Naar de inhoud
Terug naar het boek

Psychische gezondheid

Ik mag er zijn

Dit boek gaat over psychische klachten. Zoek hulp als het onderwerp je raakt.

Hoofdstuk 1

Ik mag er zijn — De slagboom

De slagboom van parkeergarage Kruisstraat ging niet omhoog. Achter me begon iemand te toeteren. Ik hield mijn pas voor de lezer. Nog een keer. Mijn hand trilde zo hard dat ik het kastje raakte.

‘Kom op,’ zei ik.

Het apparaat piepte. Rood licht.

Ik heet Noor van Dijk. Ik was vierendertig en werkte op de planning van een thuiszorgorganisatie in Utrecht. Op mijn scherm kon ik veertig routes tegelijk overzien. Ik wist welke verpleegkundige geen nachtdiensten draaide en welke cliënt alleen opendeed als je twee keer belde. Maar die ochtend wist ik niet meer hoe ik een parkeergarage uit moest komen.

Mijn hart sloeg tegen mijn ribben. Ik kreeg geen lucht. De bestuurder achter me stapte uit. In mijn spiegel zag ik een man in een bruine jas dichterbij komen.

Ik deed de deur op een kier.

‘Er zit iemand achter me aan,’ zei ik.

Hij keek naar de rij auto’s.

‘Ja. Ik. Je moet je kaartje betalen.’

Pas toen zag ik wat ik vasthield. Mijn toegangspas van kantoor.

Ik wilde lachen. Dat lukte niet. Mijn vingers werden koud. Er trok een tinteling langs mijn mond. Ik wist zeker dat ik zou neervallen.

De man boog door zijn knieën.

‘Zal ik iemand bellen?’

‘Mijn zus. Evi.’

Ik gaf hem mijn telefoon. Het ontgrendelen kostte drie pogingen.

Twintig minuten later zat ik op een lage betonnen rand buiten de garage. Evi hurkte voor me. Haar fietssleutel hing nog om haar vinger.

‘Heb je pijn op je borst?’

Ik knikte.

Ze belde de huisarts. De assistente stelde vragen. Of ik kon praten. Of de pijn uitstraalde. Of dit eerder was gebeurd. Daarna moest ik direct komen. Evi reed mijn auto. Ik hield het handvat boven het portier vast.

Bij huisarts Van Loon schaamde ik me vooral voor mijn sokken. Twee verschillende. Een zwarte en een donkerblauwe met een gat bij mijn grote teen. Hij luisterde naar mijn hart en stelde vragen. Ik antwoordde alsof ik een formulier invulde.

Slapen? Redelijk.

Eten? Gewoon.

Druk op het werk? Zoals bij iedereen.

Evi zat naast me. Ze zei niets tot hij vroeg hoe lang ik al zo gespannen was.

‘Ze belt mij iedere nacht,’ zei ze.

Ik draaide mijn hoofd naar haar toe.

‘Dat is niet waar.’

‘Vier nachten deze week, Noor.’

Van Loon legde zijn pen neer.

‘Wat gebeurt er dan?’

Ik keek naar een foto van een zeilboot aan de muur. Het bootje hing scheef. Ik wilde opstaan om de lijst recht te zetten.

‘Ik denk dat ik fouten heb gemaakt,’ zei ik. ‘Dat er iemand zonder zorg zit. Ik controleer de planning.’

‘Ook thuis?’

‘Op mijn telefoon.’

‘Hoe vaak?’

‘Een paar keer.’

Evi bewoog naast me.

‘Heel vaak,’ zei ik snel.

Er volgden meer vragen. Over de weken ervoor. Over koffie, over huilen, over die ochtend. Uiteindelijk zei hij dat het op een paniekaanval leek. Dat we mijn lichamelijke klachten serieus moesten blijven nemen. En dat hij zich zorgen maakte over mijn slaap en uitputting.

Hij wilde me twee dagen later terugzien.

Buiten belde mijn leidinggevende, Saskia. Ik zag haar naam en drukte meteen op opnemen.

‘Waar blijf je? We missen twee mensen in Overvecht.’

‘Ik ben bij de huisarts geweest.’

‘O. Kun je thuis inloggen?’

Ik keek naar Evi. Ze stak haar hand uit, maar ik draaide weg.

‘Ja,’ zei ik. ‘Geef me een halfuur.’

Evi wachtte tot ik had opgehangen.

‘Wat doe je nou?’

‘Er zijn mensen die op ons rekenen.’

‘Jij bent ook iemand.’

Ik werd boos. Niet een beetje. Ik zei dat ze mijn werk niet begreep. Dat niet iedereen zijn afspraken zomaar kon afzeggen. Ze was kapper. Zodra ik het zei, zag ik haar gezicht veranderen.

In de auto zwegen we.

Thuis klapte ik mijn laptop open. Er stonden drieënzestig nieuwe berichten. Het scherm werd wazig. Ik las dezelfde zin zes keer en begreep hem nog niet.

Evi zette een glas water naast me.

‘Sorry,’ zei ik.

Ze knikte. Ze ging niet weg.

Ik legde mijn vingers op het toetsenbord. Ze bewogen niet. Voor het eerst kon ik het niet oplossen door harder te werken.

Evi pakte een stoel en kwam naast me zitten.

‘Wat moet Saskia weten?’ vroeg ze.

Samen schreven we vier zinnen. Ik was ziek. Ik kon niet werken. De planning moest worden overgenomen. Ik zou na mijn volgende afspraak contact opnemen.

Mijn vinger bleef boven de verzendknop hangen.

Toen drukte ik.

Hoofdstuk 2

Achter de gordijnen

De eerste week thuis hield ik mijn gordijnen dicht. Ik woonde boven een fietsenwinkel aan de Amsterdamsestraatweg. Door het glas hoorde ik de bel van de winkel en het ratelen van fietsen die naar buiten werden gereden. Iedereen ging ergens heen. Ik lag op de bank in de broek waarin ik ook sliep.

Om kwart over acht zette ik mijn wekker uit. Daarna lag ik te wachten tot het een aanvaardbare tijd was om weer koffie te maken.

Mijn werktelefoon lag in de bestekla. Evi had voorgesteld hem uit te zetten. Dat vond ik overdreven. In een la kon ik het scherm niet zien, maar bleef ik bereikbaar voor iets belangrijks.

Ik trok die la ieder uur open.

Op donderdag belde Saskia.

‘We hebben je routes verdeeld,’ zei ze. ‘Niemand hoeft je te bellen.’

‘Ook die van Fatima? Haar woensdagroute klopt niet met de overdracht.’

‘Dat regelen we.’

Ik hoorde toetsen op de achtergrond. Ze was ondertussen aan het werk.

‘Ik kan het even uitleggen.’

‘Noor. Niet nu.’

Toen we hadden opgehangen, bleef ik met de telefoon aan mijn oor zitten. Ze konden dus zonder mij. Ik had gewild dat ze dat zouden bewijzen. Nu voelde het alsof ik ontslagen was.

Bij de tweede afspraak vroeg Van Loon naar mijn dagen.

‘Rustig,’ zei ik.

‘Wat deed je gisteren?’

Ik vertelde over boodschappen en een wandeling. Terwijl ik sprak, zag ik precies de route die ik niet had gelopen. Naar de bakker, langs het Julianapark, terug via de supermarkt.

‘En wat heb je gegeten?’

Ik kon niets bedenken.

Hij wachtte.

‘Beschuit,’ zei ik. ‘Ik ben niet buiten geweest.’

Het was de eerste leugen die ik zelf rechtzette.

Hij verwees me naar de praktijkondersteuner en besprak een aanmelding voor verdere behandeling. Er was een wachttijd. We maakten afspraken voor de tussenliggende weken. Ik kreeg ook een nummer voor buiten kantooruren. Het papiertje vouwde ik klein op. Alsof iemand het door mijn jas heen kon lezen.

De praktijkondersteuner heette Mireille. Ze droeg rode sportschoenen onder een nette broek. Bij ons eerste gesprek zette ze geen doos tissues voor mijn neus. Daar was ik blij om.

‘Waar ben je bang voor?’ vroeg ze.

‘Dat ik mijn baan kwijtraak.’

‘En nog meer?’

‘Dat dit niet overgaat.’

Ze knikte.

Ik wilde dat ze zei dat het over zou gaan. Snel ook. In plaats daarvan vroeg ze hoe mijn leven eruitzag voordat ik uitviel.

Ik vertelde over de personeelskrapte. Over avonden waarop ik nog diensten wisselde. Over mijn relatie met Daan, die een halfjaar eerder was gestopt. Hij had zijn dozen opgehaald op een dinsdag. Ik had die avond overgewerkt.

‘Kon je toen verdrietig zijn?’ vroeg ze.

‘Ik had geen tijd.’

Het klonk efficiënt. Tot ik het hardop hoorde.

Thuis vond ik een bericht van mijn vader. Hij woonde in Nieuwegein en belde meestal alleen als er iets aan zijn computer mankeerde.

Evi zei dat je overspannen bent. Kom zaterdag eten. Even onder de mensen.

Ik typte dat het niet lukte.

Hij belde meteen.

‘Je moet wel iets blijven doen, Noor. Van op de bank liggen wordt niemand beter.’

‘Ik probeer het.’

‘Toen je moeder wegging, ben ik ook gewoon blijven werken.’

Ik voelde mijn kaken aanspannen. Ik was zestien geweest. Evi elf. Gewoon blijven werken had betekend dat ik haar eten maakte en controleerde of ze huiswerk deed. Mijn vader bedoelde het niet als verwijt. Toch hoorde ik het zo.

‘Ik ben moe,’ zei ik.

‘Dan ga je vroeg naar bed.’

Ik hing op voordat ik iets ergers kon zeggen.

Die avond kwam buurman Hamza mijn pakket brengen. Hij woonde onder me, achter de fietsenwinkel. We groetten elkaar al drie jaar zonder veel meer te weten.

‘Alles goed?’ vroeg hij.

‘Ja hoor.’

Hij keek naar mijn vuilniszak. Die stond sinds maandag bij de deur.

‘Ik moet toch naar de container.’

‘Dat hoeft niet.’

‘Weet ik.’

Hij pakte de zak op. Ik liet hem.

Een uur later stuurde hij een bericht. Hij had mijn nummer van de bewonersapp.

Morgen koffie voor de deur? Tien minuten. Geen bezoek.

Ik las het drie keer. Geen bezoek betekende dat ik niet hoefde op te ruimen. Tien minuten betekende dat er een einde aan zat.

Om elf uur stond ik beneden. Mijn haar was nog nat. Hamza zette twee mokken op het muurtje naast de winkel.

Hij vertelde dat een klant zijn elektrische fiets kwijt was geweest terwijl die gewoon aan de andere kant van de straat stond.

Ik lachte kort.

Daarna zei ik: ‘Het gaat eigenlijk niet goed.’

Hamza knikte en schoof de suiker naar me toe.

‘Wil je vertellen, of zal ik nog zo’n klant doen?’

‘Nog zo’n klant.’

We bleven twaalf minuten.

Hoofdstuk 3

De nachtbus

Na drie weken dacht ik dat ik vooruitging. Ik douchte bijna iedere dag. Ik had twee keer gekookt. Mireille en ik maakten een eenvoudig schema. Opstaan. Eten. Even naar buiten. Niet alles tegelijk inhalen op een goede ochtend.

Ik hield me er vier dagen aan.

Op de vijfde dag reed ik naar kantoor om mijn planten op te halen. Dat was mijn uitleg aan Evi. In werkelijkheid wilde ik zien of mijn bureau er nog stond.

Saskia kwam me bij de lift tegen.

‘Noor. We hadden toch afgesproken dat je even zou bellen?’

‘Ik pak alleen mijn planten.’

Achter haar zag ik een jonge man op mijn stoel zitten. Hij had mijn monitor hoger gezet. Mijn blauwe mok stond bij het koffieapparaat, vol pennen.

‘Dit is Joris,’ zei Saskia. ‘Hij ondersteunt tijdelijk de planning.’

Hij stond half op en stak zijn hand uit.

‘Ik heb veel aan je overdrachtsdocument.’

Ik had dat document maanden eerder geschreven. Voor vakanties. Niet om mijn hele bestaan over te dragen aan iemand met schone sportschoenen.

‘Mooi,’ zei ik.

Mijn grootste plant stond op de vensterbank. Ik tilde hem op. Er lag een bruine kring op het hout.

‘Die moet weg,’ zei ik.

‘Dat maken we schoon,’ zei Saskia.

Ik bleef naar de kring kijken. Mijn hart begon sneller te slaan.

‘Wil je even zitten?’

‘Nee.’

Ik liep naar de lift met de pot tegen mijn borst geklemd. In de parkeergarage brak een blad af tussen mijn vingers.

Die avond dronk ik wijn. Eerst één glas. Toen schonk ik zonder glasmarkering verder. Ik had nauwelijks gegeten. Om elf uur stuurde ik Daan een bericht.

Was ik altijd al zo moeilijk?

Hij antwoordde niet. Natuurlijk niet. Hij had een ander leven. Toch keek ik om de minuut.

Tegen tweeën zat ik op de keukenvloer. De koelkast sloeg aan. Op het aanrecht stond de plant. Er liep aarde over mijn jas.

Ik dacht niet meer aan beter worden. Ik dacht aan ophouden. Aan niet meer hoeven uitleggen waarom boodschappen me niet lukten. Aan de rust die anderen misschien zouden hebben als ze zich geen zorgen meer om mij hoefden te maken.

Die gedachte maakte me bang. En een deel van mij vond hem aantrekkelijk. Dat laatste durfde ik bijna niet te erkennen.

Ik pakte mijn telefoon en opende Evi’s naam. Ze moest om zeven uur op. Ik legde hem weer neer.

Daarna liep ik naar buiten. Zonder duidelijk plan. Het regende zacht. Bij een bushalte ging ik zitten. Een nachtbus reed langs zonder te stoppen, omdat ik mijn hand niet opstak. In het verlichte raam zag ik losse gezichten.

Mijn telefoon trilde. Daan.

Ik zie je bericht nu pas. Wat is er aan de hand?

Ik kon hem niet bellen. Ik kon niemand die me kende laten horen hoe ik klonk.

In mijn jaszak vond ik het gevouwen papiertje van Van Loon. Daarnaast zocht ik het nummer van 113 Zelfmoordpreventie op. Ik toetste 0800-0113 in voordat ik mezelf kon tegenhouden.

‘Ik weet niet of ik hier erg genoeg voor ben,’ zei ik toen iemand opnam.

De vrouw vroeg wat er gebeurde.

‘Ik ben bang dat ik mezelf iets aandoe. Maar ik wil ook naar huis.’

Ze bleef rustig. Ze vroeg waar ik was en of ik al iets had gedaan. Ik zei dat ik bij een bushalte aan de Amsterdamsestraatweg zat. Dat ik gedronken had. Dat ik alleen was.

We spraken over wie naar me toe kon komen.

‘Mijn zus,’ zei ik. ‘Maar die slaapt.’

‘Kun je haar toch bellen?’

Ik stuurde Evi een bericht dat ik niet veilig alleen was. Daarna belde ik haar.

Ze nam bij de vierde toon op.

‘Waar zit je?’

Geen zucht. Geen vraag waarom ik dit midden in de nacht deed.

Ze kwam in een joggingbroek en met ongelijke veters. Onderweg had ze de huisartsenpost gebeld. Ik moest beoordeeld worden. We reden naar het ziekenhuis in Overvecht. In de wachtkamer rook het naar schoonmaakmiddel en warme automatenkoffie.

Een arts stelde directe vragen. Ik gaf eindelijk directe antwoorden. Over de doodsgedachten. Over drinken. Over hoe alleen ik me voelde. Er volgde overleg met de crisisdienst.

Uiteindelijk ging ik met Evi mee naar huis. Niet omdat alles ineens goed was. We hadden concrete afspraken gemaakt, en de volgende dag zou er contact zijn. Ik zou voorlopig niet alleen blijven.

Op haar logeerbed hoorde ik haar in de keuken een glas vullen.

‘Ben je boos?’ vroeg ik toen ze binnenkwam.

Ze zette het water neer.

‘Ik ben geschrokken.’

‘Het spijt me.’

‘Ik ben blij dat je belde.’

Ik schoof op toen ze op de rand kwam zitten. Tot het licht werd, sliep ik in korte stukken. Iedere keer dat ik wakker schrok, wist ik tenminste waar ik was.

Hoofdstuk 4

De stoel bij het raam

De ochtend na die nacht smaakte mijn mond naar metaal. Evi zat aan haar keukentafel met haar agenda open. Ze had twee klanten verplaatst.

‘Je hoeft niet alles af te zeggen,’ zei ik.

‘Nee. Alleen vanochtend.’

Ze zei het nadrukkelijk. Niet alles. Vanochtend. Ik was haar dankbaar dat ze het klein hield.

Er kwam sneller hulp na de crisis, maar niet meteen een volledige behandeling. Mijn huisarts en Mireille hielden contact. Met een medewerker van de crisisdienst maakte ik een veiligheidsplan. Daar stonden geen mooie doelen in. Wel signalen: nachten niet slapen, afspraken afzeggen, denken dat iedereen beter af was zonder mij. En namen, nummers, stappen voor als het opnieuw onveilig werd.

Ik vond het vernederend om op te schrijven dat ik hulp moest vragen.

‘Je hebt het al gedaan,’ zei Evi. ‘Dat staat er nu alleen op papier.’

Twee weken later had ik een intake bij een ggz-locatie in Utrecht. De psycholoog heette Bas. Hij bood me de stoel bij het raam aan. Ik koos die bij de deur.

Hij vroeg of dat expres was.

‘Dan kan ik weg.’

‘Goed dat je het zegt.’

Ik verwachtte vragen over mijn jeugd. Die kwamen ook. Maar eerst wilde hij weten hoe vaak ik at, hoe lang ik sliep en of de doodsgedachten terugkwamen.

‘Soms,’ zei ik. ‘Niet zoals die nacht.’

We bespraken wat ik dan deed. Bij wie ik terechtkon. Ik merkte dat hij niet schrok van het woord dood. Daardoor hoefde ik mijn antwoord minder netjes te maken.

Na meerdere gesprekken sprak hij over een depressie en terugkerende paniekaanvallen, in een periode van langdurige overbelasting. Ik vroeg welke van die drie mijn eigen schuld was.

Hij keek op.

‘Dat is niet de vraag waarmee ik je kan behandelen.’

‘Maar ik heb toch zelf steeds ja gezegd?’

‘Dat wil ik met je onderzoeken. Zonder van ziek zijn een straf te maken.’

Ik schreef die zin niet op. Ik was nog niet overtuigd.

Via de behandelend arts begon ik na overleg met een antidepressivum. We bespraken mogelijke bijwerkingen en maakten controleafspraken. De eerste dagen was ik misselijk. Ik belde omdat mijn onrust toenam. We bespraken hoe het ging en wanneer ik opnieuw moest bellen. Ik wilde stoppen, doorgaan en tegelijk een ander lichaam lenen.

Er was geen ochtend waarop ik wakker werd en ineens genezen was.

Bij Bas oefende ik met situaties die ik vermeed. Eerst in gedachten. Later echt. Een winkel in. In de rij blijven staan als mijn hart versnelde. Niet meteen Evi bellen om te vragen of ik veilig was.

Dat betekende niet dat ik nooit mocht bellen. Het betekende dat ik verschil leerde maken tussen paniek verdragen en hulp nodig hebben.

Bij de Albert Heijn aan de Amsterdamsestraatweg liet ik de eerste keer mijn mandje achter. Ik stond al bij het brood toen het begon. Warmte in mijn nek. Slappe benen. De deur leek ver weg.

Buiten stuurde ik Bas geen bericht. Ik wilde de mislukking bewaren tot ik hem mooier kon vertellen.

Tijdens ons gesprek vroeg hij wat er precies gebeurd was.

‘Ik ben weggegaan.’

‘En daarvoor?’

‘Ik ben naar binnen gegaan.’

‘Hoelang bleef je?’

‘Vier minuten. Misschien vijf.’

Hij schreef het op. Niet als triomf. Gewoon als informatie. De week erna spraken we een kleinere oefening af.

Mijn vader kwam op een zondag naar Evi’s huis. Hij had mandarijnen meegenomen. Een heel net, alsof ik griep had.

‘Je ziet er beter uit,’ zei hij.

Ik droeg concealer. Dat was het verschil.

Tijdens de lunch vroeg hij wanneer ik weer ging werken.

Evi legde haar mes neer. Ik schudde mijn hoofd naar haar.

‘Dat weet ik niet,’ zei ik zelf.

‘Een beetje structuur kan geen kwaad.’

‘Pap. Ik heb behandeling. En een bedrijfsarts. Ik wil vandaag niet verdedigen waarom ik thuis ben.’

Hij keek naar zijn bord.

‘Ik probeer alleen te helpen.’

‘Vraag dan hoe het gaat.’

Er viel een stilte. Buiten sloeg een autodeur dicht.

‘Hoe gaat het?’ vroeg hij uiteindelijk.

Ik had niet gedacht dat hij het echt zou vragen.

‘Nog slecht,’ zei ik. ‘Maar ik vertel het nu eerder.’

Hij pelde een mandarijn. Het duurde lang. Daarna legde hij de helft naast mijn bord.

We hadden niets opgelost over vroeger. Hij had zijn excuses niet aangeboden. Toch bleef ik zitten. Ik hoefde niet weg om mijn antwoord te kunnen volhouden.

Die middag ging ik voor het eerst weer alleen naar mijn eigen huis. Evi zou ’s avonds bellen. De gordijnen waren dicht. Ik trok ze open en zette de mandarijnen op tafel.

Hoofdstuk 5

Twee uur werk

In september keerde ik terug naar kantoor. Twee uur op dinsdag. Twee uur op donderdag. Geen roosterverantwoordelijkheid. Geen werktelefoon thuis. Dat stond in het plan dat ik met de bedrijfsarts en Saskia had besproken.

Ik las het alsof er ergens kleine letters stonden die ik gemist had.

De avond ervoor legde ik drie verschillende blouses op bed. Alle drie voelden ze verkeerd. Te feestelijk. Te slobberig. Te veel alsof ik deed alsof.

Uiteindelijk trok ik een trui aan.

Bij de ingang wachtte collega Farida. Ze werkte al langer op de planning dan ik en had een stem die door iedere vergadering heen kwam.

‘Wil je eerst koffie of eerst je wachtwoord vergeten?’

Ik lachte. Mijn wachtwoord bleek verlopen.

Niemand klapte. Niemand hield een toespraak. Daar had ik Saskia vooraf om gevraagd. Toch voelde ieder opgeheven hoofd als een lamp op mijn gezicht.

Joris zat nog op mijn oude plek. Ik kreeg een bureau aan de zijkant. Mijn taak was het controleren van adressen in een bestand. Werk dat kon blijven liggen als ik stopte.

Na veertig minuten kwam er een melding binnen op het scherm van Farida. Een zieke medewerker. Een open route in Zuilen.

Ik wist meteen wie ze kon bellen.

‘Misschien kan—’ begon ik.

Farida draaide haar stoel.

‘Nee.’

‘Ik zeg alleen even—’

‘Wij doen de planning. Jij doet adressen.’

Ze klonk streng. Ik voelde tranen opkomen en keek naar mijn toetsenbord.

Vijf minuten later schoof ze een briefje naar me toe.

Niet omdat we je niet nodig hebben. Omdat dit de afspraak is.

Ik vouwde het briefje dubbel en stopte het in mijn zak.

Om elf uur stond ik op. Er ging een telefoon. Mijn lichaam reageerde sneller dan ik kon nadenken. Ik deed een stap naar het toestel.

Toen pakte ik mijn tas.

Buiten moest ik op een bankje zitten. Twee uur adressen controleren had me uitgeput. Ik had vroeger dubbele diensten gedraaid en daarna nog boodschappen gedaan. Nu huilde ik naast een prullenbak.

Thuis sliep ik drie uur. Daarna werd ik boos op mezelf omdat ik drie uur had geslapen.

Bij Bas noemde ik de werkhervatting mislukt.

‘Wat was de afspraak?’ vroeg hij.

‘Twee uur aanwezig zijn.’

‘Ben je twee uur geweest?’

‘Daar gaat het niet om.’

‘Waar gaat het dan om?’

Ik wreef over mijn gezicht.

‘Dat ik weer normaal wil zijn.’

Hij liet me beschrijven wat normaal voor mij betekende. Alles onthouden. Nooit iemand teleurstellen. Beschikbaar zijn. Geen herstel nodig hebben na een werkdag.

Toen ik klaar was, zei ik zelf: ‘Dat was daarvoor ook niet houdbaar.’

Weten was niet hetzelfde als anders doen.

Een week later bleef ik toch drie kwartier langer. Saskia had een spoedoverleg. Farida was vrij. Iemand vroeg waar een document stond. Ik zocht het op. Daarna keek ik nog naar een route. Om kwart voor twaalf zat ik weer met mijn schouders tegen mijn oren.

Ik vertelde thuis niemand dat ik langer was gebleven.

Die nacht controleerde ik mijn privételefoon tot drie uur. Misschien had iemand een vraag. Misschien had ik een bestand verkeerd opgeslagen. De volgende ochtend kwam ik mijn bed niet uit.

Ik belde Saskia met een verzonnen verkoudheid op het puntje van mijn tong.

‘Ik heb gisteren te veel gedaan,’ zei ik.

‘Hoeveel?’

Ik vertelde het.

Ze zuchtte. Mijn maag trok samen.

‘Ik had moeten opletten,’ zei ze.

‘Ik had moeten stoppen.’

‘Allebei. We passen het aan.’

Voortaan zette ik een alarm. Saskia wees een collega aan bij wie ik me meldde als ik vertrok. Het voelde kinderachtig. Het werkte beter dan vertrouwen op mijn schuldgevoel.

Naast werk begon ik een lotgenotengroep in een buurtcentrum in Zuilen. Acht stoelen, een koffiekan, koekjes in een plastic trommel. Ik wilde bij de eerste bijeenkomst zeggen dat ik verkeerd zat.

Toen vertelde een man, René, dat hij zijn boodschappen soms bij drie winkels deed. Niet omdat dat handig was, maar omdat hij zich schaamde als dezelfde kassamedewerker hem steeds alleen kant-en-klaarmaaltijden zag kopen.

Ik schoot in de lach. Hij ook.

‘Ik verstop mijn diepvriespizza onder appels,’ zei ik.

Niemand legde uit dat dat nergens voor nodig was. Ze snapten al dat wij dat wisten.

Op de fiets terug stopte ik bij de supermarkt. Ik kocht pasta, tomaten en één diepvriespizza.

Bij de kassa legde ik de pizza bovenop.

Mijn hartslag bleef gewoon normaal. Er gebeurde niets. De jongen achter de kassa vroeg of ik zegels wilde.

‘Nee, dank je,’ zei ik.

Hoofdstuk 6

Niet weer verdwijnen

In november ging het drie weken redelijk. Ik werkte inmiddels drie ochtenden. Ik kookte op zondag voor twee dagen. Hamza en ik dronken soms koffie zonder dat hij eerst hoefde te vragen of ik buiten kwam.

Toen werd mijn vader opgenomen in het ziekenhuis in Nieuwegein. Een hartritmestoornis. Hij belde zelf vanaf de spoedeisende hulp.

‘Niet schrikken,’ zei hij.

Dat werkte niet.

Ik stond op van mijn bureau, stootte mijn water om en begon tegelijk Evi te bellen en mijn jas aan te trekken. In de auto kwam de oude snelheid terug. Regelen. Weten. Er zijn voordat iemand iets nodig had.

Mijn vader zat rechtop in bed toen ik aankwam. Er plakten draden op zijn borst. Hij maakte een grap over zijn ziekenhuishemd.

Ik lachte niet.

‘Wie heeft je medicijnenlijst?’ vroeg ik. ‘Is de huisarts geïnformeerd? Wie zorgt er voor je huis?’

‘Noor, ga zitten.’

Maar zitten voelde gevaarlijk. Dan zou ik merken hoe bang ik was.

Hij bleef twee nachten. Evi en ik konden de bezoeken verdelen. Dat deden we niet, omdat ik al had gezegd dat ik iedere dag ging. Daarnaast belde ik familie en haalde ik spullen op uit zijn huis.

Op donderdag had ik mijn behandeling. Ik meldde me af.

Vrijdag sloeg ik de lotgenotengroep over.

Zaterdag keek ik om vier uur ’s nachts naar een donkere keukenruit en herkende mijn eigen gezicht nauwelijks.

De gedachte kwam terug: zo wil ik niet verder.

Meteen erachteraan kwam schaamte. Ik had toch geleerd hoe dit moest? Ik had een map met oefeningen. Ik had afspraken. Hoe kon ik weer op dezelfde stoel zitten?

Het veiligheidsplan lag in de la onder de theedoeken. Ik haalde het eruit. Mijn eigen handschrift zag er zakelijk uit. Slecht slapen. Alles overnemen. Contact afzeggen.

Drie punten. Alle drie waar.

Ik maakte Evi niet wakker, omdat ik op dat moment geen voornemen had mezelf iets aan te doen en me veilig voelde. Wel stuurde ik haar een duidelijk bericht voor de ochtend. Dat de doodsgedachten terug waren. Dat ik hulp nodig had bij de zorg voor papa. Ik legde de contactnummers naast mijn telefoon voor als het verslechterde.

Om acht uur belde ze.

‘Waarom heb je niets gezegd?’

Ik wilde meteen sorry zeggen.

‘Omdat ik dacht dat het wel ging.’

‘Je zei dat ik niet naar het ziekenhuis hoefde.’

‘Ik weet het.’

Ze was stil. Daarna zei ze: ‘Ik wil helpen. Maar jij kunt niet alles overnemen en dan verwachten dat ik vanzelf merk dat je instort.’

Dat deed pijn. Omdat het klopte.

We maakten een verdeling. Zij ging die middag. Ik bleef thuis en nam maandag contact op met mijn behandelaar. Bij verslechtering zou ik eerder hulp inschakelen. De afspraken waren niet nieuw. Het verschil was dat ik ze gebruikte voordat het opnieuw nacht werd bij een bushalte.

Mijn vader belde rond twaalf uur.

‘Kom je nog?’

‘Vandaag niet. Evi komt.’

‘Ben je ziek?’

‘Het gaat psychisch minder goed. Ik moet rust nemen en mijn behandeling weer oppakken.’

Ik hield mijn adem in.

‘O,’ zei hij.

Op de achtergrond klonk een televisie.

‘Ik heb mijn oplader nog nodig.’

Ik sloot mijn ogen.

‘Die neemt Evi mee.’

‘Goed.’

Dat was het. Hij stierf niet van mijn grens. Hij werd niet woedend. Ik hoefde alleen mijn eigen schuldgevoel uit te zitten.

Maandag maakten Bas en ik een plan voor de week. Niet terug naar nul. Wel minder belasting en vaker contact. We bespraken opnieuw de doodsgedachten en mijn veiligheid. Op werk ging ik tijdelijk een stap terug.

Die middag kwam Evi langs. Ze zette haar fiets in de gang en bleef staan.

‘Ik moet nog iets zeggen.’

Mijn buik trok samen.

‘Ik ben je zus. Ik wil er zijn. Maar ik kan niet altijd opnemen. We moeten meer mensen hebben.’

Ik knikte te snel.

‘Je wilt afstand.’

‘Nee. Ik wil ook kunnen douchen zonder bang te zijn voor mijn telefoon.’

Daar had ik niet aan gedacht. Of ik had het niet willen zien.

We zaten aan tafel en schreven op wie ik waarvoor kon benaderen. Hamza voor gezelschap, als hij beschikbaar was. Mireille en mijn behandelteam voor professionele hulp. De bestaande crisisnummers voor onveiligheid. Evi als zus, niet als complete nachtdienst.

‘Mag ik je nog gewoon bellen om iets stoms?’ vroeg ik.

Ze keek op.

‘Graag zelfs.’

Ik vertelde over een sok die in het dekbedovertrek was verdwenen. Zij vertelde over een klant die zelf haar pony had geknipt.

Mijn vader kwam twee dagen later thuis. Ik bracht soep. Na een uur ging ik weg.

Hij liep mee naar de deur.

‘Dank je voor het koken,’ zei hij.

Ik zei niet dat het geen moeite was.

Hoofdstuk 7

Mijn naam op de lijst

In maart stond ik opnieuw voor de slagboom van parkeergarage Kruisstraat. Bijna een jaar na die ochtend. Er stond geen auto achter me. Toch voelde ik mijn hartslag in mijn keel.

Mijn betaalde kaartje lag naast de versnellingspook.

Ik had deze rit niet gepland als overwinning. Ik was in de stad geweest voor schoenen. De garage was dichtbij. Pas bij het inrijden had ik beseft waar ik was.

Nu wilde ik achteruit. Er was ruimte. Ik kon iemand bellen. Ik kon hier blijven tot het gevoel zakte.

In plaats daarvan pakte ik het kaartje.

‘Je mag bang zijn,’ zei ik hardop.

Het klonk ongemakkelijk in de lege auto. Ik schoof het kaartje in de automaat. Groen licht. De boom ging omhoog.

Ik reed naar huis. Bij een stoplicht trilden mijn benen nog. Thuis deed ik eerst mijn schoenen uit en zette water op. Daarna pas stuurde ik Evi een bericht.

Kruisstraat gedaan. Geen reddingsoperatie nodig.

Ze stuurde een foto van haar duim. Er zat haarverf op.

Mijn leven was kleiner geworden dan vroeger. Dat vond ik soms nog steeds moeilijk. Ik werkte twintig uur, verdeeld over vier dagen. Mijn functie was aangepast. Meer gegevensbeheer, minder acute roosterproblemen. Dat betekende minder salaris en minder invloed.

Ik had met een financieel adviseur gekeken wat haalbaar was. Mijn abonnementen gingen eruit. Een vakantie ook. Herstellen maakte mijn huur niet lager.

Soms zag ik op kantoor hoe Joris snel beslissingen nam en voelde ik jaloezie. Ik miste het gevoel dat iedereen mij nodig had. Dan ging ik naar de wc en bleef te lang naar mijn gezicht kijken.

Maar ik sliep meestal weer. Ik proefde eten. Ik kon naar een verjaardag zonder drie dagen van tevoren te willen afzeggen. Niet altijd. Vaak genoeg om verschil te merken.

De behandeling liep door. Minder vaak dan eerst. Over medicatie maakte ik afspraken met de arts; ik ging daar niet zelf mee schuiven zodra ik een goede week had. Het veiligheidsplan zat inmiddels niet alleen in een la, maar ook in mijn telefoon.

Daan en ik spraken één keer af in een café bij station Vaartsche Rijn. Ik had lang gedacht dat ik zijn oordeel nodig had om verder te kunnen.

‘Je vroeg of je altijd moeilijk was,’ zei hij.

Ik roerde in mijn koffie.

‘Dat was geen eerlijke vraag om midden in de nacht bij je neer te leggen.’

‘Nee,’ zei hij. ‘Maar het ging ook echt slecht met je.’

Hij vertelde dat hij zich in onze relatie vaak buitengesloten had gevoeld. Ik regelde alles, zei dat het ging en werd kwaad als hij doorvroeg. Ik vertelde dat ik me vaak alleen had gevoeld. Beide dingen konden waar zijn.

We gingen niet opnieuw proberen. Bij het afscheid voelde ik verdriet, zonder meteen naar mijn telefoon te grijpen om mezelf bezig te houden.

Een week later vroeg de begeleider van de lotgenotengroep of ik een nieuwe deelnemer wilde ontvangen. Alleen de deur wijzen, koffie aanbieden, naast haar zitten als ze dat prettig vond.

Mijn eerste neiging was ja zeggen en er meteen een heel project van maken.

‘Eén bijeenkomst,’ zei ik. ‘Daarna kijken we.’

De nieuwe deelnemer heette Sanne. Ze stond in de hal met haar jas nog dicht. Haar ogen gingen van de deur naar de stoelen.

‘Ik weet niet of ik hier hoor,’ zei ze.

Ik herkende de zin. Toch kende ik haar verhaal niet.

‘Wil je eerst koffie?’ vroeg ik. ‘Je hoeft nog niets te vertellen.’

Ze knikte.

We gingen zitten. Ik schoof de trommel naar haar toe. Ze pakte geen koekje. Tien minuten later wel.

Na afloop fietste ik langs de Vecht naar huis. Het was nog licht. Bij de supermarkt belde mijn vader. Hij wilde weten of ik zondag kwam eten.

‘Ja,’ zei ik. ‘Maar ik ga rond zeven uur naar huis.’

‘Dan eten we om vijf uur.’

Ik glimlachte. Hij vroeg tegenwoordig soms hoe mijn afspraken waren geweest. Hij zei ook nog geregeld iets onhandigs. Ik corrigeerde hem vaker. Daarna praatten we verder.

Thuis lag er post op de mat. Een rekening. Een folder. Een uitnodiging van de woningcorporatie. Ik legde alles op tafel zonder het meteen af te handelen.

Op de koelkast hing mijn weekoverzicht. Werk. Behandeling. Evi. Boodschappen. Er stonden ook lege vakken. Die liet ik leeg.

Naast het overzicht hing een foto die Hamza had gemaakt. Ik zat op het muurtje voor de fietsenwinkel, met een mok tussen mijn handen. Mijn haar waaide over mijn mond. Ik keek niet bijzonder gelukkig. Wel aanwezig.

Ik had lang gewacht tot ik weer de oude Noor zou zijn. Nu was ik degene die de deur opendeed, soms huilde en op tijd naar huis ging. Iemand die hulp nodig had en ook koffie kon zetten voor een ander.

Ik belde Evi om te vragen hoe haar dag was.

Toen ze vroeg hoe het met mij ging, dacht ik even na.

‘Vandaag best goed,’ zei ik.

Dat was genoeg. Ik hoefde die dag niets extra’s te presteren om hem te mogen houden.

Ik mag er zijn.