Naar de inhoud
Terug naar het boek

Psychische gezondheid

Ik telde alles drie keer

Dit boek gaat over psychische klachten. Zoek hulp als het onderwerp je raakt.

Hoofdstuk 1

Ik telde alles drie keer — De deur

De sleutel brak niet af. Dat dacht ik alleen. Toch bleef ik staan met mijn hand om het koude metaal. Eén keer draaien. Twee keer trekken. Drie keer voelen of de deur echt dichtzat.

Boven mij ging een raam open.

‘Milan. Sommige mensen slapen nog.’

Mijn buurvrouw Ans. Haar stem klonk schor.

‘Sorry. Hij klemt.’

De deur klemde niet.

Ik was tweeëndertig en woonde alleen in een portiekflat in Utrecht, aan de rand van Zuilen. Ik werkte bij een drukkerij in Nieuwegein. Ik had een zus, een oude fiets en een huurachterstand van precies nul euro. Van buiten zag mijn leven er behoorlijk netjes uit.

Die ochtend stond ik al zeventien minuten voor mijn voordeur.

Mijn telefoon trilde. Een bericht van mijn zus Noor.

Vergeet je Tess niet? Kwart over drie. Zijdeur van school.

Ik stuurde een duim omhoog. Daarna keek ik naar het slot. Tijdens het lezen kon mijn hand bewogen hebben. Misschien had ik de deur weer opengedraaid.

Ik begon opnieuw.

Drie was ooit gewoon een getal geweest. Nu was het een afspraak die ik moest nakomen. Drie keer het gas controleren. Drie keer mijn wekker. Drie keer mijn bankrekening openen voordat ik iets kocht. Als ik werd afgeleid, telde de ronde niet.

Wat er anders zou gebeuren, veranderde voortdurend. Brand. Inbraak. Een ongeluk met Noor. Soms alleen iets verschrikkelijks zonder naam.

Ik wist dat een slot niets met mijn zus te maken had. Dat maakte het niet makkelijker. Ik stond daar niet omdat ik dom was. Ik stond daar omdat weggaan voelde alsof ik bewust iemand in gevaar bracht.

Om acht uur tweeënveertig kwam ik binnen bij de drukkerij. De grote snijmachine dreunde. Mijn collega Jeroen keek op van een stapel folders.

‘Weer de brug?’

‘Ja.’

Er lag geen brug op mijn route die open kon.

Hij knikte toch. Misschien wist hij het. Misschien wilde hij gewoon beginnen.

Ik controleerde digitale drukbestanden. Adressen, paginanummers, afloopranden. Werk waarbij nauwkeurigheid nuttig was. Mijn leidinggevende Selma had me daar vroeger om geprezen.

Nu bleef ik hangen op één postcode. Ik las hem drie keer. Toen nog drie keer, omdat ik bij de tweede keer aan de deur had gedacht. Om halfelf had ik vier bestanden afgerond. Jeroen had er negentien gedaan.

In de lunchpauze at ik in het toilet een boterham. Niet omdat ik daar graag zat. Ik wilde niet dat iemand zag hoe ik mijn telefoon gebruikte. Ik had foto’s van mijn kookplaat gemaakt. Op elke foto waren alle knoppen zichtbaar. Toch zoomde ik in.

Uit. Uit. Uit.

Daarna vroeg ik me af of de foto wel van vanochtend was.

Om twee uur trok ik mijn jas aan. Ruim op tijd voor Tess. Dat had ik uitgerekend. Ze was zeven en had een losse voortand die ze met haar tong scheef duwde. Ik had beloofd dat we wentelteefjes zouden maken.

Bij mijn fiets controleerde ik het achterwiel. Er zat een tik in, dacht ik. Ik draaide het rond. Eenmaal. Tweemaal.

Toen riep Jeroen iets vanuit de deuropening.

Ik moest opnieuw.

Onderweg reed ik over een putdeksel. Een korte klap onder mijn band. Meteen kwam de gedachte: dat was geen putdeksel. Je hebt iemand geraakt.

Ik stopte. Keek achterom. Een lege straat. Een bestelwagen verderop. Niemand op de grond.

Ik fietste terug.

Daarna nog een keer.

Bij de derde ronde belde Noor.

‘Waar ben je?’

Ik keek naar de tijd. Kwart over drie.

‘Bijna daar.’

‘Je klinkt raar.’

‘Wind.’

Ik reed opnieuw langs het putdeksel. Ik zocht iets wat bewees dat er niets gebeurd was. Een bewijs dat niet bestond.

Om halfvier belde de school. Tess zat bij de conciërge.

Toen ik eindelijk aankwam, stond Noor al op het plein. Haar werkkleding zat onder een open regenjas. Tess hield haar hand vast.

‘Mijn patiënt moest wachten,’ zei Noor.

Ik keek naar mijn stuur.

‘Er was iets met mijn fiets.’

Tess stak haar hand uit naar mijn mouw.

‘Ik dacht dat je me vergeten was.’

Dat was erger dan Noors boze gezicht.

Ik wilde uitleggen hoeveel moeite ik juist had gedaan om niemand iets te laten overkomen. Maar daar stond mijn nichtje. Koud. Teleurgesteld. Door mij.

‘Ik ben je niet vergeten,’ zei ik.

Het klonk veel te klein.

Hoofdstuk 2

Niemand op de weg

Die avond stond Noor voor mijn deur met een plastic bak eten. Ik hoorde haar de trap oplopen. Toch wachtte ik tot ze belde.

Ik had de kookplaat net gecontroleerd. Als ik nu opendeed, moest ik straks opnieuw beginnen.

Ze belde nog eens.

‘Milan, ik hoor je lopen.’

Ik liet haar binnen.

Ze zette de bak op het aanrecht. Rijst met kip. Daarna zag ze de strookjes schilderstape op de vloer. Voor de kookplaat. Voor het raam. Voor de voordeur.

‘Wat is dit?’

‘Niets.’

‘Waarom staat er een kruis voor je fornuis?’

Vanaf die plek kon ik alle knoppen tegelijk zien. Ik had de afstand met een meetlint bepaald. Dichterbij zag ik niet genoeg. Verder weg voelde het beeld onbetrouwbaar.

Ik haalde mijn schouders op.

Noor liep naar het raam. Ze zag de blauwe markeringen op de sluiting.

‘En dit?’

‘Laat het even.’

Ze draaide zich om.

‘Nee. Je laat Tess zitten. Je neemt je telefoon niet op. Je hebt al maanden geen tijd om te eten bij ons. Dan kom ik hier en lijkt je huis wel een proefopstelling.’

Ik wilde dat ze wegging. Ik wilde dat ze bleef. Van die twee wensen werd ik misselijk.

‘Ik dacht dat ik iemand had aangereden.’

Noor keek naar mijn fiets in de gang.

‘Vandaag?’

Ik knikte.

‘Wie?’

‘Niemand. Waarschijnlijk.’

Ze trok een stoel naar achteren. Het geluid sneed door de keuken.

‘Vertel het vanaf het begin.’

Dus vertelde ik over het putdeksel. Over terugfietsen. Over de bestelwagen die mijn zicht misschien had geblokkeerd. Terwijl ik praatte, hoorde ik hoe onwaarschijnlijk het klonk. Toch wilde ik mijn jas pakken om nog één keer te kijken.

Noor vroeg of ik iemand had gezien. Of ik een botsing had gevoeld. Ik zei nee en nee.

‘Dan heb je niemand geraakt.’

Een paar seconden werd mijn borst ruimer.

‘Maar hoe weet jij dat?’ vroeg ik.

Haar gezicht veranderde. Niet boos. Moe.

We zaten bijna een uur aan tafel. Zij stelde me gerust. Ik vond een nieuw detail. Zij antwoordde. Ik vroeg het anders. De rijst bleef dicht.

Uiteindelijk schoof ze haar stoel naar achteren.

‘Ik kan hier geen einde aan maken, hè?’

Ik schudde mijn hoofd.

Dat was het eerste eerlijke antwoord van de avond.

Ze vroeg hoelang dit speelde. Ik zei een paar maanden. Daarna een jaar. Toen vertelde ik over mijn studentenkamer, waar ik soms terugliep om de kraan te controleren. Dat was twaalf jaar geleden.

Het was niet altijd zo erg geweest. Soms ging het maanden redelijk. Maar na elke drukke periode bleef er iets nieuws hangen. Een extra controle. Een verboden getal. Een zin die ik in mijn hoofd moest herhalen.

De laatste winter had ik griep gehad. Een week alleen thuis. Daarna waren de controles langer geworden. Ik sliep slecht. Op mijn werk liep ik achter. Hoe harder ik probeerde alles goed te doen, hoe kleiner mijn dag werd.

Noor wees naar mijn telefoon.

‘Morgen bel je de huisarts.’

‘Die heeft wel iets belangrijkers.’

‘Dit is belangrijk.’

Ik begon te huilen zonder waarschuwing. Geen mooie huilbui. Mijn neus liep. Ik kreeg mijn adem niet rustig. Noor schoof de keukenrol naar me toe.

Ze zei niet dat het wel goedkwam. Daar was ik haar later dankbaar voor.

De volgende ochtend zat ik twintig minuten met het nummer van de praktijk op mijn scherm. Ik wilde eerst opschrijven wat ik ging zeggen. Daarna herschreef ik het. Het woord “gek” schrapte ik. “Controleproblemen” klonk te netjes.

Toen de assistente opnam, zei ik: ‘Ik kom mijn huis bijna niet meer uit.’

Ze stelde vragen. Ik kreeg een afspraak voor twee dagen later.

Bij huisarts Van Dijk zat ik tegenover een poster over tekenbeten. Hij liet me uitpraten. Dat duurde lang. Ik vertelde ook over gedachten waarin Tess iets overkwam. Gedachten die ik niet wilde, maar steeds opnieuw kreeg.

‘Ik wil dat niet,’ zei ik snel.

‘Dat hoor ik.’

Hij vroeg verder. Naar slaap. Naar werk. Of ik mezelf iets wilde aandoen. Dat wilde ik niet. Ik wilde vooral dat het even stil werd.

Hij zei dat mijn klachten op een dwangstoornis konden wijzen. Voor een goede beoordeling verwees hij me door. Tot die tijd kon ik bij de praktijkondersteuner terecht.

Buiten belde ik Noor.

‘En?’ vroeg ze.

‘Hij schrok niet.’

Pas toen merkte ik hoeveel ik daarvoor gevreesd had.

Hoofdstuk 3

Niet meer verbergen

De wachttijd voor gespecialiseerde hulp was langer dan ik had gehoopt. De eerste brief noemde tien weken. Ik las hem drie keer en stopte hem toen onder een stapel reclame.

Tien weken klonk haalbaar zolang ik niet nadacht over morgenochtend.

De praktijkondersteuner heette Farah. Ze droeg sportschoenen onder een nette broek en schreef weinig op. Tijdens onze eerste afspraak vroeg ze hoeveel tijd mijn controles kostten.

‘Een uur,’ zei ik.

Ze wachtte.

‘Misschien twee.’

We liepen een gewone dag langs. Opstaan. Douchen. Aankleden. Weggaan. Werken. Thuiskomen. Slapen.

Ik telde hardop de minuten op. Ik kwam boven de vier uur uit. Daarbij had ik de stille herhalingen in mijn hoofd nog niet meegerekend.

Farah keek naar mijn handen. Ik wreef met mijn duim over dezelfde plek op mijn wijsvinger.

‘Wat gebeurt er nu?’

‘Ik probeer het gesprek goed te onthouden.’

‘Moet dat op een bepaalde manier?’

Ik knikte.

Zelfs hier was ik bezig.

Ze hielp me contact te houden met de verwijzer en de behandelinstelling. We spraken over slapen, eten en mijn werkdagen. Geen grote oplossing. Wel iemand die iedere week vroeg hoe het werkelijk ging.

Op de drukkerij ging het ondertussen mis.

Een klant had folders nodig voor een opening in Houten. Ik moest het bestand vóór elf uur vrijgeven. De tekst was gecontroleerd. De snijtekens stonden goed. Alleen twijfelde ik over een telefoonnummer.

Ik opende de website van de klant. Het nummer klopte. Ik vergeleek het opnieuw. Toen zag ik niet meer of ik naar het juiste bestand keek.

Om kwart over elf kwam Jeroen naast me staan.

‘Heb je die folders?’

‘Bijna.’

Om twaalf uur zei ik hetzelfde.

Selma kwam om halféén. Ze schoof een stoel bij mijn bureau en vroeg me het bestand te openen. Samen liepen we het na.

‘Goed,’ zei ze. ‘Stuur maar door.’

Mijn vinger lag op de muis. Ik kon niet klikken.

‘Milan?’

‘Eén seconde.’

Ik ging terug naar de eerste pagina.

Selma keek naar het scherm. Daarna naar mij.

‘Kom even mee.’

In haar kantoor stond het raam op een kier. Buiten werd een vrachtwagen gelost. Elke keer dat de laadklep zakte, klonk een piep.

Ze vroeg niet waarom ik zo langzaam was. Ze vroeg wat er aan de hand was.

Ik had drie verklaringen voorbereid. Slecht geslapen. Hoofdpijn. Problemen met de computer.

‘Ik krijg hulp voor dwangklachten,’ zei ik.

Ze leunde achterover.

‘Dank je dat je het zegt.’

Ik huilde niet. Dat vond ik een prestatie, al was het geen wedstrijd.

Selma zei dat ze mijn klachten niet kon beoordelen. Ze kon wel regelen dat ik met de bedrijfsarts sprak. Voorlopig hoefde ik geen laatste vrijgaven meer te doen. Jeroen nam die over.

Ik voelde opluchting. Meteen daarna schaamte.

Toen ik terugkwam, zat hij achter mijn scherm.

‘Het is doorgestuurd,’ zei hij.

‘Sorry.’

‘Voor die folders: vervelend. Voor dat andere hoef je geen sorry te zeggen.’

Ik wist niet wat ik daarop moest antwoorden. Dus vroeg ik of hij koffie wilde.

De bedrijfsarts stelde later voor dat ik tijdelijk halve dagen werkte. Afgebakende taken. Geen overuren om achterstand in te halen. We zouden blijven bekijken wat lukte.

Thuis noemde ik het tegenover Noor een degradatie.

‘Je bent niet van rang veranderd,’ zei ze. ‘Je bent ziek.’

Dat woord beviel me niet. Ik had geen koorts. Ik kon fietsen, lachen en een rekening betalen. Maar ik kon niet zonder strijd mijn eigen woning verlaten.

Op vrijdag kwam Tess met Noor mee. Ze vroeg of we alsnog wentelteefjes konden maken.

Ik zette melk, eieren en brood klaar. Toen ik het eerste ei brak, viel er een stukje schaal in de kom. Ik haalde het eruit. Daarna wilde ik de hele inhoud weggooien en opnieuw beginnen.

Tess stak haar vinger naar het brood uit.

‘Mag deze eerst?’

Ik keek naar de kom. Naar Noor. Zij zei niets.

‘Ja,’ zei ik.

We aten aan mijn kleine tafel. Eén sneetje was zwart aan de rand. Tess sneed er zorgvuldig een vierkant uit.

‘Ben je nog boos?’ vroeg ik.

‘Een beetje niet meer.’

Later, toen ze weg waren, controleerde ik de kookplaat opnieuw. De middag had me niet genezen. Ik stond weer op mijn kruis van tape.

Maar de volgende afspraak bij Farah had ik dit keer niet verstopt.

Hoofdstuk 4

Laat hem dicht

Mijn behandelaar heette Eva Smit. Bij de intake vroeg ze niet alleen naar mijn controles. Ze wilde weten wat ik vermeed. Autorijden. Oppassen. Koken als ik daarna weg moest. Berichten sturen met woorden die verkeerd konden vallen.

De lijst werd langer dan de lijst met dingen die ik nog deed.

Na meerdere gesprekken stelde ze een dwangstoornis vast. Ze legde uit hoe angstige twijfel en mijn pogingen om zekerheid te krijgen elkaar versterkten. Het controleren hielp even. Daarna vroeg mijn hoofd om meer.

Ik kende dat patroon. Toch vond ik haar behandelvoorstel onredelijk.

We zouden oefenen met situaties die spanning opriepen. Daarbij zou ik de dwanghandelingen stap voor stap achterwege laten. Ook de controles die niemand kon zien.

‘Dus ik moet me slechter voelen?’ vroeg ik.

‘Oefenen kan eerst meer spanning geven. We spreken samen af waarmee we beginnen. Het doel is dat je meer kunt doen zonder eerst zekerheid te moeten krijgen.’

‘En als er echt iets misgaat?’

‘Gewone veiligheidsmaatregelen blijven gewoon. We gaan geen gevaarlijke situaties maken.’

Ik wilde haar vragen hoeveel zekerheid dan genoeg was. Ik vroeg het ook. Ze wees erop dat we daar meteen een nieuw eindeloos gesprek van konden maken.

Dat irriteerde me. Vooral omdat ze gelijk had.

Onze eerste oefening ging niet over vuur of verkeer. Die onderwerpen stonden veel hoger op mijn lijst. We begonnen met een appje aan Noor.

Normaal las ik ieder bericht minstens drie keer terug. Soms maakte ik een schermafbeelding zodat ik later kon controleren wat ik had gestuurd. Een verkeerde formulering kon volgens mijn hoofd betekenen dat Noor boos werd, vervolgens afgeleid raakte en onderweg een ongeluk kreeg.

Ik typte: Zullen we zondag wandelen?

Ik las het eenmaal. Dat hadden we afgesproken. Daarna verstuurde ik het en legde mijn telefoon met het scherm naar beneden.

Mijn maag trok samen.

‘Wat merk je?’ vroeg Eva.

‘Dat ik hem wil pakken.’

‘En wat doe je?’

‘Praten met jou.’

Het klonk kinderachtig. Het was loodzwaar.

Ik probeerde de letters in gedachten terug te zien. Eva vroeg waar ik mee bezig was. Toen ik het vertelde, zei ze dat dit ook controleren was.

Daar ging mijn geheime achterdeur.

Na tien minuten was ik nog steeds gespannen. Ik vond dat de oefening mislukt was.

‘Je hebt het bericht niet teruggelezen,’ zei ze. ‘Ook niet toen het moeilijk bleef.’

Dat was blijkbaar het werk.

Thuis oefende ik verder. Sommige dagen lukte één bericht. Andere dagen zat ik na afloop alsnog alles na te lopen. We bespraken dat zonder straflijst. Wel precies. Op welk moment ging ik controleren? Wat hoopte ik daarmee te bereiken?

Later kwam de voordeur aan de beurt.

Ik had verwacht dat Eva me zou laten vertrekken terwijl de deur openstond. In plaats daarvan onderzochten we mijn gewone afsluitroutine en de extra rondes die daarachteraan kwamen. We maakten een haalbare afspraak om die extra controles te verminderen.

Bij een begeleide oefening stond ze naast me in het portiek. Ik draaide de sleutel en deed de afgesproken afsluitcontrole. Daarna stopte ik hem in mijn zak.

‘Nu lopen?’ vroeg ik.

‘Dat was je plan.’

Op de eerste traptrede draaide mijn bovenlichaam al terug.

Ik bleef staan.

Van boven klonk Ans. Ze praatte tegen haar kat. Iemand beneden liet een brievenbusklep vallen. Mijn eigen huis zat achter me, buiten mijn zicht.

Ik liep verder.

Buiten wilde ik Eva vragen of zij had gezien dat de deur dicht was. Ik keek naar haar mond. Ze wachtte.

‘Ik wil dat jij het bevestigt,’ zei ik.

‘Dat snap ik.’

Ze bevestigde het niet.

We liepen tot de hoek. Mijn handen tintelden. Bij de fietsenrekken bleef ik staan. Ik was boos op haar, op mijn slot, op alle mensen die gedachteloos hun deur dichttrokken.

Ik liep niet terug.

Noor kwam een keer mee naar een gesprek. We bespraken hoe vaak ik haar om geruststelling vroeg. Ze hoefde me niet af te wijzen. Ze kon wel stoppen met telkens hetzelfde antwoord geven.

Die avond belde ik haar.

‘Denk je dat ik vandaag iemand geraakt kan hebben?’

Het bleef even stil.

‘Ik hoor dat je vastzit,’ zei ze. ‘Wil je vertellen hoe je dag verder was?’

‘Geef gewoon antwoord.’

‘Dat ga ik niet blijven doen, Milan.’

Ik hing boos op.

Tien minuten later belde ik terug.

‘Het was druk op mijn werk,’ zei ik.

Hoofdstuk 5

Een echte reden

Op een dinsdag in november belde Noor om elf uur in de ochtend. Ik zat op mijn werk. Haar naam verscheen boven een bericht dat ik nog niet had durven openen.

‘Pap ligt in het ziekenhuis.’

Mijn stoel rolde achteruit.

‘Wat is er gebeurd?’

Hij was in zijn keuken gevallen. Een buurman had hem gevonden. Hij was aanspreekbaar en werd onderzocht in het Meander in Amersfoort.

Noor vertelde wat ze wist. Niet meer. Ze was onderweg.

Ik hoorde vooral het woord keuken.

De avond daarvoor had mijn vader gebeld. Ik had niet opgenomen. Ik was bezig geweest mijn oefeningen te doen en had daarna geen energie meer gehad. Ik had een bericht gestuurd dat ik hem de volgende dag zou bellen.

Nu lag hij in een ziekenhuisbed.

Mijn hoofd maakte er meteen een verband van. Je had moeten opnemen. Je had iets kunnen horen. Je hebt gekozen voor jezelf.

Selma zag mijn gezicht en vroeg wat er was. Ze regelde dat mijn werk werd overgenomen. Jeroen bood aan me naar het station te brengen.

‘Nee, ik kan fietsen.’

Ik wilde alleen zijn. Dan kon ik onderweg controleren of ik niets verkeerd deed.

Bij het fietsenrek bleef ik staan. Mijn vader had echte hulp nodig. Ik had een echte reden om bang te zijn. Alle afspraken met Eva leken opeens gemaakt voor een eenvoudiger wereld.

Ik pakte mijn telefoon en belde haar praktijk. Ze was in gesprek. De assistente noteerde dat ik graag overleg wilde.

Daarna fietste ik naar Utrecht Centraal.

Ik reed niet terug bij de eerste hobbel. Wel bij de tweede.

Op het station miste ik een trein omdat ik drie keer mijn bankpas zocht. Ik had hem in mijn hand.

Toen ik eindelijk op de afdeling kwam, zat Noor naast het bed. Mijn vader had een pleister op zijn voorhoofd. Zijn bril lag op een kastje.

‘Daar is de controleur,’ zei hij.

Vroeger noemde hij me zo als ik vroeg of hij zijn gordel omhad. Hij bedoelde het vriendelijk. Die middag kwam het hard aan.

‘Niet nu, pap.’

Hij keek verbaasd.

Noor stond op zodat ik kon zitten.

Het bleek dat mijn vader was flauwgevallen. De artsen deden onderzoek. Hij moest blijven. Er was nog geen complete verklaring.

Ik stelde vragen. Eerst gewone vragen. Toen dezelfde vragen met andere woorden.

‘Maar zijn hart is dus goed?’

De verpleegkundige legde uit wat al onderzocht was en wat nog moest gebeuren.

‘Maar er is nu geen gevaar?’

Ze kon geen garantie geven. Niemand kon dat.

Ik wilde naar een andere verpleegkundige. Naar een arts. Naar iemand die de juiste zin zou zeggen.

Noor legde haar hand op mijn arm.

‘We hebben gehoord wat ze nu weten.’

Ik trok mijn arm weg.

‘Dit is geen oefening.’

‘Dat zeg ik ook niet.’

Mijn vader keek van haar naar mij.

‘Wat is er eigenlijk met jou aan de hand?’

Dus vertelde ik het. Niet alles. Wel genoeg. Dat mijn controles geen grappige gewoonte waren. Dat ik hulp kreeg. Dat ik bang was dat zijn val mijn schuld was omdat ik niet had opgenomen.

Hij keek naar zijn deken.

‘Ik belde over voetbal,’ zei hij. ‘Ik wilde weten of jij die wedstrijd had gezien.’

Dat luchtte op. Daarna zocht mijn hoofd meteen naar een andere mogelijkheid.

Ik herkende het. Dat hielp een beetje. Niet genoeg om rustig te worden.

Eva belde later terug. Ik stond bij de automaten in de hal. Ze vroeg wat er feitelijk aan de hand was en welke gewone acties nodig waren. Contact met de afdeling. Afstemmen met Noor. Mijn vader bezoeken.

Daarna vroeg ze wat de dwang er nog bovenop wilde leggen.

‘Alles voorkomen,’ zei ik.

We bespraken hoe ik die avond mijn eerdere afspraken kon hervatten, zonder de echte zorgen weg te drukken.

Thuis ging het toch mis. Ik controleerde tot na middernacht. De kookplaat. De deur. Mijn berichten aan mijn vader. Ik sliep op de bank, aangekleed.

De volgende ochtend wilde ik mijn behandeling afzeggen. Het was blijkbaar allemaal zinloos geweest.

Ik ging toch.

Eva vroeg me niet hoe ik zo stom had kunnen zijn. Ze vroeg waar ik de draad weer kon oppakken.

Mijn vader kwam na verder onderzoek en aangepaste medicatie weer thuis. Noor en ik verdeelden de bezoeken.

Bij mijn eerste bezoek zette hij thee.

‘Mag ik nog grapjes maken?’ vroeg hij.

‘Ja. Alleen niet over dat controleren.’

‘Goed,’ zei hij.

Hij schoof de suiker naar me toe. We keken samen naar een slechte voetbalwedstrijd.

Hoofdstuk 6

Zonder bewijs

De terugval duurde langer dan één avond. Dat vond ik moeilijker te accepteren dan de terugval zelf.

Ik had gedacht dat ik na een goed gesprek weer verder kon. In werkelijkheid voelde mijn voordeur opnieuw als een ingewikkelde opdracht. Ik controleerde mijn telefoon vaker. Op mijn werk betrapte Jeroen me op het vergelijken van twee identieke versies van een bestand.

‘Welke moet het worden?’ vroeg hij.

‘Ze zijn hetzelfde.’

‘Oké.’

Hij liep verder. Hij ging niet voor me bepalen welke versie veilig was. Dat hadden we afgesproken.

Met Eva maakte ik mijn oefeningen tijdelijk kleiner. Niet verdwijnen. Kleiner. Ik hield bij hoeveel tijd de dwang kostte, maar alleen op afgesproken momenten. Toen ik elk kwartier mijn vooruitgang ging berekenen, bespraken we dat ook.

Zelfs beter worden kon iets worden wat ik perfect wilde uitvoeren.

Omdat de klachten nog veel ruimte innamen, besprak ik medicatie met een psychiater. Ik had er vragen over. Veel vragen. Ze legde uit wat ik kon verwachten, welke bijwerkingen konden optreden en hoe we zouden volgen of het hielp.

Ik hoefde niet tijdens dat eerste gesprek te beslissen.

Een week later begon ik. De eerste tijd was ik misselijk en sliep ik onrustiger. Daarover hield ik contact. Er kwam geen plotselinge stilte in mijn hoofd. Na enkele weken merkte ik wel dat ik soms net iets langer kon wachten voordat ik toegaf aan de drang.

Het oefenen bleef nodig.

In januari liep ik weer hele ochtenden mee op de drukkerij. Mijn uren werden in overleg langzaam uitgebreid. Selma gaf me duidelijk afgebakende opdrachten. We spraken af wie de gebruikelijke controle deed en wanneer een bestand klaar was.

Dat laatste vond ik het moeilijkst. Klaar betekende dat ik moest stoppen terwijl ik nog iets kon bedenken.

Op een donderdag ontdekte een klant een fout in een adres. Eén cijfer verkeerd. In een bestand dat ik had bewerkt.

Mijn nek werd heet.

Ik opende meteen alle eerdere opdrachten. Ik wilde bewijzen dat dit de enige fout was. Dat ik niet overal schade had veroorzaakt.

Selma kwam naast me staan.

‘We lossen deze op,’ zei ze.

‘Ik moet de rest nakijken.’

‘Is daar een concrete reden voor?’

Ik wees naar het verkeerde cijfer.

‘Dat is de reden om dit bestand te herstellen,’ zei ze.

Ik was boos omdat ze zo rustig bleef. Een deel van mij vond dat ik gestraft moest worden. Misschien zou ik dan voortaan voldoende opletten.

We maakten een correctie. De klant kreeg een nieuwe proef. Er was extra werk en de klant was terecht geïrriteerd. Daarna ging de dag verder.

Ik vertelde Eva dat ik daadwerkelijk iets verkeerd had gedaan.

‘Ja,’ zei ze.

Ik wachtte op een verzachtende uitleg. Die kwam niet.

We bespraken de fout, de gewone herstelactie en mijn behoefte om daarna elk ander risico uit te sluiten. Ik hoefde niet te doen alsof fouten onbelangrijk waren. Ik moest leren dat eindeloos controleren ze niet allemaal kon voorkomen.

Dat was minder prettig dan horen dat ik eigenlijk niets verkeerd had gedaan. Het hielp me meer.

Thuis verwijderde ik de tape niet in één heldhaftige beweging. Eerst het kruis bij het raam. Een week later de markering bij de kookplaat. Het plaksel bleef zitten. Ik keek er vaak naar.

Ans kwam me tegen op de trap met een vuilniszak.

‘Gaat het beter met die deur?’ vroeg ze.

Ik twijfelde.

‘De deur was goed. Met mij ging het niet goed.’

Ze liet de zak op een trede rusten.

‘O.’

‘Ik heb last van dwang. Ik ben ervoor in behandeling.’

Ze knikte langzaam.

‘Mijn broer had dat ook. Niet met deuren. Met wassen.’

Meer zei ze er niet over. Ze vroeg of ik oud papier voor haar mee naar beneden wilde nemen.

Dat deed ik.

Op een zaterdag ging ik met Noor en Tess naar de bibliotheek aan de Neude. Tess zocht boeken over haaien. Ik bleef niet voortdurend kijken of ze nog naast ons liep. We hadden afgesproken waar ze mocht zoeken en waar wij zaten.

Even later schoof ze een boek onder mijn neus. Een rij tanden vulde de bladzijde.

‘Deze krijgt steeds nieuwe,’ zei ze.

Ik lachte. Toen merkte ik dat ik een tijdje niet had geteld.

Meteen wilde ik uitzoeken hoelang precies.

Ik pakte het boek aan en las het onderschrift.

Hoofdstuk 7

Kwart over drie

In maart vroeg Noor of ik Tess weer van school wilde halen.

Het bericht kwam op een zondagavond. Ik zat op de bank met een bord op mijn knieën. De televisie stond aan, maar ik volgde niets.

Donderdag. Kwart over drie. Dezelfde school. Dezelfde zijdeur.

Ik legde mijn telefoon weg.

Mijn eerste gedachte was nee. Mijn tweede was dat ik ja moest zeggen om te bewijzen dat ik beter was. Beide gedachten maakten de afspraak groter dan hij hoefde te zijn.

Ik belde Noor.

‘Ik wil het doen,’ zei ik. ‘Maar ik vind het spannend.’

‘Dat snap ik.’

‘Ik kan niet beloven dat ik helemaal geen last krijg.’

‘Dat vraag ik ook niet. Kun je er zijn?’

We spraken praktisch af hoe laat ik zou vertrekken en wat ik zou doen als ik werkelijk vertraging opliep. Niet tien noodplannen. Eén gewone afspraak, zoals andere mensen die ook maken.

Tijdens mijn behandeling besprak ik het met Eva. Ik zat inmiddels verder in het traject. We werkten toe naar minder frequente gesprekken, met een plan voor signalen van terugval.

Slechter slapen. Meer foto’s maken. Afspraken afzeggen. Geruststelling zoeken bij steeds meer mensen. Ik kende mijn signalen inmiddels beter dan mijn goede voornemens.

‘Wat wil je donderdag doen?’ vroeg Eva.

‘Tess ophalen.’

‘En wat wil de dwang?’

‘Dat ik eerst zeker weet dat er onderweg niets gebeurt.’

Ik hoefde de rest niet uit te leggen.

Donderdag werkte ik tot één uur. Ik at met Jeroen een broodje in de kantine. Niet in het toilet. Hij vertelde over een lekkende vaatwasser. Ik merkte dat ik naar zijn verhaal luisterde zonder ondertussen mijn eigen ochtend na te lopen.

Om kwart over twee ging ik naar huis om mijn tas weg te zetten. Dat was geen slim testje. Het was gewoon mijn route. Ik had nog ruim de tijd.

Binnen dronk ik water. Ik pakte mijn fietssleutel. Bij de voordeur kwam de bekende druk in mijn borst.

Misschien stond het keukenraam open.

Ik had het die dag niet geopend. Toch kon ik het beeld niet goed oproepen.

Mijn hand ging naar de klink.

Ik liet hem zakken.

De twijfel bleef. Ook toen ik mijn deur afsloot. Ook op de trap. Beneden dacht ik aan de kat van Ans, die misschien via mijn raam naar binnen kon. Mijn hoofd leverde nog steeds vreemde argumenten met grote overtuiging.

Ik stapte op mijn fiets.

Bij de eerste kruising hoorde ik achter me een klap. Ik keek zoals je kijkt bij een hard geluid. Een man had een rolcontainer tegen de stoeprand getrokken. Hij vloekte en trok opnieuw.

Ik reed verder.

Honderd meter later kwam de vraag of ik wel genoeg had gezien.

Ik voelde mijn handen steviger om het stuur gaan. Ik wilde keren. Ik dacht zelfs even aan de opluchting die dat zou geven.

Daarna keek ik naar het verkeer voor me en bleef fietsen.

Op het schoolplein stond ik zeven minuten te vroeg. Dat noteerde ik niet. Ik keek op mijn telefoon omdat ik wilde weten hoe laat het was, en stopte hem weer weg.

Tess kwam naar buiten met een kartonnen bouwwerk onder haar arm. Het helde gevaarlijk naar links.

‘Niet aan het dak komen,’ zei ze.

‘Wat is het?’

‘Een dierenziekenhuis. Maar de hond is kwijt.’

Ik nam haar tas aan.

Ze keek langs me heen.

‘Is mama er ook?’

‘Nee. Ik haal je op.’

‘O ja.’

Ze liep al naar de fietsenrekken. Voor haar was het daarmee geregeld. Ik had behoefte aan een groter moment. Een omhelzing misschien. Iets waardoor die eerdere middag minder zwaar werd.

Maar Tess wilde weten of ik lijm had.

Thuis repareerden we het dak. Daarna maakten we wentelteefjes. Zij brak de eieren. Er viel schaal in de kom. Ik viste het stukje eruit en gaf haar de garde.

Toen Noor kwam, zat Tess op de vloer een hond te tekenen.

‘Alles goed?’ vroeg Noor.

‘Ja,’ zei ik. ‘En het was soms lastig.’

Die twee dingen konden tegelijk waar zijn.

Ik was niet klaar met mijn dwang. Sommige avonden duurden nog te lang. Ik gebruikte medicatie en hield mijn afspraken. Ik had minder uren gewerkt, mensen teleurgesteld en veel geld uitgegeven aan eigen risico en gemiste werkdagen. Daar paste geen opgewekte slotzin overheen.

Maar mijn dagen waren weer groter geworden.

Na hun vertrek zag ik een lepel op tafel liggen. Vroeger moest ik bestek rechtleggen voordat ik iets anders kon doen. Nu liet ik hem liggen en trok mijn jas aan.

Ik ging brood halen bij de winkel op de hoek.

Bij de deur aarzelde ik.

Daarna ging ik.