Naar de inhoud
Terug naar het boek

Verlies en rouw

Ik wist niet dat verdriet zo voelde

Gaat over overlijden en rouw.

Hoofdstuk 1

De rode knop

Mijn naam is Jeroen van Dijk. Ik ben achtendertig jaar en ik werk als elektromonteur in Deventer. Mijn dagen bestaan normaal gesproken uit duidelijke dingen: koperdraad, zekeringskasten, schema’s die kloppen als je ze goed aansluit. Als er ergens geen stroom op staat, zoek je de breuk. Je vervangt het onderdeel en het licht brandt weer. Zo dacht ik altijd over het leven. Als er een probleem is, los je het op.

Tot die dinsdagavond in november.

Het regende hard. Dikke druppels sloegen tegen het raam van mijn tussenwoning aan de rand van de stad. Ik zat op de bank met een bord macaroni op schoot. Op televisie speelde een voetbalwedstrijd, een Europese wedstrijd waar ik eigenlijk niet eens echt naar keek. Ik was moe. Ik had de hele dag in de kou op een tochtige bouwplaats gestaan en mijn rug deed pijn.

Om veertien over negen trilde mijn telefoon op de salontafel. Hij schoof een centimeter over het hout.

Op het scherm verscheen één woord: Tim.

Mijn jongere broertje. Tim was dertig, twee jaar jonger dan ik, maar in mijn hoofd bleef hij altijd de jongen die zijn veters niet op tijd vastkreeg. De laatste maanden ging het niet best met hem. Hij was zijn baan bij de houthandel kwijtgeraakt, zijn vriendin was bij hem weg en hij dronk te veel bier op doordeweekse dagen. Diezelfde middag om vier uur had hij al voor mijn busje gestaan bij de groothandel.

'Heb je twee meiers voor me, Jeroen?' had hij gevraagd. Zijn ogen waren rood geweest en zijn jas stonk naar natte hond en tabak. 'Gewoon even tot maandag. Ik zit klem met de huur.'

Ik had 'nee' gezegd. Niet zomaar nee, maar een harde nee. Ik was kwaad geworden. Ik had gezegd dat hij eens volwassen moest worden, dat ik geen wandelende pinautomaat was en dat hij zijn eigen rotzooi maar eens moest opruimen. Hij had zijn schouders opgetrokken, naar de grond gespuugd en was weggelopen. Die boze blik in zijn ogen zat nog steeds in mijn maag toen ik op de bank zat.

Nu trilde de telefoon opnieuw. Veertien over negen.

Ik keek ernaar. Ik pakte het toestel niet op. Ik zette het geluid uit en schoof hem met het scherm naar beneden op het viltje van mijn bierglas. 'Morgen weer een dag,' zei ik hardop tegen de lege kamer. 'Zoek het vanavond maar even zelf uit.'

Om achtentwintig over negen lichtte het scherm weer op. Ik zag het blauwe schijnsel onder het viltje vandaan komen. Tim probeerde het nog een keer. Met mijn duim veegde ik over het scherm. Niet naar groen, maar naar rood. Ik drukte hem weg. Het was een beweging van een halve seconde. Een kleine, gedachteloze veeg van links naar rechts.

Daarna werd het stil. Ik keek de wedstrijd af, zette mijn bord in de vaatwasser en ging naar bed. Ik sliep zwaar, zoals ik altijd sliep na een dag werken in de kou.

Om veertien minuten over zes ging de deurbel. Geen gewone bel, maar drie lange, harde drukken achter elkaar. De zoemer sneed door mijn slaap. Ik schrok wakker, schoot in mijn joggingbroek en liep op blote voeten de trap af. Door het melkglas van de voordeur zag ik twee donkere silhouetten staan. Er stond een auto met een oranje en blauwe streep voor mijn oprit geparkeerd.

Toen ik de deur opendeed, sloeg de koude ochtendlucht meteen op mijn borst.

Er stonden twee agenten. Een man van een jaar of vijftig met een snor en een jonge vrouw met haar haren in een strakke vlecht. De man hield zijn handen gevouwen voor zijn koppel. Hij keek me aan met een blik die ik nog nooit van een vreemde had gekregen. Een blik die bijna medelijden had voordat hij überhaupt een woord had gezegd.

'Bent u Jeroen van Dijk?' vroeg de man.

'Ja,' zei ik. Mijn stem klonk schor van de slaap. 'Wat is er aan de hand?'

'Mogen we even binnenkomen, meneer Van Dijk?' vroeg de vrouw zacht.

'Nee, zeg het gewoon hier,' zei ik. Mijn hart sloeg opeens over de kop. Ik dacht aan mijn moeder, die al jaren tobde met haar bloeddruk. 'Is er iets met ma?'

De oudere agent schudde langzaam zijn hoofd. Hij stapte een halve meter naar voren, de gang in, zodat hij niet over straat hoefde te praten. 'Het gaat om uw broer. Tim.'

De vloer onder mijn voeten leek ineens dunner te worden. Alsof de houten planken van de gang elk moment konden breken.

'Er is vannacht rond kwart over tien een eenzijdig ongeval gebeurd op de provinciale weg richting Raalte,' zei de man. 'Zijn auto is van de weg geraakt en tegen een boom tot stilstand gekomen.'

Ik keek naar de knopen van zijn politievest. Ze waren zwart en mat. Ik hoorde wat hij zei, maar de woorden vielen niet op hun plek. Eenzijdig ongeval. Boom. Auto.

'Hoe is het met hem?' vroeg ik. Mijn stem klonk vreemd dun. 'In welk ziekenhuis ligt hij?'

De vrouwelijke agent legde een hand op mijn arm. Haar handschoen was koud en nat van de motregen. 'Het spijt me heel erg, meneer Van Dijk. Uw broer is ter plekke aan zijn verwondingen overleden. Hij was op slag dood.'

Ik keek langs hen heen, naar de oprit. De straatlantaarn knipperde een keer. In mijn broekzak zat mijn telefoon. Het ding voelde ineens gloeiend heet, alsof de batterij in brand stond. Ik dacht aan achtentwintig over negen. De rode knop. De veeg met mijn duim. Mijn keel sloeg dicht en er kwam geen lucht meer in of uit.

Hoofdstuk 2

Het koude staal

Iemand moet het doen. Dat is wat ze zeggen als er iemand doodgaat. Mijn vader overleed tien jaar geleden aan longkanker; mijn moeder woont in een aanleunwoning en kan amper de trap op zonder buiten adem te raken. Ze weegt nog geen vijftig kilo. Als ik haar had meegenomen naar het mortuarium in Apeldoorn, was ze daar ter plekke neergevallen. Dus zat ik om elf uur diezelfde ochtend op een stoel in een wachtruimte die rook naar chloor en goedkope koffie.

Naast me zat oom Henk, de oudere broer van mijn vader. Hij zei niks, kneep alleen af en toe in mijn bovenbeen. Zijn hand was zwaar en eeltig. Ik wilde dat hij ermee ophield, maar ik had de kracht niet om het te zeggen.

Een man in een donkerblauw pak kwam de hoek om. Hij liep zonder geluid te maken, op zachte zolen. Hij stelde zich voor als Peter. Peter had een stem die klonk alsof hij een wollen deken over je heen legde. Zo zacht, zo voorzichtig dat het me direct irriteerde. Ik wilde geen wollen deken. Ik wilde dat iemand me een klap in mijn gezicht gaf zodat ik wakker werd uit deze nachtmerrie.

'Meneer Van Dijk,' zei Peter. 'We gaan zo naar binnen. Uw broer heeft verwondingen aan zijn gezicht door de klap. We hebben ons best gedaan om het zo netjes mogelijk te maken, maar het kan schrikken zijn. Neemt u rustig de tijd.'

Ik knikte alleen maar. Praten lukte niet goed. Mijn tong voelde aan als een droge lap leer.

We liepen door een lange gang met witte tegels. Het leek op de achterkant van een slagerij, maar dan stiller. Er was geen tocht, geen wind, geen geur van buiten. Peter opende een zware deur die met een sissend geluid van luchtdruk openzwaaide.

In het midden van de kamer stond een tafel van roestvrij staal. Eroverheen lag een wit laken. Er stak alleen een hoofd bovenuit.

Daar lag Tim.

Zijn haar zat anders dan normaal. Ze hadden het naar achteren gekamd, netjes met een scheiding, terwijl Tim altijd een piekige bende op zijn hoofd had met veel te veel gel. Zijn huid had de kleur van gipsplaat die te lang in een vochtige schuur heeft gestaan. Een grauw soort wit, zonder enig leven eronder. Boven zijn linkeroog zat een diepe, paarsrode schram die met dikke, zwarte hechtingen was dichtgemaakt. Zijn neus stond een heel klein beetje scheef.

Ik deed twee stappen naar voren. Mijn knieën voelden slap, alsof de bouten waarmee ze vastzaten waren losgedraaid.

'Timmy,' fluisterde ik.

Het klonk belachelijk. Ik had hem al vijftien jaar geen Timmy meer genoemd. Zo noemde ik hem vroeger, toen we samen hutten bouwden in het bos bij Schalkhaar en hij van een tak viel en zijn pols brak. Toen had ik hem op mijn rug naar huis gedragen. Ik was zijn grote broer. Ik regelde het altijd.

Ik stak mijn hand uit en raakte zijn voorhoofd aan. Ik trok mijn vingers meteen weer terug. Het was niet zomaar koud, zoals buiten in de winter. Het was een koudheid die van binnenuit kwam, een koudheid die alle warmte uit je vingertoppen leek weg te zuigen. Een dood voorwerp. Dat was het ergste besef: mijn broertje was er niet meer. Dit was alleen nog maar een omhulsel van vlees en botten dat toevallig op hem leek.

'Is dit uw broer, Tim van Dijk?' vroeg de man in het blauwe pak zachtjes achter me.

'Ja,' zei ik. 'Dat is hem.'

Ik keek naar zijn rechterarm, die onder het laken vandaan stak. Op zijn pols stond de tatoeage die we samen hadden laten zetten toen hij achttien werd: twee kleine, in elkaar grijpende tandwielen. Een domme dronken actie in Lloret de Mar. De inkt was groenig geworden in de loop der jaren. Daar, bij die inkt, zag ik een minuscuul sneetje in zijn vel, nog vol met fijn zwart zand van de berm langs de N348.

Ik wilde het zand wegvegen met mijn mouw, maar ik durfde hem niet meer aan te raken.

'We kunnen terug naar voren gaan,' zei oom Henk. Zijn stem brak een beetje.

In het kantoortje kregen we formulieren. Er moesten handtekeningen worden gezet. Wie de opdrachtgever van de uitvaart was. Of we kozen voor begraven of cremeren. Wat voor kist. Spaanplaat met eikenfineer, massief grenen, of populierenhout. De man schoof een ringband met kleurenfoto's over de tafel.

Ik staarde naar de foto's van de kisten. Ze leken allemaal op keukenkastjes uit een goedkope folder. 'Grenen,' zei ik maar wat. 'Hij hield van hout. Hij werkte bij de houthandel.'

'Een mooie keuze,' zei Peter met die fluisterstem. 'Heel aards.'

Ik wilde opspringen en de tafel omver schoppen. Wat wist die vent nou van aards? Tim lag honderd meter verderop in een vriescel met aarde onder zijn nagels en hechtingen boven zijn oog omdat hij tegen een eik was geknald. En wij zaten te praten over eikenfineer alsof we een nieuwe salontafel uitzochten.

'De bezittingen zijn door de politie veiliggesteld,' ging Peter verder. Hij pakte een bruine papieren zak onder zijn bureau vandaan en zette die voor me neer. 'Dit zat in zijn zakken.'

De zak woog bijna niks. Ik hoefde er niet in te kijken om te weten wat erin zat: zijn huissleutels met de plastic flesopener eraan, zijn aansteker, en zijn telefoon.

Hoofdstuk 3

Een sleutelbos en een lege kamer

Het huis van Tim was een tweekamerflat op de tweede verdieping in het Rode Dorp. Een oude wijk met portiekwoningen uit de jaren vijftig. De galerij rook naar gebakken uien en vochtige betonmuren. Drie dagen na het ongeluk stond ik voor zijn deur. De uitvaartleider had gevraagd om kleding. 'Iets waarin u hem herkent, meneer Van Dijk. Een mooi overhemd, een nette broek.'

Tim had geen nette overhemden. Tim droeg altijd zwarte hoodies en vale spijkerbroeken met verfvlekken.

De sleutel paste precies in het slot. Toen ik de deur openduwde, kwam zijn geur me direct tegemoet. Het was een klap in mijn gezicht: zware shag, de geur van oude koffieprut, zijn goedkope Axe-deodorant en een vleugje natte hond van de buren beneden. Het was zo vertrouwd dat ik een seconde dacht dat hij zo om de hoek van de gang zou komen lopen met een mok in zijn hand.

'Tim?' zei ik zachtjes.

Er antwoordde niks. Alleen de koelkast in het keukentje sloeg met een doffe klik aan en begon zachtjes te brommen.

De flat was een puinhoop. Op de vloer van de woonkamer lagen stapels ongeopende post. Witte enveloppen met blauwe randen van het CJIB, herinneringen van de zorgverzekering, brieven van incassobureaus. Op de salontafel stonden drie lege blikken Schultenbräu en een halfvolle asbak. Een bord met opgedroogde pastasaus stond op de leuning van de bank.

Ik liep naar de slaapkamer. Het bed was onopgemaakt. Het dekbedovertrek met het logo van een rockband lag half op de grond. Ik trok de deuren van zijn kledingkast open. Twee planken waren leeg. Op de andere plank lag een stapel verwassen T-shirts. Aan een kledinghaakje hing één wit overhemd. Het zat vol kreukels en er ontbrak een knoopje aan de linkermouw. Het was het overhemd dat hij had gedragen op de bruiloft van onze neef, vier jaar geleden. Ik pakte het van het hangertje. De stof voelde dun en koud.

Ik ging op de rand van zijn bed zitten met het overhemd op mijn schoot. Mijn benen trilden.

Uit mijn jaszak haalde ik de plastic zak van de politie. Ik had hem al drie dagen niet durven openmaken. Met trillende vingers scheurde ik het plastic open. Zijn autosleutel viel eruit, een half pakje shag, een aansteker met een gebarsten hoekje, en zijn telefoon. Een zwarte Samsung met een barst overdwars door het scherm.

De batterij was leeg. Ik zocht in zijn kamer naar een oplader. Naast zijn bed vond ik een snoertje dat met wit isolatietape aan elkaar was geplakt. Typisch Tim: altijd knoeien met elektriciteit, nooit een keer een nieuwe kabel kopen van een tientje. Ik plugde de kabel in het stopcontact en duwde de stekker in zijn telefoon.

Op het zwarte scherm verscheen een klein wit batterijtje. Twee procent. Vier procent.

Ik drukte op de aanknop. Het toestel trilde en het scherm lichtte op. De achtergrondfoto was een selfie van ons tweeën, gemaakt tijdens een visweekend aan de IJssel, twee zomers geleden. We stonden erop met twee vette baarzen in onze handen, grijnzend naar de lens, met bierblikjes tussen onze voeten in het gras. Tim zag er toen nog gezond uit. Zijn gezicht was nog niet ingevallen.

Er stond geen pincode op het toestel. Dat had hij nooit gehad; hij vond codes maar onzin.

Ik tikte op het groene telefoontje om de oproepgeschiedenis te bekijken. Mijn adem stokte in mijn keel.

Dinsdag 14 november: 21:14 - Jeroen (Geannuleerd) 21:28 - Jeroen (Geannuleerd)

Daaronder stonden geen andere nummers. Ik was de laatste die hij had gebeld. Niemand anders.

Ik klikte door naar zijn berichten. Geen WhatsAppjes die avond. Maar bij zijn notities stond een conceptbericht, aangemaakt om 21:32. Zeven minuten voor het tijdstip dat de politie had geschat voor de crash.

Er stonden maar zes woorden in. Met spelfouten, zoals Tim altijd schreef als hij haast had of dronken was:

*jeroen neem op man asjeblief help*

Het bericht was nooit verstuurd. Het stond daar gewoon, opgeslagen in het tijdelijke geheugen van die stomme telefoon. Hij had het getypt, naar het scherm gekeken, en het niet verzonden. Waarom niet? Omdat ik hem al twee keer had weggedrukt. Omdat hij wist dat ik toch niet meer zou opnemen.

Ik liet de telefoon op het bed vallen. Ik boog voorover, met mijn ellebogen op mijn knieën, en perste mijn handen tegen mijn slapen. De stilte in die flat werd ineens oorverdovend. De koelkast bromde maar door. Buiten reed een stadsbus voorbij; de ruiten trilden lichtjes in de sponningen. De hele wereld draaide gewoon door op een donderdagmiddag, terwijl hier binnen, op een smoezelig matras, mijn leven in stukken lag.

'Waarom heb je die boom geraakt, Tim?' vroeg ik hardop. De woorden echoden tegen de kale muren. 'Was het een ongeluk? Of was je gewoon klaar met alles?'

Er kwam geen antwoord. En dat was de klap: er zou nooit meer een antwoord komen. Ik zou de rest van mijn leven moeten slijten met die twee gemiste oproepen op mijn netvlies. Mijn duim op de rode knop. Een veeg naar links. Tien minuten later zat hij om een eikenboom.

Hoofdstuk 4

Zwarte jassen en slappe koffie

Het crematorium in Steenbrugge lag er verlaten bij onder een deken van lage, grijze wolken. De parkeerplaats stond vol met oude busjes van schilders, timmerlieden en jongens met wie Tim vroeger op het plein had rondgehangen. Jongens in donkere jassen die ze duidelijk al jaren niet hadden gedragen. De kragen stonden scheef, de mouwen waren te kort.

Mijn moeder zat in een rolstoel vooraan in de aula. Ze droeg een zwarte vilten hoed die nog van mijn oma was geweest. Haar handen lagen roerloos in haar schoot, geklemd om een verfrommeld papieren zakdoekje. Ze huilde niet eens meer hardop; ze maakte alleen af en toe een piepend, reutelend geluid als ze ademhaalde. Ik stond naast haar, strak in mijn enige nette pak, met mijn handen op de handvatten van haar rolstoel. Ik hield ze zo stevig vast dat mijn knokkels wit zagen van de spanning.

De kist stond op een verhoging. Grenenhout, zoals ik had gekozen. Er lag geen bloemstuk op, alleen een oude hamer van Tim met zijn initialen in de steel gebrand, en een pakje Caballero zonder filter. Dat had oom Henk erop gelegd.

De muziek begon. Het was een nummer van Bruce Springsteen waar Tim altijd naar luisterde als we aan het klussen waren. *The River*. De gitaar klonk scherp en hol door de luidsprekers van de aula.

Ik moest naar voren lopen. De uitvaartleider keek me bemoedigend aan en knikte. Ik had een briefje in mijn binnenzak. Ik had er drie avonden op gezeten, met een pen en een gelinieerd schrijfblok. Elk woord dat ik had opgeschreven voelde als een leugen. Hoe vertel je over je broer zonder te vertellen dat je zijn laatste oproep hebt weggedrukt? Hoe sta je daar als de liefhebbende grote broer, terwijl je weet dat hij misschien nog had geleefd als je gewoon even 'Wat is er?' had gezegd?

Ik liep naar het spreekgestoelte. De microfoon gaf een korte, schelle piep toen ik dichterbij kwam. Ik keek de zaal in. Vijftig paar ogen keken naar mij. Vrienden van vroeger, vage tantes, buren uit de straat. Allemaal keken ze naar mij voor houvast. Jeroen was immers altijd de stabiele. Jeroen had zijn zaakjes op orde. Jeroen had een koophuis en een eigen bus.

Ik haalde het briefje uit mijn zak. Het papier trilde in mijn hand.

'Tim was een doordouwer,' begon ik. Mijn stem klonk veel te hard door de zaal. Ik schraapte mijn keel. 'Als hij iets in zijn kop had, kreeg je het er met geen honderd paarden meer uit. Soms was dat lastig. Vaak was dat mooi.'

Ik keek naar de kist. Het grenenhout leek terug te staren. Ik dacht aan de barst in zijn telefoonscherm. *jeroen neem op man asjeblief help*.

Mijn keel kneep dicht. Er kwam geen lucht meer naar boven. De zinnen op het papier vervaagden tot zwarte vegen. Ik probeerde de volgende regel te lezen, iets over hoe hij altijd klaarstond om te helpen als er een schutting geplaatst moest worden, maar de woorden bleven steken achter mijn tanden. Ze wilden er niet uit. Het voelde alsof ik stikte in mijn eigen speeksel.

De stilte in de aula duurde tien seconden. Twintig seconden. Het leek een uur.

Iemand op de derde rij kuchte. Mijn moeder gaf een klein, schor kreetje. Ik zag oom Henk een halve beweging maken om op te staan en me te komen helpen.

'Het spijt me,' zei ik in de microfoon. Niet tegen de zaal. Niet tegen mijn moeder. Tegen het hout van de kist.

Ik verfrommelde het briefje in mijn vuist en stak het terug in mijn zak. 'Hij had nog dertig jaar moeten leven,' zei ik, en mijn stem sloeg over naar een rauw gekraak. 'Hij had hier niet moeten liggen. Het had niet mogen gebeuren. Rust zacht, broertje.'

Ik liep terug naar de rolstoel van mijn moeder. Mijn hart bonkte in mijn slapen alsof het door mijn schedel naar buiten wilde breken. Ik pakte de handvatten weer vast en kneep erin tot mijn vingers pijn deden. Ik keek strak vooruit, naar de naad in de gordijnen achter de kist, en liet geen enkele traan vallen. Huilen voelde als iets waar ik geen recht op had. Verdriet was voor mensen die niks verkeerd hadden gedaan. Wat ik voelde was geen verdriet; het was een zware, zwarte steen die precies op mijn borstbeen lag en die met elke ademhaling zwaarder werd.

Na afloop stonden we in de koffiekamer. De geur van filterkoffie en cake met een dun laagje glazuur. Mensen schudden mijn hand. Stevige handdrukken, vochtige handen, slappe vingers.

'Gecondoleerd, Jeroen. Hou je haaks, jongen.'

'Hij heeft nu rust, moet je maar denken.'

'Je hebt een mooie speech gehouden. Kort maar krachtig.'

Elk woord voelde als schuurpapier over een open zenuw. 'Hij heeft nu rust.' Wat wisten zij daar nou van? Misschien wilde hij helemaal geen rust. Misschien wilde hij gewoon iemand die naar hem luisterde op een regenachtige dinsdagavond om kwart over negen.

Hoofdstuk 5

De klap in de meterkast

Anderhalve week na de begrafenis ging ik weer aan het werk. Mijn baas, Gerard, had gezegd dat ik rustig aan moest doen. 'Blijf nog maar een week thuis, Jeroen. We vangen het wel op.' Maar thuiszitten maakte me gek. Thuis zat ik alleen maar naar de muur te staren, naar de plek waar Tim ooit had geholpen met het leggen van het laminaat. Ik zag overal zijn vingerafdrukken. Ik moest iets met mijn handen doen. Werken, schroeven aandraaien, kabels trekken. Dingen die deden wat ik wilde.

Ik kreeg een klus in een nieuwbouwwijk in Colmschate. Een groot vrijstaand huis. De muren waren net gestukt, de vloeren waren nog kaal beton. Het was koud binnen, zo'n klamme bouwkou die door je werkbroek heen trekt.

Ik stond op een keukentrapje in de hal, met mijn hoofd in de meterkast. Boven me hing een kluwen van tientallen flexibele buizen met draden erin: bruin voor de fase, blauw voor de nul, geel-groen voor de aarde. Orde scheppen in de chaos. Dat was altijd mijn specialiteit geweest. Je stript de draad op exact elf millimeter, je duwt hem in de klem tot je een klik hoort, en je bindt de kabels netjes vast met een tiewrap.

Mijn handen trilden.

Niet een klein beetje, maar zo erg dat ik de striptang nauwelijks op de draad kon zetten. Ik hapte drie keer mis. De tang schoot uit en schraapte over mijn knokkels. Een dun straaltje bloed liep over de rug van mijn hand.

'Verdomme,' vloekte ik binnensmonds.

Ik veegde het bloed af aan mijn broek en probeerde het opnieuw. Mijn zicht werd wazig. Niet van tranen, maar alsof er een vlek in het midden van mijn oog zat. Mijn ademhaling ging veel te snel. Oppervlakkig, hoog in mijn borst, alsof ik net een kilometer had gesprint met een zware gereedschapskist.

De deur van de hal ging open. De eigenaar van het huis kwam binnenlopen. Een man van een jaar of veertig in een nette jas en dure schoenen waar plastic hoesjes omheen zaten. Hij had een opgerolde bouwtekening onder zijn arm.

'Hee, elektricien,' zei hij luid. 'Ik keek net even in de keuken. Die aansluiting voor het kookeiland, die zit toch echt twintig centimeter te ver naar links ten opzichte van de tekening. Dat gaat zo niet passen met het composieten blad.'

Ik draaide me langzaam om op het trapje. Ik keek naar hem neer. Zijn gezicht stond strak van de irritatie over zijn twintig centimeter composiet.

'Het zit volgens de werktekening van de aannemer,' zei ik. Mijn stem klonk vreemd, ver weg, alsof ik door een lange pvc-pijp praatte.

'Nou, dan heeft de aannemer het fout,' zei de man met een zucht. 'Maar jij bent de vakman, jij moet toch meedenken? Ik betaal hier een godsvermogen voor dit huis, ik verwacht gewoon dat het klopt. Nu moet de stucadoor weer terugkomen. Heb je enig idee wat dat kost?'

Ik keek naar de man. Naar zijn glimmende schoenen, naar zijn zorgvuldig gekapte haar, naar de verontwaardiging op zijn gladde wangen. Twintig centimeter. Een keukenblad. Een stucadoor.

Er knapte iets in mijn hoofd. Geen grote explosie, maar een kille, ijzige kortsluiting.

Ik liet mijn zijkniptang uit mijn hand vallen. Het zware stuk gereedschap kletterde met een doffe klap op de betonnen vloer, vlak voor de neus van de man. Hij sprong een halve meter achteruit van schrik.

'Ben je helemaal gek geworden?' schreeuwde hij.

Ik daalde het trapje af. Trede voor trede. Ik kwam heel dicht bij hem staan. Ik rook zijn aftershave; een dure, weeïge lucht. Ik was een kop groter dan hij en mijn handen zaten onder het zwarte stof van de leidingen en het bloed van mijn knokkels.

'Mijn broertje ligt onder de grond,' zei ik heel rustig. Te rustig. 'Hij is dood. Hij reed tegen een boom en hij is verpletterd. En jij staat hier te zeiken over een stukkie steen in je keuken?'

De man werd lijkbleek. Zijn mond viel een stukje open. Hij keek naar mijn bebloede hand en deed een stap naar achteren richting de voordeur.

'Ik... dat wist ik niet,' stamelde hij. 'Maar dat is toch geen reden om met gereedschap te...'

'Rot op,' zei ik. 'Ga naar buiten. Nu.'

Hij draaide zich om en liep bijna struikelend de deur uit. De voordeur viel met een klap dicht.

Daar stond ik. Alleen in de kale, tochtige hal van een wildvreemde vent. De stilte sloeg weer terug, zwaarder dan tevoren. Opeens voelde ik mijn benen niet meer. Ik zakte door mijn knieën en kwam op het koude beton terecht, met mijn rug tegen de meterkast.

Mijn borst trok zo strak samen dat ik dacht dat mijn ribben zouden breken. Ik probeerde lucht naar binnen te zuigen, maar het lukte niet. Mijn vingers begonnen te tintelen, alsof ze sliepen. Zuurstoftekort. Een paniekaanval. Ik had het weleens gezien bij jongens op de bouw na een bijna-ongeluk, maar ik had er altijd om gelachen. 'Gewoon ademhalen, kerel, niet zo aanstellen.'

Nu lag ik zelf op de grond, naar adem happend als een vis op het droge. Verdriet bleek geen gevoel te zijn. Verdriet was een fysieke aandoening. Het was misselijkheid die vanuit je maag naar boven kroop. Het was lood in je spieren. Het was een hand die je keel dichtkneep en pas losliet als je dacht dat je doodging.

'Tim,' stootte ik uit tussen twee happen lucht door. 'Tim, klootzak.'

Ik wist niet eens meer of ik boos was op hem of op mezelf. Ik wist alleen dat ik het niet meer kon dragen. Het geheim van de twee oproepen at me van binnenuit op, als roest op een dragende balk.

Hoofdstuk 6

Het kruis in de berm

De N348 tussen Deventer en Raalte is een lange, rechte weg met aan weerszijden oude zomereiken. Honderden keren was ik eroverheen gereden met mijn bus, vaak te hard, luisterend naar de radio, denkend aan wat we ’s avonds zouden eten. Het was gewoon asfalt. Een streep door het Overijsselse landschap.

Op zaterdagmiddag, vier weken na de uitvaart, parkeerde ik mijn privéauto op een landweggetje dat parallel aan de provinciale weg liep. De wind waaide hard over de kale akkers. De grond was doorweekt van wekenlange regen.

Ik liep door het drassige gras van de slootkant richting de weg. Ik wist precies welke boom het was. Ik had het politierapport gelezen, tegen het advies van iedereen in. Paal 14.2.

Daar stond hij. Een dikke, knoestige eik van zeker tachtig jaar oud. De schors aan de voorzijde, op ongeveer een meter hoogte, was eraf geslagen. Het blanke, bleke hout eronder was versplinterd en vertoonde zwarte vegen van rubber en motorolie. In het gras rondom de stam lagen nog steeds de kleine, vergeten resten van de ramp: een scherf van een rood achterlicht, een stukje zwart plastic van een bumper, een verbogen ruitenwisserblad.

Er stond geen houten kruis. Geen bloemen, geen beertjes, geen waxinelichtjes. Mijn moeder wilde dat niet; ze vond het morbide om naar de plek te gaan waar haar kind was gestorven. Ik was de enige.

Ik knielde neer in het natte gras. Mijn knieën werden direct koud en vochtig door mijn spijkerbroek heen. Ik raakte het versplinterde hout van de boom aan. Dezelfde boom die het motorblok van Tim zijn oude Peugeot naar binnen had gedrukt, tot op zijn schoot.

'Waarom belde je?' zei ik zacht tegen de boom. De wind blies de woorden meteen weg richting de akkers. 'Wat wilde je zeggen?'

'Hij had waarschijnlijk gewoon je stem willen horen.'

Ik schrok zo hevig dat ik bijna voorover de sloot in viel. Ik krabbelde overeind en draaide me om.

Een paar meter achter me stond een vrouw. Ze had haar handen diep in de zakken van een donkergroene parka gestoken. Haar blonde haar zat verward door de wind. Het was Sanne. Tims ex-vriendin. Ze waren zes jaar samen geweest, tot ze het een halfjaar geleden definitief had uitgemaakt omdat ze zijn gedrink en zijn schulden niet meer aankon.

'Sanne,' zei ik met haperende stem. 'Wat doe jij hier?'

'Hetzelfde als jij, denk ik,' zei ze. Ze liep langzaam naar de boom en bleef naast me staan. Ze keek naar de zwarte vegen op het hout. Haar ogen waren roodomrand, maar ze huilde niet. 'Ik kom hier elke zaterdag. Even kijken. Kijken of het echt waar is.'

Ik wist niet wat ik moest zeggen. Ik had Sanne niet meer gesproken sinds de begrafenis, waar ze helemaal achterin had gestaan, als een vreemde.

'Hij heeft me die avond ook gebeld,' zei ze plotseling.

Ik verstijfde. 'Wat?'

'Rond negen uur,' zei Sanne. Ze keek naar het voorbijrazende verkeer op de weg. De auto's reden hard; de luchtverplaatsing deed haar jas wapperen. 'Drie keer achter elkaar. Ik nam niet op. Ik was klaar met zijn gezeik. Elke keer als hij dronk, ging hij bellen. Huilen, smeken, schelden. Ik dacht: bekijk het maar, Tim. Ik trek dit niet meer.'

Ze keek me aan. Haar blik was pijnlijk helder.

'En daarna heeft hij jou gebeld, zeker?' vroeg ze.

Ik voelde het bloed uit mijn gezicht wegtrekken. De zwarte steen op mijn borst leek plotseling tien keer zo zwaar te worden. 'Hoe weet je dat?'

'Omdat hij altijd naar jou ging als ik de deur dichtsmeet,' zei ze eenvoudig. 'Jij was zijn reddingsboei, Jeroen. Altijd al geweest. Zelfs als hij wist dat je kwaad op hem zou worden.'

'Ik heb hem weggedrukt,' zei ik. Het floepte eruit. De woorden die ik vier weken lang had ingeslikt, lagen er ineens, naakt en lelijk, tussen ons in het gras. 'Twee keer. Ik zat macaroni te eten en naar voetbal te kijken. Ik had geen zin in zijn gezeur. Ik drukte op die verdomde rode knop. En daarna reed hij zich te pletter.'

Mijn stem brak. De tranen die ik bij het mortuarium, bij het opruimen van zijn kamer en bij de kist had tegengehouden, brandden plotseling achter mijn ogen. Een hete, vernederende stroom die over mijn wangen liep. Ik voelde me weer dat jongetje van tien dat zijn kleine broertje niet had kunnen beschermen tegen de grote wereld.

Sanne bewoog niet. Ze trok haar handen niet uit haar zakken om me te troosten. Ze bleef gewoon naast me staan in de tocht.

'En denk je nou echt dat hij niet tegen die boom was gereden als je wel had opgenomen?' vroeg ze.

'Ik had hem kunnen kalmeren!' riep ik tegen het lawaai van een passerende vrachtwagen in. 'Ik had in de auto kunnen stappen! Ik had hem van de weg kunnen halen!'

'Jeroen,' zei ze, en haar stem sneed door mijn woede heen. 'Hij was al maanden bezig om tegen die boom te rijden. Als het die dinsdag niet was geweest, dan wel volgende week. Of over een maand. Hij was op. Zijn hoofd was kapot. Je kon hem niet redden. Ik kon het niet, en jij ook niet. Hij zocht geen oplossing meer die avond. Hij zocht alleen nog een getuige.'

Haar woorden vielen zwaar, als loden kogels in de modder. Ik wilde protesteren, ik wilde zeggen dat ze ongelijk had, dat Tim sterk was geweest, dat hij gewoon een slechte periode had. Maar diep vanbinnen wist ik dat ze gelijk had. De ongeopende brieven. De drankblikken. De blik in zijn ogen bij de groothandel. Het was geen plotselinge storm geweest; het was een langzame daling naar de bodem.

Hoofdstuk 7

Leren dragen

Het werd lente, al merkte je daar op de bouwplaatsen weinig van. De wind bleef scherp, maar de dagen werden langer. Het licht veranderde. Rond een uur of zes 's avonds was het nog licht genoeg om zonder bouwlampen te werken.

Ik had Tims telefoon nog steeds. Hij lag in de la van mijn nachtkastje, onder een stapel oude paspoorten en handleidingen van apparaten die ik al lang niet meer bezat. Ik had de batterij er niet meer in gedaan. Het zwarte scherm met de barst weerspiegelde alleen nog maar het plafond als ik de la opentrok.

Ik ging vaker naar mijn moeder. Elke woensdagavond en zondagmiddag. Ik bracht gebakjes mee van de bakker op de Brink, ook al at ze er meestal maar drie happen van. We zaten tegenover elkaar in haar kleine woonkamer, waar de verwarming altijd op tweeëntwintig graden stond. We spraken niet veel over de nacht van het ongeluk. Die nacht was een zwart gat geworden waar we met een grote boog omheen liepen.

In plaats daarvan begonnen we over vroeger te praten. Over de zomers op de camping in Ommen, waar Tim een keer per ongeluk de tent van de buren had laten vollopen met de tuinslang. Over hoe hij als tiener urenlang op zijn slaapkamer kon oefenen op hetzelfde gitaarloopje tot we er allemaal gek van werden.

'Hij had zulke mooie handen,' zei mijn moeder op een zondag in april, terwijl ze naar buiten staarde naar de mezen in de berk voor haar raam. 'Echte werkershanden, net als je vader. Maar hij kon er geen rust in vinden.'

'Nee,' zei ik. 'Rust had hij niet.'

Het schuldgevoel was niet verdwenen. Iedereen die beweert dat rouw overgaat, liegt of heeft nog nooit echt van iemand gehouden. Het verdriet sleet niet zoals een versleten stel remblokken die je op een gegeven moment gewoon vervangt. Het bleef exact even groot en even zwaar.

Maar wat wel veranderde, was de manier waarop ik het droeg.

In het begin lag het gewicht bovenop me, drukte het me plat tegen het koude beton van de meterkast, kneep het mijn keel dicht tot ik niet meer kon ademen. Na een halfjaar voelde het meer alsof ik een zware rugzak had omgegespt. Een rugzak gevuld met kasseien. Als ik ’s ochtends opstond, moest ik die rugzak oppakken en op mijn schouders hijsen. Het deed pijn aan mijn rug. Mijn benen werden er moe van. Sommige dagen, vooral als het regende en de lucht dezelfde kleur had als die bewuste novemberochtend, sleepte ik me voort en dacht ik dat ik zou bezwijken onder het gewicht.

Maar op andere dagen liep ik gewoon door. Ik werkte. Ik dronk een biertje met mijn collega's op de vrijdagmiddag. Ik lachte zelfs een keer hardop om een grove mop van Gerard, en toen ik mezelf hoorde lachen, voelde ik niet eens direct die giftige steek van schuld dat ik nog leefde terwijl Tim dood was.

Op een zaterdag in mei reed ik terug van een klus in Olst. Ik nam de binnendoorweg, langs de IJssel. Bij de uiterwaarden zette ik de auto aan de kant. De zon stond laag en wierp een gouden, brede gloed over het kabbelende water. Ik liep naar de waterkant, over de zachte klei die rook naar gras en rivierslib.

Ik stak mijn hand in mijn zak en haalde er iets uit. Geen telefoon. Geen briefje. Het was het kleine scherfje rood plastic van zijn achterlicht, dat ik die middag bij de boom stiekem in mijn zak had gestopt.

Het was niet groter dan een postzegel. De randjes waren scherp en kartelig.

Ik bekeek het in het zonlicht. Het was gemaakt van goedkoop polycarbonaat. Geproduceerd in een fabriek, gemonteerd op een auto, kapotgeslagen tegen een boom. Een waardeloos stukje afval voor iedereen ter wereld, behalve voor mij.

Ik dacht aan achtentwintig over negen. De rode knop.

Ik dacht aan wat Sanne had gezegd: *Hij zocht alleen nog een getuige.* Misschien was dat zo. Misschien ook niet. Misschien was hij gewoon bang geweest en had hij gehoopt dat zijn grote broer hem nog één keer zou vertellen wat hij moest doen. Ik zou het nooit weten. Die leegte zou blijven. Het was het gat in de schakeling waar nooit meer stroom doorheen zou lopen.

Ik haalde diep adem. De lucht was fris en rook naar het voorjaar. Ik zwaaide mijn arm naar achteren en gooide het rode scherfje zo ver als ik kon de IJssel in.

Het maakte een minuscuul plonsje. Even zag ik een kleine rimpeling in het goudgele wateroppervlak. Daarna werd het meegenomen door de sterke stroming, naar de diepte, richting het noorden, naar de zee.

Ik bleef nog tien minuten staan kijken naar de rivier die maar doorging, zonder haast, zonder hapering. Het water trok zich niks aan van jongens die tegen bomen reden of van broers die niet opnamen. Het stroomde gewoon door.

Ik draaide me om en liep terug naar mijn auto. Ik startte de motor, zette de radio aan op een zender met muziek die ik eigenlijk niet kende, en reed naar huis. Er moest nog macaroni gekookt worden. Er was werk te doen op maandag.