Naar de inhoud
Terug naar het boek

Ziekte en gezondheid

Ik leef met een kort lontje van mijn lijf

Bevat beschrijvingen van ziekte en behandeling.

Hoofdstuk 1

De vloer kwam dichterbij

Op station Amersfoort Centraal zakte ik naast een prullenbak door mijn knieën. Het was dinsdagochtend. Acht over acht. Ik weet dat nog omdat ik naar het vertrekbord keek toen de letters uit elkaar begonnen te schuiven.

Mijn trein naar Utrecht stond er al. Ik hoefde alleen de trap op.

Dat lukte niet.

Mijn tas gleed van mijn schouder. Een appel rolde langs een schoen. Iemand vloekte omdat ik midden in de looproute zat. Ik wilde sorry zeggen, maar mijn mond was zo droog dat mijn tong tegen mijn gehemelte bleef plakken.

‘Mevrouw? Hoort u mij?’

Een vrouw in een gele regenjas hurkte voor me. Ze rook naar koffie. Achter haar zag ik benen, wielen van koffers en een hond die aan zijn lijn trok.

‘Even zitten,’ zei ik.

‘Dat doet u al.’

Ze zei het niet onaardig. Ze hield mijn schouder vast toen ik opzij kantelde.

Ik heet Noor van Dalen. Ik was achtendertig en werkte als vormgever bij een bureau in Utrecht. Tot die ochtend dacht ik dat ernstig zieke mensen eerst een duidelijke waarschuwing kregen. Een uitslag. Bloed. Iets wat je kon aanwijzen.

Ik had vooral losse klachten. Moeheid. Misselijkheid. Duizeligheid bij het opstaan. Alles kon ook iets anders zijn.

De vrouw vroeg of ik suikerziekte had.

‘Nee.’

Of ik medicijnen gebruikte.

‘Nee.’

Of ze iemand moest bellen.

Ik wilde Sami zeggen, mijn partner. Maar ineens wist ik zijn nummer niet meer. Mijn eigen toegangscode evenmin. Ik hield mijn telefoon omhoog alsof zij daar iets mee kon.

Toen moest ik overgeven.

Niet een beetje. Mijn hele lijf trok samen. De vrouw schoof mijn tas opzij en riep naar iemand achter haar dat hij nu echt 112 moest bellen.

Ik protesteerde. De woorden kwamen traag.

‘Ik heb een afspraak.’

‘Die gaat niet door,’ zei ze.

In de ambulance vroeg een man hoe lang ik me al beroerd voelde. Hij had grijze wenkbrauwen en een pen achter zijn oor. Ik vond het een ingewikkelde vraag.

Sinds gisteren? Sinds november? Sinds mijn dochter Fien vroeg waarom ik op zaterdag altijd op de bank lag?

‘Een tijdje.’

Mijn bloeddruk was erg laag. Dat hoorde ik. Daarna voelde ik de prik van een infuus. Iemand trok een deken over me heen, hoewel mijn rug nat was van het zweet.

Bij het Meander Medisch Centrum werd mijn trui omhooggeschoven. Plakkers op mijn borst. Nog een naald. De lamp boven het bed deed pijn aan mijn ogen.

Een arts vroeg naar mijn buikpijn. Naar koorts. Naar diarree. Ze drukte op mijn buik en ik greep haar pols vast.

‘Sorry,’ zei ik.

‘U hoeft geen sorry te zeggen.’

Dat zou ik die dag nog vaak horen.

Sami kwam binnen met zijn jas nog dicht. Hij had Fien op school afgezet toen het ziekenhuis belde. Op zijn wang zat een streep tandpasta. Ik keek ernaar en werd daar gek genoeg verdrietig van.

Thuis was de ochtend gewoon doorgegaan. Brood smeren. Gymtas zoeken. Tandpasta uitspugen.

En ik lag hier.

‘Hé,’ zei hij.

‘Mijn tas.’

‘Die is er.’

‘Mijn laptop zit erin.’

‘Noor. Kijk even naar mij.’

Ik keek.

Hij was bang. Dat zag ik meteen. Sami praat normaal veel als er iets misgaat. Over oplossingen, routes, telefoonnummers. Nu hield hij alleen mijn hand vast.

Een arts stelde gerichte vragen. Of ik was afgevallen. Of mijn huid donkerder was geworden. Of ik veel behoefte had aan zout.

Sami antwoordde voordat ik iets kon zeggen.

‘Ze drinkt het vocht uit de augurkenpot.’

Ik wilde lachen. Het lukte niet.

Er werd bloed afgenomen. Daarna kreeg ik snel medicijnen via het infuus. De arts noemde hydrocortison. Ze zei dat ze rekening hielden met een ernstig tekort aan een hormoon dat mijn lichaam nodig had om mijn bloeddruk en reactie op ziekte op peil te houden.

‘We wachten met behandelen niet op alle uitslagen.’

Ik begreep vooral dat wachten blijkbaar gevaarlijk was.

Later, toen mijn hoofd iets helderder werd, vroeg ik hoe dicht het bij misgaan was geweest.

De arts ging naast mijn bed zitten.

‘U was ernstig ziek. Het is goed dat iemand hulp heeft gebeld.’

Ik keek naar mijn hand in die van Sami.

‘Ik weet niet eens hoe ze heet,’ zei ik.

De vrouw met de gele regenjas. Zij had mijn trein laten vertrekken.

Hoofdstuk 2

Al maanden signalen

Achteraf kon ik overal een begin aanwijzen. Dat maakte me kwaad. Niet omdat de signalen zo duidelijk waren geweest. Juist omdat ze los van elkaar zo gewoon leken.

In november sliep ik op een zondag tot half elf. Fien stond naast het bed met een lijmstift en een schoenendoos.

‘Je zou helpen met mijn kijkdoos.’

‘Over tien minuten.’

Toen ik beneden kwam, had ze zelf een bos gemaakt. De bomen lagen plat. Ze had ze met plakband aan de bodem vastgezet.

‘Geeft niet,’ zei ze.

Ze was zeven. Ze zei te vaak dat het niet gaf.

In december bleef ik op kantoor zitten als de anderen lunch gingen halen. Onze werkplek lag boven een fietsenwinkel aan de Amsterdamsestraatweg. Twee trappen. Vroeger rende ik die op. Nu stond ik halverwege stil en deed alsof ik een bericht las.

Mijn collega Marit had het door.

‘Je bent afgevallen.’

‘Scheelt weer sporten.’

‘Dat was geen compliment.’

Ik zwaaide het weg. We zaten midden in een grote opdracht. Een nieuwe huisstijl voor een woningcorporatie. Ik had slecht geslapen. Iedereen had slecht geslapen.

Thuis kreeg Sami de versie met de minste informatie.

‘Drukke dag.’

‘Neem morgen vrij.’

‘Kan niet.’

Dat laatste zei ik zo vaak dat hij op een avond zijn vork neerlegde.

‘Wat bedoel je eigenlijk met kan niet? Gaat het gebouw dan dicht?’

Ik werd boos. Veel te boos.

‘Jij snapt niet hoe het daar werkt.’

Hij keek naar zijn bord. Fien schoof een doperwt door haar jus.

Tien minuten later stond ik huilend bij de vaatwasser. Niet van verdriet. Van uitputting. De borden waren zwaar. Het bukken maakte me duizelig. Ik liet de onderste lade openstaan en ging op de keukenvloer zitten.

Sami kwam naast me zitten.

‘Dit is niet alleen drukte.’

Die week ging ik naar de huisarts.

Ik vertelde over moeheid, slecht eten en een onrustige maag. Over de ruzie niet. Over de keukenvloer ook niet. Ik wilde geen groot verhaal maken van iets waarvoor ik misschien gewoon vroeger naar bed moest.

Mijn huisarts, dokter De Bruin, stelde vragen en liet bloed prikken. Bloedarmoede en een traag werkende schildklier kwamen daar niet uit. Hij vroeg naar spanning op het werk en adviseerde een vervolgafspraak als het niet verbeterde.

Die afspraak maakte ik niet.

In januari kocht ik een broek die een maat kleiner was. Mijn moeder vond dat ik er goed uitzag.

‘Lekker kleurtje ook. Zijn jullie nog weg geweest?’

‘Nee.’

Mijn knokkels waren donker. De lijntjes in mijn handpalmen ook. Ik dacht aan ouder worden. Aan de zon van afgelopen zomer. Ik had geen idee waar ik op moest letten.

In februari ging ik opnieuw naar de huisarts, omdat ik bijna was flauwgevallen onder de douche. Hij mat mijn bloeddruk en wilde verder onderzoek. De nieuwe bloedafname stond gepland voor later die week.

Dinsdagochtend haalde me in.

In het ziekenhuis kwam een internist aan mijn bed. Dokter Vermeer. Rode bril, korte nagels, geen haast in haar stem.

Ze vertelde dat de bevindingen pasten bij de ziekte van Addison. Mijn bijnierschors maakte te weinig hormonen. Aanvullend onderzoek moest de oorzaak verder bevestigen. Waarschijnlijk viel mijn afweersysteem mijn eigen bijnierschors aan.

‘Is dat te genezen?’ vroeg Sami.

‘Meestal is behandeling levenslang nodig.’

Ik hoorde dat woord harder dan de rest.

Levenslang.

Niet zes weken herstellen. Niet een kuur en daarna weer door.

Dokter Vermeer legde uit dat ik hormonen moest vervangen met medicijnen. Dat mijn lichaam bij ziekte of andere lichamelijke belasting extra ondersteuning nodig kon hebben. Dat ik daar een persoonlijk noodplan voor zou krijgen.

‘Veel mensen kunnen hiermee een actief leven leiden,’ zei ze. ‘Maar het vraagt aandacht en goede instructie.’

Ik knikte alsof ze vertelde hoe een nieuwe printer werkte.

Toen ze weg was, zei ik tegen Sami dat hij naar huis moest. Fien ophalen. Eten maken.

‘Wil je alleen zijn?’

‘Even.’

Hij liet mijn telefoon op het tafeltje liggen.

Ik opende een foto van Fien met haar kijkdoos. De omgevallen bomen waren nauwelijks te zien. Ze hield de doos hoog en keek trots.

Ik had die ochtend tegen haar gezegd dat ze zachter moest praten.

Dat wist ik ineens weer precies.

Hoofdstuk 3

Een tas vol regels

Voor ik naar huis mocht, moest Sami een injectie oefenen.

Hij stond naast mijn ziekenhuisbed met een oefenspuit in zijn hand. Een verpleegkundige legde de stappen uit. Ik keek naar zijn vingers. Diezelfde vingers maakten thuis fietslampen vast en peuterden splinters uit Fiens hand.

Nu moest hij leren wat hij moest doen als ik mijn noodmedicatie niet zelf kon gebruiken.

‘Ik hou niet van naalden,’ zei hij.

‘Dat hoeft ook niet,’ zei de verpleegkundige. ‘U moet vooral weten wat u moet doen.’

Ze liet hem opnieuw beginnen.

Ik oefende ook. Daarna nog een keer. We kregen schriftelijke instructies, contactgegevens en een noodset. Wanneer extra medicatie nodig was. Wanneer we moesten bellen. Wat te doen bij braken, ernstige ziekte of een ongeluk.

Geen algemene folder die ik onderin een la kon leggen. Dit ging over mijn lichaam. Over uren die soms verschil konden maken.

‘Vertelt u eens in uw eigen woorden wat u doet als u blijft overgeven,’ vroeg de verpleegkundige.

Ik voelde me een leerling die niet had opgelet.

Toch was ik blij dat ze het vroeg. Halverwege mijn antwoord bleek dat ik twee stappen door elkaar haalde.

Vier dagen na mijn instorting liep ik het ziekenhuis uit. Sami droeg mijn tas. Ik droeg een extra vest, terwijl buiten de zon scheen.

Bij de schuifdeur bleef ik staan.

Binnen wist iedereen wat er mis met me was. Buiten liepen mensen naar hun auto met bloemen en parkeerkaartjes. Daar moest ik straks gewoon tussen passen.

‘Zullen we?’ vroeg Sami.

Ik knikte.

Thuis had Fien een vel papier op de voordeur geplakt. WELKOM MAMA. De tweede M was achterstevoren. Ze vloog tegen me aan, remde toen abrupt en keek naar mijn buik.

‘Mag dat?’

‘Ja. Een knuffel mag.’

Ze drukte haar gezicht in mijn vest.

Die eerste avond aten we pasta. Ik kon weer eten zonder dat mijn maag meteen protesteerde. Dat voelde vreemd genoeg feestelijk. Na zeven happen was ik moe.

‘Lekker?’ vroeg Sami.

‘Ja.’

‘Nog wat?’

‘Nee.’

Hij keek naar mijn bord, toen naar mij. Daar begon iets wat ons later flink zou opbreken. Zijn behoefte om te controleren. Mijn behoefte om niet gecontroleerd te worden.

Om negen uur ging ik naar bed. Mijn telefoon lag naast me met alarmen voor mijn medicijnen. Op het nachtkastje stond een glas water. Daarnaast lag een schema.

Ik staarde ernaar.

Tot voor kort bestond mijn ochtend uit koffie en zoeken naar een schone spijkerbroek. Nu moest ik dingen op tijd innemen omdat mijn lijf zelf niet meer genoeg maakte.

De volgende ochtend nam ik mijn tabletten en wachtte.

Ik verwachtte geen wonder. Dat hield ik mezelf voor. Toch werd ik teleurgesteld toen douchen nog steeds voelde als een klus.

Bij de eerste controle vroeg ik wanneer mijn energie terug zou zijn.

Dokter Vermeer draaide haar stoel naar me toe.

‘Uw lichaam heeft veel doorgemaakt. Het instellen en herstellen kost tijd. En moeheid kan verschillende oorzaken hebben. We blijven kijken, niet alleen naar de bloedwaarden.’

‘Maar ik krijg nu toch wat ik mis?’

‘Ja. Alleen is vervangen niet precies hetzelfde als een lichaam dat alles voortdurend zelf bijstuurt.’

Dat was de uitleg die ik niet wilde, maar wel nodig had.

Thuis maakte ik van herstel alsnog een project. Ik schreef wandelminuten op. Slaapuren. Wat ik at. Hoe ik me voelde. Binnen drie dagen had ik een spreadsheet met kleuren.

Marit kwam langs met soep.

‘Je hebt een dashboard gemaakt van jezelf.’

‘Ik wil snappen wat werkt.’

Ze keek naar mijn scherm.

‘En als je morgen een rode dag hebt?’

‘Dan kijk ik waarom.’

‘En als er geen waarom is?’

Ik klapte de laptop dicht. Harder dan nodig.

Zij zette de soep in de koelkast en bleef gewoon zitten.

Later die middag liet ik haar zien waar mijn noodset zat. In het voorvak van mijn rugtas. Ik vertelde wanneer ze hulp moest inschakelen.

Ze luisterde zonder grapjes.

Toen vroeg ze of ik een klein rondje wilde lopen. Niet om iets op te bouwen. Gewoon naar de brievenbus.

Ik liet mijn telefoon thuis.

Mijn rugtas nam ik wel mee.

Hoofdstuk 4

Terug aan tafel

Mijn eerste ochtend terug op kantoor duurde twee uur. Ik had er langer over gedaan om te bepalen wat ik zou aantrekken.

Een blouse leek te officieel. Een trui te veel alsof ik nog ziek thuiszat. Uiteindelijk trok ik aan wat boven op de stapel lag. Onderweg in de trein controleerde ik drie keer of mijn medicijnen in mijn tas zaten.

Marit wachtte beneden bij de fietsenwinkel.

‘De trap loopt niet weg,’ zei ze.

We gingen langzaam omhoog. Ze praatte over een klant die een logo groter wilde omdat hij er veel voor betaalde. Ik was haar dankbaar dat ze niet vroeg hoe elke trede voelde.

Boven rook het naar koffie en warme computers.

Mijn bureau was schoon. Iemand had mijn stapel proefdrukken weggehaald. Er stond een plantje op de plek waar altijd mijn mok stond.

Ik wist niet of ik dat lief of bedreigend vond.

Mijn leidinggevende, Bas, kwam naast me staan.

‘Goed dat je er bent. Hoe gaat het nu?’

‘Beter.’

Het was waar. Het was ook een gevaarlijk klein antwoord.

We hadden met de bedrijfsarts afgesproken dat ik rustig zou opbouwen. Twee ochtenden per week. Afgebakende taken. Geen klantafspraken. Na een paar weken kijken hoe het ging.

Bas knikte toen ik het herhaalde.

‘Natuurlijk. Geen druk.’

Tien minuten later vroeg hij of ik even naar een presentatie kon kijken.

‘Alleen jouw oog erop. Jij kent die klant.’

Ik opende het bestand. Drieënveertig dia’s. Overal verschoven tekstvakken. De presentatie moest om één uur klaar zijn.

Mijn vingers begonnen vanzelf te werken.

Om kwart voor elf stond Marit naast me met mijn jas.

‘Je tijd zit erop.’

‘Nog vijf minuten.’

Ze keek naar het scherm.

‘Noor.’

‘Ik ben bijna klaar.’

Dat was niet waar. Ik kende die zin. Ik had hem jarenlang gebruikt om mezelf aan mijn stoel vast te zetten.

Om half twaalf liep ik naar het station. Mijn benen trilden. Niet zoals op de dag van mijn instorting, maar genoeg om mijn aandacht volledig naar binnen te trekken.

Duizelig? Misselijk? Gewoon moe? Moest ik iets doen?

Ik ging op een bankje zitten en pakte mijn telefoon. Ik las mijn persoonlijke instructies, hoewel ik ze kende. Ik dronk wat, at mijn boterham en belde Sami.

‘Ik ben later weggegaan.’

Hij zuchtte.

‘Hoeveel later?’

‘Een halfuur.’

‘Waarom?’

Die vraag voelde als een beschuldiging. Vooral omdat ik zelf het antwoord wist.

Thuis sliep ik twee uur. Daarna zat ik naast Fien terwijl zij las. Ik hoorde de woorden, maar begreep het verhaal niet.

‘Mama, ik heb die zin al gedaan.’

‘Sorry. Nog een keer.’

Ze sloeg het boek dicht.

De volgende ochtend mailde ik Bas. Geen lange uitleg. Ik schreef dat mijn afgesproken uren en taken niet vrijblijvend waren. Ook niet als ik zelf geneigd was langer door te gaan.

Daarna las ik de mail zes keer voordat ik op verzenden drukte.

Hij belde meteen.

Mijn maag trok samen.

‘Je hebt gelijk,’ zei hij. ‘Ik dacht dat even kijken echt even kijken was.’

‘Dat dacht ik ook.’

We maakten concretere afspraken. Eén collega bepaalde samen met mij mijn taken. Geen deadlines op mijn werkdagen. Mijn computeralarm ging een kwartier voor vertrek af.

Het ging daarna beter. Niet elke week. Wel vaak genoeg om verschil te merken.

Toch raakte ik een grote opdracht kwijt. Een campagne waar ik het eerste voorstel voor had gemaakt, ging naar iemand anders. Bas vertelde het zorgvuldig. Dat maakte het niet minder pijnlijk.

Op de wc bekeek ik het ontwerp op mijn telefoon. Mijn idee was nog herkenbaar. Mijn naam stond er niet meer bij.

Ik huilde zonder geluid. Daarna waste ik mijn handen veel te lang.

Die avond zei Sami dat mijn gezondheid belangrijker was dan werk.

‘Dat weet ik,’ zei ik. ‘Maar ik vond mijn werk ook belangrijk toen ik nog niet ziek was. Dat is niet ineens weg.’

Hij schoof zijn stoel dichterbij.

‘Nee. Dat snap ik.’

We losten niets op.

Hij luisterde terwijl ik vertelde wat ik miste. Het tempo. Het gemak. Iemand zijn op wie anderen zonder nadenken konden rekenen.

Voor het eerst probeerde hij me niet meteen op te vrolijken.

Hoofdstuk 5

De nacht met de emmer

Het begon bij Fien. Op donderdag kwam ze wit uit school. Die avond gaf ze over in haar bed.

Sami verschoonde het dekbed. Ik hield haar haar vast boven een emmer. We wasten onze handen, maakten schoon en hoopten dat het daarbij bleef.

Zaterdagnacht werd ik wakker van een draaiende maag.

Ik keek op de wekker. Twee uur zeventien.

Even bleef ik liggen. Misschien te laat gegeten. Misschien spanning. Er was altijd eerst die poging om een onschuldige verklaring te vinden.

Toen moest ik rennen.

Sami stond in de deuropening van de badkamer terwijl ik boven de wc hing.

‘Ik pak je plan.’

Ik knikte. Mijn voorhoofd lag tegen mijn arm. De tegels waren koud onder mijn voeten.

We volgden de instructies die ik van het behandelteam had gekregen. Maar ik bleef braken. Ik werd snel slap en duizelig. Dat betekende dat we niet konden vertrouwen op medicijnen die ik moest doorslikken.

Sami legde de noodset op de wastafel.

Het geluid van de rits maakte me banger dan het overgeven.

Tot dan toe was de set iets geweest wat meeging. Naar kantoor. Naar de supermarkt. Naar een verjaardag in Zwolle. Een voorwerp dat bewees dat we voorbereid waren.

Nu moest hij open.

‘Ik bel 112,’ zei Sami.

‘Misschien kunnen we eerst—’

‘Nee. Dit is waarvoor we geoefend hebben.’

Hij zei het stevig, zonder te schreeuwen. Ik had die stevigheid nodig, al vond ik dat op dat moment niet prettig.

Met de meldkamer aan de lijn pakte hij de spullen. Hij diende de noodinjectie toe zoals we hadden geleerd. Zijn handen trilden. De handelingen kende hij nog.

Ik zat tegen het bad en keek naar een groene haarspeld onder het kastje.

Die moest ik nog oprapen, dacht ik.

Mijn hoofd kon blijkbaar wel een haarspeld bedenken, maar niet bevatten dat er opnieuw een ambulance onderweg was.

Fien verscheen op de overloop.

‘Wat gebeurt er?’

Ze hield haar knuffel aan één poot vast.

‘Mama heeft extra hulp nodig,’ zei Sami. ‘Ga je even op jouw bed zitten? Ik kom zo.’

‘Gaat ze dood?’

Het bleef één tel stil.

‘We halen hulp om haar beter te maken,’ zei hij. ‘De ambulance komt eraan.’

Ik wilde naar haar toe. Ik kwam niet overeind.

Onze buurvrouw Ellen kwam in haar ochtendjas. Sami had haar gebeld nadat de hulp onderweg was. Ze ging bij Fien zitten en nam later een tandenborstel en haar knuffel mee naar haar eigen huis.

De ambulanceverpleegkundige vroeg wat er was gebeurd, welke medicatie ik had gekregen en hoe laat. Sami had het tijdstip opgeschreven. Op de achterkant van een reclame-envelop.

Ik vond dat zo typisch hem dat ik bijna moest lachen.

In de ambulance was ik helderder dan die eerste keer. Dat was geen geruststelling. Nu wist ik welke kant het op kon gaan.

‘We waren er sneller bij,’ zei ik.

‘Dat is belangrijk,’ antwoordde de verpleegkundige. ‘En we blijven u goed in de gaten houden.’

Op de spoedeisende hulp kreeg ik verdere behandeling en vocht. Er werd bloed afgenomen. Een arts vertelde dat een buikvirus voor mij extra risico gaf, juist door het vochtverlies en het niet binnenhouden van medicatie.

Ik bleef ter observatie.

Tegen de ochtend zat Sami naast het bed met een bekertje thee. Zijn broek was nat geworden op de badkamervloer. Hij had geen andere meegenomen.

‘Je deed het goed,’ zei ik.

Hij keek naar het bekertje.

‘Ik was doodsbang dat ik iets verkeerd deed.’

‘Je deed het.’

Toen begon hij te huilen. Heel stil. Ik had hem in jaren niet zo gezien.

Na thuiskomst bleef de angst langer dan de buikklachten. Ik schrok van elke kramp. Ik keek na het eten op de klok. Ik sliep met de slaapkamerdeur open, alsof hulp me dan sneller kon vinden.

Bij de controle vroeg ik of dat overdreven was.

De verpleegkundig specialist schudde haar hoofd.

‘U hebt twee bedreigende situaties meegemaakt. Het is begrijpelijk dat uw alarmsysteem nog aanstaat. We kunnen daar ook hulp bij regelen.’

Ik wilde zeggen dat het wel ging.

In plaats daarvan vroeg ik hoe lang de wachttijd was.

Hoofdstuk 6

Niet alles is alarm

De psycholoog heette Daan en had een praktijk vlak bij het Eemplein. Er stond geen doos tissues klaar tussen ons. Daar was ik blij om. Ik wilde niet binnenkomen als iemand van wie al werd verwacht dat ze ging huilen.

Ik huilde na elf minuten.

Niet toen ik over de ambulances vertelde. Wel toen hij vroeg wat ik deed als Sami een avond weg was.

‘Zorgen dat mijn telefoon opgeladen is.’

‘En verder?’

‘Mijn medicijnen controleren.’

‘En verder?’

Ik keek naar het raam.

‘Wachten tot hij thuiskomt.’

Daar schaamde ik me voor. Voor mijn ziekte ging ik alleen naar klanten, fietste ik ’s avonds door de stad en boekte ik zonder nadenken een weekend weg. Nu kon een lege gang me zenuwachtig maken.

Daan probeerde me niet wijs te maken dat er geen gevaar bestond. Dat werkte prettig. Er was een medische reden om voorbereid te zijn. Alleen was voorbereid zijn iets anders dan elk uur controleren of ik nog leefde.

We bekeken wat in mijn noodplan stond en wat ik er uit angst zelf bij had verzonnen.

De noodset meenemen: nuttig.

Zes keer per avond dezelfde rits openen: niet nodig.

Nieuwe, ernstige klachten serieus nemen: nuttig.

Elke gewone geeuw behandelen als mogelijk begin van een crisis: uitputtend.

Het onderscheid bleef lastig. Ik belde mijn behandelteam soms met vragen. Niet om toestemming te vragen voor elke stap, maar om mijn afspraken goed te begrijpen. Langzaam durfde ik daar meer op te vertrouwen.

Sami moest ook iets afleren.

Hij vroeg vaak of ik mijn pillen had genomen. Aan tafel. In de auto. Midden in een gesprek met vrienden.

Op een avond beet ik hem toe dat hij mijn cipier niet was.

Fien keek op van haar tekening.

Ik baalde meteen van mijn toon.

Later praatten we in de keuken, met de deur dicht.

‘Als ik niet vraag, ben ik bang dat ik iets mis,’ zei hij.

‘Als je steeds vraagt, voelt het alsof ik het niet zelf kan.’

We spraken af dat mijn gewone medicatie mijn verantwoordelijkheid was. Bij ziekte gebruikten we samen het plan. En als hij bezorgd was, moest hij zeggen wat hij zag, niet automatisch een vragenlijst afwerken.

Dat ging niet meteen goed. Soms zei hij alsnog: ‘Pillen?’

Soms antwoordde ik onredelijk scherp.

Dan begonnen we opnieuw.

Met Fien maakten we andere afspraken. Zij hoefde niet op mij te letten. Ze mocht altijd een volwassene halen als ze schrok, maar ze was niet verantwoordelijk voor mijn medicijnen of mijn gezondheid.

‘Dus ik hoef niet te kijken of je ademt?’ vroeg ze.

Ik voelde mijn keel dichttrekken.

‘Doe je dat?’

Ze knikte.

We hebben die avond lang bij haar gezeten. Daarna vroegen we hulp om ook haar beter te begeleiden. Ik had gedacht dat ik mijn angst redelijk verborgen hield. Kinderen merken ook wat je niet uitlegt.

In juni ging ik naar een bijeenkomst voor mensen met bijnieraandoeningen in Utrecht. Ik had bijna afgezegd. Het woord lotgenoten voelde zwaar. Alsof ik ergens lid van moest worden waar ik nooit om had gevraagd.

Naast mij zat een man met een fietstas. Koos. Hij was zestig en werkte nog drie dagen per week als docent.

‘Hoe lang weet je het?’ vroeg hij.

‘Vier maanden.’

‘Dan ben je nog heel veel aan het uitzoeken.’

Hij zei niet dat het vanzelf goedkwam. Hij vertelde dat hij nog steeds baalde als hij een uitje moest aanpassen. Een vrouw tegenover ons vertelde juist dat ze veel kon, mits ze rekening hield met haar behandeling.

Niemand had precies mijn leven. Toch hoefde ik voor één middag niets te vertalen.

Op de terugweg liep ik langs de singel. Ik was moe, maar niet bang voor die moeheid. Dat verschil viel me ineens op.

Ik ging op een bankje zitten en stuurde Sami een bericht.

Ik neem een trein later. Zit even buiten.

Hij stuurde een foto terug van Fien met een kom aardbeien.

We bewaren wat.

Geen vragen. Geen controle.

Ik bleef nog tien minuten zitten. Toen liep ik naar het station.

Hoofdstuk 7

Een gewone zaterdag

Een jaar na mijn eerste opname zat ik op de rand van mijn bed en had ik geen zin in mijn medicijnen.

Niet omdat ik eraan twijfelde. Niet omdat ik van plan was ze over te slaan. Ik was gewoon klaar met het feit dat het elke ochtend moest.

Ik nam ze met water.

Dat is ook leven met een chronische ziekte. Dingen doen die nodig zijn terwijl je er grondig genoeg van hebt.

Het was zaterdag. Buiten hoorde ik iemand glas in de container gooien. Sami stond onder de douche. Fien riep van beneden dat de melk raar rook.

‘Dan niet drinken,’ riep ik terug.

‘Dat weet ik ook wel.’

Ze was inmiddels acht en werd steeds beter in vinden dat ik overbodige dingen zei.

We zouden naar het bos bij Austerlitz gaan. Geen groot uitje. Wandelen, broodjes eten, kijken hoe lang Fien de routepaaltjes belangrijk vond voordat ze alleen nog over de speeltuin begon.

Een jaar eerder had ik zoiets gebruikt als test. Kon ik het weer? Was ik eindelijk terug?

Nu keek ik vooral naar wat die dag haalbaar leek. Ik had redelijk geslapen. Mijn lijf voelde rustig. We konden gaan, en we konden ook eerder terug.

Mijn noodset zat in mijn rugtas. De medicijnen waren gecontroleerd, de instructies bijgewerkt. Daarna bleef de rits dicht.

In de auto vroeg Sami of ik koffie wilde bij de eerste stop.

Geen vraag over mijn pillen.

‘Graag.’

Hij glimlachte even. We merkten allebei nog steeds wanneer iets gewoner werd.

Op mijn werk zat ik inmiddels op vier dagen met minder uren dan vroeger. Dat was na overleg haalbaar gebleken. Ik werkte één dag thuis en had duidelijkere grenzen rond haastklussen.

Sommige weken wilde ik meer. Sommige weken was dit al veel.

Ik verdiende minder. We hadden onze zomervakantie aangepast. Geen twee weken rondtrekken, maar een huisje bij Ommen. Ik vond dat jammer. Fien wilde vooral weten of er een stapelbed was.

Ik had mijn oude energie niet teruggekregen als een pakket dat eindelijk werd bezorgd. Wel had ik weer middagen waarop ik vergat dat ik ziek was. Tot een alarm afging, of mijn tas tegen mijn been tikte.

In het bos liep Fien voor ons uit. Ze droeg laarzen hoewel het droog was. Bij elke plas stapte ze van het pad af om te bewijzen dat haar keuze verstandig was geweest.

Na een halfuur werden mijn benen zwaar.

Ik merkte het op. Wachtte even. Voelde opnieuw.

Geen plotselinge duizeligheid. Geen misselijkheid. Gewoon genoeg inspanning voor dat moment.

‘Ik wil op dat bankje zitten,’ zei ik.

Sami keek naar het bankje.

‘Prima.’

Fien protesteerde. De speeltuin lag volgens haar bijna om de hoek. In werkelijkheid had niemand enig idee waar die was.

‘Vijf minuten,’ zei ik.

‘Echte minuten of grotemensenminuten?’

‘Echte.’

Ze ging op een boomstronk staan en telde tot zestig. Veel te snel. Daarna vergat ze verder te tellen omdat er een kever over de bast liep.

Ik at mijn broodje. Sami leunde achterover met zijn ogen dicht.

Er was niets opgelost op dat bankje. Mijn bijnierschors deed het nog steeds niet goed. Een buikvirus kon nog steeds gevaarlijk worden. Ik zou mijn behandeling en noodplan nodig blijven hebben.

Maar ik zat daar ook met pindakaas aan mijn duim en een kind dat riep dat we onmiddellijk naar een insect moesten kijken.

Dat was geen klein ding meer.

Op de terugweg reden we langs Amersfoort Centraal. Bij het verkeerslicht keek ik naar de ingang. Mensen liepen naar binnen met koffers en kartonnen koffiebekers.

De vrouw met de gele regenjas heb ik nooit gevonden. Ik heb via het station een bedankbericht laten doorgeven. Of het haar bereikt heeft, weet ik niet.

Sami volgde mijn blik.

‘Gaat het?’

‘Ja,’ zei ik. ‘Ik dacht even aan toen.’

Het licht werd groen.

Thuis liet ik mijn wandelschoenen bij de achterdeur staan. Fien vroeg of ik wilde helpen met een bouwpakket. Een houten vogelhuisje, veel te ingewikkeld voor de leeftijd op de doos.

Ik zette thee en ging naast haar zitten.

Na twintig minuten was ik moe. We legden de losse onderdelen in het deksel, zodat niets zoek zou raken.

‘Morgen verder?’ vroeg ze.

‘Morgen kijken we hoe ver we komen.’

Ze knikte en drukte het laatste stukje plakband vast.

Ik bleef nog even zitten. Niet omdat ik niet overeind kon.

Omdat ik nergens heen hoefde.