Mantelzorg en ouder worden
Ik wil mijn moeder terug
Bevat beschrijvingen van ziekte en zorg aan het levenseinde.
Hoofdstuk 1
De gaskraan en de pantoffels
Mijn telefoon ging om veertien over drie ’s nachts. Je hoopt altijd dat het een verkeerd nummer is. Maar op dat tijdstip is het nooit een verkeerd nummer.
Ik zag de naam van Diny in het scherm oplichten. Diny woont al dertig jaar naast mijn moeder in Deventer. Diny belt niet zomaar. Ze stuurt hooguit een appje als de kliko niet aan de straat staat.
‘Frank?’ Haar stem klonk dun en pieperig door de speaker. ‘Je moet komen. Corrie staat op straat. In haar nachtpon. En het ruikt hier naar gas.’
Ik zat meteen rechtop in bed. Mijn vrouw Sanne draaide zich kreunend om en vroeg wat er was. Ik gaf geen antwoord. Ik trok een spijkerbroek aan die over de stoel hing, graaide een trui van de plank en pakte mijn autosleutels. Twee minuten later reed ik de oprit af in Zwolle. Mijn naam is Frank Dekker. Ik ben vierenveertig jaar oud. Ik werk als transportplanner bij een distributiecentrum. Mijn hele werkzame leven draait om schema’s, logistiek en controle. Als een vrachtwagen met diepvrieskippen om vier uur in Arnhem moet zijn, dan zorg ik dat hij er om tien voor vier staat. Maar tegen de chaos in het hoofd van mijn moeder viel niet te plannen.
De rit van Zwolle naar Deventer over de N337 duurt normaal een klein halfuur. Die nacht deed ik er twintig minuten over. De weg was leeg, de bomen langs de IJssel stonden stil in het donker. Mijn koplampen sneden door de mist. Mijn handen knepen zo hard in het stuur dat mijn knokkels wit zagen. In mijn hoofd zag ik de ergste beelden al voor me: een straat vol brandweerwagens, een ontplofte gevel, een brancard met een laken erover.
Toen ik de straat in draaide, zag ik geen zwaailichten. Alleen het buitenlampje van nummer 14 brandde. De voordeur stond wagenwijd open. Op de stoeprand zat mijn moeder. Zesenzeventig jaar oud. Ze droeg een roze flanellen nachthemd met rode vlekken erop en één stoffen pantoffel met een ruitjespatroon. Haar andere voet was bloot en stond plat op de natte klinkers. Diny stond naast haar met een fleecekleed over haar eigen schouders geslagen.
‘Daar is hij al,’ zei Diny toen ik het autoportier dichtsloeg.
Ik rende naar ze toe. De lucht om het huis rook inderdaad weeïg en scherp. Aardgas. Ik boog me voorover naar mijn moeder. Haar haar zat warrig tegen haar slaap geplakt. Ze keek me aan, maar haar blik gleed langs mijn schouder, alsof ik van glas was gemaakt.
‘Mam,’ zei ik buiten adem. ‘Wat doe je hier buiten? Het vriest bijna.’
‘Er klopt iemand aan het raam,’ zei ze zacht. Haar stem klonk breekbaar, als dun ijs. ‘Al de hele nacht. Hij wil zijn jas terug. Ik moest de kachel aanzetten van hem.’
‘Wie klopt er dan, mam?’
‘Nou, Bert natuurlijk.’
Bert was mijn vader. Mijn vader stierf in 2018 aan darmkanker. We hadden zijn as uitgestrooid bij het IJsseloog. Dat wist ze. Dat wisten we allemaal. Althans, dat dacht ik.
Ik liep het huis in. De stank in de gang sloeg meteen op mijn keel. In de keuken stond het gasfornuis wijd open. Twee pitten siste zachtjes zonder vlam. Mijn moeder had de knoppen opengedraaid, maar geen lucifer gebruikt. Ze had waarschijnlijk geprobeerd water op te zetten voor thee. Of ze had gewoon aan de knoppen gedraaid omdat ze niet meer wist wat die ronde zwarte dingen waren. Ik draaide de knoppen dicht, zette het keukenraam wagenwijd open en gooide ook de achterdeur open. De koude nachtlucht trok naar binnen.
Mijn hart sloeg in mijn keel. Niet alleen van schrik, maar van een donkere, zware woede die ik meteen weer wegstopte omdat ik me erover schaamde. Waarom nu weer? Waarom belt ze niet gewoon? Waarom kan ze niet gewoon veilig in haar bed blijven liggen?
Toen ik weer naar buiten liep, probeerde Diny haar overeind te helpen. Mijn moeder weigerde. Ze klemde haar vingers vast aan het tuinhekje.
‘Nee!’ gilde ze opeens. Het was geen kinderachtig protest, het was een dierlijk geluid. ‘Nee! Jullie pakken alles af! Blijf van me af, rotkerel!’
Ze keek me recht in de ogen toen ze ‘rotkerel’ riep. Ze zag haar zoon niet meer. Ze zag een insluiper. Een vijand die haar huis binnendrong en haar rust verstoorde. Uiteindelijk kreeg ik mijn armen onder haar oksels. Ze woog bijna niets meer, hooguit vijftig kilo, maar ze vocht tegen me met een kracht die ik niet achter haar dunne lijf had gezocht. Haar blote voet schraapte over de drempel.
Ik tilde haar naar binnen, zette haar op de bank in de woonkamer en wikkelde het fleecekleed strak om haar heen. De woonkamer rook naar mottenballen, gas en oude thee. Op tafel lag een schaar, een opengesneden pak melk dat al dagen zuur stond te wezen, en een stapel ongeopende brieven van de bank.
Diny bleef in de gang staan. Ze durfde niet verder naar binnen te komen. Ze keek naar de vloer.
‘Dit kan niet meer, Frank,’ zei Diny heel zachtjes. ‘Gisteren liep ze ook al zonder jas bij de bushalte. Ze wist niet meer waar ze woonde. De bakker heeft haar thuisgebracht.’
Ik knikte alleen maar. Ik kon niets zeggen. Mijn keel zat potdicht. Ik keek naar mijn moeder, die op de bank zat te rillen. Ze begon plotseling zachtjes een oud kinderliedje te neuriën, terwijl haar duim langs de zoom van het kleed wreef. Heen en weer. Heen en weer. Alsof ze een vlek probeerde weg te wrijven die er niet zat.
Die nacht sliep ik niet meer. Ik bleef op een harde eetkamerstoel zitten tot het buiten grijs werd. De klok aan de muur tikte genadeloos hard. Elke seconde klonk als een waarschuwing die ik al maanden had genegeerd.
Hoofdstuk 2
Het schema in mijn hoofd
De volgende ochtend om half acht belde ik mijn werk om me ziek te melden. Dat had ik in tien jaar tijd nog nooit gedaan. Mijn leidinggevende, Gerrie, klonk verbaasd maar begripvol. ‘Neem je tijd, Frank. We vangen het wel op.’ Maar ik wist hoe dat ging. Een collega van de afdeling planning zou mijn ritten erbij moeten pakken. Dingen zouden misgaan. Chauffeurs zouden gaan bellen. Maar op dat moment kon het me niets schelen.
Ik zette een pot sterke koffie voor mezelf en een beker warme melk met suiker voor mijn moeder. Ze zat aan de keukentafel, aangekleed in een schone blouse die ik voor haar uit de kast had gevist. Ze leek de nacht alweer compleet vergeten te zijn. Ze glimlachte zelfs naar me toen ik het kopje neerzette.
‘Goh Frank, wat gezellig dat je er bent,’ zei ze monter. ‘Ben je vroeg uit school vandaag?’
Ik slikte een brok weg. ‘Ik ben niet op school, mam. Ik heb gewerkt.’
‘Oh,’ zei ze. Ze keek uit het raam naar een mus die op het vogelhuisje zat. ‘Je vader is even naar de stad. Die haalt zometeen verse kadetjes.’
Ik ging tegenover haar zitten en pakte mijn notitieblok. Dit was mijn manier om met ellende om te gaan: lijstjes maken. Punten noteren. Vakjes tekenen die je kunt afvinken. In mijn transportsoftware zag ik altijd in één oogopslag waar de knelpunten zaten. Te veel uren op de weg, te weinig rust, vertraging bij het laaddok. Het leven van mijn moeder leek opeens op een rampzalige planning waarin alles tegelijk fout liep.
Ik schreef op: 1. Huisarts bellen (urgent). 2. Gaskraan beveiligen of fornuis vervangen door inductie. 3. Thuiszorg ophogen (medicatiecontrole). 4. Marleen bellen.
Mijn zus Marleen woont in Utrecht. Ze is drie jaar jonger dan ik en werkt als communicatieadviseur bij een groot reclamebureau. Ze heeft een druk leven, een man die vaak in het buitenland zit en twee dochters die op hockey zitten. We spraken elkaar meestal alleen op verjaardagen en met kerst.
Toen ik haar om negen uur belde, nam ze pas na zes keer overgaan op. Ik hoorde het geruis van een koffiezetapparaat op de achtergrond en pratende collega’s.
‘Frankie, haastje-rep-je hier. Kan het kort?’
‘Mam heeft vannacht het gas open laten staan,’ zei ik zonder inleiding. ‘Ze stond om drie uur ’s nachts op straat. Zonder schoenen.’
Het werd stil aan de andere kant van de lijn. De koffiemachine stopte met pruttelen. ‘O god,’ zei Marleen. ‘Is ze gewond?’
‘Nee. Diny zag het op tijd. Maar het scheelde niets, Marleen. Het hele blok had de lucht in kunnen vliegen.’
‘We moeten een app installeren,’ zei Marleen meteen. Haar stem schoot in de professionele regelstand. ‘Zo’n app waarmee je sensoren op de deuren kunt koppelen. Ik las daar laatst een artikel over op LinkedIn. Superhandig voor mantelzorgers. Dan krijg jij een melding op je telefoon als de voordeur opengaat.’
Ik voelde een steek van irritatie in mijn maag. ‘Een app? Marleen, ze weet niet meer dat papa dood is. Ze herkent mij soms niet eens. Een app lost dit niet op. Ze heeft hier mensen over de vloer nodig. Vandaag nog.’
‘Ja, natuurlijk,’ zei Marleen gehaast. ‘Maar ik zit vandaag tot vijf uur in strategische sessies. Kan jij het met de huisarts regelen? Jij bent er nu toch. En dan kijk ik van het weekend wel even. Zaterdagmiddag heb ik een gaatje.’
‘Een gaatje,’ herhaalde ik. De bitterheid droop van mijn stem af.
‘Frank, doe niet zo oneerlijk. Ik betaal mee aan die extra glazenwasser, en ik zoek heus mee naar oplossingen. Maar ik kan mijn baan niet zomaar neerleggen. Jij hebt toch die zorgverlof-regeling?’
We hingen op met een nare smaak in de mond. Zo ging het altijd. Ik was dichtbij, dus ik loste het op. Marleen was ver weg, dus zij dacht mee op conceptueel niveau. Maar aan concepten had mijn moeder niets als ze 's nachts de gaskraan opendraaide.
De rest van de week werd een waas van telefoontjes. Ik zat in de wacht bij het CIZ voor een indicatie. Ik sprak een wijkverpleegkundige die vriendelijk was, maar meteen zei dat er een wachtlijst was voor extra zorgmomenten. ‘We hebben personeelstekort, meneer Dekker. We kunnen nu alleen ’s ochtends komen voor het wassen en de pillen. De avonden zitten vol.’
Dus werd ik de avondploeg.
Elke dag om vier uur sloot ik mijn computerscherm op kantoor af. Ik reed direct door van Zwolle naar Deventer. Ik kookte een maaltijd voor haar: aardappels, sperziebonen, een gehaktbal. Ik sneed haar vlees, want het mes vasthouden lukte haar niet meer goed zonder in haar eigen vingers te krikken. Ik keek toe hoe ze kauwde. Traag, als een kind dat geen honger heeft.
Daarna controleerde ik de pillendoos. Die plastic doosjes met vakjes voor MA, DI, WO. Meestal vond ik de pillen terug onder het tafelkleed, of verstopt in het plantenbakje van de varen. Als ik haar vroeg waarom ze haar bloeddrukverlagers niet had ingenomen, keek ze me boos aan. ‘Die vieze snoepjes? Die smaken naar gif. Jij wil me vergiftigen.’
Ik slikte het in. Ik ruimde de keuken op, deed de afwas met de hand omdat ze bang was geworden van het geluid van de vaatwasser, en controleerde voor vertrek alle ramen en deuren. Pas rond half negen ’s avonds reed ik terug naar huis, naar Sanne en onze veertienjarige zoon Thijs.
Als ik thuiskwam, lag mijn bord eten koud in de magnetron. Thijs zat op zijn kamer te gamen met zijn headset op. Sanne zat op de bank met een boek, maar ze keek niet op als ik binnenkwam. De afstand tussen ons werd met de dag groter. Ik leefde in twee werelden tegelijk, en in geen van beide was ik echt aanwezig. In mijn hoofd draaide non-stop het schema: had ik de kookplaat wel uitgezet? Had ik haar sleutels van de binnenzijde van het slot gehaald? Wat als ze weer ging spoken?
Hoofdstuk 3
De vriezer vol krentenbollen
Tegen het einde van de tweede maand begon het bizarre gedrag echt griezelige vormen aan te nemen. Dementie sluipt niet netjes langs de lijntjes; het breekt in stukken af, als rotsblokken die van een klif storten.
Het begon met de krentenbollen. Ik deed elke zaterdag de grote boodschappen voor haar. Ik kocht brood, beleg, zuivel, koffie. Maar op een dinsdagavond trok ik de vriezer in haar bijkeuken open om een bak diepvriesboontjes te pakken. De hele vriezer zat vol. Propvol. Lade één, lade twee en lade drie. Alles was gevuld met plastic zakken krentenbollen van de buurtsupermarkt.
Ik telde ze. Het waren er drieënveertig. Sommige zakken waren al bedekt met een dikke laag wit ijs. Andere waren vers, het etiket gaf aan dat ze diezelfde ochtend waren afgeprijsd.
Ik liep naar de woonkamer, waar ze voor de televisie zat. Het beeld stond op een zender met alleen maar ruis, maar ze keek er aandachtig naar.
‘Mam,’ zei ik voorzichtig. ‘Waarom heb je zoveel krentenbollen gekocht?’
Ze draaide zich om. Haar ogen stonden schichtig. ‘Voor de visite.’
‘Er komt toch geen veertig man op visite?’
‘Je weet nooit wie er langskomt,’ zei ze fel. ‘Jij gooit altijd alles maar weg. Als de Duitsers weer komen, hebben we tenminste wat te eten.’
Ze was geboren in 1947. Ze had de oorlog niet eens bewust meegemaakt. Maar ergens in de mistige kronkels van haar brein was er een herinnering ontwaakt aan schaarste, honger en angst. Een angst die ze probeerde te bezweren met krentenbollen van zestig cent per zak.
Een paar dagen later was er iets ergers aan de hand. Ik kwam binnen en vond haar huilend op haar knieën in de gang. Ze was met een oude theelepel bezig het tapijt bij de voordeur los te wrikken.
‘Ze zijn er geweest,’ snikte ze. Haar knokkels waren rood en schraal. ‘Ze hebben het meegenomen.’
‘Wie zijn er geweest, mam? Wie?’ Ik knielde naast haar en probeerde de theelepel uit haar hand te halen. Haar vingers klampten zich eromheen alsof haar leven ervan afhing.
‘De mannen met de grijze jassen. Ze zijn vannacht binnengekomen door de brievenbus. Mijn spaargeld, Frank. Ze hebben alles gestolen!’
Ik zuchtte diep. Ik wist dat ze geen contant geld in huis hoorde te hebben. Ik had haar pinpas al weken geleden ingenomen en beheerde haar rekening via mijn telefoon. Maar toen ik in het keukenkastje keek, achter de potten appelmoes, vond ik drie lege enveloppen. Ze had ergens nog briefjes van vijftig bewaard. Misschien had ze het daadwerkelijk kwijtgemaakt. Misschien lag het in de kliko. Ik zocht het hele huis door: onder haar matras, tussen de theedoeken, in de wasmand. Niets.
‘Jij hebt het gedaan,’ zei ze opeens.
Ik draaide me om. Ze stond in de deuropening van de keuken. Haar rug was kromgetrokken, maar haar blik was messcherp en giftig.
‘Wat zeg je?’ vroeg ik, terwijl mijn stem oversloeg.
‘Jij,’ zei ze, en ze wees met een trillende vinger naar mijn borst. ‘Jij loert al maanden op mijn spullen. Je pakt mijn pas af. Je rommelt in mijn kasten. En nu is mijn trouwring ook weg. Die heb jij van mijn nachtkastje gejat voor die vrouw van je.’
Het voelde alsof iemand me met een houten plank in mijn maag sloeg. Mijn adem stokte.
‘Mam, hou op!’ schreeuwde ik. Ik kon het niet tegenhouden. Het knapte gewoon in me. ‘Ik rijd elke godganse dag vijftig kilometer voor jou! Ik sta hier je plee schoon te maken! Ik kook voor je! Ik regel je rotcenten zodat je niet op straat wordt gezet! En jij noemt mij een dief?!’
Mijn stem galmde door het kleine huisje. Zelfs de klok leek even stil te vallen.
Mijn moeder deinsde niet terug. Ze kromp niet ineen. Ze keek me alleen maar aan met een mengeling van walging en diepe, ijskoude verwarring. Ze zag niet haar zoon die zich kapot werkte om haar te redden. Ze zag een grote, schreeuwende man van vierenveertig die haar bedreigde in haar eigen keuken.
‘Ga weg,’ fluisterde ze. ‘Ga weg uit mijn huis. Ik bel de politie.’
Ik liet de theelepel vallen op het linoleum. Het metaal kletterde hard. Zonder nog een woord te zeggen liep ik langs haar heen de gang in. Ik pakte mijn jas van de kapstok, smeet de voordeur achter me dicht en stapte in de auto.
Mijn handen trilden zo erg dat ik de sleutel nauwelijks in het contact kreeg. Ik reed de straat uit, zette de wagen drie straten verderop langs de kant bij een plantsoen en legde mijn voorhoofd op het stuur. Ik huilde niet zachtjes. Ik schokte van het snikken, met harde, lelijke geluiden die uit het diepste van mijn keel kwamen. De geur van het stuurleer, de regen die tegen de voorruit kletterde, het felle licht van een lantaarnpaal. Ik voelde me zo ongelooflijk eenzaam.
Ik wilde mijn moeder terug. Niet deze vreemde, achterdochtige vrouw die me haatte. Ik wilde de vrouw terug die vroeger pleisters op mijn knieën plakte en zei dat alles goedkwam als we maar rustig ademhaalden. Maar die vrouw bestond niet meer. Er woonde een geest in haar lichaam, en die geest vrat langzaam maar zeker ook mijn leven op.
Hoofdstuk 4
Thuis raakt op
Thuis in Zwolle was de spanning inmiddels te snijden. Het was donderdagavond. Ik kwam om kwart voor negen binnen, bezweet en met de geur van het verzorgingshuis nog in mijn neus—ik was die middag al langs een dagopvang gereden om formulieren in te leveren. Ik gooide mijn tas in de hoek van de hal.
In de woonkamer zat Sanne aan de eettafel. De administratie van ons eigen gezin lag uitgespreid over het hout. Ongeopende brieven van de gemeente, rekeningen van de sportclub van Thijs. Ze keek niet eens op toen de deurknop klikte.
‘Thijs heeft een onvoldoende voor wiskunde,’ zei ze meteen. Haar stem was vlak, zonder enige intonatie. Dat was erger dan wanneer ze schreeuwde.
‘Oké,’ zei ik vermoeid. Ik trok mijn schoenen uit. ‘Dan moeten we bijles regelen.’
‘We?’ Sanne schoof haar stoel naar achteren en stond op. Ze kwam voor me staan met haar armen over elkaar. ‘Er is geen "we" meer, Frank. Er is alleen maar jij en jouw moeder. En Thijs en ik bungelen er ergens achteraan als een stel vervelende bijlagen.’
‘Sanne, alsjeblieft. Niet nu. Ik heb net twee uur lang gezocht naar haar kunstgebit dat ze in een bloempot had begraven.’
‘Het kan me niets schelen!’ riep ze uit, en nu sloeg de vlam wél in de pan. Haar wangen werden rood. ‘Het kan me werkelijk geen reet meer schelen waar dat kreng van een gebit ligt! Thijs had vanavond een presentatie op school. Zijn profielwerkstuk. Alle vaders waren er. Allemaal. Behalve die van hem. Weet je wat hij tegen me zei toen we naar huis fietsten? "Pap vindt oma belangrijker dan mij." Dat zei hij, Frank. Een jongen van veertien!’
Haar woorden kwamen aan als zweepslagen. Ik voelde hoe het bloed naar mijn slapen steeg. ‘Dat is niet waar en dat weet je verdomme best! Mijn moeder kan niet voor zichzelf zorgen! Thijs kan tenminste zijn eigen veters strikken!’
‘Je moeder gaat dood, Frank!’ gilde Sanne. ‘Haar hoofd is al kapot! Maar jij trekt ons hele gezin mee dat graf in! Kijk naar jezelf. Je slaapt vier uur per nacht. Je vreet alleen nog maar troep uit benzinestations. Je bent grauw. Je stinkt naar oud zweet. Als jij zo doorgaat, lig jij straks eerder onder de zoden dan zij!’
Op dat moment ging de deur van de gang open. Thijs stond in de deuropening. Hij had zijn hoodie aan, de capuchon over zijn hoofd getrokken. Hij keek ons aan met grote, geschrokken ogen. Hij zei niets. Hij draaide zich gewoon om, liep naar de voordeur, trok hem open en fietste de nacht in.
‘Mooi gedaan,’ siste Sanne. Ze draaide zich om en liep naar boven. Een seconde later hoorde ik de slaapkamerdeur dichtslaan.
Ik bleef alleen achter in de gang. Het tikken van de klok in de kamer leek precies hetzelfde als het tikken van de klok bij mijn moeder. Tijd die wegtikte. Tijd die opraakte.
De volgende ochtend op het werk ging het finaal mis. Ik zat achter mijn bureau met drie schermen voor me. Codes, routekaarten, laadlijsten. Een chauffeur belde vanuit Duitsland. Er was een probleem met een vracht die naar München moest, maar ik had in mijn verwarring de papieren voor Hamburg klaargezet. Veertig ton gekoeld vlees stond op de verkeerde plek.
Gerrie, mijn teamleider, kwam achter mijn stoel staan. Hij legde een hand op mijn schouder. Ik kromp ineen van die aanraking.
‘Frank,’ zei hij zacht. ‘Dit is de derde grote fout deze week. Die klant claimt tienduizend euro schadevergoeding.’
‘Ik los het op,’ mompelde ik, terwijl mijn vingers doelloos over het toetsenbord bewogen. ‘Ik bel een koerier. Ik regel het wel.’
‘Je regelt helemaal niets meer,’ zei Gerrie beslist. Hij trok mijn bureaustoel een kwartslag om, zodat ik hem aan moest kijken. Zijn blik stond vol medelijden, en dat was misschien nog wel het pijnlijkste van alles. ‘Pak je jas. Ga naar huis. Je bent hier niet met je hoofd bij. Je bent een gevaar voor het bedrijf aan het worden.’
‘Gerrie, alsjeblieft. Als ik thuis zit, word ik gek.’
‘Je bent al gek aan het worden, Frank. Kijk naar je handen. Ze trillen alsof je aan de drank bent. Ga naar de huisarts. Meld je officieel ziek. En kom pas terug als je dit privé op de rit hebt.’
Ik werd niet ontslagen, maar zo voelde het wel. Ik werd van het veld gestuurd. Mijn identiteit als betrouwbare, onvermoeibare Frank die altijd alles voor iedereen oploste, lag aan gruzelementen.
Ik liep naar de parkeerplaats. De koude regen viel gestaag naar beneden. In plaats van naar huis te rijden, stuurde ik de wagen weer richting de snelweg naar Deventer. Waar moest ik anders heen? Thuis was een slagveld. Mijn werk wilde me niet hebben. Er was maar één plek waar ik nog een functie had, hoe ondankbaar en kapotmakend die functie ook was: mantelzorger zijn voor een vrouw die niet meer wist wie ik was.
Hoofdstuk 5
Zondag bij de Hema
Het dieptepunt kwam op een kille zondagmiddag in november. Ik dacht dat ik er goed aan deed om haar even uit dat benauwde huis te halen. De hele week had ze binnen gezeten, ijsberend van de keuken naar de gang en weer terug, tot de vloerbedekking er bijna van sleet. Even frisse lucht, dacht ik naïef. Even onder de mensen.
‘We gaan naar de stad, mam,’ had ik gezegd toen ik haar haar wollen winterjas aantrok. ‘Koffie drinken bij de Hema. Met een tompouce. Dat vond je vroeger toch altijd zo lekker?’
Ze had geknikt, als een volgzaam kind. Haar ogen stonden die dag dof en meegaand. Soms had je van die dagen; dan was het verzet gebroken en bleef er alleen een lege huls over. Ik vond die dagen bijna enger dan de dagen dat ze vocht, maar ze waren in ieder geval minder vermoeiend.
We reden naar het centrum van Deventer. Ik parkeerde in de garage bij de Boreel en pakte haar stevig onder de arm. Ze schuifelde langzaam. Elke stoeprand was een berg waar ze tegenop zag. Mensen liepen ons voorbij met winkelend publiek-haast, tassen vol kleding, lachende stelletjes. Ik voelde me een zonderling. Een man van middelbare leeftijd die zijn bejaarde moeder over straat sleepte als een breekbare pop van porselein.
Bij het Hema-restaurant op de eerste verdieping was het druk. De geur van warme rookworst en filterkoffie hing dik in de ruimte. Het geroezemoes van stemmen en kletterend servies weerkaatste tegen de harde tegelwanden. Te laat realiseerde ik me dat dit een vreselijke fout was. De overprikkeling sloeg direct toe.
Mijn moeder bleef stokstijf staan midden in het gangpad tussen de tafeltjes. Haar ademhaling ging omhoog. Ze klemde zich vast aan mijn arm met zoveel kracht dat haar nagels door mijn jas heen in mijn spieren prikten.
‘Te veel mensen,’ fluisterde ze hees. ‘Ze kijken naar me. Frank, ze weten het.’
‘Niemand kijkt, mam. Kom, we gaan aan dat tafeltje bij het raam zitten.’
Ik probeerde haar zachtjes mee te trekken, maar ze zette haar hielen in het zeil. Haar blik schoot alle kanten op. Een dienblad viel met een harde kletter op de grond bij de kassa. Het geluid van brekend glas sneed door de ruimte.
Dat was de lont in het kruitvat.
Mijn moeder begon te gillen. Niet zachtjes, niet beschaamd. Een rauw, doordringend gekrijs dat het hele restaurant in één klap stil kreeg. Zeventig man draaiden tegelijk hun hoofd om. Moeders trokken hun kinderen dichterbij. Een caissière bleef met een beker koffie in haar hand verstijfd staan.
‘Laat me los!’ schreeuwde ze, terwijl ze wild om zich heen begon te slaan. Haar tasje vloog uit haar handen en kletterde tegen een kinderwagen aan. ‘Help me dan! Hij ontvoert me! Blijf van me af, smeerlap!’
Ik probeerde haar handen te grijpen om te voorkomen dat ze iemand zou raken, maar daardoor leek het pas echt alsof ik haar aanviel. ‘Mam, doe rustig, ik ben het, Frank!’ smeekte ik, en mijn stem sloeg over van pure paniek en schaamte. ‘Er is niets aan de hand!’
Toen gebeurde het ergste.
Terwijl ze schreeuwde en worstelde, zag ik haar gezicht vertrekken van een ander soort angst. Ze verstijfde. Onder de zoom van haar nette zwarte pantalon begon een donkere vlek zich snel uit te breiden over de lichte stof. Een straaltje liep langs haar schoen op de linoleumvloer van het restaurant. Een warme, weeïge geur van urine mengde zich met de lucht van erwtensoep en koffie.
Ze keek naar beneden. Iedereen keek naar beneden.
Haar mond viel open. Het schreeuwen stopte abrupt. Er kwam een geluid uit haar keel dat ik nog nooit van een mens had gehoord; een soort diepe, gorgelende kreet van ultieme vernedering. Ze wist het. Voor één heldere, vreselijke seconde wist haar zieke brein precies wat er aan de hand was: ze had in haar broek geplast, midden in een volle Hema, ten overstaan van tientallen vreemden.
Een oudere man met een bril stond op van een tafeltje en stapte op ons af. ‘Meneer, kan ik misschien—’
‘Blijf van haar af!’ snauwde ik tegen de man. De tranen sprongen in mijn ogen. Mijn hele lijf kookte van woede, schaamte en verdriet. ‘Blijf allemaal van haar af!’
Ik trok mijn eigen winterjas uit en wikkelde die om haar middel, zodat de vlek bedekt was. Daarna tilde ik haar half op, haar benen sleepten over de grond, en liep met haar langs de rijen zwijgende mensen. Niemand zei iets. Iedereen keek weg toen we passeerden. Zelfs de caissière keek naar haar schoenen.
Ik kreeg haar de lift in. Ik kreeg haar door de parkeergarage. Ik duwde haar op de passagiersstoel van mijn auto en gooide het portier dicht. Pas toen ik zelf achter het stuur zat en de centrale vergrendeling inklikte, begon ik te trillen.
Mijn moeder zat naast me. Ze huilde niet meer. Ze staarde bewegingloos voor zich uit, terwijl de ruiten van de auto langzaam besloegen door onze adem. Ze leek plotseling tien jaar ouder. Een hoopje mens, verpakt in mijn veel te grote jas.
Ik legde mijn handen op het stuur en sloeg er een keer hard op met mijn vuist. De claxon toeterde kort en fel door de betonnen parkeergarage. De echo stierf langzaam weg.
‘Het is klaar,’ zei ik hardop tegen de beslagen voorruit. Mijn stem klonk niet boos meer. Hij klonk leeg. Zo hol als een leeggehaald graf. ‘Het is gewoon klaar.’
Hoofdstuk 6
Het gesprek met Marleen en de indicatie
Twee dagen later zaten we aan de keukentafel in het huis van mijn moeder. Mijn moeder was er zelf niet bij; Diny had haar meegenomen voor een wandelingetje door de wijk. Ze liepen heel langzaam, hand in hand, twee oude vrouwtjes die elkaar al een leven lang kenden.
Aan tafel zaten Marleen, ik, en een vrouw van het Centrum Indicatiestelling Zorg. Ze heette mevrouw Van Beek. Ze droeg een degelijke bril met een rood montuur, had een leren map voor zich liggen en dronk haar koffie zwart.
Marleen had haar iPad voor zich opengeklapt. Ze had vrij genomen van haar werk. Eindelijk. Maar ze zat erbij alsof ze een presentatie voor een lastige klant ging geven. Haar lippen waren strak op elkaar geperst.
‘Mijn broer schetst het soms wat zwaar,’ zei Marleen tegen de CIZ-mevrouw. ‘Hij zit er met zijn neus bovenop, dat begrijp ik heus wel. Maar mijn moeder heeft ook nog heel goede momenten. Gisteren belde ze me nog. Ze wist precies hoe mijn dochters heetten.’
Ik keek naar mijn zus. Ik voelde de aders in mijn nek kloppen. ‘Ze wist hoe ze heetten, Marleen, omdat ze een foto van ze voor haar neus had liggen met de namen er met viltstift op geschreven. Dat heb ik erop gezet.’
‘Frank, doe niet zo aanvallend,’ zei Marleen met een zucht. ‘Ik probeer gewoon een realistisch beeld te schetsen. Als we haar laten opnemen, is er geen weg meer terug. Dan geef je het op.’
‘Dan geef ík het op?’ Mijn stem ging omhoog. Mevrouw Van Beek keek even op van haar papieren en zette een streepje in een vakje.
‘Jij bent hier nooit!’ schreeuwde ik bijna. Ik sloeg met mijn vlakke hand op tafel. Het theekopje van Marleen rammelde op het schoteltje. ‘Jij zit in je mooie villa in Utrecht je werk te doen en ideeën te spuien over apps en kurkumatabletten! Weet jij hoe het ruikt als iemand drie dagen haar broek niet heeft verschoond? Weet jij hoe het voelt als je eigen moeder je een dief noemt en de politie wil bellen? Weet jij hoe het is om haar uit een volle winkel te moeten slepen omdat ze zichzelf heeft ondergezeken?!’
Marleen deinsde achteruit. Haar professionele masker brokkelde in één klap af. Haar ogen werden waterig.
‘Denk je nou echt dat ik dit leuk vind?’ piepte ze. ‘Denk je dat ik niet zie wat er gebeurt? Ik wil gewoon niet dat ze naar zo’n vreselijk gesticht moet, Frank! Daar gaan mensen alleen maar dood!’
‘Meneer Dekker, mevrouw Dekker,’ onderbrak mevrouw Van Beek ons rustig. Ze legde haar pen neer. Haar stem had geen oordeel in zich, alleen de kalmte van iemand die dit al honderden keren heeft meegemaakt. ‘U hoeft elkaar niet aan te vallen. Het dossier is heel duidelijk. Het rapport van de huisarts liegt er niet om. De politie-inzet van vorige maand staat genoteerd. De gaskraan. Het dwalen op straat.’
Ze keek Marleen recht aan.
‘Mevrouw Dekker, uw moeder heeft zorgprofiel VV5 nodig. Beschermd wonen met intensieve dementiezorg. Ze is niet meer veilig in dit huis. Ze is een gevaar voor zichzelf geworden, en als er weer een gaslek ontstaat, ook voor haar buren. Dit is geen kwestie van "opgeven". Dit is een kwestie van op tijd ingrijpen voordat er een ramp gebeurt.’
Het woord ‘zorgprofiel VV5’ viel als een zwaar loden gewicht op de keukentafel. Het klonk zo klinisch. Een afkorting die een heel mensenleven reduceerde tot een categorie in een zorgdatabase.
Marleen boog haar hoofd. Ze begon zachtjes te snikken, met haar handen voor haar gezicht. Voor het eerst in maanden voelde ik geen woede naar haar toe. Alleen hetzelfde verpletterende verdriet dat ik al die tijd al met me meedroeg. Ik schoof mijn stoel naar haar toe en legde een hand op haar schouder. Ze pakte mijn hand vast en kneep erin. We zaten daar, twee volwassen mensen die plotseling weer de kinderen van Corrie waren, beseffend dat onze jeugd nu definitief voorbij was.
Die middag bezochten we Het Elshout. Een modern verpleeghuis aan de rand van Deventer. Geen donker gesticht uit een film, maar een licht gebouw met veel glas, houten vloeren en een binnentuin.
De teamleider, een forse vrouw met een vriendelijke lach, leidde ons rond over afdeling De Beuk. Gesloten deuren. Om naar binnen of naar buiten te gaan, moest je een viercijferige code intoetsen op een paneel naast de deurpost. Zodat de bewoners niet konden weglopen.
We liepen door de gezamenlijke huiskamer. Er zat een groepje oude mensen aan een tafel. Een vrouw was bezig een pop te wiegen. Een man met een vlekkerig vest staarde wezenloos naar een aquarium met goudvissen. Er hing een weeïge geur van bloemkool, schoonmaakmiddel en incontinentiemateriaal. Het was er warm. Veel te warm.
‘Hier is kamer 12,’ zei de teamleider en ze opende een deur. ‘Deze is net vrijgekomen. Ze mag haar eigen fauteuil meenemen. En wat foto’s voor aan de muur. Dat geeft herkenning.’
De kamer was klein. Een hoog-laagbed, een kledingkast met een slot erop, een aangepaste badkamer met beugels bij het toilet. Het raam keek uit op een parkeerplaats met bomen.
Ik keek naar de vloer. Ik stelde me voor hoe mijn moeder hier zou zitten, in haar vertrouwde stoel, tussen muren die ze niet kende, wachtend op een maaltijd die ze niet zelf had gekozen.
‘Wanneer kan ze komen?’ vroeg ik. Mijn stem klonk schor.
‘Volgende week dinsdag,’ zei de teamleider. ‘Als u akkoord bent.’
Ik keek naar Marleen. Mijn zus knikte langzaam, met betraande wangen. Ik haalde diep adem. Het voelde alsof ik een doodvonnis tekende, maar ik wist dat het de enige uitweg was. Voor haar. En voor mij.
‘Dinsdag,’ zei ik. ‘We zijn er om tien uur.’
Hoofdstuk 7
Wie er overblijft
De verhuisdag was een stille, kille dag in december. We hadden het klein gehouden. Geen grote verhuiswagen, alleen mijn eigen auto met de achterbank plat. We namen haar favoriete oorfauteuil mee, de oude staande schemerlamp met de gele kap, haar dekbed en een doos vol ingelijste familiefoto’s.
Mijn moeder begreep er niets van. Ze dacht dat we een weekendje naar zee gingen. ‘Moet mijn zwempak niet mee?’ vroeg ze toen we haar jas aandeden. Ik zei maar dat het te koud was om te zwemmen. Elk weerwoord, elke poging om de waarheid uit te leggen, bracht haar alleen maar aan het huilen. Dus logen we. We logen uit barmhartigheid.
Toen we Het Elshout binnenliepen, hield ze mijn hand stevig vast. Bij de toetscode van de buitendeur keek ze verbaasd naar de piepjes. Binnen op De Beuk werd ze ontvangen door een jonge verpleegkundige die Sandra heette. Sandra knielde meteen bij haar neer, stelde zich rustig voor en complimenteerde haar met haar mooie rode sjaal. Mijn moeder glimlachte verlegen. Ze leek even betoverd door de aandacht.
We richtten haar kamer in. Marleen zette de foto’s op het dressoir. Foto’s van mijn vader op de zeilboot. Foto’s van mij en Marleen met beugels en ontploft jaren-tachtig-haar. Foto’s van Thijs toen hij net kon lopen. We hingen haar vertrouwde klok aan de muur. Die begon meteen te tikken. Het vertrouwde geluid in een volkomen vreemde ruimte.
Rond het middaguur werd er soep geserveerd in de huiskamer. Sandra nam mijn moeder bij de arm. ‘Kom mevrouw Dekker, dan gaan we even een lekker kommetje tomatensoep eten. Uw zoon en dochter moeten zo weer even weg.’
Dat was het moment. Het afgesproken moment waarop we moesten vertrekken, zonder drama, zonder langgerekt afscheid. Want dat maakte het alleen maar erger, had de zorg ons gewaarschuwd.
Ik liep naar haar toe en kuste haar op haar wang. Haar huid voelde koud en zacht aan, als verouderd papier. Ze rook naar de lavendelzeep die we vroeger altijd thuis hadden.
‘Dag mam,’ zei ik.
Ze keek me aan. Haar ogen waren helderblauw, precies zoals de mijne. ‘Ga je alweer naar huis, jongen?’
‘Ja mam. Ik moet weer gaan.’
‘Doe je voorzichtig op de brommer?’ zei ze.
Ik slikte de brok in mijn keel weg. Ik had al vijfentwintig jaar geen brommer meer. ‘Ik doe voorzichtig, mam.’
We liepen snel weg. Bij de tussendeur toetste ik de code in: 4-1-8-2. De zoemer ging en de zware magneet liet los. We stapten door de sluis. Achter het glas van de deur zag ik haar nog net zitten aan de lange tafel, tussen vreemde mensen, met een plastic lepel in haar hand.
Toen we buiten stonden in de koude winterlucht, haalde ik voor het eerst in een jaar tijd weer echt diep adem. De lucht sneed in mijn longen, maar het voelde zuiver. Marleen begon te huilen en leunde tegen me aan. Ik sloeg een arm om haar heen. We stonden daar minutenlang op de stoep van de parkeerplaats. Twee wezen met een moeder die nog leefde.
Nu zijn we zes maanden verder.
Het leven heeft langzaam weer een vorm aangenomen. Thijs praat weer met me. Vorige week zijn we samen naar een voetbalwedstrijd geweest in Deventer; Go Ahead Eagles tegen Heerenveen. We aten een vette hap en schreeuwden naar de scheidsrechter. Op de terugweg legde hij zijn hand even op mijn arm en zei: ‘Fijn dat je er weer bent, pap.’ Ik moest vechten tegen de tranen.
Met Sanne gaat het beter, maar de wonden zijn nog niet helemaal geheeld. Er is littekenweefsel over ons huwelijk gegroeid. We zijn voorzichtiger met elkaar geworden. Maar we praten weer. We eten weer samen aan tafel, zonder dat mijn telefoon met paniekerige ringtones tussen de borden ligt.
Ik ga twee keer per week naar Het Elshout. Altijd op dinsdagavond en zaterdagmiddag. Ik heb geleerd om niets meer van die bezoeken te verwachten. Ik kom niet meer om haar bij te praten over het nieuws of over de familie. Ik kom gewoon om er te zijn.
Gisteren zat ik weer naast haar in de binnentuin. De lente was net begonnen. De eerste krokussen staken hun paarse koppen door het gras. De zon scheen op haar gezicht. Ze zat in een rolstoel, met een geruit dekentje over haar knieën.
Ze pakte mijn hand. Haar vingers waren knoestig van de artrose. Ze bekeek mijn vingers aandachtig, alsof ze een vreemd voorwerp bestudeerde.
‘U bent een aardige man,’ zei ze na een hele lange stilte. Haar stem klonk rustig, vredig bijna. ‘Bent u de broer van Bert?’
Ik keek naar haar zijkant. Naar haar zilveren haar dat netjes was gekamd door Sandra. Naar haar kleine neus. De rimpels rond haar ogen.
Vroeger zou dat een steek in mijn hart hebben gegeven. Vroeger zou ik hebben gezegd: Mam, kijk me aan, ik ben het toch, Frank, je zoon! Maar die strijd heb ik opgegeven. Die strijd viel niet te winnen.
Ik kneep zachtjes in haar hand.
‘Nee mevrouw,’ zei ik zacht. ‘Ik ben niet zijn broer. Maar ik kende hem wel heel goed. Het was een fijne man.’
Ze knikte langzaam en glimlachte. ‘Ja,’ zei ze, terwijl haar blik weer weggleed naar de bomen achter het hek. ‘Dat was hij zeker.’
We bleven zo zitten, hand in hand, in de voorjaarszon. Ik had mijn moeder niet meer teruggekregen. Die was ik kwijt, stukje bij beetje, herinnering voor herinnering. Maar wat er nu zat, was genoeg. Het was rust. En voor het eerst sinds heel lange tijd voelde ik dat het goed was zo.