Naar de inhoud
Terug naar het boek

Tegenslag en opnieuw beginnen

Ik moest mezelf opnieuw uitvinden

Hoofdstuk 1

De sleutel op het aanrecht

De voordeur viel achter me in het slot met een doffe klik. Dat was het dan. Tien jaar wonen in Dubbeldam, tien jaar bouwen aan een leven, voorbij in een kwartier. Ik legde de bos sleutels op het roestvrijstalen aanrecht. Twee huissleutels, de sleutel van de poort, eentje van de schuur en het kleine zilveren sleuteltje van de brievenbus. Ze glommen in het felle middaglicht.

Ik heet Dennis van Vliet. Ik ben eenenveertig jaar. Drie maanden voor die middag had ik nog een eigen bedrijf: Van Vliet Afbouw en Onderhoud. Ik had vier man op de loonlijst, twee bussen voor de deur en een vrouw die van me hield. Nu stond ik in een lege gang met drie verhuisdozen aan mijn voeten en een vuilniszak vol kleren over mijn schouder.

De deurwaarder had me niet aangekeken toen hij de papieren overhandigde. Hij deed gewoon zijn werk. Het huis was per executie verkocht. Het bracht minder op dan de hypotheek, veel minder. De bank kreeg haar deel, de leveranciers kregen een fractie, en ik bleef achter met een restschuld van bijna een ton. En een schaamte die als lood in mijn maag lag.

Sandra was al weg. Zij woonde sinds twee maanden met onze zoon Liam in een huurappartement in Zwijndrecht. Ze was niet boos weggegaan. Dat was misschien nog wel het ergste. Ze was moe. Maandenlang had ik de gele en rode brieven voor haar verborgen gehouden. Ik schoof ongeopende enveloppen onder de autostoel. Ik zei dat de betalingen van grote klanten onderweg waren. Ik loog terwijl ik haar aankeek bij het avondeten. Toen de eerste beslaglegging op onze privérekening viel en ze bij de kassa van de supermarkt stond met een volle wagen en een geweigerde pinpas, knapte er iets bij haar. Het vertrouwen was weg. En vertrouwen repareer je niet met een lik verf of een nieuwe gipsplaat.

Ik pakte de dozen op en liep naar buiten. Mijn oude Peugeot 206 stond langs de stoep. De lak liet los op het dak en de uitlaat rammelde. De twee mooie werkbussen waren twee weken geleden al weggesleept door de leasemaatschappij. Ik gooide de dozen op de achterbank. De veren van de auto kraakten onder het gewicht.

Ik reed door Dordrecht naar Oud-Krispijn. De flats daar stammen uit de jaren vijftig en zestig. Portieken met vale deuren, namen geschreven op stukjes schilderstape naast de bellen. Mijn nieuwe woning was een studio op de derde verdieping. Zevenendertig vierkante meter. Een kamer met een keukenblok in de hoek en een douchecel waarin je je kont niet kon keren.

Toen ik de trappen opliep met de eerste doos, rook ik spruitjes en oude tabak. Mijn knieën trilden. Niet van het tillen, maar van de spanning die al weken door mijn lijf gierde. Ik opende de deur van nummer 48B. De vloer was kaal beton met lijmresten. Er hing één peertje aan een geel snoer aan het plafond.

Ik zette de doos neer en ging op de grond zitten met mijn rug tegen de muur. De kachel tikte zachtjes. Buiten op straat toeterde een auto. Een jongen schreeuwde iets in een taal die ik niet verstond. Ik trok mijn knieën op en legde mijn voorhoofd op mijn armen. Ik was eenenveertig. Mijn vader had op deze leeftijd zijn hypotheek bijna afgelost en nam ons mee op vakantie naar Frankrijk. Ik zat op een betonnen vloer tussen drie kartonnen dozen, failliet, gescheiden en kapot. Ik dacht altijd dat zoiets alleen andere mensen overkwam. Mensen die gokten, dronken of lui waren. Ik had alleen maar te hard gewerkt, te veel risico genomen en mijn mond gehouden toen het misging. Nu was er niemand meer om tegen te liegen. Ik was helemaal alleen met mezelf, en ik vond mezelf een waardeloze klootzak.

Hoofdstuk 2

De rij bij de kassa

De eerste twee weken in Krispijn kwam ik overdag bijna niet buiten. Ik sliep op een tweedehands matras dat ik via Marktplaats had gekregen van een man die er vanaf moest. Overdag hield ik de vergeelde gordijnen dicht. Ik wilde niet dat iemand me zag. In mijn hoofd kende heel Dordrecht me. Dennis, die gozer van dat klusbedrijf die failliet was gegaan. Dennis die zijn gezin de vernieling in had geholpen.

Als de deurbel ging, hield ik mijn adem in. Ik bewoog niet tot het stil werd in het trappenhuis. Meestal waren het folders of pakketbezorgers voor de buren, maar mijn hart sloeg direct op hol. Angst is een fysiek ding. Het zit in je keel, het maakt je handen klam en je spieren strak.

Boodschappen deed ik pas na acht uur ’s avonds. Dan was het rustig in de buurtsupermarkt op de hoek. Ik had een strak budget: veertig euro voor de hele week. Meer kon niet. Mijn pinpas werkte alleen als het weekgeld van de voorlopige bewindvoerder erop was gestort.

Ik liep door de gangpaden met een plastic mandje. Een brood van de vorige dag met zo'n oranje kortingssticker: negentig cent. Een pot goedkope pindakaas: een euro en tien cent. Twee blikken tomatensoep, een zak uien, een zak rijst en de allergoedkoopste eieren. Bij elk product keek ik eerst naar het prijskaartje, nooit naar het merk. Ik rekende mee op mijn telefoon. Zeven euro en veertig cent. Acht euro en tien cent. Als ik over de veertig euro ging, liep ik het risico dat de kassa rood zou knipperen. Dat wilde ik nooit meer meemaken. Die blik van een kassière, de zucht van de mensen achter je in de rij.

Op een dinsdagavond liep ik naar het zuivelvak. Ik pakte een pak melk en draaide me om. Vlak voor me stond Ronald. Ronald was onderaannemer geweest op twee van mijn projecten. Hij was een goede timmerman, een gezellige vent met wie ik vroeger vaak een biertje dronk na het werk. Ik was hem nog vierduizend euro schuldig. Geld dat hij door mijn faillissement nooit meer zou zien.

Mijn bloed leek in één klap naar mijn voeten te zakken. Mijn eerste reflex was omkeren, doen alsof ik iets vergeten was bij de diepvries. Maar het was al te laat. Hij keek me recht aan.

'Dennis?' zei hij. Zijn stem klonk verbaasd, daarna strakker.

Ik klemde mijn vingers om het koude melkpak. Mijn keel zat dicht. 'Hé Ronald.'

Hij bekeek me van top tot teen. Ik droeg een oude joggingbroek en een vaal jack. Mijn haar was te lang en ik had me in vier dagen niet geschoren. Ik zag eruit als een zwerver.

'Dus je bent nog in de stad,' zei Ronald. Hij kwam een stap dichterbij. Zijn handen zaten in de zakken van zijn werkjas. 'Ik heb je tien keer gebeld, Dennis. Tien keer. Je voicemail reageert niet. Je mail bouncet terug.'

'Mijn telefoon is afgesloten geweest,' loog ik half. Het was deels waar, maar ik had hem vooral ontweken.

'Je hebt me mooi laten zitten,' zei Ronald zacht. Hij schreeuwde niet, en dat maakte het juist erger. 'Vier mille. Ik moest mijn eigen vakantie met de kinderen schrappen omdat jij je zaakjes niet op orde had. En jij loopt hier gewoon rond alsof er niks aan de hand is.'

'Er is wel wat aan de hand,' bracht ik uit. Mijn stem klonk hees. 'Ik ben alles kwijt, Ronald. Het huis, de zaak, Sandra. Alles.'

Hij snoof. 'Denk je dat me dat wat kan schelen? Ik wilde gewoon mijn geld. Mijn eerlijke werk.' Hij keek in mijn mandje. Het oude brood, de goedkope soep. Er verscheen een trek van minachting rond zijn mond. 'Succes ermee, Dennis. Bel me maar als je weer een vent bent geworden.'

Hij draaide zich om en liep weg. Hij liet me staan tussen de yoghurts en de toetjes. Ik trilde over mijn hele lichaam. De melk gleed bijna uit mijn hand. Ik zette het pak terug in het schap, liet mijn mandje staan op de grond en liep met snelle passen de winkel uit. Buiten begon het te regenen. De koude druppels sloegen in mijn gezicht, maar vanbinnen stond ik in brand. Ik had Ronald recht in zijn gezicht moeten vertellen dat het me speet. Ik had moeten zeggen dat ik nachten wakker lag van die vierduizend euro. In plaats daarvan had ik geklaagd over mezelf. Ik walgde van de man die ik was geworden.

Hoofdstuk 3

De map met de rode tabbladen

Op woensdagochtend om negen uur zat ik in het stadskantoor aan de Spuiboulevard. Het gebouw rook naar natte jassen, linoleum en goedkope koffie. Ik zat in wachtruimte B op een harde plastic stoel. Naast me zat een jonge vrouw met een kinderwagen waarin een baby huilde. Aan de overkant staarde een oudere man wezenloos voor zich uit, zijn handen rustend op een versleten aktetas.

Op mijn schoot lag mijn hele verleden, samengeperst in een dikke zwarte ordner. Ik had er rode plastic tabbladen in gedaan om het overzichtelijk te houden: Belastingdienst, Leveranciers, Bank, Persoonlijke schulden, Uitkering. Het voelde als een anatomisch rapport van een lijk.

'Meneer Van Vliet?'

Een vrouw van een jaar of vijftig stond in de deuropening van spreekkamer 4. Ze droeg een simpele blauwe trui en een leesbril aan een koordje om haar nek. Ze stelde zich voor als Marjan van der Meer, consulent schuldhulpverlening.

Haar kamer was klein en functioneel. Twee stoelen, een bureau, een computerscherm en een doos tissues die pontificaal tussen ons in stond. Ik nam me direct voor die doos niet aan te raken.

'Gaat u zitten, meneer Van Vliet,' zei ze vriendelijk. Ze pakte een pen. 'U heeft een flink dossier meegenomen.'

Ik schoof de ordner over het formica blad naar haar toe. 'Dit is alles,' zei ik. 'Geen geheimen meer. Ik heb geprobeerd het zo netjes mogelijk te ordenen.'

Marjan sloeg de map open. Ze bladerde rustig. Ze keek niet geschokt bij de aanslagen van de Belastingdienst. Ze zuchtte niet bij de sommaties van de groothandel in bouwmaterialen. Voor mij waren die getallen nachtmerries waarin ik verdronk; voor haar waren het gewoon rijen cijfers die in een computersysteem moesten worden ingevoerd.

'De wettelijke schuldsanering, de Wsnp, is een zwaar traject, meneer Van Vliet,' begon ze terwijl ze naar het scherm keek. 'Het duurt drie jaar. Drie jaar lang leeft u op het absolute bestaansminimum. Alles wat u meer verdient dan dat minimum, gaat naar de boedel voor uw schuldeisers. U mag geen nieuwe schulden maken, geen euro. U moet aan alle verplichtingen voldoen. En u heeft een sollicitatieplicht van minimaal zesendertig uur per week.'

'Ik wil werken,' zei ik meteen. 'Ik wil niet thuiszitten.'

'Dat is goed,' zei ze. Ze keek me over haar bril aan. Haar ogen waren scherp maar niet hard. 'Maar als aannemer kunt u voorlopig niet aan de slag. Geen eigen bedrijf, geen zelfstandige klussen. Zelfs een buurman helpen tegen betaling mag niet zonder dat u dat meldt. Als u zwart bijklust en we komen erachter, ligt u direct uit het traject. Dan bent u weer vogelvrij voor alle schuldeisers.'

'Ik snap het.'

'Weet u zeker dat u het snapt?' Ze legde haar handen op de map. 'Veel voormalige ondernemers vinden het verlies van regie het allermoeilijkst. U bent gewend zelf te bepalen wat u doet, wat u uitgeeft, hoe u uw tijd indeelt. Dat is nu voorbij. Mijn collega van de bewindvoering beheert straks uw inkomsten. U krijgt leefgeld. Zeventig euro per week. Daar moet u alles van eten, drinken en wassen.'

Zeventig euro. Vroeger gaf ik dat uit aan een etentje met Sandra op zaterdagavond, zonder erbij na te denken.

'Het is dat, of de rest van mijn leven vluchten,' zei ik.

Marjan knikte langzaam. 'Dat is een reële constatering. U heeft de juiste keuze gemaakt om hierheen te komen. Veel mensen wachten te lang. Schaamte houdt mensen tegen tot er letterlijk beslag wordt gelegd op hun kleren.'

'Ik schaam me ook,' zei ik. De woorden kwamen eruit voor ik ze tegen kon houden. Mijn keel kneep weer dicht.

Marjan schoof de ordner een stukje opzij. 'Meneer Van Vliet, schaamte lost geen cent schuld op. Het maakt u alleen maar langzamer. U heeft fouten gemaakt, dat is duidelijk. Verkeerde inschattingen, te lang doorgemodderd. Maar u bent hier. U zit op deze stoel. Dat betekent dat u bent gestopt met weglopen. Dat is het begin.'

Ze printte een stapel formulieren uit. Dertien handtekeningen moest ik zetten. Bij elk kruisje voelde het alsof ik een stukje van mijn oude ik afknipte en weggooide. Mijn onafhankelijkheid, mijn trots, mijn illusie van controle. Toen ik klaar was, legde ik de pen neer. Mijn vingers waren krampachtig wit. Maar toen ik opstond en het gebouw verliet, voelde de lucht buiten anders aan. Kouder, scherper. De berg schulden was niet kleiner geworden, maar hij lag niet meer alleen op mijn schouders. Het stond zwart op wit op papier. De leugens waren op.

Hoofdstuk 4

Nachtdienst in Moerdijk

Het uitzendbureau stuurde me naar het industrieterrein in Moerdijk. Een enorm distributiecentrum voor plastic buizen, fittingen en rioleringsmateriaal. Werk waarvoor je geen diploma nodig had, alleen een paar veiligheidsschoenen met stalen neuzen en een geldige identiteitskaart. Drie ploegen. De nachtdienst betaalde het best door de toeslagen. Dat geld ging direct naar de boedelrekening, maar het zorgde ervoor dat ik aan mijn verplichtingen voldeed.

Om half elf ’s avonds meldde ik me bij de portier. Ik kreeg een geel hesje en een pasje voor de draaipoort. De hal was gigantisch, koud en rook naar smeerolie en versgespoten pvc. Het geluid van ronkende vorkheftrucks en piepende waarschuwingssignalen kaatste tegen de hoge stalen wanden.

'Van Vliet?'

Een jongen met een klembord liep op me af. Hij kon niet ouder zijn dan vierentwintig. Achterovergekamd haar, een snorretje dat net begon te groeien en een blik die gewend was dat mensen deden wat hij zei. Zijn naamkaartje zei Kevin, shiftleader.

'Ja, Dennis,' zei ik.

'Mooi. Loop mee. Jij staat op lijn vier. Orders picken voor de waterbouw. Zware koppelstukken. Handmatig stapelen op pallets, insealen met folie, label erop, volgende. Niet lullen, doorwerken. We hebben een norm van zestig pallets per ploeg.'

Ik knikte. Twaalf jaar lang was ik degene geweest die jongens zoals Kevin vertelde wat ze moesten doen. Ik had op de bouwplaats gelopen met tekeningen onder mijn arm, afspraken gemaakt met architecten, de planning bepaald. Nu stond ik met een veiligheidsbril op mijn neus te luisteren naar een ventje dat mijn zoon had kunnen zijn.

Mijn werkplek was een houten tafel aan het einde van een rollenbaan. Naast me stond Mo, een stille jongen van een jaar of dertig met een koptelefoon om zijn nek. Hij knikte kort toen ik ging staan en wees naar de dozen die al kwamen aanrollen.

De eerste twee uur gingen redelijk. De koppelstukken wogen tussen de vijf en vijftien kilo per stuk. Tillen, draaien, neerleggen op de pallet. Laag voor laag. Het was lomp, mechanisch werk. Maar rond drie uur ’s nachts begon mijn lichaam te protesteren. Mijn onderrug, die ik in de bouw al vaker had gevoeld, begon venijnig te steken. Mijn handpalmen schuurden open in de goedkope werkhandschoenen. Zweet prikte in mijn ogen onder de felle tl-balken.

'Tempo een beetje omhoog, Dennis!' riep Kevin toen hij langsliep met zijn klembord. 'Lijn vier loopt achter op schema.'

Er borrelde iets warms en giftigs op in mijn borst. Woede. De neiging om die handschoenen uit te trekken, ze voor zijn voeten te smijten en te zeggen: bekijk het maar met je rotplastic, weet je wel wie ik ben?

Maar ik deed het niet. Ik slikte het door. Het smaakte bitter. Ik wist precies wie ik was. Ik was een man met honderdvijftigduizend euro schuld die leefde van zeventig euro per week. Ik kon nergens heen. Als ik hier wegliep, meldde het uitzendbureau me af. Dan meldde de bewindvoerder me af. Dan stortte de hele kaartenbak in elkaar.

Ik pakte het volgende koppelstuk van gietijzer. Twaalf kilo. Ik tilde het op met mijn benen in plaats van mijn rug, zoals ik ooit had geleerd. Ik zette het op de hoek van de pallet.

Om vier uur was er twintig minuten pauze in een TL-verlichte kantine met een automaat die bruin water gaf dat naar oploskoffie smaakte. Iedereen zat op zijn telefoon. Niemand praatte met elkaar. Mo at een boterham met kipfilet uit aluminiumfolie. Ik dronk het hete water uit het plastic bekertje en keek naar mijn handen. De eeltknobbels van het timmerwerk zaten er nog, maar mijn nagels waren zwart van het industriële stof.

'Zwaar hè, de eerste nacht,' zei Mo opeens. Hij keek niet op van zijn telefoon.

'Het gaat,' zei ik.

'Niet liegen tegen jezelf,' zei hij rustig. 'De eerste maand wil je dood. Daarna voel je je rug niet meer. Gewoon je verstand uitzetten. Als je gaat nadenken, red je de ochtend niet.'

Ik knikte. Hij had gelijk. Nadenken was mijn grootste vijand. Als ik ging nadenken, zag ik Sandra weer voor me, huilend aan de keukentafel. Dan zag ik Liam die vroeg waarom we zijn lego niet konden meenemen naar het nieuwe huis. Dan zag ik de lege blik van Ronald in de supermarkt.

Toen om zes uur de sirene ging voor het einde van de shift, voelden mijn benen als natte zandzakken. Ik leverde mijn pasje in en liep naar buiten. De ochtendlucht boven Moerdijk was ijskoud en rook naar zout water en uitlaatgassen. De zon kwam net op als een fletse oranje streep boven de raffinaderijen in de verte. Ik stapte in mijn oude Peugeot, startte de motor met een dot gas en zette de verwarming vol aan. Ik was kapot. Maar terwijl ik over de brug bij de Moerdijk reed, besefte ik één ding: ik had acht uur gewerkt. Eerlijk gewerkt. Ik had zestig pallets gestapeld. Het was geen afbouwbedrijf, maar het was een begin.

Hoofdstuk 5

De pomp aan de N3

Na drie maanden nachtdienst was mijn lichaam gewend aan het ritme van een machine. Slapen van acht uur ’s ochtends tot twee uur ’s middags. De gordijnen met ducttape vastgeplakt tegen de kieren zodat er geen straaltje zonlicht doorkwam. Om drie uur uit bed, een bord havermout met water, een rondje hardlopen over de singels van Dordrecht om mijn stijve rug los te gooien, en om tien uur ’s avonds weer naar de polder.

Ik begon er anders uit te zien. Mijn buikje, dat ik in de jaren als aannemer had opgebouwd door snelle broodjes gehaktbal langs de snelweg, was verdwenen. Mijn kaaklijn was weer zichtbaar. Mijn handen waren ruw en vol kleine littekens van de scherpe randen van het pvc. Ik sprak weinig mensen, behalve Mo in de pauzes en Marjan tijdens het maandelijkse telefoontje over de cijfers.

Op een vrijdagochtend in mei stopte ik na de nachtdienst bij het tankstation aan de N3 bij Dordrecht om twee liter ruitensproeiervloeistof te halen. Mijn ruit was smerig van het polderstof en de sproeier deed het al dagen niet meer.

Terwijl ik naar de kassa liep met de blauwe jerrycan, hoorde ik een stem achter me.

'Dennis? Dennis van Vliet?'

Ik verstijfde. Die stem kende ik uit een vorig leven. Ik draaide me om. Het was Peter Berkhout. Peter was directeur van een middelgroot installatiebedrijf. Vijf jaar lang hadden we samengewerkt. Hij leverde de warmtepompen en de ketels, ik deed de verbouwingen. We hadden samen geluncht in goede restaurants, zaken gedaan op basis van een handdruk. Hij zag er onberispelijk uit: een donkerblauw colbert, gladgeschoren, de sleutels van een dikke Volvo SUV achteloos in zijn hand.

'Peter,' zei ik. Mijn hart sloeg twee slagen over, maar de paniek van de supermarkt bleef weg. Ik was te moe voor paniek.

'Verdomme man, wat zie jij eruit!' zei hij joviaal. Hij stapte op me af en schudde stevig mijn hand. Hij voelde het eelt en de ruwheid, dat zag ik aan zijn blik. 'Ik heb je al een jaar niet gezien. Waar hang je uit? Ik hoorde via via dat je gestopt was met de zaak. Iemand zei me dat je in Brabant in het vastgoed was gegaan?'

Daar was de afslag. De vertrouwde, makkelijke afslag. Ik kon hem vertellen dat ik een sabbatical had. Dat ik aan het heroriënteren was. Dat ik advieswerk deed voor projectontwikkelaars. Hij zou het geloven. Een vriendelijke leugen om mijn gezicht te redden voor een man die ik vroeger als gelijke zag.

Ik keek naar zijn glimmende schoenen, toen naar mijn eigen werkschoenen met de afgesleten neuzen. Ik rook naar plastic stof en koude zweet.

'Nee Peter,' zei ik. Mijn stem was rustig en helder. 'Ik zit niet in het vastgoed. Ik ben failliet gegaan.'

Peter knipperde met zijn ogen. De glimlach op zijn gezicht bevroor even. 'Oh. Dat... meen je niet. Klote man.'

'Een combinatie van verkeerde projecten, klanten die niet betaalden en mijn eigen stomme keuzes,' ging ik door. Het voelde vreemd om de woorden hardop uit te spreken, alsof ik een zware jas uittrok. 'Ik ben alles kwijtgeraakt. Mijn huis, mijn zaak. Ik zit nu in de Wsnp.'

Het woord viel tussen ons neer als een baksteen. Wsnp. De meeste mensen in het zakenleven praten erover alsof het een besmettelijke ziekte is.

Peter keek ongemakkelijk om zich heen, naar de rijen snoep en de man achter de kassa. 'Jeetje Dennis. Dat wist ik niet. Wat... wat doe je nu dan?'

'Ik werk in Moerdijk,' zei ik. 'Nachtdienst. Kunststof koppelingen stapelen in een distributiecentrum.'

Hij wist niet waar hij moest kijken. Ik zag het medelijden in zijn ogen, maar daaronder zag ik iets anders: respect, of misschien verbazing dat ik het gewoon zei. Geen smoesjes, geen ingewikkeld verhaal over hoe oneerlijk de wereld was.

'Dat is... pittig,' zei Peter zacht. De joviale toon was helemaal verdwenen. Hij klonk ineens gewoon als een man van vijftig die besefte hoe dun het ijs eigenlijk was waar we allemaal op schaatsten.

'Het is zwaar werk,' zei ik. 'Maar het betaalt de rekeningen. En ik hoef niet meer te liegen als de telefoon gaat.'

Peter zweeg een paar seconden. Hij stak zijn hand weer uit. Dit keer kneep hij harder. 'Je bent een goeie gozer, Dennis. Dat ben je altijd geweest. Je kon fantastisch tegelen en timmeren. Vergeet dat niet.'

'Dank je, Peter.'

'Als je straks klaar bent met die ellende... bel me dan. Ik meen het. Goeie vakmensen zijn zeldzaam. Zelfs als je een deuk hebt opgelopen.'

'Is goed,' zei ik, al wist ik niet of ik dat ooit zou doen. Maar het maakte niet uit. We rekenden allebei af en liepen naar buiten. Hij stapte in zijn Volvo van tachtigduizend euro, ik in mijn oude Peugeot met de kapotte ruitensproeier. Terwijl ik wegreed, voelde ik geen schaamte meer. Geen millimeter. Ik had de waarheid gezegd tegen iemand uit mijn oude wereld, en de grond was niet onder mijn voeten weggespakt. Ik leefde nog. Ik ademde nog.

Hoofdstuk 6

Zaterdag met Liam

Het bezoekrecht was in het begin een ramp. De eerste maanden mocht ik Liam alleen om de week op zaterdagmiddag zien, op neutraal terrein. Sandra wilde hem niet in mijn studio hebben. Ze vond Oud-Krispijn geen veilige plek voor een jongen van acht, en ergens gaf ik haar geen ongelijk. De muren waren dun, de buren schreeuwden regelmatig en het rook er naar wiet in de gang.

Maar in juni, toen het weer opknapte en ik bewezen had dat ik stabiel was, mocht hij een heel weekend komen. Sandra zette hem af bij de grote fontein in het Weizigtpark. Ze bleef in de auto zitten met draaiende motor. Liam stapte uit met een kleine rugzak met een print van Pokémon. Hij zag er groter uit dan twee weken geleden. Hij had zijn moeders lichte ogen en mijn rechte neus.

'Hé vriend,' zei ik, en ik zakte door mijn knieën.

Hij rende het laatste stukje en vloog me om de hals. De geur van zijn shampoo, die vertrouwde kindersoap, sloeg in mijn geheugen als een stomp. Ik hield hem een paar tellen stevig vast. Zijn armpjes knepen in mijn nek.

'Papa, je prikt,' zei hij toen hij losliet. Hij wees naar mijn stoppels.

'Dat hoort bij harde werkers,' zei ik met een glimlach. 'Kom, we gaan lopen.'

Ik had vijfentwintig euro apart gezet van mijn leefgeld. Dat was het budget voor twee dagen. Geen bioscoop, geen McDonald's, geen binnenspeeltuin met dure entreekaartjes. Vroeger kocht ik zijn genegenheid een beetje met speelgoed en uitjes. Als ik me schuldig voelde omdat ik weer tot acht uur 's avonds op de bouw had gestaan, nam ik een doos Lego voor hem mee. Nu kon dat niet meer. Nu had ik alleen mezelf.

We liepen naar mijn flat. Hij liep stilletjes de trappen op, zijn hand stevig in de mijne. Toen ik de deur opendeed, keek hij rond. De kamer was netjes opgeruimd. Mijn matras lag tegen de ene muur, en daarnaast had ik een opblaasbed neergelegd dat ik voor zeven euro bij de kringloop had gescoord, met een fris dekbedovertrek van Donald Duck.

'Het is wel klein, papa,' zei hij eerlijk.

'Klopt,' zei ik. 'Maar we hoeven hier alleen maar te slapen. Wat dacht je ervan als we naar de Biesbosch gaan? We pakken de fiets.'

Ik had op Marktplaats een oude herenfiets met een kinderzitje achterop geregeld voor een tientje. Hij paste er nog maar net in, zijn benen hingen langszij, maar hij vond het geweldig. We fietsten over de dijk naar de Nieuwe Dordtse Biesbosch. De wind blies door zijn blonde haren. Hij zong een liedje dat hij op school had geleerd.

We brachten de hele middag door langs het water. We zochten platte stenen en ik leerde hem hoe je ze over het wateroppervlak liet ketsen. Eén stuitje, twee stuitjes, drie. Liam juichte toen zijn steen vier keer sprong voor hij zonk.

'Kijk papa! Vier keer!'

'Klasse, man. Je gooit met je pols, dat is het geheim.'

We vonden een dode boomstam die half in het water lag. We deden alsof het een piratenschip was. We aten boterhammen met pindakaas die een beetje platgedrukt waren in mijn rugzak, en we dronken limonade uit een oude bidon. Liam klaagde geen één keer over zijn Nintendo Switch of over een ijsje dat we niet kochten.

Toen we op de oever zaten en keken naar een meerkoet die haar jongen voerde, leunde hij tegen mijn arm. Zijn kleine hand pakte mijn vingers beet. Hij voelde aan de eeltknobbels.

'Mama zei dat je ander werk doet nu,' zei hij zachtjes.

'Ja,' zei ik. 'Dat klopt.'

'Vind je het leuk werk?'

Ik dacht even na. Ik wilde niet liegen, maar ik wilde hem ook geen zorgen geven. 'Het is zwaar werk, Liam. Maar het is goed werk. Papa ruimt de troep op die hij vroeger heeft gemaakt. Snap je dat een beetje?'

Hij knikte gewichtig, hoewel hij het waarschijnlijk maar half begreep. 'Mama huilt niet meer zoveel,' zei hij toen.

Die zin kwam harder aan dan alles wat Ronald of de deurwaarder ooit tegen me hadden gezegd. Ik slikte de brok in mijn keel weg en legde mijn kin op zijn kruin. 'Dat is fijn, lieverd. Dat is heel fijn.'

'En jij bent niet meer zo vaak boos,' ging hij verder. 'Vroeger keek je altijd naar je telefoon met een boos gezicht. Nu kijk je naar mij.'

Ik sloot mijn ogen. De zon brandde warm op mijn wangen. Het geld was weg. De status was weg. Mijn mooie huis met de eikenhouten vloer en de strakke tuin was weg. Maar mijn zoon zat tegen me aan en zei dat ik naar hem keek. Op die zanderige oever van de Biesbosch, met vijftien euro in mijn zak en een kapotte rug, voelde ik voor het eerst sinds twee jaar weer iets dat leek op geluk. Het was kaal, simpel en breekbaar, maar het was echt.

Hoofdstuk 7

Scharnieren en een nieuwe dag

Het is nu tweeënhalf jaar later. Het einde van het Wsnp-traject is in zicht. Over vijf maanden heb ik mijn schone lei, zoals dat officieel heet. De restschuld wordt dan wettelijk kwijtgescholden. Ik ben dan vrij. Niet rijk, maar vrij. Geen brieven meer, geen bewindvoerder die mijn afschriften controleert, geen schaduw die over elke euro hangt.

Ik woon nog steeds in Krispijn. De flat is inmiddels anders. Ik heb via de kringloop een nette houten tafel op de kop getikt en die helemaal kaalgeschuurd en in de olie gezet. Er hangen tekeningen van Liam aan de muur. Mijn gereedschapskist staat in de gangkast. Die kist mocht ik houden van de bewindvoerder; gereedschap dat nodig is voor het levensonderhoud mag niet zomaar worden verkocht. Het zijn oude spullen: een decoupeerzaag van vijftien jaar oud, een accuschroefmachine waarvan de batterij na twintig minuten leeg is, en een setje goede Japanse houtbeitels die ik met olie heb onderhouden alsof het juwelen zijn.

Gisteren klopte mevrouw De Wit aan. Ze woont twee deuren verderop op nummer 44. Ze is eenenzeventig, weduwe, en loopt moeilijk met een rollator.

'Dennis,' zei ze verlegen toen ik opendeed. 'Mijn keukendeurtje hangt scheef. Het scharnier zit los in het spaanplaat. De woningbouw zegt dat het zes weken duurt voor er een opzichter komt. Zou jij... als je tijd hebt?'

'Ik loop even mee, buurvrouw,' zei ik.

Ik pakte mijn kist uit de kast. Het handvat lag vertrouwd in mijn handpalm. Binnen twee minuten stond ik in haar krappe keukentje, dat rook naar pepermunt en koffie.

Het probleem was simpel. De schroeven waren uit het zachte spaanplaat getrokken doordat het deurtje te ver was opengezwaaid. Een klassieker. Vroeger zou ik zo'n kastje in vijf minuten hebben vervangen door een compleet nieuw maatelement. Nu pakte ik twee houten deuveltjes uit mijn kist, boorde de gaten netjes uit, deed er een drupje houtlijm in en sloeg de deuvels erin met mijn bankhamer. Even laten drogen, vlak afsteken met een beitel, opnieuw voorboren en de schroeven er weer recht in draaien.

Ik stelde het scharnier af met de stelschroef tot de naad tussen de deurtjes precies drie millimeter was. Overal even wijd. Ik deed het deurtje open en dicht. Het sloot met een zachte, perfecte klik.

'Zo,' zei ik, en ik veegde het zaagsel van het aanrecht. 'Die gaat voorlopig nergens meer heen.'

Mevrouw De Wit keek ernaar alsof ik water in wijn had veranderd. Ze pakte haar portemonnee uit haar schort. 'Wat ben ik je schuldig, jongen?'

Ik legde mijn hand op haar arm. 'Helemaal niks, mevrouw De Wit. Ik mag geen geld aannemen voor klusjes, en voor een buurvrouw doe ik dit voor niks.'

Ze keek me streng aan. 'Geen sprake van. Jij gaat niet weg zonder koffie en een stuk koek.'

Ik ging zitten aan haar tafeltje met het gehaakte kleedje. We dronken filterkoffie uit bloemetjeskopjes. Ze vertelde over haar man die vroeger bij de scheepswerf werkte, en over hoe de buurt veranderd was. Ik luisterde gewoon. Ik had geen haast meer. Vroeger rende ik altijd van afspraak naar afspraak, altijd bezig met de volgende factuur, de volgende klant, de volgende stap op de ladder.

Toen ik terugliep naar mijn eigen flat, waste ik mijn handen bij het aanrecht. De geur van houtlijm en vers gezaagd hout hing nog aan mijn vingers. Het was de geur van wie ik ooit was, maar zonder de ballast van de ambitie die me had verstikt.

Volgende week heb ik een gesprek bij het installatiebedrijf van Peter. Niet als onderaannemer, niet als baas. Ze zoeken een allround onderhoudsman voor de servicebus. Vaste uren, een vast salaris, een pensioenopbouw. Ik ga het doen als hij me aanneemt. Zonder schaamte. Zonder kapsones.

Ik keek in de spiegel boven het fonteintje. Mijn haar is grijs aan de slapen. Er staan diepe groeven naast mijn neus die er vijf jaar geleden nog niet zaten. Ik ben niet meer de succesvolle Dennis die iedereen trakteerde in de kroeg. Ik ben een man die weet hoe diep de put is als je erin valt, en hoe verdomd langzaam je eruit moet klauteren, centimeter voor centimeter, met bebloede vingers.

Ik ben opnieuw begonnen. Niet omdat ik het wilde, maar omdat ik moest. En misschien, heel misschien, was dat het beste wat me ooit had kunnen overkomen.