Psychische gezondheid
Ik dacht dat iedereen zo dacht
Dit boek gaat over psychische klachten. Zoek hulp als het onderwerp je raakt.
Hoofdstuk 1
Ik dacht dat iedereen zo dacht
Bij de slagboom van de parkeergarage wist ik ineens zeker dat ik iemand had geraakt.
Ik zette de auto stil. Achter mij drukte iemand op zijn claxon. De slagboom stond omhoog. Ik keek in mijn spiegel, door de achterruit, in de spiegel aan de andere kant. Niets. Alleen een witte bestelbus. De bestuurder stak zijn handen op.
‘Rijden, vriend!’
Ik reed niet.
Er was een tik geweest. Misschien mijn tas tegen het portier. Misschien een steentje onder een band. Maar vlak daarvoor was een vrouw met een kind langs de betaalautomaat gelopen. Het kind droeg een gele jas. Dat wist ik zeker. Waar was dat kind nu?
Mijn naam is Daan Vermeer. Ik was vierendertig en woonde alleen in Amersfoort. Vier dagen per week digitaliseerde ik bouwtekeningen bij een archiefbedrijf in Utrecht. Ik betaalde mijn rekeningen op tijd. Ik bracht lege flessen terug. Op verjaardagen was ik degene die de trein nog moest halen.
Niemand wist dat ik soms drie keer dezelfde straat doorreed om te controleren of er geen gewonde op het asfalt lag.
Ik stapte uit.
De man uit de bestelbus gooide zijn deur open.
‘Wat doe jij nou?’
‘Volgens mij lag hier iets.’
Hij keek naar de grond. Toen naar mij.
‘Er ligt niks.’
Ik bukte bij mijn achterwiel. Mijn overhemd trok strak over mijn rug. Ik zag een kassabon, een platgereden dopje en zwarte strepen op het beton. Geen kind.
Dat had genoeg moeten zijn.
Maar ik dacht: misschien ben ik al verder gereden dan ik besef.
De garagebeheerder kwam uit zijn hokje. Hij droeg een blauwe trui met een koffievlek bij zijn kraag.
‘Meneer, u houdt de uitgang tegen.’
Ik vroeg of hij op de camera kon kijken. Hij vroeg waarnaar. Ik kon het niet zeggen zonder gevaarlijk te klinken.
‘Of er net iemand achter mijn auto liep.’
Hij keek naar het scherm in zijn hokje. Ik wachtte naast mijn open portier. De bestelbus reed langs me heen door de andere baan. De bestuurder zei iets wat ik niet verstond.
De beheerder kwam terug.
‘Er liep niemand achter u. U kunt gaan.’
‘Helemaal niemand?’
Zijn gezicht veranderde. Niet boos. Voorzichtig.
‘Nee.’
Ik wilde vragen hoe ver hij had teruggekeken. Of de camera alles zag. Of een klein kind misschien onder de rand van het beeld kon verdwijnen.
In plaats daarvan bedankte ik hem.
Buiten parkeerde ik aan de overkant. Ik bleef twintig minuten zitten. Iedere sirene leek voor mij te komen.
Mijn zus Eva belde.
‘Waar blijf je? De pannenkoeken zijn klaar.’
Ik zou bij haar en mijn neefje Sam eten. Sam was zeven. Hij had die ochtend een foto gestuurd van een pannenkoek met twee rozijnen als ogen.
‘Ik voel me niet lekker.’
‘Alweer?’
Dat woord bleef hangen.
Ik had de week ervoor ook afgezegd. Toen had ik voor mijn voordeur gestaan met mijn sleutels in mijn hand. Ik was bang geweest dat ik bij Eva plotseling iets verschrikkelijks zou doen. Niet omdat ik het wilde. Juist omdat ik het afschuwelijk vond. Het beeld kwam op, mijn maag trok samen, en daarna moest ik uitzoeken waarom ik het had gedacht.
Een goed mens dacht zoiets toch niet?
‘Daan?’ zei Eva.
‘Sorry. Morgen beter.’
Thuis controleerde ik het plaatselijke nieuws. Daarna de politieberichten. Daarna zocht ik op ongelukken bij de parkeergarage. Ik veranderde de zoekwoorden. Kind. Aanrijding. Amersfoort. Vanmiddag.
Er verscheen niets.
Om half elf liep ik naar de auto. Onder een straatlamp bekeek ik de bumper. Ik maakte foto’s en vergrootte ze op mijn telefoon. Iedere kras kreeg een verklaring. Daarna twijfelde ik aan die verklaring.
Een buurvrouw kwam haar hond uitlaten.
‘Schade?’
‘Misschien.’
‘Vervelend.’
Ik knikte alsof dit een normaal gesprek was.
Boven at ik twee boterhammen boven het aanrecht. Ik had de hele dag nog niets gegeten. Mijn telefoon lag naast de boter. Het scherm lichtte op.
Een bericht van Eva.
‘Sam denkt dat je hem niet meer leuk vindt. Ik heb gezegd dat dat niet zo is. Maar ik maak me zorgen. Morgen kom ik langs.’
Ik las het vijf keer.
Daarna wilde ik de garage bellen. Nog één keer vragen. Preciezer deze keer.
Ik had gedacht dat iedereen zulke gedachten kreeg. Dat iedereen zichzelf voortdurend moest controleren en daar gewoon minder moeilijk over deed.
Die avond begon ik te vermoeden dat ik iets niet begreep.
Hoofdstuk 2
Wat ik niet zei
Eva stond zondag om tien uur voor de deur. Ze had broodjes bij zich en geen kind.
‘Sam is bij Joris,’ zei ze.
Ik liet haar binnen. Op de tafel lagen drie kassabonnen, mijn laptop en een schrift. In dat schrift had ik de gebeurtenissen in de parkeergarage opgeschreven. Tijdstippen. Looprichtingen. Wat ik wel en niet gezien had.
Eva zette de broodjes neer.
‘Ben je ergens getuige van geweest?’
Ik klapte het schrift dicht.
‘Nee.’
Ze trok haar jas uit. Dat betekende dat ze bleef.
We gingen tegenover elkaar zitten. Ze schoof een broodje naar me toe. Ik brak er een stukje af, maar kreeg het niet weg.
‘Ik ga iets vragen,’ zei ze. ‘En je hoeft me niet meteen gerust te stellen.’
Mijn gezicht werd warm.
‘Wat is er met je?’
Ik had antwoorden voorbereid. Werkdruk. Slecht slapen. Misschien een vitaminetekort. Dingen waarvoor niemand afstand van je neemt.
‘Mijn hoofd houdt niet op.’
‘Waarmee?’
Ik keek naar haar handen. Ze had een pleister om haar wijsvinger.
‘Controleren.’
Ze wachtte.
Ik vertelde over de garage. Eerst de korte versie. Toen de camera. De nieuwsberichten. De foto’s van mijn bumper. Eva zei dat ik vast niemand had aangereden.
Ik voelde onmiddellijk opluchting.
Daarna kwam de vraag of ik haar alles wel precies genoeg had verteld.
‘Maar ik hoorde echt iets.’
‘Een garage maakt geluid, Daan.’
‘Dat weet ik. Alleen die vrouw had een kind bij zich.’
We praatten tien minuten over waar dat kind kon hebben gelopen. Eva pakte een pen en tekende de uitgang op de achterkant van een envelop.
Ik wees een plek aan.
‘Of misschien hier.’
Ze legde de pen neer.
‘Ik merk dat mijn antwoorden niet helpen.’
Dat deed pijn, juist omdat het klopte.
Ik liep naar de keuken. Vulde de waterkoker. Gooide het water weg omdat ik niet wist of de kraan wel koud had gestaan. Vulde hem opnieuw.
‘Doe je dat ook?’ vroeg ze achter me.
Ik zette de waterkoker neer.
‘Soms.’
‘Hoe vaak is soms?’
‘Ik weet het niet.’
Dat was niet waar. Ik wist het wel, maar ik wilde niet dat zij het wist.
Eva ging op de keukendrempel zitten. Ze deed dat vroeger ook, toen we nog bij onze ouders woonden. Als ik nergens over wilde praten, bleef zij net zo lang in de buurt tot ik iets zei.
‘Ik ben bang dat ik iemand kwaad doe,’ zei ik.
Ze bewoog niet.
‘Heb je iemand kwaad gedaan?’
‘Nee. Maar ik krijg beelden. Zomaar. Als ik naast iemand sta. Of als Sam bij me is.’
Haar blik schoot even omhoog. Ik zag het en wilde alles terugnemen.
‘Ik wil het niet. Ik vind het verschrikkelijk. Daarom kom ik niet meer.’
Eva ademde langzaam uit.
‘Wil je jezelf of iemand anders iets aandoen?’
‘Nee. Ik wil zeker weten dat ik het nooit zal doen.’
Daar zat het verschil, al kon ik het toen niet uitleggen. Ik was niet bezig plannen te maken. Ik was bezig ieder teken van een mogelijk plan in mezelf op te sporen.
Ik vertelde hoe ik gesprekken terughaalde. Hoe ik mijn gevoelens testte bij foto’s van Sam. Voelde ik genoeg liefde? Wel genoeg afschuw bij de nare beelden? Soms voelde ik alleen vermoeidheid. Dan begon ik opnieuw.
Eva huilde niet. Daar was ik dankbaar voor.
‘Hoelang?’ vroeg ze.
‘Dit erg? Een jaar.’
‘En daarvoor?’
Ik dacht aan de middelbare school. Aan teruglopen om te kijken of ik niet per ongeluk iets gestolen had. Aan eindeloos excuses aanbieden voor zinnen die niemand zich herinnerde.
‘Misschien altijd al een beetje.’
We belden maandagochtend mijn huisarts. Eva zat naast me, maar ik hield zelf de telefoon vast. De assistente vroeg waarvoor ik wilde komen.
‘Psychische klachten,’ zei ik.
Mijn stem klonk zakelijk. Alsof ik een afspraak maakte voor een kapotte knie.
Toen het gesprek afgelopen was, vroeg ik Eva of ze bang voor me was.
Ze schoof haar stoel dichterbij.
‘Ik zie dat jij bang bent. Daar wil ik iets aan doen.’
Ik wilde haar laten beloven dat ze Sam bij me zou blijven laten. Ik wilde vragen of ze me nog vertrouwde. Ik wilde de ochtend opnieuw vertellen, met betere woorden.
In plaats daarvan at ik het broodje op. Het was droog geworden.
Eva bleef tot na de lunch. We praatten ook over haar werk, een lekkende dakgoot en Sams nieuwe bril. Ik was vergeten dat een gesprek ergens anders over kon gaan.
Hoofdstuk 3
De wachtkamer
Huisarts Van Leeuwen had een doos tissues op haar bureau. Ik besloot meteen dat ik die niet nodig zou hebben.
‘Wat kan ik voor je doen?’ vroeg ze.
Ik haalde een gevouwen vel uit mijn jas. Daarop stonden acht punten. Ik had er eerst drieëntwintig gehad. Eva had gevraagd of ik de belangrijkste wilde onderstrepen. Daarna had ik alles overgeschreven omdat de strepen rommelig waren.
Bij punt twee begon ik te huilen.
Niet rustig. Ik kreeg geen woorden meer uit mijn mond. De huisarts schoof de doos mijn kant op en wachtte.
‘Ik ben bang dat u iets heel ergs over me gaat denken,’ zei ik.
‘Vertel eerst maar wat er gebeurt.’
Dus vertelde ik het. De beelden. Het controleren. De vermijding. Mijn angst om alleen met Sam te zijn. Hoeveel tijd ik kwijt was aan bewijzen dat ik niemand schade had gedaan.
Ze vroeg rechtstreeks naar bedoelingen, plannen en of ik op dat moment veilig was. Ik antwoordde. Dat was ongemakkelijk, maar minder eng dan haar om alles heen zien draaien.
Daarna zei ze dat mijn verhaal kon passen bij een dwangstoornis. Vooral de ongewenste gedachten en de handelingen waarmee ik de onrust probeerde weg te krijgen.
‘Maar ik was mijn handen niet vaak,’ zei ik.
‘Dwang kan ook grotendeels in je hoofd zitten.’
Ik keek naar mijn papier.
‘Dus dat terugdenken telt ook?’
‘Dat kan een dwanghandeling zijn. Zeker als je het telkens moet herhalen om zekerheid te krijgen.’
Ze stelde geen definitieve diagnose in dat gesprek. Ze wilde me verwijzen voor onderzoek en behandeling. Ondertussen kon ik terecht bij de praktijkondersteuner voor psychische klachten.
Buiten ging ik op een bankje bij de fietsenstalling zitten. Ik typte het woord dwangstoornis in mijn telefoon. Binnen een kwartier had ik zes pagina’s gelezen.
Eindelijk een verklaring.
Daarna las ik een beschrijving die niet helemaal op mij leek.
Misschien had ik de huisarts misleid. Misschien had ik net de woorden gekozen die bij een onschuldige aandoening pasten.
Ik liep terug naar de praktijk. Bij de deur bleef ik staan.
De assistente keek op door het glas. Ik deed alsof ik iets in mijn jas zocht en liep weg.
De wachttijd bij de eerste behandelaar was langer dan vier maanden. De tweede nam geen nieuwe cliënten aan. Bij de derde kon ik na tien weken terecht voor een intake. Daarna zou duidelijk worden wanneer behandeling kon beginnen.
Tien weken klonk eerst haalbaar. Toen keek ik naar mijn agenda. Zeventig ochtenden. Zeventig avonden.
Op mijn werk begon het ondertussen zichtbaar te worden.
Mijn collega Niels trof me bij de scanner aan met dezelfde bouwtekening die ik voor de koffiepauze had vastgehouden.
‘Loopt dat ding vast?’
‘Ik controleer de bestandsnamen.’
‘Die controleert het systeem toch?’
Ik had bedacht dat een verkeerd opgeslagen tekening later tot een bouwfout kon leiden. Misschien zou iemand een verkeerde muur weghalen. Misschien zou een vloer instorten. Ik werkte niet aan actuele bouwprojecten. Dat wist ik. Mijn hoofd kon daar telkens een uitzondering op verzinnen.
Niels keek naar de teller op het scherm.
‘Je hebt er vandaag twaalf gedaan.’
Normaal deed ik er ruim honderd.
Onze teamleider Marijke vroeg me die middag in haar kantoor. Ze wees op een stoel.
‘Er gaat iets niet goed. Ik wil weten wat je nodig hebt.’
Ik vertelde dat ik hulp zocht. Niet waar mijn gedachten over gingen. Dat hoefde ook niet, zei ze. We spraken minder productiewerk af en een gesprek met de bedrijfsarts.
Toch schaamde ik me toen ik vroeger naar huis ging. Niels stak zijn hand op. Ik keek naar de vloer.
De praktijkondersteuner heette Farah. Zij hielp me de weken in te delen. Opstaan. Eten. Naar buiten. Contact houden met iemand, ook als ik niets leuks te vertellen had.
‘En als het slechter gaat, trek je aan de bel,’ zei ze. We schreven op wie ik dan kon bellen.
Ze beloofde niet dat wandelen mijn klachten zou oplossen. Ze zei dat ik tijdens het wachten niet helemaal uit mijn leven hoefde te verdwijnen.
Dat lukte wisselend.
Op donderdag liep ik een rondje langs de Eem. Op vrijdag bleef ik tot twee uur in bed. Op zaterdag zat ik bij Eva op de bank terwijl Sam een treinbaan bouwde.
Ik ging na een halfuur weg.
Maar ik was binnen geweest.
Hoofdstuk 4
Niet nog een keer
Psycholoog Iris had geen bureau tussen ons in. Wel een klok achter mijn schouder. Ik kon hem weerspiegeld zien in het raam.
Tijdens de intake vertelde ik vrijwel hetzelfde als bij de huisarts. Alleen uitgebreider. Ik wilde voorkomen dat Iris een conclusie trok op basis van onvolledige informatie.
Toen ik voor de derde keer op de garage terugkwam, stak ze haar hand op.
‘Ik denk dat je nu probeert alle twijfel uit mijn beoordeling te halen.’
‘Is dat niet de bedoeling?’
‘Zorgvuldig onderzoeken wel. Honderd procent zekerheid bereiken niet. Dat verschil gaan we vaker tegenkomen.’
Na meerdere gesprekken en vragenlijsten stelde ze een dwangstoornis vast. Obsessieve-compulsieve stoornis, stond in de brief. Ik las de afkorting hardop in mijn keuken. OCS. Drie letters voor iets wat mijn dagen had overgenomen.
De behandeling bestond uit cognitieve gedragstherapie, met exposure en responspreventie. Iris legde uit dat ik stap voor stap spanning zou oefenen zonder mijn gebruikelijke dwanghandelingen uit te voeren.
‘Dus dingen doen waar ik bang voor ben?’
‘Binnen normale, veilige grenzen. En dan niet alsnog zekerheid regelen door te controleren, te googelen of alles in je hoofd na te lopen.’
Ik vond het een beroerd voorstel.
Ik was gekomen om minder angst te voelen. Zij vroeg me om angst toe te laten en mijn beste verdedigingsmiddelen weg te leggen.
We begonnen niet met autorijden of mijn neefje. We begonnen met een gewone e-mail aan Marijke.
Ik moest doorgeven op welke dag mijn volgende afspraak was. Vier regels. Geen gevoelige gegevens. Geen belangrijke beslissing.
Ik schreef het bericht op mijn telefoon. Las het eenmaal na en drukte op verzenden.
‘Wat wil je nu doen?’ vroeg Iris.
‘Kijken of de datum klopt.’
‘En daarna?’
‘Of ik niet iets anders heb meegestuurd.’
‘Leg je telefoon eens met het scherm naar beneden.’
Mijn handen werden vochtig. Ik voelde me kinderachtig. Buiten liep iemand met een papieren koffiebeker langs het raam. Die persoon had geen idee dat ik tegenover een omgekeerde telefoon zat alsof er iets in kon ontploffen.
‘Misschien heb ik iets beledigends geschreven,’ zei ik.
‘Misschien voel je nu de drang om dat uit te sluiten.’
Ik ergerde me aan haar rustige stem.
‘U kunt toch gewoon zeggen dat dat onwaarschijnlijk is?’
‘Dat kan. Maar dan heb je straks opnieuw een antwoord van mij nodig.’
We bleven zitten. De onrust verdween niet. Hij verschoof. Even dacht ik aan boodschappen. Toen schrok ik omdat ik blijkbaar niet meer oplette.
Aan het einde van de afspraak had ik de e-mail niet opnieuw geopend.
In de lift deed ik het alsnog.
De week daarop vertelde ik dat meteen. Ik verwachtte teleurstelling.
Iris knikte.
‘Wanneer werd het te moeilijk?’
We maakten de oefening kleiner. We bespraken ook het verschil tussen een normale controle en een ritueel. Eén vaste regel voor alles werkte niet. Ik kon namelijk zelfs van één keer kijken een perfecte handeling maken die opnieuw moest als ik niet goed genoeg had opgelet.
Thuis oefende ik met berichten en kleine beslissingen. Een brood kiezen zonder zes keer de ingrediënten te vergelijken. Een gesprek laten rusten zonder achteraf te vragen of ik vreemd had gedaan.
Eva kwam mee naar een afspraak. Zij stelde inmiddels bijna net zo vaak als ik vast dat ik niemand had aangereden, beledigd of bedreigd.
‘Wat moet ik dan zeggen?’ vroeg ze.
‘Je kunt erkennen dat hij het moeilijk heeft zonder de inhoud steeds te onderzoeken,’ zei Iris. ‘Vraag wat jullie hadden afgesproken. Of bied aan iets samen te doen terwijl de twijfel er is.’
Diezelfde avond vroeg ik Eva of zij zeker wist dat ik goed met Sam omging.
Ze keek naar me. Ik zag hoe graag ze ja wilde zeggen.
‘Dit is zo’n vraag, hè?’
‘Laat maar.’
Ik zei het hard.
Ze trok haar jas aan, maar ging niet weg.
‘Ik wil je helpen. Alleen niet op die manier.’
We liepen samen naar de supermarkt. Ik was boos. Op haar, op Iris, op die behandeling die zelfs een geruststellend antwoord verdacht maakte.
Bij de kassa vroeg Eva of ik melk nodig had.
Ik wist het niet zeker.
Ik nam één pak mee en liet het daarbij.
Hoofdstuk 5
Aan tafel blijven
De eerste keer dat ik weer bij Eva bleef eten, stond Sam naast de deur met een stopwatch.
‘Vorige keer was je er zevenentwintig minuten,’ zei hij.
‘Heb je dat bijgehouden?’
‘Ik had zwemles. Daarom keek ik.’
Hij drukte op een knop en rende naar de keuken. Ik hing mijn jas op. Mijn hart sloeg al snel.
We hadden dit bezoek met Iris voorbereid. Geen test om te bewijzen dat ik een goede oom was. Gewoon eten bij mijn zus, zoals ik dat vroeger deed. Ik zou mijn gedachten niet gaan ontleden. Eva zou niet telkens vragen of het nog ging.
Sam had een stoel voor me klaargezet naast de zijne.
Ik wilde aan de andere kant van de tafel zitten.
‘Hier, Daan.’ Hij sloeg met zijn hand op de zitting.
Ik ging zitten.
Er waren aardappels, sperziebonen en vissticks. Sam vertelde over een jongen uit zijn klas die tijdens gym zijn schoen op het dak had geschopt. Ik hoorde maar de helft. In mijn hoofd verscheen een naar beeld. Ik spande mijn benen aan onder de tafel.
Daarna begon het bekende onderzoek. Waarom nu? Wat voelde ik? Had ik net een beweging gemaakt?
Ik merkte het op en probeerde terug te luisteren.
‘En toen moest meester Ben een ladder halen,’ zei Sam.
‘Voor die schoen?’
‘Nee, voor een andere schoen. Natuurlijk voor die schoen.’
Eva lachte. Ik ook, een tel later.
Het was geen rustige maaltijd. Ik kreeg nauwelijks iets weg. Maar ik bleef zitten tot de borden leeg waren. Daarna hielp ik Sam met een puzzel. Toen ik vertrok, keek hij op zijn stopwatch.
‘Eén uur en dertien minuten.’
‘Nieuw record,’ zei ik.
Op de fiets wilde ik de avond terughalen. Ik begon bij het binnenkomen. Toen bij het eten. Na een paar straten besefte ik dat ik thuis waarschijnlijk nog uren door kon gaan.
Ik richtte mijn aandacht op de weg. De gedachten bleven komen. Ik gaf ze niet steeds een antwoord.
Thuis was ik uitgeput. Ik had gehoopt op trots. In plaats daarvan zat ik met mijn jas aan op de bank en voelde me beroerd.
Bij de volgende afspraak zei ik dat de oefening niet had gewerkt.
‘Wat had je willen kunnen doen?’ vroeg Iris.
‘Bij Eva eten.’
‘En wat heb je gedaan?’
Ik zuchtte.
‘Dat is wel een heel makkelijke vraag.’
‘Het antwoord maakt de avond niet makkelijk.’
Die zin hielp. Niet omdat hij mooi klonk. Omdat ik ineens zag dat ik de hele tijd een tweede eis had gesteld: ik mocht pas tevreden zijn als ik ook niets meer voelde.
Op het werk ging het minder overzichtelijk.
Marijke had mijn taken tijdelijk aangepast. De bedrijfsarts adviseerde een geleidelijke opbouw. Ik werkte kortere dagen. Toch bleef de stapel achterstallige scans groeien.
Op een maandag hoorde ik Niels tegen een collega zeggen dat hij weer mijn controlelijst had moeten overnemen.
Ik bleef achter de deur staan.
‘Zeg het maar gewoon,’ zei ik toen ik binnenkwam.
Niels draaide zich om.
‘Wat?’
‘Dat je klaar met me bent.’
‘Ik zei dat ik die lijst heb gedaan.’
‘Ik hoorde je wel.’
Het werd stil. Marijke kwam uit haar kantoor en vroeg of we even apart wilden zitten.
Daar vertelde Niels dat hij moe was. Zijn vader was ziek. Hij werkte extra uren. Hij wist dat ik klachten had, maar niet welke afspraken er over het werk waren gemaakt.
Ik had zijn vermoeidheid meteen tot een oordeel over mij gemaakt.
‘Sorry dat ik zo tegen je uitviel,’ zei ik.
Ik wilde daarna vragen of hij mijn excuus geloofde. Of hij me nog aardig vond. Of hij begreep dat ik niet lui was.
Ik liet die vragen zitten.
Marijke verdeelde het werk opnieuw. Niet alles kon blijven liggen en niet alles kon bij Niels terechtkomen. Mijn herstel gaf het bedrijf geen extra medewerker. Dat was vervelend, maar waar.
Die middag lukten zestig scans. Bij twee bestanden controleerde ik langer dan afgesproken. Bij de rest stopte ik na de normale werkwijze.
Toen ik vertrok, vroeg Niels of ik de volgende dag koffie wilde meenemen.
‘Twee cappuccino’s?’
‘Eén. Ik drink gewoon koffie.’
Ik had dat kunnen weten. We werkten al zes jaar samen.
De volgende ochtend nam ik de goede mee.
Hoofdstuk 6
Een slechte dinsdag
In november viel mijn vader in zijn keuken in Zwolle. Hij had een longontsteking en was uitgedroogd. De buurman vond hem toen hij de vuilnisbak wilde terugbrengen.
Eva belde terwijl ik op mijn werk stond.
‘Hij is in het ziekenhuis. Hij is aanspreekbaar. Kun jij komen?’
Ik hoorde alleen ziekenhuis.
In de trein las ik onze laatste berichten terug. Mijn vader had drie dagen eerder geschreven dat hij moe was. Ik had een duim omhoog gestuurd. Daarna had hij gevraagd of ik zaterdag kwam.
Ik had nog niet geantwoord.
Tussen Amersfoort en Harderwijk besloot ik dat zijn opname mijn schuld was. Als ik had gebeld, had ik gehoord hoe ziek hij klonk. Als ik was langsgegaan, had ik gezien dat hij niet genoeg dronk.
In het ziekenhuis lag hij met een infuus naast zijn bed naar een spelprogramma te kijken.
‘Daar ben je,’ zei hij. ‘Kun jij dit ding zachter zetten?’
Ik pakte de afstandsbediening.
Hij zag er kleiner uit dan thuis. Zijn bril lag op het kastje, naast een plastic beker. Ik vroeg naar de dagen ervoor. Wanneer was hij gaan hoesten? Hoeveel had hij gegeten? Had hij mij nog willen bellen?
Na de vijfde vraag keek Eva me aan.
‘Daan.’
‘Ik wil gewoon weten wat er gebeurd is.’
‘Niet alles hoeft nu.’
Mijn vader sloot zijn ogen.
Ik hield mijn mond. Vanbinnen ging ik door.
Die week sliep ik slecht. Ik miste een behandelafspraak omdat een ontslaggesprek in het ziekenhuis uitliep. Thuis begon ik opnieuw stopcontacten te controleren. Eerst alleen voor het slapen. Daarna ook als ik even naar de winkel ging.
Ik wist precies wat ik deed.
Dat maakte het niet makkelijker om te stoppen.
Op dinsdag zat ik om kwart over negen nog in mijn gang. Mijn werktas stond tussen mijn voeten. Ik had de voordeur vier keer afgesloten en weer geopend omdat ik niet zeker wist of het koffiezetapparaat uit was.
Ik gebruikte dat apparaat nauwelijks. Toch zag ik steeds mijn flat branden en de buurvrouw met haar hond op de galerij staan.
Marijke belde.
‘Ben je onderweg?’
Ik keek naar mijn sleutels.
‘Nee.’
‘Kun je vandaag werken?’
Ik wilde ja zeggen. Ik wilde niet weer degene zijn voor wie iets geregeld moest worden.
‘Vandaag niet,’ zei ik.
Daarna belde ik Iris. Ik kreeg de voicemail en sprak een bericht in. Ik zei dat het slechter ging. Niet dat alles waardeloos was. Niet dat de behandeling niet werkte. Alleen wat er gebeurde.
Ze belde die middag terug. We konden de volgende ochtend videobellen.
Tot die tijd had ik een plan nodig. Ik at iets. Ik stuurde Eva dat ik niet nog meer informatie over vaders klachten ging verzamelen. Daarna ging ik naar buiten, met de twijfel over het apparaat nog in mijn hoofd.
Na honderd meter liep ik terug.
Ik stond alweer in de hal toen ik Farahs oude briefje in mijn jaszak vond. Namen. Telefoonnummers. De afspraak om contact te zoeken als ik vastliep.
Ik belde Eva.
‘Kun je even aan de lijn blijven terwijl ik naar de bakker loop?’
‘Ja. Maar ik ga niet zeggen dat je huis veilig is.’
‘Dat weet ik.’
We praatten over haar kapotte fietsverlichting. Ik haalde brood. Het was geen indrukwekkende wandeling. Twaalf minuten, heen en terug.
De volgende ochtend keek ik via mijn laptop naar Iris.
‘Ik ben terug bij af,’ zei ik.
Ze vroeg wat ik had gedaan toen het misging. Ik vertelde over Marijke, mijn voicemail en het telefoontje met Eva.
‘Dat deed je vroeger niet,’ zei ze.
We bekeken mijn oefeningen opnieuw. Minder tegelijk. Meer aandacht voor slaap en de druk rond mijn vader. Niet wachten met oefenen tot de omstandigheden perfect waren, maar ook niet doen alsof ik onbeperkt energie had.
Mijn vader mocht vrijdag naar huis, met hulp geregeld voor de eerste periode. Ik bracht boodschappen en at soep met hem.
‘Je hoeft niet iedere dag te komen,’ zei hij.
‘Dat weet ik.’
‘Weet je dat echt?’
Ik keek in mijn kom.
‘Ik probeer het te weten zonder het steeds te moeten bewijzen.’
Hij begreep die zin niet helemaal. Hij schoof de broodmand naar me toe.
Dat was voor die middag genoeg.
Hoofdstuk 7
Gewoon naar huis
Een jaar na de parkeergarage zat ik opnieuw achter het stuur in Amersfoort. Naast me lag een tas met broodjes. Op de achterbank zat Sam.
Hij was inmiddels acht en vond mijn muziek oud.
‘Dit nummer is uit 2019,’ zei ik.
‘Dat is toch oud?’
We waren bij een boekwinkel geweest. Hij had een strip uitgezocht van het verjaardagsgeld van mijn vader. Daarna zouden we bij Eva lunchen.
Dit uitstapje was niet zomaar ontstaan. Eerst waren er korte bezoeken geweest. Daarna een wandeling met Sam terwijl Eva thuisbleef. Vervolgens samen naar de supermarkt. Ik had met Iris geoefend om weer te doen wat ik belangrijk vond, zonder ieder gevoel vooraf te keuren.
Soms was ik alsnog afgehaakt. Eén keer had ik na een uitstapje een hele avond zitten terugdenken. De volgende dag had ik het verteld in plaats van te doen alsof het goed was gegaan.
Nu vroeg Sam of hij een broodje mocht.
‘Straks. Anders ligt mijn hele auto vol kruimels.’
‘Hij ligt al vol kruimels.’
Daar had hij gelijk in.
Bij een uitrit hoorde ik een kort geluid onder de auto. Mijn maag trok samen. Meteen was het oude verhaal er. Iemand geraakt. Niet goed gekeken. Teruggaan.
Ik nam waar wat er op de weg gebeurde en reed verder. Er was niets dat wees op een aanrijding. De behoefte om absolute zekerheid te krijgen was er wel.
Ik ging niet terug.
De spanning bleef tot aan Eva’s straat. Zelfs toen ik de motor uitzette, wilde ik vragen of Sam iets had gezien. Ik wist hoe makkelijk dat klonk als een gewone vraag.
‘Kom,’ zei ik. ‘Neem jij de broodjes mee?’
Hij liet de tas bijna vallen en drukte drie keer op de bel.
Eva deed open.
‘Daar zijn jullie.’
Ik vertelde niet meteen over het geluid. Dat hoefde niet. Niet elke gedachte verdiende een familieoverleg.
Tijdens de lunch praatte Sam over zijn strip. Eva vroeg of ik de week erop haar planten water kon geven. Ze ging twee dagen weg voor haar werk.
‘Ja,’ zei ik.
Daarna voelde ik de neiging om voorwaarden toe te voegen. Dat ik misschien iets zou vergeten. Dat zij moest zeggen hoeveel water precies. Dat ze foto’s van alle planten moest sturen.
‘Zet maar op een briefje welke iets nodig hebben,’ zei ik. Een normale vraag. Daarna nam ik een hap.
Mijn leven was niet ineens groot geworden. Ik woonde nog in dezelfde flat. Ik werkte nog bij hetzelfde bedrijf. Ik had geld laten liggen door minder uren te werken. Een paar vriendschappen waren verwaterd tijdens de maanden waarin ik nergens kwam.
Met één vriend, Karim, had ik opnieuw afgesproken. In een café bij station Amersfoort. Ik had gezegd dat ik psychische klachten had en me had teruggetrokken.
‘Ik dacht dat je geen zin meer in ons had,’ zei hij.
‘Dat snap ik.’
Hij had mijn afwezigheid niet meteen vergeven. We moesten weer contact opbouwen. Inmiddels stuurde hij af en toe een bericht over voetbal, ook al wist hij dat ik daar weinig van volgde.
Op mijn werk deed ik weer bijna mijn gewone uren. Mijn afspraken met Iris waren minder vaak. We hadden opgeschreven waaraan ik kon merken dat het minder ging: maaltijden overslaan, afspraken afzeggen, steeds meer vragen stellen waarop geen antwoord lang genoeg hielp.
Er stond ook wat ik dan kon doen. Eerder contact opnemen. Oefeningen hervatten. Met Marijke over mijn belasting praten. Niet eerst wachten tot ik in de gang vastzat.
Die zondag liep ik na de lunch met Eva naar buiten. Sam bleef boven lezen.
‘Hoe was het onderweg?’ vroeg ze.
‘Even lastig.’
‘Wil je erover praten?’
Ik dacht na.
‘Niet over wat er precies gebeurde. Maar ik ben moe.’
‘Dan ga je straks thuis even zitten.’
Ze omhelsde me kort. Geen groot moment. Ze moest nog was ophangen.
Thuis legde ik mijn sleutels in de schaal. Ik merkte dat ik mijn telefoon wilde pakken om nieuwsberichten te bekijken.
Ik liet hem in mijn jas.
Daarna zette ik thee en belde mijn vader. Hij vertelde dat de buurman zijn heg te kort had gesnoeid. Ik luisterde. Halverwege kwam de twijfel weer op.
Ik liet mijn vader uitpraten.
Vroeger dacht ik dat iedereen zo dacht en dat ik gewoon slecht was in leven. Nu wist ik beter wat er met me gebeurde. Ik wist ook dat kennis alleen niet genoeg was.
Ik moest blijven oefenen. Hulp vragen als het nodig was. Soms opnieuw beginnen met iets kleins.
Die middag dronk ik mijn thee op voordat hij koud werd. Daarna ging ik boodschappen doen. Er moest die avond gewoon gegeten worden.