Liefde, relaties en gezin
Het weekend bij papa
Hoofdstuk 1
Het weekend bij papa
Om kwart over vijf belde mijn dochter vanuit de wc bij haar vader.
‘Mam, als iemand zegt dat je niet moet bellen, mag je dan toch bellen?’
Ik zette het vuur onder de rijst uit.
‘Ja. Altijd. Wat is er?’
Achter haar klonk een harde klap. Daarna de stem van haar broertje.
‘Lotte?’
‘Daan heeft een glas laten vallen.’
Ik pakte mijn autosleutels van het aanrecht.
‘Waar is papa?’
‘In de keuken. Hij doet raar.’
Mijn naam is Sanne. Ik was toen achtendertig. Ik woonde met Lotte van tien en Daan van zeven in een huurhuis in Amersfoort. Hun vader woonde in Soest, op negentien minuten rijden. Die afstand had ik vaker gemeten dan ik wilde toegeven.
‘Wat bedoel je met raar?’ vroeg ik.
‘Hij praat hard. En hij zegt steeds hetzelfde.’
Ik liep naar de gang. Mijn jas hing onder Daans regenjas. Ik trok ze allebei van de haak.
‘Doe de deur even open. Kun je papa roepen?’
‘Dan wordt hij boos omdat ik bel.’
‘Jij doet niets verkeerd. Luister goed. Jij hoeft niets op te lossen.’
Die zin had ik geoefend. Bij de praktijkondersteuner. In de auto. Voor de spiegel terwijl ik mijn tanden poetste. Nu klonk hij dun.
Die middag had ik de kinderen zelf gebracht. Erik stond beneden bij zijn portiek. Geschoren. Schoon overhemd. Een boodschappentas in zijn hand, met wraps en een krop sla bovenop.
‘We gaan morgen naar het spoorwegmuseum,’ had hij gezegd.
Daan sprong meteen tegen hem aan. Lotte bleef naast mij staan totdat Erik haar vroeg of ze de kaartjes wilde bewaren.
Ik had hem aangekeken. Zijn ogen. Zijn handen. De manier waarop hij stond.
‘Alles goed?’
‘Ja, San. Echt.’
We waren elf maanden uit elkaar. Niet omdat hij nooit lief was geweest. Hij kon mij aan het lachen maken terwijl ik midden in een ruzie zat. Hij kende alle namen van Daans knuffels. Tijdens mijn tweede bevalling had hij zes uur naast me gestaan zonder mijn hand los te laten.
Maar hij dronk. Eerst vooral laat op de avond. Daarna ook op momenten waarop hij zei dat hij boodschappen had gedaan, of de schuur had opgeruimd. Ik vond blikjes achter de gereedschapskist. Flessen onder de bijrijdersstoel. Eén keer lag hij te slapen terwijl Daan met een schaar zijn eigen haar knipte.
Sinds zes weken sliepen de kinderen weer bij hem. Eén nacht per twee weken. Daarvoor waren er maanden geweest met korte bezoeken, meestal bij zijn zus Marieke thuis. Erik had behandeling gezocht. Hij ging naar afspraken. Hij zei dat hij niet meer dronk.
Ik wilde hem geloven. De kinderen wilden hun vader terug zonder iemand anders aan de keukentafel.
Nu zat Lotte op zijn wc.
‘Geef me papa maar,’ zei ik.
Ik hoorde de deur. Haar adem ging snel. Toen geritsel en Eriks stem.
‘Wat is dit nou weer?’
‘Wat gebeurt er daar?’
‘Niks. Er valt een glas en iedereen raakt in paniek.’
Zijn woorden liepen aan het eind in elkaar over.
‘Heb je gedronken?’
‘Begin je daar meteen mee?’
Ik stond met één arm in mijn jas.
‘Ik kom de kinderen halen.’
‘Het is mijn weekend.’
‘Ik ben er over twintig minuten.’
‘Je maakt ze bang met dat gedoe.’
Ik wilde schreeuwen. In plaats daarvan vroeg ik hem Lotte terug te geven.
‘Ga met Daan op de bank zitten,’ zei ik tegen haar. ‘Schoenen aan. Laat de spullen maar liggen.’
‘Ook mijn beugel?’
Die vraag deed meer pijn dan zijn hele tirade.
‘Die halen we later.’
Mijn vriend Joris stond inmiddels in de gang. We waren acht maanden samen. Hij hield mijn andere jas omhoog, de goede.
‘Ik rijd,’ zei hij.
Ik schudde mijn hoofd.
‘Dan ga ik mee.’
‘Blijf hier. Als Erik jou ziet, wordt het erger.’
Hij keek naar mijn handen. De sleutels tikten tegen elkaar.
‘Bel me als je er bent.’
Buiten was het al donker. Ik ging zitten en kreeg de sleutel niet direct in het contact. Bij de tweede poging lukte het.
Voor ik wegreed, belde ik Marieke.
‘Kun jij naar Erik? Nu.’
Ze vroeg niet waarom. Alleen: ‘Zijn de kinderen daar?’
Bij het verkeerslicht aan de Amsterdamseweg kwam een bericht van Lotte binnen.
Papa zegt dat we niet weggaan.
Ik legde mijn telefoon met het scherm naar beneden op de passagiersstoel. Het licht werd groen. Ik reed verder.
Hoofdstuk 2
Voor de deur
Marieke stond bij de portiek toen ik aankwam. Ze droeg haar werkschoenen nog. Aan één mouw zat witte verf.
‘Hij neemt niet op,’ zei ze.
Van boven klonk Daans stem. Ik kon de woorden niet verstaan.
Ik drukte op de bel. Niets. Marieke belde met haar vlakke hand nog eens aan.
‘Erik. Opendoen.’
De zoemer ging.
Boven stond hij in de deuropening. Geen schoenen. Zijn overhemd hing uit zijn broek. Achter hem zag ik Lotte op de bank, haar jas dicht tot onder haar kin. Daan zat naast haar met één laars aan.
‘Dit is echt niet nodig,’ zei Erik.
Ik rook het voordat ik antwoord gaf.
‘We nemen ze mee.’
‘We?’ Hij keek naar zijn zus. ‘Lekker. Samen tegen mij.’
Marieke stapte langs hem heen.
‘Ik help Daan even.’
Erik bleef voor mij staan. Hij raakte me niet aan. Dat maakte het niet minder benauwd. Ik kende dit gezicht. Zijn kaken strak. Zijn ogen op zoek naar iets waarover hij boos kon worden.
‘Je kunt niet zomaar binnenkomen.’
‘Ik blijf hier. Laat de kinderen erlangs.’
‘Ik heb twee biertjes op.’
‘We bespreken het morgen.’
‘Je luistert niet eens.’
Uit de woonkamer kwam Mariekes stem.
‘Waar is die andere laars, Daan?’
‘Onder de tafel. Maar daar ligt glas.’
Erik draaide zich om. Ik zag een natte plek op zijn rug. Op de keukenvloer lag een theedoek tussen de scherven. Naast de gootsteen stonden drie halve-literblikken. Eén lag op zijn kant.
Lotte kwam naar me toe. Ze hield haar handen diep in haar zakken.
‘Mijn telefoon ligt nog daar.’
Erik pakte hem van de kast.
‘Die hebben we dus gebruikt om mama op te stoken.’
‘Geef hem aan mij,’ zei ik.
Hij hield hem nog even vast. Toen drukte hij het toestel zo hard in mijn hand dat de rand pijn deed.
Marieke kwam met Daan. Zijn laarzen zaten verkeerd om. Ik zei er niets van.
‘Ik blijf even bij jou,’ zei ze tegen Erik.
‘Ik hoef geen oppas.’
‘Dat zeg ik ook niet.’
Daan bleef op de drempel staan.
‘Maar het museum dan?’
Niemand antwoordde meteen.
Erik zakte door zijn knieën. Hij moest zich aan de deurpost vasthouden.
‘Papa regelt dat wel, jongen.’
Daan keek naar mij, alsof ik degene was die toestemming moest geven.
‘We gaan nu naar huis,’ zei ik.
Op de trap begon hij te huilen. Niet hard. Hij maakte korte geluidjes en veegde met zijn mouw langs zijn neus. Lotte liep voor ons uit. Bij elke verdieping keek ze omhoog.
Pas in de auto zag ik het sneetje in Daans duim.
‘Wat is dat?’
‘Ik wilde helpen opruimen.’
Ik haalde een zakdoek uit mijn tas en drukte die tegen het wondje. Het bloedde nauwelijks meer. Toch bleef ik kijken.
‘Was papa boos op jou?’
Daan haalde zijn schouders op.
Lotte trok haar gordel strak.
‘Hij was boos op alles.’
Ik belde Joris via de luidspreker. Alleen om te zeggen dat we onderweg waren. Hij vroeg of hij de rijst weer moest opzetten.
‘Graag,’ zei ik.
Dat gewone woord hield me een paar seconden overeind.
Thuis zette Daan zijn bord op schoot. Normaal mocht dat niet. Die avond vergat ik zelfs waar de placemats lagen. Joris maakte een pleister op zijn duim. Lotte at drie happen en vroeg of ze mocht douchen.
Ik zat op het gesloten wc-deksel terwijl zij onder het water stond. Ze had gevraagd of ik bleef.
‘Gaat papa nu dood?’
‘Waarom denk je dat?’
‘Hij zei dat hij niks meer had als wij weggingen.’
Ik drukte mijn voeten tegen de badmat.
‘Dat had hij niet tegen jou mogen zeggen. Tante Marieke is bij hem. Grote mensen zorgen nu voor papa.’
‘Maar jij bent weggegaan.’
Daar was hij. De vraag die ik al elf maanden verwachtte.
‘Ja,’ zei ik. ‘Omdat samenwonen niet meer goed ging. Niet omdat ik wilde dat papa alleen was.’
‘Hij zegt dat jij nu Joris hebt.’
‘Dat klopt. Maar dat is niet waarom papa drinkt.’
Ze draaide de kraan dicht. Ik gaf haar een handdoek.
Later, toen beide kinderen sliepen, kwam er een bericht van Erik.
Je hebt gewonnen.
Ik maakte een schermafbeelding. Daarna legde ik de telefoon weg.
Joris schoof een glas water naar me toe.
‘Wat nu?’ vroeg hij.
‘Ik weet het niet.’
Het was het eerste eerlijke antwoord dat ik die avond aan een volwassene gaf.
Hoofdstuk 3
De maandag erna
Zaterdag wilde Daan alsnog naar het museum. Hij stond om zeven uur aangekleed naast mijn bed.
‘We hebben kaartjes,’ zei hij.
Ik had vier uur geslapen. Mijn telefoon lag uitgeschakeld in de keuken. Voor ik hem uitzette, had Erik negen berichten gestuurd. Sorry. Een verwijt. Nog een sorry. Daarna een foto van de lege woonkamer.
‘Vandaag lukt het niet,’ zei ik.
Daan trok zijn trui over zijn hoofd en gooide die op de grond.
‘Jij maakt alles stom.’
Ik liet hem boos zijn. Dat kostte meer moeite dan ik had verwacht. Ik wilde uitleggen wat ik allemaal had gedaan. Dat ik hem had opgehaald. Dat zijn schone pyjama klaarlag. Dat ik ook liever gewoon kaartjes had gecontroleerd en broodjes had gesmeerd.
In plaats daarvan schoof ik op.
‘Kom maar even.’
Hij kwam niet.
Maandagochtend vroeg ik de juf van Lotte of ze vijf minuten had. We stonden in een leeg lokaal. Op de tafels lagen schriften met blauwe kaften.
‘Er was vrijdag een onveilige situatie bij haar vader,’ zei ik. ‘Alcohol. Ik heb de kinderen opgehaald.’
Het woord onveilig voelde groot. Alsof ik een beschuldiging op het bureau legde.
De juf knikte niet meteen. Ze vroeg wat Lotte had meegemaakt en waar ze op kon letten.
‘Ze probeert alles goed te doen,’ zei ik. ‘Ook als dat helemaal niet hoeft.’
‘Dat zie ik hier soms ook.’
Ik keek naar het raam.
Bij Daans meester vertelde ik hetzelfde, korter. Daarna fietste ik naar de tandartspraktijk waar ik als assistent werkte. Ik hing mijn jas op, waste mijn handen en zette een behandelkamer klaar.
Tijdens de tweede patiënt wist ik ineens niet meer welk instrument de tandarts vroeg.
‘Sanne?’
Ik stond met de afzuiger in mijn hand.
Mijn collega Fatima nam het over. In de personeelsruimte zette ze koffie neer.
‘Ga iemand bellen,’ zei ze. ‘Je hoeft niet eerst om te vallen.’
Ik belde Veilig Thuis voor advies. Niet omdat ik precies wist wat zij konden doen. Juist omdat ik het niet wist. Ik vertelde over vrijdag. Ook over de maanden waarin het beter was gegaan. Ik wilde niet dat Erik alleen uit die ene avond bestond.
De medewerker vroeg of de kinderen nu veilig waren. Of er vaker iets was gebeurd. Welke afspraken er lagen.
‘Een ouderschapsplan,’ zei ik. ‘En daarna losse afspraken over het opbouwen.’
‘Staan die laatste afspraken op papier?’
Niet allemaal.
We bespraken wat ik met het wijkteam kon oppakken. Dat de kinderen niet moesten controleren of hun vader gedronken had. Dat een noodnummer geen vervanging was voor een veilige overdracht. Ik schreef mee op de achterkant van een bestellijst voor handschoenen.
Die middag belde Erik.
‘Ik wil ze even spreken.’
‘Vandaag niet onverwacht. Lotte schrikt van elke melding.’
Hij bleef stil.
‘Heb je dat tegen haar gezegd?’ vroeg ik. ‘Dat je niets meer had als ze weggingen?’
‘Ik weet niet meer precies wat ik zei.’
Ik deed mijn ogen dicht.
‘Dat is ook een antwoord.’
‘Ik schaam me kapot, San.’
Dat geloofde ik. Zijn schaamte was nooit het probleem geweest. Wat hij erna deed wel.
‘Ik heb mijn behandelaar gebeld,’ zei hij.
‘Goed.’
‘Kunnen we zondag opnieuw proberen? Gewoon overdag?’
‘Niet alleen. Eerst afspraken met hulp erbij.’
Zijn adem veranderde.
‘Je kunt ze niet bij me weghouden.’
‘Ik wil dat ze je zien. Ik wil niet dat Lotte weer vanaf de wc moet bellen.’
Hij hing op zonder afscheid.
Thuis zat Joris aan de keukentafel. Hij had boodschappen gedaan. Tussen de tassen lag een nieuwe fles afwasmiddel.
‘Misschien moeten ze voorlopig helemaal niet gaan,’ zei hij.
‘Dat bepaal jij niet.’
Het kwam er scherp uit.
Hij schoof zijn stoel achteruit.
‘Ik probeer te helpen.’
‘Dan moet je niet doen alsof het eenvoudig is.’
‘Dat doe ik niet. Maar ik woon wel half in een huis waar iedereen bang is voor de telefoon.’
Ik ging tegenover hem zitten. De koelkast stond nog open.
‘Sorry,’ zei ik.
Hij knikte, maar pakte mijn hand niet.
Die avond maakte ik een afspraak bij het wijkteam. Daarna stuurde ik Erik een voorstel voor een kort bezoek bij Marieke, als zij dat ook wilde.
Ik las het bericht zes keer voor ik op verzenden drukte.
Hoofdstuk 4
Aan dezelfde tafel
Tien dagen later zaten Erik en ik tegenover een medewerker van het wijkteam. Ze heette Anouk. Haar kamer keek uit op een fietsenstalling. Er stond een doos tissues op tafel die niemand aanraakte.
Erik had een schrift meegenomen. Ik herkende het niet. Hij had vroeger nooit iets opgeschreven, behalve boodschappen op zijn hand.
‘Ik ben vrijdag opnieuw gaan drinken,’ zei hij.
Geen ‘maar’. Nog niet.
Ik hield mijn jas op schoot.
‘Hoeveel?’ vroeg ik.
Anouk keek van mij naar hem.
‘Meer dan ik tegen jou zei,’ antwoordde hij. ‘Vier blikken. En daarvoor ook.’
‘Daarvoor wanneer?’
‘Donderdag.’
Ik legde mijn jas op de stoel naast me.
‘Dus toen ik ze bracht, wist je al dat het misging.’
Hij keek naar zijn schrift.
‘Ja.’
Dat ene woord maakte me bozer dan zijn berichten. Hij had daar gestaan met sla in een tas. Hij had geweten waar ik naar keek. Hij had geweten hoe graag ik hem wilde geloven.
‘Je had me kunnen bellen.’
‘Ik dacht dat ik het stop kon zetten.’
‘En toen dat niet lukte?’
‘Toen wilde ik niet dat je ze weer meenam.’
Anouk liet de stilte even staan.
‘We moeten afspraken maken die niet afhangen van wat je op zo’n moment graag wilt,’ zei ze.
Erik wreef met zijn duim over de hoek van zijn schrift.
Ik vertelde over de wc. Over Daans duim. Over de vraag onder de douche. Bij dat laatste begon Erik te huilen. Ik keek naar zijn schoenen.
Vroeger was ik opgestaan. Dan had ik een hand op zijn nek gelegd. Gezegd dat hij geen slechte vader was. Nu bleef ik zitten. Niet om hem te straffen. Ik wist alleen dat ik anders weer over zijn verdriet zou praten in plaats van over dat van de kinderen.
We maakten een tijdelijk plan. Geen overnachtingen. Eerst korte bezoeken bij Marieke, met haar erbij. Zij moest daar zelf mee instemmen en mocht nee zeggen. Geen auto rijden met de kinderen. Contact op vaste momenten. Bij twijfel ging een bezoek niet door en werd dat door een volwassene verteld.
‘En als hij zegt dat alles goed is?’ vroeg ik.
‘Dan hoeft u daar niet alleen over te onderhandelen,’ zei Anouk. ‘We spreken evaluatiemomenten af. En wat ieder doet als er signalen zijn.’
Erik wilde zijn behandelafspraken laten bevestigen, met zijn toestemming. Anouk zei dat aanwezigheid bij behandeling belangrijk was, maar geen garantie voor een veilig bezoek.
Ik was blij dat zij dat zei. Uit mijn mond klonk alles inmiddels als wantrouwen.
Na het gesprek stonden we naast elkaar bij de fietsen.
‘Ben je bang voor mij?’ vroeg Erik.
Ik keek hem aan.
‘Vrijdag wel.’
Hij knikte langzaam.
‘Ik heb je nooit geslagen.’
‘Dat is niet het enige waar iemand bang van wordt.’
Hij opende zijn mond en sloot hem weer.
Zondag bracht ik de kinderen naar Marieke in Baarn. Lotte wilde weten hoe laat ik terugkwam. Ik schreef vier uur op een briefje en stopte het in haar jaszak.
‘Je mag ook eerder naar huis,’ zei ik.
‘Dan is papa verdrietig.’
Ik ging op mijn hurken zitten.
‘Dat mag. Jij hoeft daarom niet te blijven.’
Binnen rook het naar tosti’s. Erik zat aan tafel. Hij stond niet meteen op om de kinderen vast te pakken.
‘Ik moet iets zeggen,’ begon hij.
Daan hing zijn jas over een stoel.
‘Wat ik vrijdag deed was niet goed. Ik had gedronken. Daardoor kon ik niet goed voor jullie zorgen.’
Lotte keek naar Mariekes kat op de vensterbank.
‘En jullie mochten mama gewoon bellen. Het was fout dat ik daar boos over werd.’
‘Ook als jij nee zegt?’ vroeg ze.
‘Ook dan.’
Ik bleef nog tien minuten. Toen vertrok ik.
In de auto zette ik een timer, niet om hen te controleren, maar om mezelf te dwingen eerst een halfuur niets te doen. Geen app. Geen rondje langs het huis.
Ik liep naar een bakker en kocht een broodje dat ik nauwelijks proefde.
Om vier uur deed Daan open met gesmolten kaas op zijn trui.
‘We hebben gekaart,’ zei hij.
Lotte pakte haar jas. Buiten schoof ze haar hand in de mijne.
‘Het was best leuk,’ zei ze. Daarna, zachter: ‘Ik ben nog steeds boos.’
‘Dat kan allebei,’ zei ik.
Ik probeerde het zelf ook te geloven.
Hoofdstuk 5
Wat ik meenam
Na drie bezoeken kende ik de parkeerplaatsen rond Mariekes huis uit mijn hoofd. De plek onder de boom met vogelpoep. Het vak waar mijn deur tegen een struik kwam. De brede plek op de hoek, vanwaar ik de voordeur kon zien.
Daar stond ik meestal.
Op een zondag tikte Joris tegen mijn telefoon.
‘Je hebt hem net ook al bekeken.’
We zaten in een café in Amersfoort. De kinderen waren bij Marieke en Erik. Voor ons stonden twee kommen soep.
‘Ik kijk alleen of er iets is.’
‘Om de minuut.’
Ik legde de telefoon omgekeerd neer.
‘Zo beter?’
‘Sanne.’
Ik haatte het als iemand mijn naam op die toon zei. Alsof ik een glas te dicht bij de rand van de tafel had gezet.
‘Wat wil je dan?’
Hij pakte zijn lepel niet op.
‘Ik wil weten of er ook ruimte is voor ons. Niet vandaag alleen. Überhaupt.’
Ik keek naar het stel naast ons. Zij deelden een tosti. Ik vond hen meteen irritant.
‘Mijn kinderen gaan voor.’
‘Dat weet ik. Ik vraag niet of je minder van hen kunt houden.’
Ik zweeg.
‘Maar je vraagt mij om erbij te zijn,’ zei hij. ‘En zodra ik iets zeg, sta ik erbuiten.’
Daar kon ik weinig tegenin brengen. Ik wilde dat hij boodschappen deed, bleef slapen als ik niet alleen wilde zijn en vertrok als de kinderen hun vader misten. Zonder dat hij daar iets van vond.
‘Ik weet niet goed hoe dit moet,’ zei ik.
‘Ik ook niet.’
We aten lauwe soep. Er kwam geen grote oplossing. Wel een afspraak: ik zou niet automatisch aannemen dat hij beschikbaar was. Hij zou mij vragen of ik wilde dat hij luisterde of meedacht. Eén avond per week probeerden we niet over Erik te praten, tenzij er echt iets gebeurde.
De eerste keer hield ik het zeventien minuten vol.
Op advies van de praktijkondersteuner ging ik naar een bijeenkomst voor naasten van mensen met een verslaving. In een zaaltje achter een buurthuis. Ik bleef eerst buiten staan, naast een asbak vol regenwater.
Binnen waren zeven mensen. Een vrouw met een broer die gebruikte. Een man wiens partner dronk. Nog een moeder met kinderen die tussen twee huizen leefden.
Ze heette Rachida.
‘Ik hoor aan zijn hallo al of ik moet omdraaien,’ zei ze.
Ik moest lachen. Niet omdat het grappig was. Omdat ik dat precies kende.
Toen ik vertelde dat ik soms nog in Eriks koelkast keek, vroeg niemand waarom ik zo controlerend was. Ze vroegen wat het mij kostte.
‘Alles staat aan,’ zei ik. ‘Ook als er niks gebeurt.’
Die avond begreep ik voor het eerst dat vertrekken niet betekende dat ik ook gestopt was met opletten.
Thuis had Lotte haar schooltas al klaargezet. Boven op haar boeken lag een schriftje. Ze had een lijst gemaakt voor het volgende bezoek.
Telefoon vol.
Oplader.
Daan niet alleen laten.
Kijken of papa normaal praat.
Ik ging naast haar op bed zitten.
‘Mag ik iets vragen over je lijst?’
Ze trok haar knieën op.
‘Het is voor als.’
Ik slikte.
‘Die laatste twee dingen zijn niet jouw werk.’
‘Maar ik zie het toch?’
‘Ja. En je mag alles vertellen wat je merkt. Alleen hoef jij niet op wacht te staan.’
Ze keek me aan met een blik die ik herkende. Eerst zien, dan geloven.
De volgende dag belde ik Anouk. Via de huisarts vonden we iemand die met kinderen werkte aan spanning en moeilijke situaties thuis. Lotte wilde eerst niet.
‘Moet ik dan tekenen wat ik voel?’
‘Dat weet ik niet,’ zei ik. ‘Je mag het vragen.’
Bij het eerste gesprek vroeg ze het meteen. De hulpverlener zei dat praten, tekenen en een spelletje doen allemaal konden. Lotte koos kaarten. Daarna stuurde ze mij de kamer uit.
In de gang zat ik op een plastic stoel. Ik had mijn telefoon vast, maar keek er niet op.
Die avond vertelde ze niets over het gesprek. Ze vroeg alleen of ik voortaan niet drie keer wilde vragen of het bij papa goed was gegaan.
‘Eén keer is genoeg,’ zei ze.
Ik knikte.
Bij het volgende bezoek vroeg ik het één keer. Daarna beet ik op de binnenkant van mijn wang en liet haar vertellen over Mariekes kat.
Hoofdstuk 6
De afzegging
In maart mochten de bezoeken langer worden. Eerst een middag bij Erik thuis, met Marieke erbij. Daarna een paar uur zonder haar. Geen overnachting. Geen autoritten. We bespraken elke stap met Anouk en legden de afspraken vast.
Ik vond elke uitbreiding te vroeg. Erik vond elke uitbreiding te laat. Dat betekende niet automatisch dat het midden goed was. We moesten blijven kijken naar wat er echt gebeurde.
Daan kwam terug met een zelfgebouwde vogelvoederbak. Lotte bakte pannenkoeken bij haar vader en stuurde mij een foto van een verbrande rand.
Niet om hulp te vragen. Gewoon omdat ze hem op een hond vond lijken.
Ik bewaarde die foto.
Toch ging het niet in een rechte lijn.
Op een vrijdag in april belde Erik om halfdrie. De kinderen zouden om vier uur naar hem toe gaan. Ik stond op mijn werk bij de sterilisator.
‘Het lukt morgen niet,’ zei hij.
‘Ze komen vandaag.’
‘Ja. Dat bedoel ik.’
Mijn rug werd koud.
‘Heb je gedronken?’
‘Nee.’
Ik wachtte.
‘Ik wil het wel. Heel erg. Ik ben bij de supermarkt geweest en ik ben weer weggegaan. Nu zit ik thuis.’
Ik zette het mandje met instrumenten neer.
‘Waar is Marieke?’
‘Onderweg. Ik heb haar gebeld.’
Ik hoorde verkeer door zijn open raam. Een brommer. Een claxon.
‘Kunnen ze bij jou blijven?’ vroeg hij.
Er kwam woede op die nergens netjes heen kon. Natuurlijk konden ze bij mij blijven. Ik had kaartjes voor een voorstelling met Joris. Voor het eerst in maanden iets gepland zonder reserveplan. Ik dacht aan Daans tas, die al sinds de ochtend naast de deur stond.
‘Ja,’ zei ik.
‘Het spijt me.’
‘Vertel jij het hun? Als je zus er is. Kort. Geen details.’
‘Goed.’
Na het gesprek belde ik Joris. Hij vloekte één keer.
‘Niet op jou,’ zei hij meteen.
‘Ik weet het.’
We konden de kaartjes aan zijn collega geven. Het geld was niet het ergste. Ik wilde een avond waarin ik niet hoefde na te denken over wie waar veilig was.
Thuis ging Daan op de trap zitten toen Erik belde. Ik zette de telefoon op de onderste trede, op de luidspreker.
‘Ik ben vandaag niet fit genoeg om goed voor jullie te zorgen,’ zei Erik. ‘Daarom blijven jullie bij mama.’
‘Ben je ziek?’ vroeg Daan.
‘Ik heb een moeilijke dag met mijn verslavingsprobleem. Ik haal hulp. Jullie hoeven niks te doen.’
‘Maar je had pizza gekocht.’
‘Die kan in de vriezer.’
‘Jij zegt altijd dingen die niet doorgaan.’
Erik bleef even stil.
‘Ja. Ik snap dat je boos bent.’
Daan liep naar boven. Lotte bleef staan.
‘Heb je nu wel op tijd gebeld?’ vroeg ze.
‘Ja,’ zei Erik. ‘Deze keer wel.’
Die avond aten we diepvriespizza van onze eigen supermarkt. Joris kwam met ijs. Niet als reddingsactie, zei hij. Hij wilde gewoon bij ons zijn. Ik vroeg of hij dat zeker wist. Hij zei ja, en ik vroeg het niet opnieuw.
Daan weigerde eerst mee te eten. Later schoof hij zonder iets te zeggen aan. Hij at vier stukken.
Na bedtijd zat ik met Joris op de bank.
‘Ik ben boos omdat hij afzegt,’ zei ik. ‘En ik ben opgelucht omdat hij afzegt. Dat is toch gek?’
‘Nee.’
Hij liet het daarbij.
Bij de volgende afspraak met Anouk zei ik dat ik niet wist of dit vooruitgang of achteruitgang was.
‘De teleurstelling voor de kinderen is echt,’ zei ze. ‘En hij heeft nu zelf voorkomen dat zij in een onveilige situatie kwamen. Die twee dingen bestaan naast elkaar.’
We breidden voorlopig niet verder uit.
Erik protesteerde niet. Dat viel me meer op dan zijn excuses.
Een week later kwam hij Daans fiets repareren, buiten bij mijn huis. Op een afgesproken tijd. Ik bleef binnen. Door het raam zag ik hoe Daan een band vasthield terwijl Erik het ventiel zocht.
Toen de fiets klaar was, vroeg Daan of papa bleef eten.
Erik keek niet naar mij om mij het nee te laten zeggen.
‘Vandaag niet,’ zei hij. ‘Vandaag kwam ik voor je fiets.’
Daan vond dat jammer. Hij fietste toch een rondje.
Om vijf uur vertrok Erik. Geen ruzie aan de deur. Geen extra belofte.
Ik ruimde twee vieze bekers op en merkte pas toen hoe rustig het in huis was.
Hoofdstuk 7
Eén nacht
Het eerste nieuwe weekend bij papa kwam pas in september. Eén nacht, van zaterdagmiddag tot zondag na het ontbijt. Bijna een jaar na die vrijdag op de wc.
In de maanden ertussen waren bezoeken doorgegaan en ook een paar keer aangepast. Erik bleef in behandeling. Hij had een klein netwerk opgebouwd dat niet uit mij bestond. Marieke was nog betrokken, maar niet meer standaard beschikbaar. Dat had ze zelf gezegd.
‘Ik ben zijn zus,’ zei ze. ‘Ik heb ook een zaterdag.’
Ik had haar eerst egoïstisch gevonden. Daarna had ik me geschaamd. Uiteindelijk had ik gezegd dat ik het begreep.
Voor de overnachting spraken we alles door. Wie bereikbaar was. Wat er gebeurde als Erik merkte dat het niet ging. Waar de kinderen terechtkonden. De praktische afspraken stonden op papier bij de volwassenen, niet als takenlijst in Lottes tas.
Lotte wilde gaan. Daan ook. Ik had hen apart gevraagd, op een gewone middag, zonder Erik erbij.
‘Mag ik ook alleen overdag?’ had Lotte gevraagd.
‘Ja.’
Ze dacht er twee dagen over na. Daarna koos ze voor slapen, met haar eigen kussen mee.
Die zaterdag pakte Daan zijn tas alsof hij drie weken vertrok. Twee knuffels. Een vergrootglas. Zes onderbroeken.
‘Voor de zekerheid,’ zei hij.
Lotte stopte haar telefoon in het zijvak.
Ik wilde vragen of hij vol was. Ze zag me kijken.
‘Mam.’
‘Ja. Sorry.’
We reden naar Soest. Het was warm voor september. Bij een stoplicht stonden fietsers in korte broeken. Ik merkte dat ik mijn kaken op elkaar hield en ontspande ze bewust.
Erik deed open. Hij droeg een oud T-shirt dat ik nog kende. Geen demonstratieve boodschappentas. Geen opsomming van plannen.
‘Hoi,’ zei hij.
Daan liep naar binnen en riep dat zijn bed er nog stond. Alsof iemand het misschien had weggehaald.
Lotte zette haar kussen op de bank.
‘We eten pasta,’ zei Erik. ‘En morgen ontbijten we. Verder zien we wel.’
Ik knikte.
Hij keek mij aan.
‘Ik bel als het niet gaat.’
‘Dat weet ik.’
Ik hoorde mezelf. Het was niet helemaal waar. Ik wist dat hij het kon. Ik wist ook dat hij het niet altijd had gedaan.
‘Doe dat,’ zei ik erachteraan.
Buiten bleef ik even naast de auto staan. Boven ging een raam open.
‘Mam!’ riep Daan. ‘Mijn vergrootglas is hier!’
Hij hield het omhoog.
Ik zwaaide en stapte in.
Joris en ik gingen die avond wandelen langs de Eem. Geen restaurant met een reservering die ik misschien moest afzeggen. Dat was nog een stap te ver voor mij. We haalden friet en aten op een bankje.
Mijn telefoon lag tussen ons in.
‘Wil je hem in je zak doen?’ vroeg Joris.
Ik dacht na.
‘Nog niet.’
‘Goed.’
Om halfacht kwam er een foto. Daan met tomatensaus op zijn wang. Lotte keek geërgerd in de camera. Onder de foto stond van haar: Papa wil bewijzen dat we groente eten.
Ik lachte. Daarna voelde ik tranen opkomen.
Joris gaf me een servet zonder iets te vragen.
Ik sliep slecht. Om twee uur keek ik op mijn telefoon. Om vijf uur weer. Er was niets gebeurd. Mijn lijf geloofde dat pas veel later dan mijn hoofd.
Zondag om tien uur haalde ik hen op. Daan had zijn trui binnenstebuiten aan. Lotte zocht haar oplader.
‘Hoe was het?’ vroeg ik.
‘Goed,’ zei ze. ‘Daan praat in zijn slaap.’
‘Niet waar.’
‘Je zei dat de burgemeester je sok had.’
Erik stond tegen het aanrecht. Hij zag er moe uit.
‘Volgende week bespreken we hoe verder,’ zei hij.
‘Ja.’
Geen overwinning. Geen verklaring dat het nu voorgoed opgelost was.
Thuis gooide Daan zijn tas in de gang. Lotte ging naar boven. Ik zette koffie en zag dat haar kussen nog in de auto lag.
Even later kwam ze terug.
‘Ik vond het leuk bij papa,’ zei ze.
‘Fijn.’
Ze bleef bij de tafel staan.
‘Vind jij dat echt fijn?’
Ik schoof mijn stoel naar achteren.
‘Ja. Ik hoef het niet moeilijk te hebben om jou te laten zien dat het toen ernstig was. En jij hoeft het niet vervelend te vinden omdat ik bang ben geweest.’
Ze dacht even na. Toen knikte ze.
We doen nog steeds niet alsof alles voorbij is. Soms wordt een afspraak kleiner. Soms vraagt een van de kinderen iets waarop ik geen goed antwoord heb. Erik en ik zijn geen vrienden geworden. Wel ouders die vaker zeggen wat er werkelijk aan de hand is.
Die middag ging Lotte buiten spelen. Daan zocht zijn vergrootglas. Joris vroeg of er nog brood was.
Ik liet mijn telefoon op het aanrecht liggen en liep naar de voorraadkast.