. De meester knikte dan meelevend. De andere kinderen geloofden het. Ik geloofde het zelf half, totdat ik een jaar of tien werd en begreep dat een schipper af en toe een kaartje stuurt.
Er kwamen geen kaartjes. Geen verjaardagswensen. Geen telefoontjes met Sinterklaas. Helemaal niets. Het was alsof Huub Berends van de aardbodem was verdwenen zodra hij het bord van de bebouwde kom van Amersfoort was gepasseerd.
Mijn twaalfde verjaardag was het breekpunt. Twee dagen voor die datum lag er opeens een envelop op de mat. Witte envelop, blauwe balpen, slordig handschrift. 'Voor Dennis'. Binnenin zat een briefje van een geeltje en een gevouwen papiertje: 'Gefeliciteerd jongen. Ik kom zaterdag om twee uur even langs. Pa.'
Ik weet nog precies hoe mijn hart tekeerging. Mijn moeder zag het briefje, werd bleek, maar zei niets. Ze kocht een slagroomtaart bij de HEMA en zette limonadeglazen klaar. Zaterdag om half twee zat ik op het muurtje voor ons portiek. Ik had mijn beste trui aan. Mijn schoenen had ik gepoetst met een nat doekje.
Om twee uur kwam er geen blauwe Opel. Om half drie ook niet. Om drie uur stopte er een auto, maar die was rood en er stapte een oude vrouw uit. Om vier uur begon het koud te worden. Mijn moeder kwam naar buiten met haar jas over haar schouders. Ze ging naast me op het muurtje zitten. Ze legde haar hand op mijn knie. Haar vingers waren ruw van het schoonmaakmiddel.
"Kom, Den," zei ze zacht. "We gaan naar binnen. We eten die taart lekker zelf op."
Ik huilde niet. Ik werd alleen heel erg leeg. Alsof er vanbinnen iets dichtsloeg. Een zware, houten deur die met een doffe klap in het slot viel. We gingen naar binnen. We sneden de taart aan. We keken naar een stom televisieprogramma en we spraken nooit meer over zijn belofte. Dat was de dag waarop ik besloot dat hopen gevaarlijk was. Hopen op iets wat je niet zelf in de hand hebt, maakt je zwak.
Die houding heeft me veel gekost. Toen ik zesentwintig was, woonde ik samen met Laura. Laura was warm, eerlijk en geduldig. Ze hield van me, zelfs als ik na een nachtdienst urenlang stil voor me uit zat te staren. Maar zodra ze over de toekomst begon — trouwen, een kind, een huis kopen met een tuin — trok ik me terug. Ik voelde een beklemming in mijn keel die ik niet kon uitleggen. Ik dacht altijd: straks sta ik hier en ben ik opeens weg. Of erger: straks staat zij op een dag op en is zij weg.
"Je laat me er niet bij, Dennis," zei ze op een avond in onze keuken. De dozen stonden al klaar; ze had een eigen studio gevonden. "Je woont hier wel, maar je bent er niet echt. Je beschermt jezelf tegen iets wat allang gebeurd is."
Ik had geen antwoord. Ik hielp haar met het sjouwen van haar wasmachine en toen ze weg was, dronk ik een koud biertje op de lege bank. Ik voelde verdriet, zeker. Maar ik voelde ook een vreemde, perverse opluchting. Niemand kon me meer laten zitten als ik al alleen was. En die erfenis, die kille, bange erfenis, kwam niet van mij. Die kwam van de man die nu in een ziekenhuisbed in Apeldoorn lag te sterven.
Hoofdstuk 3
Kamer 114
Het ziekenhuis rook naar boenwas, chloor en overkookte aardappelen. Ik liep door de lange, witte gangen van de eerste verdieping. Mijn werkschoenen piepten op het linoleum. Buiten sloeg de wind tegen de grote ramen. Ik had mijn jas aangehouden, alsof ik elk moment weer om kon draaien.
Bij kamer 114 bleef ik even voor de deur staan. Er hing een plastic bordje naast met een waarschuwing voor infectiegevaar. Mijn hand rustte op de klink. Tien seconden lang dacht ik aan het perron in Amersfoort. Ik kon nu nog weglopen. Niemand zou me veroordelen. De verpleegkundigen kenden me niet. Mijn moeder was vijf jaar geleden overleden aan borstkanker; zij kon er ook niets meer van vinden. Ik was niemand iets verplicht.
Toch duwde ik de klink naar beneden.
De kamer was halfdonker. Het licht boven het bed stond op de laagste stand. Er hing een muffe geur van zweet, oude lakens en ziekenhuisalcohol. Aan een infuuspaal hing een plastic zak met heldere vloeistof die langzaam naar beneden drupte. In het bed lag een gedaante.
Ik deed twee stappen naar voren.
De man in het bed leek in niets op de Huub uit mijn herinnering. Die Huub was breed geweest, met zware onderarmen vol littekens van de bouw en een bos donker krullend haar. De man die hier lag, was klein. Zijn wangen waren ingevallen, grijs en bedekt met witte stoppels. Zijn huid leek op perkament, zo dun dat de blauwe aderen over zijn slapen kronkelden. Een dun slangetje onder zijn neus blies zuurstof in zijn neusgaten. Zijn mond hing een stukje open. Hij ademde met een schor, rochelend geluid.
Ik bleef aan het voeteneinde staan. Ik voelde geen schok, geen golf van woede, geen verdriet. Alleen een doffe verbazing over hoe breekbaar een vijand kan worden als de tijd eroverheen gaat.
Zijn oogleden trilden. Langzaam deed hij zijn ogen open. Ze waren waterig en troebel, omringd door rode randen. Hij keek naar het plafond, knipperde een paar keer en draaide toen moeizaam zijn hoofd in mijn richting.
"Wie..." bracht hij uit. Zijn stem klonk als schuurpapier over droog hout.
"Dennis," zei ik.
Er gebeurde iets in zijn gezicht. Een kleine rimpeling rond zijn mond. Hij probeerde zich op te drukken aan de rand van het matras, maar zijn armen beefden te hard. Hij liet zich weer terugzakken in de kussens.
"Dennis," herhaalde hij. Het klonk niet als een begroeting. Het klonk alsof hij een woord uitprobeerde dat hij lang niet had gebruikt.
"De verpleging belde," zei ik. Mijn handen zaten diep in mijn jaszakken. Ik weigerde mijn jas uit te trekken.
"Je bent gekomen," zei hij zacht. Hij kuchte, een droge blaf die pijnlijk klonk. "Ik dacht... ik dacht dat je niet zou komen."
"Ik wist het zelf ook niet," antwoordde ik eerlijk. "Wat wil je, Huub?"
Hij keek naar mijn jas, naar mijn schoenen, en tenslotte naar mijn gezicht. Hij zocht naar iets. Misschien naar trekken van zichzelf. Mijn donkere haar, mijn rechte neus. Ik wist dat ik op hem leek; mijn moeder had het soms verzucht als ik koppig was.
"Je bent groot geworden," zei hij. Een zwakke poging tot een glimlach gleed over zijn lippen. "Hoe oud ben je nu? Achtentwintig?"
Ik slikte een bittere lach in. "Vierendertig."
Hij knipperde met zijn ogen. Hij leek de rekensom te maken in zijn hoofd, maar de cijfers wilden niet meer kloppen. "Vierendertig al. Jezus. Waar blijft de tijd."
"Niet bij jou in elk geval," zei ik.
De stilte die volgde, was zwaar. De monitor naast het bed piepte ritmisch. Huub keek naar zijn eigen handen, die op het witte laken lagen. Zijn nagels waren geel en gebarsten. Ik zag de blauwe inkt van een vervaagde tatoeage op zijn onderarm: een anker met een doornenkrans. Die kende ik nog. Vroeger mocht ik daarop drukken als hij me optilde.
"Ik lig hier al twee weken," zei hij tenslotte. "Mijn nieren doen het niet meer. Mijn longen lopen vol. Ze zeggen dat er niks meer aan te doen is."
"Dat vertelde de zuster," zei ik.
"Heb je... heb je even tijd? Om te zitten?" Hij wees met een trillende vinger naar een plastic stoel met een blauwe bekleding naast het bed.
Ik keek naar de stoel. Hij stond er koud en ongemakkelijk bij. Als ik ging zitten, accepteerde ik dat ik op bezoek was. Dat we een gesprek hadden. Dat we vader en zoon waren die de draad oppakten.
"Ik blijf even staan," zei ik. "Zeg maar wat je wilde zeggen."
Hoofdstuk 4
Bier in een bruin café
Het gesprek die eerste avond duurde nog geen twintig minuten. Huub was te moe. Na een paar onsamenhangende zinnen over het weer en over het ziekenhuiseten vielen zijn ogen dicht. Zijn ademhaling werd weer zwaar en raspend. Ik had nog vijf minuten naar zijn slapende gezicht gekeken en was toen zonder geluid de kamer uit gelopen.
In plaats van naar huis te rijden, parkeerde ik mijn wagen in het centrum van Apeldoorn. Ik had behoefte aan herrie, aan mensen die niets van me wisten. Ik liep een bruin café binnen met vergeelde gordijnen en Perzische kleedjes op de tafels. Aan de bar zaten drie oude mannen over voetbal te praten. De radio speelde Hazes op een laag volume.
Ik bestelde een vaasje bier en ging aan een tafeltje in de hoek zitten. Mijn telefoon lag voor me op het hout. Ik dacht aan Laura. We spraken elkaar nog af en toe, eens in de drie maanden, om te vragen hoe het ging. Ze had inmiddels een nieuwe vriend, een leraar geschiedenis. Ze klonk gelukkig als we belden. Rustig.
Ik toetste haar nummer in, wiste het weer, en toetste het opnieuw in. Uiteindelijk drukte ik op bellen.
"Dennis?" Haar stem klonk verrast. Op de achtergrond hoorde ik het tikken van pannen. Ze was aan het koken.
"Hoi," zei ik. "Stoor ik?"
"Nee hoor. Bas is nog niet thuis. Wat is er? Je klinkt vreemd."
Ik nam een slok van mijn bier. Het schuim bleef aan mijn bovenlip plakken. "Ik zit in Apeldoorn. In een kroeg."
"Apeldoorn? Wat doe je daar?"
"Mijn vader ligt in het ziekenhuis," zei ik. Het voelde raar om het woord hardop te zeggen. 'Mijn vader'. Het paste niet in mijn mond. Alsof ik een jas aantrok die drie maten te klein was.
Het bleef stil aan de andere kant van de lijn. Laura wist van Huub. Ze wist van het muurtje op mijn twaalfde verjaardag. Ze wist van de lege enveloppen.
"Leeft hij nog?" vroeg ze zacht.
"Nog wel. Niet lang meer. Een paar dagen, zeggen ze."
"Ben je bij hem geweest?"
"Net. Twintig minuten. Hij herkende me amper. Hij dacht dat ik achtentwintig was."
Ik hoorde Laura zuchten. Geen zucht van ergernis, maar van medeleven. Vroeger kon ik daar niet tegen. Dan voelde ik me zielig gevonden. Nu was het gewoon een geluid in de telefoon.
"Hoe voelt het?" vroeg ze.
"Niks," zei ik. "Dat is het rare. Ik dacht altijd dat ik hem op zijn bek zou slaan als ik hem ooit tegenkwam. Of dat ik zou schreeuwen. Vragen waarom hij ons heeft laten stikken. Waarom hij nooit alimentatie betaalde, waarom hij mama liet ploeteren tot ze erbij neerviel. Maar hij is gewoon een oude man in een nachthemd met een plastic buisje in zijn neus. Er valt niks te slaan."
"Je hoeft hem niet te slaan om boos te zijn, Den," zei ze.
"Ik ben niet eens boos," zei ik. "Ik ben gewoon leeg. Ik snap niet waarom ik hierheen ben gereden."
"Dat snap je wel," zei Laura rustig. "Je wilde weten of het aan jou lag. Dat heb je je hele leven gedacht, ook al ontkende je het altijd. Je wilde zien of er een reden was."
Haar woorden kwamen hard aan, harder dan ik wilde toegeven. Ik keek naar de kringen die mijn glas achterliet op het tafelkleedje. Ze had gelijk. Ergens diep vanbinnen, weggestopt onder lagen nuchterheid en overuren op het werk, zat nog steeds dat jongetje van acht op het vloerkleed met zijn Lego. Dat jongetje dat dacht: als ik stiller was geweest, als ik mijn kamer beter had opgeruimd, was hij misschien gebleven.
"Er is geen reden," zei ik zacht.
"Nee," zei Laura. "Dat soort mannen heeft geen redenen. Die hebben alleen uitvluchten. Pas goed op jezelf, Dennis. Blijf niet te lang hangen als het je kapotmaakt."
"Doe ik niet," zei ik. "Dank je, Lau."
"Succes, jongen."
We hingen op. Ik dronk mijn bier leeg. Ik keek naar de mannen aan de bar. Eén van hen lachte, een harde, schorre lach die leek op die van Huub vroeger. Ik betaalde de barman met een briefje van tien, liep terug naar mijn auto en reed naar huis. Onderweg op de A1 zette ik de radio uit. Alleen het suizen van de banden op het natte asfalt. Ik wist dat ik de volgende dag terug zou gaan. Nog één keer. Niet voor hem, maar om die deur voorgoed dicht te trekken.
Hoofdstuk 5
Het dieptepunt aan het bed
Twee dagen later stond ik er weer. Het was donderdagmiddag. Buiten scheen een waterig zonnetje dat geen warmte gaf. De bomen rondom het ziekenhuis waren bijna kaal; de laatste gele bladeren waaiden over de parkeerplaats.
Huub zat dit keer iets meer rechtop. Er stonden twee kussens achter zijn rug gepropt. Zijn gezicht zag er nog grauwer uit dan dinsdag, met donkere kringen onder zijn ogen die bijna paars kleurden. Op zijn nachtkastje stond een onaangeroerd bakje vla met een vel erop.
Toen ik binnenkwam, keek hij meteen naar de deur. Alsof hij had liggen wachten.
"Dennis," zei hij. Zijn stem was helderder dan de vorige keer, minder schor.
"Middag," zei ik. Ik liep naar het raam en leunde tegen de vensterbank. Weer hield ik mijn jas aan.
"Mooi dat je er bent," zei hij. Hij wees naar de plastic stoel. "Ga toch zitten, man. Je maakt me zenuwachtig als je daar zo blijft staan als een bewaker."
Ik aarzelde, maar trok de stoel naar achteren en ging zitten. Ik hield mijn armen over elkaar.
"Hoe is het met je moeder?" vroeg hij opeens.
De vraag kwam zo plotseling dat ik even dacht dat ik het verkeerd had verstaan. Ik staarde hem aan. Mijn kaken klemden op elkaar.
"Mijn moeder is dood," zei ik. Kort. Droog.
Huub kromp een beetje ineen. Hij keek naar zijn dekbed. "O. Dat... dat wist ik niet. Wanneer?"
"Vijf jaar geleden. Borstkanker. Ze was achtenvijftig."
"Jeetje," mompelde hij. Hij schudde langzaam zijn hoofd. "Ingrid. Verdomme. Ze was altijd zo sterk."
"Ja," zei ik. "Ze had geen keus. Iemand moest het doen."
Hij voelde de steek, dat zag ik aan zijn ogen. Hij wreef over zijn magere borstkas, net onder de ziekenhuisjas. "Dennis, luister. Ik weet dat je kwaad bent. Dat mag je wezen. Ik heb fouten gemaakt. Grote fouten."
Daar was het dan. Het praatje. Het klassieke rijtje woorden waar mensen op terugvallen als het einde nadert en ze bang worden voor het donker.
"Fouten?" herhaalde ik. "Een fout is als je vergeet brood te halen bij de bakker. Of als je per ongeluk een vaas omstoot. Jij stapte in je auto en liet een kind van acht achter met een huurachterstand en een moeder die drie banen tegelijk moest nemen om de energierekening te betalen."
"Het werkte niet tussen ons!" zei hij, en zijn stem sloeg een beetje over van de inspanning. "Je moeder en ik... we maakten elkaar kapot. Elke dag ruzie. Elke dag spanning. Als ik was gebleven, was het een hel geworden voor jou. Dat wilde ik je besparen."
Ik voelde de hitte vanuit mijn maag naar mijn keel stijgen. Niet de blinde woede die ik had verwacht, maar een ijskoude, scherpe minachting.
"Maak jezelf dat nou niet wijs, Huub," zei ik zacht, maar mijn woorden sneden door de kamer. "Je bent niet weggegaan om mij iets te besparen. Je bent weggegaan omdat het te moeilijk werd. Omdat een gezin verantwoordelijkheid betekent. Omdat je liever in de kroeg zat dan dat je thuis meehielp. En weet je wat nog het ergste is?"
Hij zweeg. Zijn ademhaling ging sneller. Het apparaat naast zijn bed begon iets sneller te piepen.
"Dat je nooit meer hebt omgekeken," ging ik verder. "Je wist waar we woonden. We zijn nooit verhuisd uit die flat in Liendert. Ons nummer stond gewoon in het telefoonboek. Je had één keer per jaar een kaartje kunnen sturen. Tien gulden voor mijn verjaardag. Vijf minuten bellen om te vragen of ik over was naar de volgende klas. Maar je deed het niet. Zelfs die zaterdag dat je beloofde te komen toen ik twaalf werd, kwam je niet opdagen. Ik heb drie uur op het muurtje gezeten met een stuk taart."
Huubs lippen trilden. Hij keek weg, naar de witte muur tegenover hem. "Ik had geen geld, Dennis. Ik had schulden. Ik schaamde me kapot. Ik dacht: die jongen heeft meer aan rust dan aan een vader die niks te bieden heeft."
"Je dacht helemaal niks over mij," zei ik. "Je dacht alleen aan jezelf. Je schaamde je niet, je was gewoon lui. En laf."
Er viel een loodzware stilte. Alleen het geruis van het zuurstofslangetje was te horen. Een verpleegkundige stak haar hoofd om de hoek van de deur, zag de spanning tussen ons, en trok de deur geruisloos weer dicht.
Huub draaide zijn hoofd langzaam terug naar mij. Er stond vocht in zijn ogen, maar het leek meer op zelfmedelijden dan op echt verdriet.
"Ik wilde het goedmaken," fluisterde hij. "Nu het nog kan. Ik wilde... dat we dit konden afsluiten. Zonder haat."
Ik stond op van de plastic stoel. Ik schoof hem rustig terug op zijn plek. Ik keek neer op de man in het bed. De schaduw in de gang van mijn jeugd, het monster onder mijn bed, de reden waarom ik Laura had laten gaan — het lag hier allemaal op een wit laken van tachtig centimeter breed.
"Er valt niks goed te maken," zei ik. "Om iets goed te maken, moet er eerst iets zijn geweest. Tussen jou en mij was er niks. Alleen een achternaam op een geboortebewijs. Ik haat je niet, Huub. Echt niet. Maar ik vergeef je ook niet. Want vergeving is voor mensen die ertoe doen. En jij doet er voor mij niet toe."
Hij deed zijn mond open om iets te zeggen, maar er kwam geen geluid uit. Alleen een schor piepen. Hij sloot zijn ogen en draaide zijn gezicht naar de muur. Zijn schouders schokten heel even, één keer, en toen bleef hij stil liggen.
Ik wachtte niet tot hij zich omdraaide. Ik liep de kamer uit, trok de deur achter me dicht en liep met vaste pas door de lange, witte gang naar de uitgang.
Hoofdstuk 6
De sleutelbos van een vreemde
Op maandagochtend om kwart over zes ging mijn wekker. Ik had vroege dienst in het depot. Buiten vroor het licht; de ruiten van mijn auto waren bedekt met een dun laagje ijs. Terwijl ik stond te krabben met een plastic krabbertje, ging mijn telefoon weer. Hetzelfde nummer uit Apeldoorn.
Ik stapte in de auto, startte de motor en nam op.
"Met Dennis."
"Meneer Berends, met zuster Marja," zei de stem. Ze klonk anders dan de eerste keer. Meer gedempt. "Ik bel om u te laten weten dat uw vader vanmorgen om vijf uur is overleden. Hij is rustig ingeslapen in zijn slaap."
Ik keek door de voorruit naar de straatverlichting die weerspiegelde op het ijs. Mijn adem wolkte in de koude auto.
"Oké," zei ik.
"Heeft u... wilt u nog langskomen om afscheid te nemen?" vroeg ze.
"Nee," zei ik. "Dat hoeft niet. Ik heb donderdag al afscheid genomen."
"Begrijp ik," zei ze professioneel. "Er is nog wel een praktisch punt. Omdat u de enige geregistreerde contactpersoon bent, moeten we zijn persoonlijke bezittingen aan u overdragen. En we hebben een handtekening nodig voor de overdracht aan de uitvaartondernemer. Heeft hij een verzekering, weet u dat?"
"Geen idee," zei ik. "Ik wist tot vorige week niet eens waar hij woonde."
"Dan moeten we dat even uitzoeken," zei ze. "Zou u vandaag of morgen langs kunnen komen bij de administratie van het mortuarium?"
"Ik kom vanmiddag na mijn werk," zei ik.
Die dag op het werk liep alles zoals altijd. De vrachtwagens losten hun lading, de sorteerbanden draaiden met hun vertrouwde, monotone geratel, en ik controleerde de pakbonnen. Mijn collega Johan vroeg nog waarom ik zo stil was. "Slecht geslapen," zei ik. Hij knikte en gaf me een schouderklop. Meer werd er niet gevraagd. Dat was het fijne van de loods: zolang de pakketten op tijd weggingen, deed de rest er niet toe.
Om drie uur 's middags reed ik opnieuw naar Apeldoorn. Niet naar de verpleegafdeling dit keer, maar naar de achterzijde van het ziekenhuis, waar een grijze deur met het opschrift 'Familiekamer / Mortuarium' zat. Een man in een donkerblauw pak met een keurig gekamde scheiding ontving me in een kantoortje dat naar lelies en verse verf rook.
Hij legde een paar formulieren voor me neer. De gemeente zou de basisbegrafenis regelen als er geen polis bleek te zijn. Ik tekende waar hij zijn vinger zette. Afstand van de erfenis. Dat had ik die ochtend al opgezocht op internet: beneficiair aanvaarden of verwerpen. Ik verwierp alles. Ik wilde geen oude schulden, geen ongeopende brieven van incassobureaus, geen rommel.
"En dit zijn zijn persoonlijke eigendommen," zei de man. Hij schoof een doorzichtige plastic zak met een ritssluiting over de tafel naar me toe. "Dit had hij bij zich toen hij werd opgenomen via de spoedeisende hulp."
Ik pakte de zak aan. Hij woog bijna niets.
In de auto op de parkeerplaats ritste ik de zak open en keek naar de inhoud.
Een versleten zwarte leren portemonnee. Binnenin zaten drie briefjes van tien euro, een verlopen identiteitskaart met een foto van Huub van tien jaar geleden, een klantenkaart van een buurtsupermarkt in Zutphen en een ponskaartje van de bibliotheek. Geen foto's. Geen briefjes van vroeger. Helemaal niets dat wees op het bestaan van een gezin.
Verder zat er een oude Nokia in de zak, met een gebarsten schermpje en een lege batterij. Een half leeg pakje zware shag van het merk Brandaris, een wegwerpaansteker zonder vuursteentje, en een sleutelbos met drie sleutels aan een koperen ringetje. Een huissleutel, een fietssleutel, en een sleutel van een brievenbus.
Ik hield de sleutelbos in mijn hand. Het metaal was koud. Dit was het dus. Zesenzestig jaar leven op deze aarde, samengevat in een plastic zakje ter grootte van een boterhamzak. Geen stapels boeken, geen fotoalbums, geen vrienden die belden, geen kinderen die zijn hand vasthielden toen zijn adem stokte.
Ik legde de sleutels terug in de zak. Ik voelde geen triomf. Ik voelde geen voldoening dat hij zo armzalig was geëindigd. Maar de laatste restjes van die oude, donkere angst die me al sinds mijn jeugd vergezelde — de angst dat ik net als hij zou worden — losten op in de vrieskou van die parkeerplaats. Ik had een baan. Ik had een flat met meubels die ik zelf had betaald. Ik had collega's die op me rekenden. Ik had mensen in mijn leven gekend die van me hielden, en als ik mijn best deed, kon ik dat opnieuw vinden.
Huub Berends had zijn hele leven gerend om nergens aan vast te zitten. En nu zat hij nergens aan vast. Zelfs niet aan de wereld die hij achterliet.
Hoofdstuk 7
De koude koffie op de terugweg
De crematie vond plaats op een vrijdagochtend in een sober crematorium aan de rand van Dieren. Het was een zogeheten 'stille uitvaart', geregeld door de sociale dienst van de gemeente Zutphen, waar Huub de laatste jaren van zijn leven een tweekamerflat had gehuurd.
Er was geen muziek. Geen toespraken. Geen bloemen op de eenvoudige houten kist die in het midden van de aula stond opgesteld. De zaal had plek voor honderd mensen, maar er waren er drie.
Ik zat op de achterste rij, met mijn jas dichtgeritst. Vier rijen voor me zat een oudere vrouw met een grijze regenjas die ik niet kende — waarschijnlijk een buurvrouw uit zijn flat. Naast haar zat een man van de gemeente met een klembord op zijn schoot, die zakelijk toezicht hield op het protocol.
De medewerker van het crematorium, een lange man met een zachte stem, liep naar het spreekgestoelte. Hij schraapte zijn keel.
"Wij zijn hier bijeen om afscheid te nemen van Hubertus Johannes Berends," begon hij. Hij las een korte levensloop voor die klonk als een uittreksel van de burgerlijke stand. Geboren in Deventer, gewerkt in de bouw, gewoond op verschillende adressen in Gelderland en Overijssel. Geen woord over wie hij was. Geen anekdote over een grap die hij had gemaakt, een liedje waar hij van hield, of iets wat hij had nagelaten.
Na zes minuten was het voorbij. De man boog zijn hoofd naar de kist. "Rust in vrede, meneer Berends."
De kist daalde niet eens. Hij bleef gewoon staan op de verhoging terwijl de lichten langzaam feller werden. De buurvrouw stond op, knikte kort naar de man van de gemeente, keek even schichtig achterom naar mij en liep toen door de zijdeur naar buiten. De ambtenaar stopte zijn klembord in een leren tas en wenste me een goede dag.
"Gecondoleerd nog, meneer," zei de medewerker van het crematorium terwijl hij de deuren voor me openhield.
"Dank u," zei ik.
Ik liep naar buiten. De lucht was strakblauw en helder. De kou prikte in mijn neus. Op de parkeerplaats stapte ik in mijn auto en reed de N348 op, richting Arnhem en dan terug naar Amersfoort.
Halverwege, ergens bij een tankstation langs de snelweg, stopte ik. Ik had dorst. Ik kocht een beker zwarte koffie bij het pompstation en ging op een houten picknickbankje zitten naast de carpoolstrook. Vrachtwagens raasden voorbij over het asfalt, op weg naar distributiecentra, winkels en havens. Het vertrouwde geluid van beweging, van werk, van dingen die ergens naartoe gaan.
Ik zette de kartonnen beker op de houten tafel. De wind blies de damp meteen weg. De koffie werd snel koud.
Ik dacht aan mijn moeder. Aan haar handen met de kloofjes van het schoonmaakwerk. Aan hoe ze op zaterdagavond altijd een bakje chips voor me neerzette en zei: "Den, wij redden het wel samen. Maak je geen zorgen." Ze had gelijk gehad. We hadden het gered. Zonder hem. Beter dan we het mét hem hadden gedaan.
Jarenlang had ik gedacht dat er een gat in mijn borst zat. Een ontbrekend stuk, alsof iemand met een appelboor een hap uit me had genomen toen ik acht was. Ik dacht dat ik dat gat moest vullen met controle, met overuren, met afstand houden van vrouwen die te dichtbij kwamen. Ik dacht dat ik pas heel kon zijn als die man op een dag terugkwam met een goede verklaring, met tranen in zijn ogen, met iets wat alles weer recht zou trekken.
Maar er viel niets recht te trekken. Het gat was er niet meer. Het was gewoon een litteken geworden, zoals het litteken op mijn knie van toen ik met mijn fiets viel op het schoolplein. Het zat er, je kon het zien als je goed keek, maar het deed al heel lang geen pijn meer.
Ik pakte de plastic zak van het ziekenhuis uit mijn dashboardkastje. De portemonnee, de Nokia, de shag. De dertig euro had ik aan de buurvrouw gegeven voor haar moeite om naar het crematorium te komen. De rest van de spullen legde ik op de picknicktafel.
Naast de picknicktafel stond een grote, groene afvalbak van Rijkswaterstaat. Ik pakte de zak op, liep naar de bak en liet hem erin vallen. De klep klapte dicht met een dof metalen geluid.
Ik liep terug naar de auto. Ik startte de motor, zette de verwarming aan en schoof de hendel in zijn versnelling. Ik keek nog één keer in mijn achteruitkijkspiegel naar het lege bankje en de afvalbak, en voegde toen in op de snelweg.
Je was er nooit. Drieëntwintig jaar lang was je er niet. Je was er niet toen ik mijn diploma haalde. Je was er niet toen mama stierf. Je was er niet toen ik mijn eerste huis kocht. Je was er niet toen ik leerde hoe je een man moet zijn.
En weet je wat het mooiste is? Het is prima zo. Helemaal prima.