Verlies en rouw
Ik praat nog steeds tegen je
Gaat over overlijden en rouw.
Hoofdstuk 1
Twee mokken koffie
Mijn naam is Dennis de Bruin. Ik ben achtendertig jaar oud en ik woon in Zwolle, in een oud arbeidershuisje in de wijk Assendorp. Van beroep ben ik meubelmaker. Ik werk met hout: eiken, essen, walnoot. Hout is eerlijk. Als je scheef zaagt, past het niet. Als je te hard schuurt, verpest je de rand. Hout geeft geen valse hoop. Met mensen ligt dat anders.
Het was zeven uur in de ochtend toen het weer gebeurde. De wekker ging, de regen kletterde tegen het slaapkamerraam en ik liep op blote voeten naar beneden. De houten treden van de trap kraakten op dezelfde plekken als altijd. De derde trede, de zevende trede. Beneden was het koud. Ik zette het koffiezetapparaat aan. Het water begon te pruttelen. Automatisch pakte ik twee mokken uit het keukenkastje. De grote blauwe met het witte randje voor mij, en de gele met het kleine barstje in het oortje voor Suus.
Pas toen de koffie in beide mokken liep, bleef ik stil staan. Mijn hand bevroor boven het aanrecht.
Ik keek naar de gele mok. Er kringelde stoom uit.
"De melk is bijna op, Suus," zei ik hardop. "Ik neem wel zwarte koffie, dan heb jij genoeg voor je schuim."
Mijn stem klonk helder in de lege keuken. Het klonk volkomen normaal. Geen hapering, geen twijfel. Alsof ze elk moment in haar veel te grote grijze vest de hoek om kon komen lopen, met haar haren in een slordige knot en haar ogen nog half dicht van de slaap.
Maar Suus kwam niet. Suus lag sinds tien maanden op de begraafplaats aan de Meppelerstraatweg, onder een zwarte steen met haar naam en twee jaartallen erop. Susanne de Bruin-Vermeer. 1986 – 2023.
Ik pakte de gele mok beet. De keramiek werd heet tegen mijn handpalmen. Ik bleef er even naar staren. Ik wist dondersgoed dat ze er niet was. Ik ben niet gek. Ik heb geen hallucinaties. Ik zie geen spoken in de gang en ik hoor haar stem niet antwoorden door de verwarmingsbuizen. Maar het praten stopte simpelweg niet.
"Je moet vandaag je laarzen aandoen," zei ik tegen de lege eettafel. "Het blijft de hele dag zeiken van de regen."
Het was op een dinsdagochtend in oktober misgegaan. Precies op diezelfde plek bij het aanrecht. Ze stond havermout te maken voor ze naar haar basisschool fietste, waar ze groep vier lesgaf. Ik stond mijn veters te strikken in de gang. Ik hoorde een doffe klap. Geen geschreeuw, geen waarschuwing. Alleen het geluid van een lichaam dat ineens al zijn kracht verliest en tegen de keukenkastjes valt.
Toen ik de keuken in rende, lag ze op de vloer. Haar ogen stonden wijd open, maar ze keek nergens naar. Een aneurysma in haar hoofd. Een minuscuul bloedvaatje dat knapte zonder dat iemand wist dat het er zat. Binnen twintig seconden was de vrouw met wie ik twaalf jaar lief en leed had gedeeld, feitelijk verdwenen. Haar hart klopte nog toen de ambulancebroeders haar op de brancard hesen, maar in het Isala ziekenhuis zeiden ze na twee uur al wat ik eigenlijk al wist toen ik haar op het zeil zag liggen: ze komt niet meer terug.
Ik goot de koffie uit de gele mok door de gootsteen. Het hete vocht kolkte weg door het putje.
"Zonde van de koffie," mompelde ik.
Ik dronk mijn eigen beker in drie grote slokken leeg. Mijn keel brandde, maar het kon me niets schelen. Ik trok mijn werkjas aan, pakte mijn gereedschapskist en liep de deur uit. Op de drempel draaide ik me automatisch om, zoals ik altijd deed.
"Ik ben rond vijf uur thuis," zei ik tegen de lege gang. "Tot straks."
Ik trok de deur achter me dicht en draaide de sleutel om. De straat was grijs en nat. Mijn buurman Henk liet zijn hond uit en stak zijn hand op. Ik knikte terug. Hij keek naar me met die specifieke blik die mensen nu al tien maanden voor me bewaren: een mengeling van medelijden en ongemak. Ze weten niet wat ze moeten zeggen. Ik wist het zelf ook niet. Alleen tegen Suus wist ik precies wat ik moest zeggen. Het probleem was alleen dat zij de enige was die niet kon luisteren.
Hoofdstuk 2
Het zaagsel en de stilte
Mijn werkplaats ligt op een industrieterrein net buiten de stad. Het ruikt er naar vers zaagsel, lijnolie en koude koffie. Het is de enige plek waar mijn hoofd soms even stilstaat. Als een cirkelzaag met vierduizend toeren per minuut draait, moet je je aandacht erbij houden. Eén seconde wegdromen en je bent twee vingers kwijt. Hout eist respect.
Die ochtend werkte ik aan een eikenhouten eettafel voor een jong stel uit Stadshagen. Mooie, brede planken met een rustieke nerf. Ik haalde een plank door de vandiktebank. Het apparaat loeide, spanen vlogen door de afzuigslang. Toen de plank er aan de andere kant glad uitkwam, streek ik met mijn vingertoppen over het oppervlak. Het voelde warm en zacht aan, als satijn.
"Zie je wel," zei ik zachtjes tegen de machine. "Ik zei toch dat dit stuk Frans eiken beter zou uitpakken dan dat inlandse spul."
"Wat zeg je, Dennis?"
Ik schrok op. Mijn collega Bram stond achter me. Hij had een rolmaat in zijn hand en een potlood achter zijn oor. Bram is tweeënzestig, een boom van een vent met handen als kolenschoppen. Hij kent me al sinds ik als broekie van achttien de werkplaats binnenstapte.
"Niks," zei ik snel. Ik veegde wat stof van mijn schort. "Ik dacht gewoon hardop na over de nerven van deze plank."
Bram keek me aan. Zijn grijze wenkbrauwen trokken een millimeter samen. Hij zei niets over mijn gemompel, maar hij legde zijn zware hand op mijn schouder. De druk van zijn hand was bedoeld als steun, maar het voelde als lood.
"Gaat het een beetje vandaag?" vroeg hij. Zijn stem was te zacht voor zijn postuur. Mensen praten altijd zachter tegen je als er iemand dood is, alsof je van glas bent en harde geluiden je kunnen breken.
"Prima," zei ik kortaf. "Lekker bezig. Tafel moet vrijdag af."
"Je hoeft je niet kapot te werken, jongen. Als je een dag rust wil, dan pak je die. De baas snapt dat heus wel."
"Ik wil geen rust, Bram. Thuis zit ik alleen maar op de bank naar de plinten te staren. Laat mij maar zagen."
Bram knikte langzaam. Hij haalde zijn hand van mijn schouder en liep terug naar zijn eigen werkbank. Ik voelde me schuldig over mijn kille toon. Bram bedoelde het goed. Iedereen bedoelde het goed. Dat was misschien wel het ergste: de eindeloze stroom van goede bedoelingen waar je niets mee kon beginnen.
In de pauze aten we onze boterhammen in de kantine. De radio stond zachtjes aan op Sky Radio. Buiten regende het nog steeds. Bram las de Stentor. Ik staarde naar mijn boterham met kaas. Vroeger maakte Suus mijn lunch klaar als ik vroeg weg moest. Ze stopte er altijd een briefje bij in mijn trommel. Soms een flauw grapje, soms alleen een hartje getekend met een blauwe balpen. Ik bewaarde die briefjes in het dashboardkastje van mijn bus. Ze lagen er nog steeds. Een stapeltje van tientallen verfrommelde papiertjes.
"Suus hield niet van dit weer," flapte ik er ineens uit.
Bram liet zijn krant zakken. Hij keek me over zijn leesbril aan.
"Ze zei altijd dat oktober een maand was die ze over mochten slaan," ging ik door. Mijn stem klonk vlak. "Meteen door naar december. De lampjes, de kachel aan. Ze had altijd koude voeten in bed. Dan duwde ze die ijspegels tegen mijn kuiten aan om warm te worden. Werd ik woest van. Maar nu..."
Ik zweeg. De stilte in de kantine werd zwaar. De koelkast sloeg aan met een zacht gebrom.
"Mijn moeder had dat ook altijd," zei Bram voorzichtig. "Die koude voeten. Mijn vader sliep op het laatst met twee paar sokken aan om zichzelf te beschermen."
Het was een aardige poging om een brug te slaan. Een normaal gesprek tussen twee mannen over het leven. Maar het werkte niet. Mijn maag kromp ineen. Ik wilde de herinnering aan haar koude voeten niet delen met Bram. Die herinnering was van mij. Als ik hem hardop uitsprak tegen een ander, leek het alsof hij minder echt werd. Alsof ik haar veranderde in een anekdote.
"Ik ga weer aan de slag," zei ik. Ik propte de rest van mijn brood in mijn mond, gooide het plastic zakje in de prullenbak en liep terug naar de koude werkplaats.
Bij de zaagtafel pakte ik de volgende plank. Ik zette mijn gehoorbeschermers op. In de dempende stilte van die kappen haalde ik diep adem.
"Bram snapt er geen reet van," fluisterde ik in de beslotenheid van mijn eigen hoofd en de zaagkappen. "Jij had echt geen sokken aangehad. Jij had gewoon lopen zeuren om een extra deken."
Het gaf me een klein, bitter gevoel van troost. Zolang ik tegen haar praatte, was ze nog een beetje aanwezig. Zelfs al was het alleen maar in de weerkaatsing van mijn eigen stem tegen het zaagblad.
Hoofdstuk 3
De gangpaden van de supermarkt
Rond half zes reed ik met mijn werkbus naar de Albert Heijn aan de Vechtstraat. Boodschappen doen was vroeger een gezamenlijke ergernis. We gingen op zaterdagochtend, baalden van de drukte, vergaten de helft van de lijst en kwamen thuis met dure kaasjes die we niet nodig hadden. Nu was het een militaire operatie geworden. Snel naar binnen, pakken wat nodig is, afrekenen, wegwezen.
Ik pakte een mandje bij de ingang. Alleen een mandje. Geen kar. Een kar voor één persoon voelde als een vernedering.
Ik liep door het gangpad van de groenten. Twee paprika's. Een netje uien. Ik stond stil bij de panklare maaltijden. Vroeger kookten we uitgebreid. Suus hield van koken. Ze zette muziek op, schonk een glas wijn in en maakte er een bende van in de keuken. Ik deed de afwas, zij maakte het eten. Sinds haar dood at ik voornamelijk diepvriespizza’s of maaltijdsalades die smaakten naar nat karton.
Ik reikte naar een zakje gewokte groenten toen ik haar favoriete kruidenpasta zag staan. Rode curry. Een klein glazen potje met een groen etiket.
"Niet te veel kokosmelk erbij doen deze keer," zei ik half hardop. "Vorige keer werd het weer zo'n waterige soep."
"Pardon?"
Ik draaide me geschrokken om. Naast me stond een vrouw met een winterjas en een klein meisje aan de hand. Ze keek me bevreemd aan. Ze dacht waarschijnlijk dat ik tegen haar sprak.
"Niks," zei ik met een hese stem. "Sorry. Ik zat even in mezelf te praten."
De vrouw glimlachte ongemakkelijk, trok haar dochtertje iets dichter naar zich toe en liep snel door naar de sperziebonen. Mijn wangen gloeiden. Ik voelde me betrapt. Een idioot die in een overvolle supermarkt tegen kruidenpotjes praat.
Ik gooide de currypasta terug in het schap en liep snel naar het volgende gangpad. Mijn hart bonsde in mijn keel. Waarom deed ik dit? Waarom kon ik mijn mond niet gewoon dichthouden? Het leek wel een reflex, een zenuwtik die ik niet meer onder controle had.
Toen zag ik Marja staan bij de pasta's. Marja was een collega van Suus van de basisschool. Ze hadden jarenlang samen in het team gezeten. Ik probeerde nog om te draaien, maar het was te laat. Ze keek op en zag me.
"Dennis!" riep ze.
Haar gezicht betrok meteen in die bekende plooi van professionele droefenis. Ze liet haar pak macaroni zakken en kwam met snelle stappen op me af. Voordat ik iets kon doen, sloeg ze haar armen om me heen. Ze rook naar lavendel en natte wol. Ik verstijfde in haar omhelzing. Mijn armen bleven strak langs mijn lichaam hangen, het plastic mandje bungelend aan mijn vingers.
"Wat fijn om je te zien," zei ze toen ze me losliet. Ze hield haar handen op mijn armen. "Hoe is het met je? Echt?"
Daar was hij. De vraag waar geen goed antwoord op bestaat. Als je zegt dat het slecht gaat, worden mensen zenuwachtig. Als je zegt dat het goed gaat, lijk je een harteloze klootzak.
"Het gaat," zei ik. "Dag voor dag."
"We missen haar nog zo op school," zuchtte Marja. Haar ogen werden vochtig. "De kinderen hebben vorige week nog tekeningen gemaakt voor haar herinneringsboom op het plein. Het is zo oneerlijk, Dennis. Zo'n jonge, vrolijke meid. Waarom zij?"
Ik voelde een plotselinge, hete woede opborrelen in mijn borstkas. Waarom zij? Alsof er een reden voor was. Alsof er ergens een kosmische commissie had vergaderd en had besloten dat Suus aan de beurt was. Het was geen oneerlijkheid. Het was domme, willekeurige pech. Een foutje in een ader.
"Ja," zei ik, terwijl ik mijn kaken op elkaar klemde. "Het is zwaar."
"Als je ooit wil praten, hè?" drong ze aan. "Mijn deur staat altijd open. Echt waar. Kom gerust een kop thee drinken. We moeten haar herinnering levend houden."
"Dank je, Marja. Ik moet nu even door. De winkels gaan zo dicht."
Ik wachtte haar reactie niet af. Ik liep langs haar heen, liet mijn mandje met de paprika's en de uien zomaar achter op een stapel kratten met afwasmiddel, en beende naar de uitgang. Ik negeerde de verbaasde blik van de caissière en liep de koude avondlucht in.
In mijn bus gooide ik de deur met een klap dicht. Ik klemde mijn handen om het stuur tot mijn knokkels wit zagen. Mijn ademhaling ging snel en schokkerig.
"Een herinneringsboom, Suus," zei ik hardop tegen de voorruit. Mijn stem trilde van boosheid. "Ze hebben een verdomde boom voor je geplant. En Marja wilde thee met me drinken. Je weet toch hoe ze zeurt? Je had er zelf altijd een hekel aan als ze weer eens over haar glutenvrije dieet begon."
Ik wachtte even. De ruitenwissers van de auto naast me piepten over het glas. Er kwam geen antwoord. Alleen de doffe tik van de regen op het metalen dak van mijn bus.
"Je had me hier niet mee moeten laten zitten," zei ik zachter. De woede vloeide langzaam weg en maakte plaats voor een diepe, holle uitputting. "Dit is jouw zooitje. Jij had met Marja moeten praten. Niet ik."
Hoofdstuk 4
De kledingkast
Twee weken later ging de deurbel op zaterdagochtend. Het was Linda, de jongere zus van Suus. Ze leek op haar. Dezelfde amandelvormige ogen, dezelfde wipneus. Maar waar Suus altijd chaotisch en zacht was, was Linda efficiënt en doelgericht. Ze stapte de gang binnen met twee grote verhuisdozen onder haar arm.
"Hoi Dennis," zei ze. Ze gaf me een snelle kus op mijn wang. Haar blik schoot meteen langs me heen de woonkamer in. Ze zag de stapel ongeopende post op de salontafel, het stof op de vensterbanken, de halflege fles whisky naast de televisie.
"Wat kom je doen, Lin?" vroeg ik. Ik bleef in de deuropening staan.
"We hadden het er vorige maand toch over gehad?" Ze zette de dozen neer in de gang. "Haar kleren, Dennis. Het is bijna een jaar geleden. We moeten het een keer uitzoeken. Mam redt het niet emotioneel, dus ik dacht: ik kom jou helpen. Dan is het gebeurd."
De lucht leek ineens uit de gang gezogen te worden. Haar kleren. Boven in de slaapkamer hing haar kledingkast nog vol. Haar winterjassen, haar zomerjurken, haar hardloopschoenen. Alles hing precies zoals ze het op die fatale dinsdagochtend had achtergelaten.
"Nee," zei ik. Mijn stem klonk harder dan ik bedoelde. "Niet vandaag."
Linda zuchtte en deed haar jas uit. "Dennis, luister naar me. Dit kan niet zo blijven. Ik sprak Henk van hiernaast vorige week. Hij zei dat hij je 's ochtends hoort praten als je naar je werk gaat. Tegen niemand. Je sluit jezelf op. Je laat alles intact alsof ze elk moment weer binnen kan wandelen. Het is niet gezond."
Ik voelde het bloed naar mijn slapen stijgen. Die bemoeizuchtige buurman. Die hele straat die me in de gaten hield alsof ik een tikkende tijdbom was.
"Wat ik doe in mijn eigen huis, maak ik zelf wel uit," zei ik kortaf. "En ik praat niet tegen niemand. Ik praat gewoon hardop. Mag dat soms ook al niet meer?"
"Niet op deze manier," zei Linda zacht. Ze pakte mijn hand. Haar vingers waren warm. "Dennis, ze is weg. Ze komt niet terug. Het breekt mijn hart ook, echt waar. Maar door haar schoenen in de gang te laten staan en haar lievelingstruien te laten hangen, maak je het jezelf alleen maar moeilijker. We doen het samen. Rustig aan. Een paar mooie dingen bewaren we, de rest geven we weg aan het Leger des Heils."
"Ik geef haar spullen niet aan een stel vreemden!"
Ik trok mijn hand los. Mijn stem sloeg over. Linda schrok van mijn felheid. Ze deed een stapje achteruit en keek me aan met een blik die ik niet kon verdragen: dezelfde blik als Bram, dezelfde blik als Marja. Medelijden met de zielige weduwnaar die de werkelijkheid niet aankan.
"Laat die dozen maar staan," zei ik, terwijl ik probeerde rustig te ademen. "En ga alsjeblieft weg. Ik meen het, Linda. Ga naar huis."
Ze keek me een paar seconden zwijgend aan. Haar ogen vulden zich met tranen, maar ze knipperde ze weg. Ze was altijd al taaier geweest dan Suus.
"Goed," zei ze. Ze pakte haar jas weer van de kapstok. "Ik ga. Maar beloof me dat je erover nadenkt. Je kunt niet eeuwig blijven leven met een spook, Dennis. Dat had Suus ook niet gewild."
Die zin. Die verschrikkelijke, dooddoenende zin. *Dat had Suus ook niet gewild.* Hoe wist zij nou wat Suus had gewild? Suus had helemaal niet gewild dat ze op haar zevenendertigste doodging. Suus had gewild dat we samen oud werden in dit krakkemikkige huisje met een tuin vol onkruid.
Toen Linda de voordeur achter zich dichttrok, bleef ik alleen achter in de gang. De twee platgevouwen verhuisdozen leunden tegen de muur. Twee bruine, kartonnen grafkisten voor haar kleren.
Ik liep de trap op naar boven. Mijn knieën voelden zwaar. In de slaapkamer liep ik naar de grote houten kledingkast die ik vijf jaar geleden zelf voor ons had gemaakt. Ik trok de deuren open. Daar hing alles. Netjes geordend op kleur, want daar was ze dan weer wel neurotisch in geweest.
Ik reikte naar haar dikke, groene wollen trui. Die trui droeg ze altijd op zondagen als we niets hoefden. Ik trok de stof naar mijn gezicht en begroef mijn neus erin.
Er was niets.
Geen geur van haar shampoo. Geen vleugje van haar parfum. Alleen de muffe geur van stilstaande lucht, stof en oud wasmiddel. De geur van haar was weg. Verdampt in tien maanden tijd.
Een golf van pure paniek sloeg over me heen. Ik liet de trui vallen alsof hij me brandde. Ik pakte haar sjaal. Rook eraan. Niks. Haar hardloopjack. Niks.
"Waar ben je?" schreeuwde ik door de lege slaapkamer. Mijn stem kraste in mijn keel. "Waar ben je gebleven, Suus? Waarom ruik ik je niet meer?"
Ik zakte op mijn knieën voor de open kast, met mijn voorhoofd tegen de rand van de houten legplank. De rand sneed pijnlijk in mijn huid, maar ik bewoog niet. Voor het eerst sinds de dag van haar begrafenis huilde ik niet zachtjes in het donker, maar schokte mijn hele lichaam van het snikken. Het was een rauw, lelijk geluid dat door het lege huis galmde. En voor het eerst kwam er geen enkel woord meer uit mijn mond. Er was alleen maar leegte.
Hoofdstuk 5
De nacht aan de IJssel
Die nacht kon ik niet slapen. Het was drie uur toen ik het bed uitstapte. De lakens voelden klam aan en de stilte in huis leek te suizen in mijn oren. Elke schaduw op de muur leek op een verwijt. De verhuisdozen stonden nog steeds beneden in de gang, als twee stomme getuigen van mijn onvermogen om verder te gaan.
Ik trok mijn oude spijkerbroek en een dikke trui aan, pakte mijn autosleutels en liep naar buiten. De nachtlucht was ijskoud en scherp. De straatlantaarns wierpen een oranje gloed over het natte asfalt. Geen mens op straat. Alleen ik en mijn bus.
Ik reed doelloos door de stad. Langs het station, over de ringweg, tot ik bij de dijk langs de IJssel uitkwam, richting Hattem. Ik parkeerde de bus op een verlaten parkeerplaatsje bij de uiterwaarden. De motor sloeg af. Het tikken van het afkoelende metaal was het enige geluid.
Ik stapte uit en liep de dijk op. De wind sneed dwars door mijn kleren heen. Beneden stroomde de rivier, een brede, zwarte massa water die geruisloos door het donkere landschap gleed. In de verte zag je de vage lichtjes van de Hanzeboog, de rode spoorbrug die Zwolle met Gelderland verbindt.
Ik ging op het natte gras van de dijkhelling zitten. Het vocht trok meteen door mijn broek heen, maar het deerde me niet. Ik staarde naar het zwarte water.
"Mooi plekje, hè?" zei ik tegen de duisternis naast me.
Mijn stem klonk dun en verloren in de wind.
"We zouden hier nog gaan picknicken," ging ik door. "Afgelopen zomer. Je had die nieuwe picknickmand gekocht bij de kringloop. Met die rieten riempjes. Hij staat nog steeds in de schuur. Met de bordjes er nog in. Ik heb hem niet aangeraakt."
De wind blies een vlaag koude mist over de rivier. Er bewoog niets.
"Waarom geef je geen antwoord?" vroeg ik. Mijn stem begon te trillen. Niet van de kou, maar van een opwellende wanhoop die ik niet langer kon onderdrukken. "Ik praat nu al tien maanden tegen je. Elke godganse dag. Ik vertel je over mijn werk. Ik vertel je over de buren. Ik vertel je over het weer. En jij zegt nooit wat terug. Helemaal niks!"
Ik stond op. Mijn benen voelden stijf. Ik liep naar de rand van het water, tot mijn schoenen wegzakten in de zompige klei.
"Zeg dan iets!" schreeuwde ik over de rivier. Het geluid werd direct opgeslokt door de wind en het kabbelende water. "Eén woord! Laat me weten dat je ergens bent! Laat me weten dat ik dit niet voor niks doe!"
Niets.
Geen ritselend blad dat een teken kon zijn. Geen vallende ster. Geen plotselinge warmte in mijn borst. Alleen de meedogenloze, ijskoude rivier die gewoon doorging met stromen, volkomen onverschillig voor de timmerman die op haar oever stond te schreeuwen.
Ik viel stil. Mijn adem kwam in witte wolkjes uit mijn mond.
Daar, op die donkere dijk met natte schoenen en bevroren vingers, drong de waarheid met de kracht van een voorhamer tot me door.
Suus hoorde me niet. Ze was niet in de keuken als ik koffie zette. Ze zat niet naast me in de werkbus. Ze liep niet achter me aan door de gangpaden van de supermarkt. Ze was nergens. Ze was dood. Onherroepelijk, definitief dood. Haar lichaam was vergaan onder die zwarte steen en haar bewustzijn was uitgedoofd als een kaars in een storm.
Het praten was geen contact. Het was een schild geweest. Een wanhopige, krampachtige poging om de stilte buiten te sluiten. Want zolang ik praatte, hoefde ik niet te luisteren naar het angstaanjagende feit dat ze er simpelweg niet meer was. Ik had haar stem vervangen door de mijne, omdat de leegte te groot was om te verdragen.
Ik zakte door mijn knieën in het natte gras. Ik sloeg mijn armen om mijn benen en boog mijn hoofd naar beneden. Ik huilde niet meer. De tranen waren op. Er was alleen een diepe, doffe pijn, alsof iemand een rib uit mijn lijf had getrokken en de wond had opengelaten voor de vrieskou.
Ik bleef zitten tot de lucht in het oosten langzaam grijs begon te kleuren. Het zwart van de rivier veranderde in staalblauw. Een eenzame reiger vloog laag over het water, zijn vleugels traag op en neer bewegend.
Ik keek naar de vogel tot hij uit het zicht verdween achter de bomen.
"Je bent er niet meer," zei ik zachtjes.
Het was de eerste keer in tien maanden dat ik die woorden hardop uitsprak. Het klonk niet als een verwijt. Het klonk niet als een vraag. Het was gewoon een vaststelling. Een bittere, onwrikbare waarheid.
Ik stond op, klopte het natte gras van mijn knieën en liep terug naar de bus. De wereld om me heen werd langzaam wakker, maar voor het eerst voelde ik me niet langer afgesloten van die wereld. Ik was leeg, kapot en doodmoe, maar de mist in mijn hoofd was opgetrokken.
Hoofdstuk 6
Het bankje van eikenhout
Maandagochtend liep ik om zeven uur de werkplaats binnen. Bram was er al. Hij stond koffie te zetten bij het oude Senseo-apparaat. Toen hij me zag, keek hij verbaasd op. Ik zag er waarschijnlijk vreselijk uit: donkere kringen onder mijn ogen, ongeschoren, bleek.
"Mogge," zei hij voorzichtig.
"Mogge," zei ik. "Bram, heb jij nog van die dikke balken Frans eiken liggen? Die overgebleven zijn van dat project in Dalfsen?"
Bram fronste zijn wenkbrauwen. "Die liggen achterin onder het zeil. Waarom? Heb je een klus tussendoor?"
"Ik wil iets maken. Voor mezelf. Als het mag van de baas. Ik betaal het hout wel."
Bram keek me even onderzoekend aan. Toen knikte hij. "De baas vindt dat prima. Neem wat je nodig hebt. Koffie?"
"Graag," zei ik. Het was voor het eerst in maanden dat ik 'ja' zei tegen een kop koffie met Bram.
Die middag, nadat we de opdrachten voor de klanten hadden afgerond, bleef ik overuren maken. Ik trok de zware eiken balken onder het zeil vandaan. Het hout was ruw, grijs verweerd aan de buitenkant, maar toen ik er de eerste zaagsnede in zette, kwam de prachtige, warme goudgele kleur van het kernhout tevoorschijn. Het rook naar aarde en tannine.
Ik ging een tuinbank maken. Een stevige, zware bank met brede armleuningen en een licht hellende rugleuning. Suus had altijd geklaagd over de gammele plastic stoeltjes die we in de achtertuin hadden staan. 'Als ik hier een halfuur in zit te lezen, voel ik mijn stuitje niet meer,' had ze altijd gezegd. 'We moeten een keer een fatsoenlijke bank hebben, Dennis. Jij bent toch timmerman?'
Ik had het altijd uitgesteld. Druk met werk, druk met klussen voor anderen, geen zin in het weekend. Nu maakte ik hem alsnog.
Ik werkte geconcentreerd. Ik mat alles twee keer op. Ik zaagde de pen-en-gatverbindingen met de hand, met een vlijmscherpe beitel en een houten hamer. Geen schroeven, geen haastwerk. Ouderwets vakmanschap. Tik, tik, tik. Het geluid van de beitel die door het taaie eikenhout sneed, bracht een vreemd soort rust in mijn lijf.
Af en toe betrapte ik mezelf erop dat ik mijn mond wilde opendoen. Een gewoonte slijt niet in één nacht. Ik wilde zeggen: *Kijk eens hoe strak deze verbinding sluit.*
Maar ik slikte de woorden in. Ik liet ze in mijn hoofd blijven. Ik dwong mezelf om de stilte te verdragen. Het voelde vreemd, bijna pijnlijk, alsof ik een spier gebruikte die maandenlang verlamd was geweest. De stilte was niet langer een vijand die ik moest overschreeuwen. Het was gewoon de ruimte waarin ik werkte.
Om half zeven ging de deur van de werkplaats open. Bram kwam binnen. Hij had zijn overal al uit en droeg zijn gewone kleren.
"Schiet het op?" vroeg hij, terwijl hij zijn handen in zijn zakken stak en naar het onderstel van de bank keek.
"Begint erop te lijken," zei ik. Ik veegde het zaagsel van mijn voorhoofd. "De zitting moet er nog op."
Bram liep om de werkbank heen. Hij streek met zijn eeltige duim over de zwaluwstaartverbinding aan de voorkant. "Netjes gestoken. Goed passend. Dat rot niet snel weg in de regen."
"Dat is de bedoeling," zei ik.
Bram zweeg even. Hij pakte een flesje bier uit de kleine koelkast in de hoek, trok de dop eraf aan de rand van de werkbank en zette het voor me neer. Hij pakte er nog een voor zichzelf.
"Proost," zei hij kort.
"Proost," zei ik.
We dronken in stilte. Geen therapeutische vragen. Geen verhalen over zijn moeder met de koude voeten. Gewoon twee mannen in een werkplaats die naar een half afgemaakt meubelstuk keken en koud bier dronken tussen het zaagsel. Het was precies wat ik nodig had.
"Als je hulp nodig hebt met het verhuizen naar je tuin, geef je maar een gil," zei Bram toen zijn flesje leeg was. "Dat ding weegt straks tachtig kilo. Dat til je niet in je eentje."
"Is goed," zei ik. "Dank je, Bram."
Toen hij weg was, werkte ik nog een uur door. Ik schuurde de hoeken van de armleuningen rond, zodat ze prettig zouden aanvoelen onder een hand. Toen ik om acht uur de lichten in de werkplaats uitdeed, keek ik nog één keer om naar de bank.
Hij was nog niet af. Er moesten nog lagen olie overheen om het hout te beschermen tegen het weer. Maar de basis stond. Stevig, zwaar en verankerd in de vloer. Precies zoals het hoorde te zijn.
Hoofdstuk 7
Koude thee en ochtendlicht
Het is nu april. Zes maanden na die nacht aan de IJssel. Zestien maanden nadat Suus overleed.
De bank staat in mijn achtertuin, precies op de plek waar de ochtendzon het eerst doorkomt, tussen de schutting en de oude sering die nu net haar eerste paarse knoppen laat zien. Het eikenhout is behandeld met drie lagen lijnolie. Het heeft een diepe, matte glans gekregen.
De verhuisdozen van Linda staan niet meer in de gang. Drie weken na die nacht heb ik Linda opgebeld. We hebben op een zaterdagmiddag samen haar kleren uitgezocht. Het was verschrikkelijk. We hebben allebei gejankt tot we hoofdpijn hadden. Maar we hebben het gedaan. Vier vuilniszakken gingen naar het kledingdepot. Twee jurken, haar favoriete vest en een paar foto's bewaar ik in een houten kist onder het bed. De kledingkast is nu halfleeg. Dat doet nog steeds pijn als ik hem opendoe, maar het is een eerlijke pijn. Geen museum meer.
Ik loop op zaterdagochtend met een mok koffie de tuin in. Eén mok. Zwart, in de grote blauwe beker. De gele mok met het barstje in het oortje staat nog steeds in het keukenkastje. Ik gooi hem niet weg. Maar ik schenk er geen koffie meer in voor iemand die er niet is.
Ik ga op de houten bank zitten. Het hout voelt koud aan door mijn spijkerbroek, maar na een paar minuten neemt het mijn lichaamswarmte over. Ik leun achterover. De rugleuning past precies. Geen last van mijn stuitje.
In de tuin van buurman Henk fluit een merel op het dak van het schuurtje. Het beest zet zijn borst op en zingt alsof zijn leven ervan afhangt. De lucht is bleekblauw, typisch voor een vroege lentedag in Nederland. Koud genoeg om je adem nog een beetje te zien, maar met de belofte van warmte later op de middag.
Ik neem een slok koffie en kijk naar de sering.
"Hij loopt uit," zeg ik hardop.
Mijn stem klinkt rustig. Niet gehaast, niet wanhopig. Gewoon een mededeling aan de ochtend.
Ik praat nog steeds tegen haar. Niet meer de hele dag. Niet meer in de supermarkt tegen potjes kruidenpasta. Maar soms, op momenten zoals dit, kan ik het niet laten. Het verschil is dat ik nu weet waarom ik het doe.
Ik praat niet meer tegen haar omdat ik denk dat ze luistert. Ik praat niet meer tegen haar om een spook in leven te houden. Ik praat tegen haar omdat ze twaalf jaar lang het klankbord van mijn ziel is geweest. Als je zo lang met iemand hebt geleefd, zit de manier waarop je naar de wereld kijkt vol met die ander. Ik zie een scheve schutting en ik denk aan haar lach. Ik ruik vers gemaaid gras en ik denk aan haar blote voeten op het gazon. Dat wis je niet uit. Dat hoef je ook niet uit te wissen.
Haar antwoord komt niet. Dat weet ik nu. Er is alleen de merel, het ruisen van de wind door de kale takken en het zachte gekraak van het eikenhout onder mijn gewicht.
Maar als ik mijn ogen dichtdoe en de zon op mijn gezicht voel, weet ik precies wat ze gezegd zou hebben.
*Mooie bank, Dennis. Werd tijd ook.*
Ik glimlach vaag in mezelf. Een klein, scheef lachje dat snel weer verdwijnt. Ik open mijn ogen weer, neem de laatste slok van mijn inmiddels lauwe koffie en zet de beker op de brede houten armleuning.
Ik blijf nog even zitten. Gewoon zitten. In de kou, in de stilte, met de merel boven me. Het leven is niet geweldig. Het is niet zoals het had moeten zijn. Mijn huis is te leeg en het bed is te groot. Maar de zon schijnt op het hout dat ik met mijn eigen handen heb gezaagd.
Ik haal diep adem, sta op van de bank en loop naar binnen om aan mijn dag te beginnen.