Psychische gezondheid
Ik ben niet mijn diagnose
Dit boek gaat over psychische klachten. Zoek hulp als het onderwerp je raakt.
Hoofdstuk 1
De steiger op de Varkensmarkt
De boorhamer woog nog geen vier kilo, maar opeens voelde het ding als lood. Ik stond op zeven meter hoogte op een steiger aan de Varkensmarkt in Amersfoort. Het was een dinsdagochtend in oktober. Een kille wind joeg door de straat. Beneden fietsten mensen met sjaals om naar hun werk. Ze zagen er normaal uit. Ze ademden gewoon.
Mijn eigen adem zat muurvast. Hij bleef steken ergens onder mijn adamsappel. Mijn borstkas werd dichtgeknepen alsof er een spanband omheen zat die elke seconde een tandje strakker ratelde. Mijn hart sloeg niet snel, het beukte. Boem. Boem. Tegen mijn ribben. Tegen mijn keel.
‘Dennis, geef die pluggen eens aan,’ riep Mo vanaf de andere kant van de steigerplank.
Ik hoorde hem wel, maar zijn stem kwam door een dikke laag watten. Mijn vingers begonnen te tintelen. Alsof ze sliepen, maar dan venijniger. IJskoud. Ik liet de boormachine zakken op het hout. Het metaal kletterde tegen de steigerbuis. Dat had ik niet moeten doen, want Mo keek meteen op.
‘Wat doe je nou, man? Laat dat ding niet kletteren.’
Ik probeerde te praten. ‘Mo.’
Meer kwam er niet uit. Het klinkt belachelijk als ik het nu opschrijf, maar op dat moment wist ik het honderd procent zeker: dit was het einde. Mijn hart hield ermee op. Ik was vierendertig jaar oud, timmerman, nooit ziek, en ik ging dood op een steiger boven een bakkerswinkel.
‘Dennis? Gaat het wel?’ Mo liet zijn gereedschap vallen en deed twee stappen over de planken. De steiger deinsde zachtjes mee. Die lichte beweging maakte me kotsmisselijk. De straatstenen beneden leken naar boven te kantelen.
‘Ik moet eraf,’ kneep ik eruit. Mijn knieën waren van rubber. Ik zakte door mijn benen en greep met twee handen de koude, natte steigerbuis vast. Het ijzer sneed in mijn handpalmen. De pijn was het enige dat echt voelde.
‘Rustig, kerel. Blijf zitten. Zit je klem?’ Mo boog zich over me heen. Hij rook naar zware shag en koffie.
‘Mijn hart,’ hijgde ik. Zweet prikte in mijn ogen, terwijl mijn lijf rilde van de kou. ‘Bel een ambulance. Mo, serieus. Bel nou.’
Mo pakte zijn telefoon. Ik zag de paniek in zijn ogen overslaan. Dat maakte het erger. Als een nuchtere gozer als Mo schrikt, dan is het echt foute boel. Hij toetste drie cijfers in en begon te praten met de meldkamer. Ik hoorde hem mijn naam zeggen. Dennis Visser. Leeftijd. Vierendertig. Varkensmarkt.
Ik lag op mijn buik op de houten planken. De geur van nat vurenhout en uitlaatgassen drong mijn neus binnen. Ik dacht aan Laura. Ze zat nu op haar kantoor bij de verzekeraar, met een mok thee naast haar toetsenbord. We hadden die ochtend nog gekibbeld over wie het vuilnis buiten moest zetten. Ik had mijn werkschoenen aangetrokken en de deur iets te hard dichtgetrokken. Dat was mijn laatste herinnering aan haar. Een stomme ruzie over een vuilniszak.
De sirene sneed door de stad. Het geluid kwam dichterbij, kaatste tussen de oude gevels. Twee minuten later stonden er twee mensen in gele jassen naast me op de steiger. Een vrouw met een paardenstaart en een man met een grote koffer. Ze knipten mijn jas open. Plakkers op mijn borst. De koude wind op mijn blote huid.
‘Hartslag is honderddertig,’ zei de vrouw rustig. ‘Bloeddruk is flink hoog. Maar het ritme is regelmatig, Dennis.’
‘Het klopt niet,’ kreunde ik. ‘Er scheurt iets.’
‘We gaan je rustig naar beneden halen,’ zei de man. ‘Je bent veilig.’
Met behulp van de brandweerlier kwam ik beneden. Beneden stond een klein groepje mensen te kijken. Een vrouw met een kinderwagen. Een jongen met een tas van de supermarkt. Ze keken naar mij zoals ik altijd naar ongelukken op de snelweg keek: met een mengeling van medelijden en nieuwsgierigheid.
In de ambulance sloten ze me aan op een monitor. Piep. Piep. Piep. Iets langzamer nu. De broeder schoof een stripje onder mijn tong en keek naar het schermpje. Hij fronste niet eens.
‘Meneer Visser,’ zei hij zacht. ‘Uw hart werkt prima. Geen infarct. Geen ritmestoornis.’
‘Maar wat is het dan?’ vroeg ik. Mijn tanden klapperden nog steeds.
De man keek me aan met een blik die ik niet kon plaatsen. Geen medelijden, eerder herkenning. ‘Ik denk dat uw hoofd zojuist aan de noodrem heeft getrokken.’
Hoofdstuk 2
Het zwarte zand in mijn schoenen
De dokter op de eerste hulp stuurde me na twee uur naar huis met een foldertje over hyperventilatie en de boodschap dat ik maar een paar dagen rust moest nemen. Rust. Dat leek me makkelijk. Ik werkte al sinds mijn zestiende vijftig uur per week. Een lang weekend op de bank met de televisie aan moest genoeg zijn om de boel weer op de rit te krijgen.
Maar de rust deed niks. De rust maakte het erger.
De eerste dag thuis zat ik aan de keukentafel. Buiten regende het zachtjes tegen het raam. Laura was naar haar werk. Het huis was stil. Doodstil. Alleen de koelkast zoemde zachtjes in de hoek. Ik staarde naar mijn werkschoenen die bij de achterdeur stonden. Er zat nog opgedroogde specie op de neuzen. Normaal borstelde ik ze elke zondag af. Nu liet ik ze staan.
Ik probeerde koffie te zetten. Toen het apparaat begon te pruttelen, voelde ik het weer opkomen. Niet de harde klap van de steiger, maar een trage, giftige stroom die via mijn benen omhoog kroop. Mijn keel werd droog. Mijn handen begonnen te beven terwijl ik het kopje vasthield. Ik zette het kopje neer. De helft klotste over het aanrecht.
‘Kappen nou,’ zei ik hardop tegen mezelf. Mijn eigen stem klonk vreemd in de lege keuken. Dun en breekbaar.
Ik ging op de bank liggen. Ik trok de fleece deken over me heen. Ik dacht: als ik slaap, voel ik niks. Maar slapen lukte niet. Achter mijn gesloten oogleden tolde alles door. Gedachten schoten door elkaar als losgeslagen stroomdraden. Wat als ik niet meer kan werken? Wat als de hypotheek niet betaald kan worden? Wat als Laura me zat wordt? Wat als ik gek word?
Die middag veranderde er iets. De scherpe angst van de ochtend zakte weg en maakte plaats voor iets anders. Iets zwaars. Het voelde letterlijk alsof iemand emmers vol nat, zwart zand over me heen had gegooid. Mijn armen wogen vijftig kilo per stuk. Mijn kaken deden pijn van het klemmen.
Toen Laura om half zes thuiskwam, lag ik nog precies zo. Ze deed haar jas uit, hing hem aan de kapstok en kwam de woonkamer in. Haar wangen waren rood van het fietsen door de kou.
‘Hé lieverd,’ zei ze. Ze glimlachte, maar haar ogen stonden bezorgd. ‘Hoe is het gegaan vandaag?’
‘Wel oké,’ loog ik. Ik kwam overeind. Elke beweging kostte me moeite, alsof ik door dikke stroop bewoog.
‘Heb je wat gegeten?’
Ik keek naar de keuken. Het koude kopje koffie stond nog op het aanrecht, met de bruine plas eromheen. Ik schudde mijn hoofd.
Laura zuchtte zachtjes. Ze liep naar de keuken, pakte een vaatdoekje en veegde de koffie weg. Ze deed het niet boos. Dat was misschien nog wel het ergste. Ze deed het met een soort voorzichtige voorzichtigheid, alsof ik een patiënt was geworden. Iemand die breekbaar was.
‘Mo belde vanmiddag,’ zei ze terwijl ze haar rug naar me toe keerde. ‘Hij vroeg hoe het met je ging. Hij zei dat je je geen zorgen hoeft te maken over die klus aan de Varkensmarkt. Ze lossen het wel op met een zzp’er.’
De woorden kwamen hard aan. Ze losten het wel op. Natuurlijk deden ze dat. Niemand is onmisbaar op de bouw. De wereld draaide gewoon door, met of zonder Dennis Visser. Binnen een week was ik vervangen door een knaap met een eigen bus en een volle gereedschapskist.
‘Mooi,’ zei ik kortaf.
Laura draaide zich om. Ze leunde tegen het aanrecht met de natte doek in haar hand. ‘Dennis, praat met me. Je zit hier al drie dagen naar het behang te staren. Je slaapt nauwelijks. Je eet nauwelijks. Dit ben jij niet.’
‘Wat wil je dat ik zeg dan?’ beet ik haar toe. Mijn stem sloeg over. ‘Dat ik bang ben voor mijn eigen schaduw? Dat ik niet eens een bakkie kan zetten zonder te trillen als een rietje? Ik weet het zelf toch ook niet!’
Haar gezicht betrok. Ze zei niks meer. Ze zette de pannen op het fornuis en begon zwijgend aardappels te schillen. De schillen vielen met zachte plofjes in de gootsteen. Dat geluid sneed door me heen. Ik wilde opstaan, naar haar toe lopen, mijn armen om haar heen slaan en zeggen dat het me speet. Maar het zwarte zand hield me tegen. Ik bleef zitten op de bank, gevangen in mijn eigen stomme, zware lijf.
Hoofdstuk 3
De parkeerplaats bij de bouwmarkt
Na twee weken thuiszitten hield ik het niet meer uit. Niet omdat ik me beter voelde, maar omdat de muren van de woonkamer op me af begonnen te komen. Laura deed haar best, maar ik zag de spanning in haar schouders. Elke keer als ik zuchtte, keek ze op. Elke keer als ik mijn hand op mijn borst legde om te voelen of mijn hart nog normaal klopte, zag ik haar kaken verstrakken. We liepen op eieren in ons eigen huis.
‘Ik ga naar de Bouwmaat,’ zei ik op een donderdagochtend. Het klonk stoerder dan ik me voelde.
Laura keek op van haar laptop. Ze werkte die dag thuis. ‘Weet je dat zeker? Heb je iets nodig dan?’
‘Schroeven,’ zei ik. ‘En schuurpapier. Voor dat tafeltje in de schuur. Ik moet iets doen, Lau. Ik word gek hier.’
Ze keek me even aan. Twijfelde. Knikte toen. ‘Oké. Doe rustig aan. Neem je telefoon mee.’
Ik pakte de sleutels van mijn grijze Volkswagen Caddy. Mijn bus. Vier jaar lang was die bus mijn tweede thuis geweest. De geur van zaagsel, kit en oude kauwgom gaf me altijd een gevoel van controle. Ik stapte in, draaide de sleutel om en de dieselmotor sloeg direct aan. Even voelde ik een sprankje hoop. Zie je wel, dacht ik. Gewoon weer meedoen. Niet zo aanstellen.
De rit naar het industrieterrein duurde tien minuten. Ik reed met twee handen stevig aan het stuur. Mijn knokkels waren wit. Ik keek om de vijf seconden in mijn achteruitkijkspiegel, bang dat iemand te dicht achter me zou rijden. De radio had ik uitgezet. Het geluid van de dj deed pijn aan mijn oren.
Ik parkeerde de bus op het terrein van de bouwmarkt. Er stonden tientallen busjes van aannemers, schilders en installateurs. Mannen in werkbroeken liepen af en aan met platen gips en emmers verf. Ze lachten naar elkaar, maakten grappen, laadden hun spullen in. Dit was mijn wereld. Vorige maand hoorde ik hier nog gewoon bij.
Ik zette de motor af. En toen gebeurde het weer.
Het begon met een koude rilling die vanuit mijn nek naar beneden schoot. Mijn blikveld werd smaller, alsof ik door een koker keek. De auto’s om me heen leken opeens veel te dichtbij te staan. De lucht in de cabine van de bus werd dik en zoet. Ik probeerde diep adem te halen, maar de zuurstof leek mijn longen niet te bereiken.
‘Nee,’ fluisterde ik. ‘Niet nu. Niet hier.’
Ik greep het stuur vast. Mijn vingers verkrampten. Mijn hart sloeg op hol, een razend tempo dat door mijn hele lijf dreunde. Ik keek naar de glazen schuifdeuren van de bouwmarkt. Ze waren misschien dertig meter bij me vandaan. Dertig meter asfalt. Het voelde als dertig kilometer door een mijnenveld.
Als ik nu naar buiten ga, val ik neer, dacht ik. Dan lig ik daar tussen de busjes. Dan zien al die gasten het. Dennis van Visser Bouw, plat op zijn bek, jankend om lucht.
Ik liet de sleutel los en greep naar mijn portier. Ik wilde ontsnappen, maar mijn benen weigerden dienst. Ze voelden loodzwaar en tintelden tegelijk. De paniek was nu een golf die over mijn hoofd sloeg. Ik begon te hyperventileren. Korte, snelle teugen lucht die mijn keel rauw maakten. Ik kneep mijn ogen dicht en drukte mijn voorhoofd tegen het stuur.
Het koude plastic hielp niet. Ik was een volwassen vent van 85 kilo, en ik zat opgesloten in een busje te janken als een klein kind. De schaamte brandde heter dan de angst. Wat was er mis met me? Waarom kon ik niet gewoon een doos schroeven halen?
Ik pakte mijn telefoon met trillende handen. Ik zocht in mijn contacten. Mo? Nee, nooit. Mijn vader? Die zou zeggen dat ik een biertje moest drinken en op tijd naar bed moest gaan. Laura.
Ze nam na één keer overgaan op. ‘Dennis?’
Ik kon bijna niet praten. Alleen maar hijgen. ‘Lau... het gaat niet.’
‘Waar ben je?’ Haar stem sloeg direct om. Geen irritatie meer, pure bezorgdheid.
‘Bouwmaat. Parkeerplaats. Ik... ik kom de auto niet uit.’
‘Blijf zitten,’ zei ze direct. ‘Zet je stoel een beetje naar achteren. Maak je riem los. Ik kom eraan.’
‘Nee, je werkt,’ stamelde ik.
‘Dennis, hou je kop en blijf zitten. Ik ben er over een kwartier.’
Ze verbrak de verbinding. Ik liet de telefoon vallen op de passagiersstoel. Ik leunde achterover en staarde naar het grijze plafond van de bus. Dat was het moment. Het absolute nulpunt. Ik kon niet meer bouwen, ik kon niet meer rijden, ik kon niet eens meer ademen zonder hulp. Mijn leven zoals ik het kende, was ingestort.
Hoofdstuk 4
Een stempel van zes letters
De praktijk van de huisarts rook naar vloerzeep en oude tijdschriften. Laura zat naast me in de wachtkamer. Ze hield mijn hand vast. Normaal zou ik die hebben teruggetrokken uit angst dat een bekende me zou zien, maar vandaag kon het me niks meer schelen. Mijn hand lag slap in de hare, koud en klam.
Dokter Van der Meer riep ons binnen. Een man van achter in de vijftig met een grijs baardje en een bril met een dun montuur. Hij kende me al vanaf mijn tiende, toen ik met een opengehaalde knie na een val van mijn crossfiets bij hem op de behandeltafel zat.
‘Vertel eens, Dennis,’ zei hij terwijl hij achter zijn bureau ging zitten en zijn handen vouwde. ‘De spoedeisende hulp heeft me het verslag gestuurd, maar ik hoor het liever van jou.’
Ik keek naar het vloerkleed onder zijn bureau. Ik begon te praten. Eerst aarzelend, met korte zinnen. Over de steiger. Over het zand in mijn schoenen. Over de parkeerplaats bij de Bouwmaat. Laura vulde af en toe iets aan als ik stilviel. Ze vertelde over de nachten dat ik wakker lag, over het feit dat ik nauwelijks nog at, over de boosheid die soms zomaar opvlamde.
Van der Meer luisterde zonder me te onderbreken. Hij tikte niks in op zijn computer. Hij keek me alleen maar aan.
Toen ik klaar was, pakte hij een formulier van een stapel. ‘Ik wil dat je deze vragenlijst invult, Dennis. Gewoon eerlijk antwoorden. Er zijn geen goede of foute antwoorden.’
Het was een lijst met stellingen. *Ik voel me neerslachtig of hopeloos.* *Ik heb weinig interesse of plezier in de dingen die ik doe.* *Ik voel me rusteloos of juist heel traag.* Bij elke stelling moest ik een cijfer van nul tot drie omcirkelen.
Ik zette de cirkels. Mijn pen drukte diepe groeven in het papier. Nul bestond bijna niet op mijn lijst. Het waren bijna allemaal tweeën en drieën.
Van der Meer bekeek het formulier toen ik het teruggaf. Hij telde de punten bij elkaar op met een rood pennetje. Daarna schoof hij zijn stoel iets naar voren.
‘Dennis, lichamelijk ben je kerngezond. Je hart is sterk, je longen zijn schoon. Maar mentaal zit je over de grens. Je hebt te maken met een zware depressieve episode en een paniekstoornis.’
Daar waren ze dan. De woorden. Ze vielen zwaar op de houten vloer van de spreekkamer.
Depressief. Paniekstoornis.
Ik voelde een plotselinge woede opkomen. ‘Een depressie? Ik ben niet depressief, dokter. Ik ben geen type dat met de gordijnen dicht gaat zitten janken bij zielige muziek. Ik werk in de bouw. Ik ben gewoon kapot.’
‘Dat is precies wat een depressie is,’ zei Van der Meer kalm. ‘Je accu is niet alleen leeg, hij laadt niet meer bij. En die paniekaanvallen zijn het alarmsysteem van je lijf dat op hol is geslagen omdat je te lang bent doorgegaan.’
Hij begon te schrijven op zijn computer. Ik hoorde het gerikketik van het toetsenbord. Elke aanslag voelde als een spijker in mijn kist.
‘Ik ga je doorverwijzen naar de GGZ,’ zei hij terwijl hij naar het scherm bleef kijken. ‘Daarnaast schrijf ik je iets voor om de scherpste randen van de angst af te halen voor de komende weken. Oxazepam. Niet te veel, alleen als de paniek echt niet te hanteren is. En we moeten nadenken over een antidepressivum.’
Pillen. Een psychiater. Het GGZ-stempel.
Toen we buiten stonden, drukte Laura het witte receptbriefje in haar jaszak. De zon scheen fel op het asfalt van de stoep. De lucht was strakblauw, maar voor mij zag alles eruit alsof er een grauwfilter overheen was gelegd.
‘Zie je wel,’ zei ik bitter. ‘Ik ben officieel afgekeurd. Een gekkie.’
Laura bleef abrupt staan. Ze pakte me bij de revers van mijn jas en dwong me om haar aan te kijken. Haar ogen schitterden van ingehouden tranen, maar haar stem was harder dan ik gewend was.
‘Houd daar eens mee op, Dennis. Je hebt een diagnose gekregen. Geen doodvonnis. Je bent ziek, net alsof je je been hebt gebroken op de bouw. We gaan dit fixen. Maar dan moet je nu ophouden met dat stomme zelfmedelijden.’
Haar woorden kwamen aan als een klap met een vuisthamer. Ze had gelijk, en dat wist ik. Maar het veranderde niks aan het gevoel dat ik zojuist mijn identiteit was kwijtgeraakt. Ik was geen Dennis de timmerman meer. Ik was een dossiernummer met een etiket.
Hoofdstuk 5
Tussen vier muren met Hans
De wachtruimte van de GGZ-locatie aan de rand van de stad leek in niks op de bouwkeet. Geen geur van koffie uit een thermoskan, geen radio die op Radio 538 stond te schallen. Het was er steriel. Witte muren, een paar plastic planten die net te groen waren om echt te zijn, en tijdschriften over reizen en psychologie die netjes recht op de tafel lagen.
Er zaten drie andere mensen. Een jonge meid met een capuchon ver over haar hoofd getrokken, een man in pak die zenuwachtig op zijn nagels beet, en een oudere vrouw die voor zich uit staarde. Niemand keek elkaar aan. Iedereen deed alsof hij er per ongeluk was terechtgekomen.
‘Dennis?’
Ik keek op. Een man met een baard en een gebreid vest stond in de deuropening. Geen witte jas. Gewoon een spijkerbroek en bergschoenen. Hij leek meer op een leraar aardrijkskunde dan op een zielenknijper.
‘Ik ben Hans,’ zei hij toen we in zijn kamer zaten. Twee simpele fauteuils, een bureau met een computer en een doos tissues op de vensterbank. De doos tissues stond strategisch tussen ons in. Ik nam me meteen voor om dat ding niet aan te raken.
‘Vertel eens wat je hier brengt,’ begon Hans. Hij leunde achterover en legde zijn handen op zijn buik.
‘Mijn huisarts,’ antwoordde ik stug. ‘Die vond dat ik hierheen moest.’
Hans glimlachte flauwtjes. ‘Dat snap ik. Maar waarom zit je hier zelf?’
‘Omdat ik niet meer kan functioneren,’ zei ik, en het woord proefde vies in mijn mond. ‘Mijn lijf doet niet wat ik wil. Ik krijg paniekaanvallen op willekeurige momenten. En de rest van de tijd voel ik me alsof ik onder een hoop puin lig.’
‘En wat vind je daarvan?’
‘Wat vind ik daarvan?’ Mijn stem werd feller. ‘Wat denk je zelf? Het is waardeloos. Ik ben vierendertig. Ik hoor huizen te renoveren, niet bij een psycholoog te zitten praten over mijn gevoelens. Ik wil gewoon dat dit stopt. Geef me een trucje, een oefening, pillen, maakt me niet uit. Zodat ik weer aan het werk kan.’
Hans knikte langzaam. Hij leek totaal niet onder de indruk van mijn boosheid. Dat irriteerde me mateloos.
‘Je zoekt een snelle reparatie,’ zei hij. ‘Als een kapotte balk die je even vervangt door een nieuwe.’
‘Ja. Precies dat.’
‘Zo werkt het brein helaas niet, Dennis,’ zei hij rustig. ‘Die diagnose die je hebt gekregen... wat betekent die voor jou?’
Ik keek naar mijn handen. De eeltplekken op mijn handpalmen begonnen al te slijten door de weken van niks doen. De huid werd zacht. Ik haatte het.
‘Het betekent dat ik stuk ben,’ zei ik zacht. ‘Dat ik gefaald heb. Ik ben altijd de vent geweest die doorging als anderen stopten. Als het vroor, werkte ik door. Als ik griep had, nam ik twee paracetamol en stond ik gewoon om zeven uur op de steiger. En nu ben ik blijkbaar een patiënt. Iemand met een etiketje op zijn voorhoofd.’
Hans schoof iets naar voren. ‘Een diagnose is geen beschrijving van wie je bent, Dennis. Het is alleen een beschrijving van wat je op dit moment meemaakt. Het is een gereedschapskistje. De dokter noemt het zo, zodat we weten welk gereedschap we moeten pakken om de boel weer op te bouwen. Meer is het niet.’
‘Zo voelt het niet,’ zei ik. ‘Het voelt alsof ik mijn hele leven ben kwijtgeraakt.’
‘Wat gebeurt er als je die paniek voelt opkomen?’ vroeg Hans, zonder in te gaan op mijn protest. ‘Wat doe je dan fysiek?’
‘Ik vecht ertegen,’ zei ik direct. ‘Ik probeer mijn adem onder controle te krijgen. Ik span alles aan. Ik wil het wegduwen.’
‘En werkt dat?’
Ik zweeg. Het werkte nooit. Het maakte het altijd tien keer erger.
‘Volgende keer dat je die spanning voelt,’ zei Hans, ‘wil ik dat je stopt met vechten. Ga zitten. Laat het gebeuren. Zeg tegen jezelf: oké, daar is de angst weer. Mijn hart gaat tekeer, maar ik ga niet dood. Laat die golf maar over je heen spoelen. Je hoeft er niks mee.’
‘Dat klinkt levensgevaarlijk,’ zei ik eerlijk.
‘Dat ís het niet,’ antwoordde hij stellig. ‘Het is alleen doodeng. En dat is een heel groot verschil.’
Toen ik wegliep bij het gebouw, voelde ik me niet magisch genezen. Het zwarte zand zat nog steeds in mijn kleren. Maar voor het eerst in weken had iemand me niet behandeld als een breekbaar vaasje, maar als een kerel met een klus die geklaard moest worden.
Hoofdstuk 6
Het schuren van het hout
Drie weken later stond ik weer in mijn eigen schuur achter het huis. De geur sloeg me direct tegemoet: terpentine, zaagsel en de vochtige geur van bakstenen. Het was koud, maar ik had de straalkachel aangezet. Die gaf een doffe, oranje gloed af in de hoek.
Op mijn werkbank lag een brok ruw eikenhout. Een oud stuk balk dat ik een jaar geleden had overgehouden van een restauratieproject in de binnenstad. Krom, vol noesten en diepe scheuren. Laura had me gevraagd of ik er een simpel bankje van kon maken voor in de gang. Het lag er al maanden onaangeraakt.
Ik pakte een handschaaf. De zool was van glad staal, het handvat van donker kersenhout. Mijn vingers vielen vanzelf in de vertrouwde greep.
Ik zette de schaaf op het ruwe hout en duwde. Het mes hapte te diep in de nerf en bleef steken. De schok dreunde door in mijn pols.
Meteen schoot er een stroomstoot door mijn borst. Zie je wel, fluisterde dat stemmetje achter in mijn hoofd. Je kan het niet eens meer. Je bent slap. Je handen trillen.
Mijn ademhaling versnelde. Mijn borstkas trok strakker. De bekende paniek klopte weer aan de deur, precies zoals op de steiger, precies zoals bij de Bouwmaat. Even wilde ik de schaaf neergooien en naar binnen rennen. Naar de bank. Naar de veilige deken.
Maar ik dacht aan wat Hans had gezegd. *Niet vechten. Laat de golf maar komen.*
Ik legde de schaaf neer. Ik ging op de houten kruk zitten die bij de werkbank stond. Ik zette mijn voeten plat op de betonnen vloer. Mijn knieën trilden. Mijn hart sloeg wild om zich heen in mijn borstkas, als een vogel die tegen de ruit van een raam beukt.
‘Kom maar dan,’ zei ik hardop tegen de lege schuur. Mijn stem klonk hees. ‘Doe je ding maar. Ik ga toch niet dood.’
Het was verschrikkelijk. De angst gierde door mijn zenuwen. Mijn handen werden ijskoud en doof. Zweet liep langs mijn rug naar beneden. Ik kneep mijn ogen dicht en wachtte op de klap. De hartaanval. Het flauwvallen. Het verliezen van mijn verstand.
Maar er gebeurde niks.
De piek duurde misschien twee minuten. Drie minuten. Minuten die voelden als uren, dat wel. Maar daarna begon de golf langzaam terug te trekken. De druk op mijn borst werd minder. De lucht stroomde weer dieper mijn longen in. Mijn hartslag vertraagde, van een razende galop naar een rustige draf.
Ik deed mijn ogen open. De schuur was er nog. Het oranje licht van de kachel. Het stuk hout op de werkbank. Ik leefde nog.
Ik veegde met de rug van mijn hand het zweet van mijn voorhoofd. Ik voelde me doodmoe, alsof ik zojuist een marathon had gelopen. Maar onder die vermoeidheid zat iets nieuws. Een klein vonkje kracht dat ik al maanden niet had gevoeld.
Ik stond op van de kruk. Mijn benen waren wankel, maar ze droegen me.
Ik pakte niet meteen de zware schaaf, maar een vel grof schuurpapier. Korrel tachtig. Ik vouwde het papier om een houten blokje en begon over de hoek van de eiken balk te wrijven. Heen en weer. Met de nerf mee.
Het geluid van schurend hout vulde de stilte. Korrels vielen als geel poeder op de betonnen vloer. De scherpe, splinterige rand van het hout werd langzaam ronder. Zachter. Glad.
Ik keek naar de balk. Het hout had diepe littekens. Een donkere vlek waar ooit water in had gestaan. Een grote scheur over het midden die waarschijnlijk was ontstaan door de droogte. Geen rechte, perfecte plank uit de fabriek. Het was getekend hout.
‘Je bent niet kapot,’ mompelde ik tegen het hout. ‘Je hebt gewoon een klap gehad.’
Ik schuurde door tot mijn schouder brandde van de inspanning. Geen paniek meer. Alleen spierpijn. Eerlijke, gezonde vermoeidheid. Toen Laura een uur later de schuurdeur opendeed met twee mokken soep in haar handen, zag ze me staan tussen het zaagsel. Ze zei niks over de paniek. Ze vroeg niet hoe het ging. Ze keek naar de balk op de bank.
‘Dat wordt mooi, Dennis,’ zei ze alleen maar.
‘Ja,’ zei ik, en voor het eerst in maanden meende ik het. ‘Het kost wat tijd, maar het wordt wel wat.’
Hoofdstuk 7
Gewoon Dennis
Het is nu acht maanden na die ochtend op de Varkensmarkt. Het is weer lente. De bomen langs de grachten in Amersfoort staan vol in het jonge, felle groen.
Ik werk weer. Niet fulltime, niet vijftig uur per week zoals vroeger. Drie dagen per week, op therapeutische basis, zoals de arbo-arts dat zo mooi noemt. Ik haat die term nog steeds, maar ik heb geleerd om me er niet meer druk om te maken. Woorden zijn maar woorden.
Vanochtend stond ik weer op een steiger. Weliswaar op de eerste verdieping van een rijtjeshuis in Vathorst, niet op zeven meter hoogte in de binnenstad, maar toch. Ik had mijn gereedschapsgordel om. Mijn werkschoenen waren weer ingelopen en zaten onder het stof.
Mo stond beneden bij de aanhanger om kozijnen aan te geven.
‘Vang, ouwe!’ riep hij, en hij tilde een houten stijl omhoog.
Ik pakte het hout aan. Het woog zwaar in mijn armen. Even voelde ik die bekende spanning in mijn schouders trekken. De gedachte: *wat als?* Het flitste voorbij, een oude reflex van mijn zenuwstelsel.
Ik ademde rustig uit door mijn neus. Ik voelde mijn voeten stevig op de steigerplanken staan. De spanning zakte weer weg. Het werd geen storm meer. Het bleef een rimpeling in het water.
Tijdens de schaft zaten Mo en ik op een paar omgekeerde speciekuipen in de voortuin. De zon scheen op onze gezichten. Mo beet in een broodje bal en keek me van opzij aan.
‘Je ziet er beter uit, Den,’ zei hij tussen twee happen door. ‘Minder lijkbleek dan van de winter.’
‘Dank je, Mo. Fijn om te weten dat ik er weer een beetje menselijk uitzie.’
Mo lachte kort, maar werd toen serieus. Hij veegde wat mosterd van zijn duim. ‘Ik snapte er destijds geen hol van, man. Toen je daar lag op de Varkensmarkt. Ik dacht echt dat je ter plekke de pijp uitging. En later... toen Laura zei dat je thuis zat met een depressie. Ik dacht altijd dat dat iets was voor zwakke figuren. Mensen die niks gewend zijn.’
Ik keek naar mijn handen. Ze waren weer ruw. Er zat een verse schram op mijn knokkels van een schroef die was uitgeschoten.
‘Dacht ik ook altijd,’ zei ik eerlijk. ‘Totdat het jezelf overkomt. Het heeft niks met zwak te maken, Mo. Je kan gewoon te lang te veel sjouwen. Op een gegeven moment breekt de balk.’
‘En nu?’ vroeg hij. ‘Ben je er weer helemaal vanaf?’
Ik dacht even na over zijn vraag. Een paar maanden geleden had ik dolgraag ‘ja’ willen zeggen. Ik wilde genezen zijn. Schoon. Het etiketje eraf peuteren en weggooien.
‘Nee,’ zei ik rustig. ‘Niet helemaal. Vorige week had ik nog een rotdag. Werd ik wakker met datzelfde loden gevoel in mijn lijf. Alsof het zand weer terug was. En soms in de supermarkt voel ik opeens die ademhaling weer omhoog schieten.’
Mo keek me fronsend aan. ‘En dan?’
‘Dan laat ik het er maar even zijn. Ik vecht er niet meer tegen. Ik weet nu wat het is. Het is een alarm dat afgaat terwijl er geen brand is. Gewoon een storing in het systeem. Ik ga er niet meer dood aan.’
Mo knikte langzaam. Hij begreep het waarschijnlijk niet helemaal, maar hij accepteerde het. Dat was genoeg. Hij stond op, gooide zijn zilverpapiertje in de afvalemmer en klopte het stof van zijn broek.
‘Mooi zo. Kom op, we moeten dat kozijn er nog in hangen voor de koffie koud wordt.’
Ik dronk de laatste slok koffie uit mijn thermosbeker. Het was sterke, bittere koffie. Precies zoals ik hem lekker vond.
In de gang thuis staat het eikenhouten bankje. De diepe scheur zit er nog steeds in. Ik heb hem niet dichtgesmeerd met vloeibaar hout, ik heb hem alleen glad geschuurd en in de olie gezet. Als je binnenkomt, zie je de scheur meteen zitten. Maar je kunt er prima op zitten om je schoenen aan te trekken. Hij wiebelt niet eens.
Op mijn patiëntendossier bij de huisarts en de GGZ staat waarschijnlijk nog steeds een code. F-zoveel. Recidiverende depressieve stoornis. Paniekstoornis. Prima. Laat die letters daar maar lekker staan in die computer.
Ik ben Dennis. Ik ben vierendertig jaar. Ik hou van Laura, ik hou van de geur van vers gezaagd hout, en ik kan verdomd goed kozijnen stellen. Ik heb littekens, en soms kraakt de constructie als de wind er vol op staat. Maar het huis blijft staan.