Naar de inhoud
Terug naar het boek

Ziekte en gezondheid

Het litteken op mijn borst

Bevat beschrijvingen van ziekte en behandeling.

Hoofdstuk 1

Het litteken op mijn borst

De eerste keer dat ik dacht dat ik doodging, stond ik met een boodschappentas op de trap. Er zat melk in. Brood. Een pot pindakaas die tegen mijn scheenbeen sloeg. Ik was halverwege de twaalf treden naar mijn bovenwoning in Amersfoort. Verder kwam ik niet.

‘Mam?’

Mijn dochter stond boven me. Fien was dertien en droeg één sok. Dat weet ik nog precies. Die blote voet op de bovenste trede. Haar nagels waren blauw gelakt.

‘Pak de tas even,’ zei ik.

Mijn stem klonk dun. Alsof hij uit een andere kamer kwam.

Ze pakte de tas niet. Ze bleef kijken.

‘Je bent helemaal grijs.’

Ik wilde zeggen dat ze niet moest overdrijven. Dat deed ik vaker. Bij hoofdpijn, bij ruzie over school, bij een fietsband die alweer lek was. Nu kreeg ik de woorden niet uit mijn mond. Mijn hart sloeg hard en onregelmatig. Onder mijn jas liep zweet langs mijn rug.

Ik ging zitten. De rand van de trede drukte in mijn billen. Beneden viel de voordeur dicht.

Mijn naam is Noor van Dijk. Ik was drieënveertig. Samen met mijn compagnon Bas had ik een kleine fietsenwerkplaats aan de rand van het Soesterkwartier. Ik kon een vastgeroeste trapas loskrijgen en een volle bakfiets op de werkstandaard tillen. Daar ontleende ik meer zekerheid aan dan verstandig was.

Al bijna drie weken voelde ik me beroerd. Eerst alleen ’s avonds. Dan kreeg ik het koud terwijl de verwarming aanstond. Later werd ik wakker in een nat bed. Ik verschoonde mijn shirt, dronk water en zette mijn wekker opnieuw.

Bij de huisarts was er nog geen duidelijke verklaring geweest. Een virus lag voor de hand. Ik moest terugkomen als de koorts bleef of ik benauwder werd. Dat had ik niet gedaan. In de werkplaats stonden zestien fietsen. Bas had last van zijn pols. Fien moest naar de orthodontist. Ik had een hele lijst redenen die op die trap ineens nergens op sloegen.

‘Bel papa,’ zei ik.

Fien haalde haar telefoon uit haar broekzak.

‘Nee. Ik bel 112.’

Ik stak mijn hand naar haar uit. Niet om haar tegen te houden, denk ik. Misschien wel. Ik schaam me daar nog steeds voor.

Ze liep twee treden omhoog en gaf ons adres door. Rustig. Toen zei ze: ‘Mijn moeder kan niet goed ademen.’ Haar stem brak bij het laatste woord.

De ambulancebroeder heette Karim. Hij hurkte beneden op de trap en keek omhoog naar me.

‘Noor, kun je me vertellen wat er gebeurt?’

‘Ik heb waarschijnlijk griep.’

Hij keek naar het apparaatje aan mijn vinger. Daarna naar zijn collega.

‘Dat gaan we onderzoeken. Eerst helpen we je hiervandaan.’

Ik wilde naar het toilet voordat we vertrokken. Ik wilde mijn telefoonoplader. Ik wilde dat iemand de melk in de koelkast zette. Mijn hoofd hield zich bezig met zaken die nog te regelen waren.

Fien schoof mijn schoenen naar me toe. Karim zei dat ik ze niet zelf hoefde aan te trekken.

Buiten stonden twee buren. Ik draaide mijn gezicht van hen weg. Op de brancard voelde ik pas hoe hard ik rilde. Er kwam een deken over me heen, toen nog één.

Mijn ex, David, arriveerde toen de ambulancedeuren bijna dichtgingen. Hij had zijn werkpas nog om zijn nek. Fien liep tegen hem aan. Hij sloeg een arm om haar heen en boog naar me toe.

‘Ik neem haar mee. Ik kom zodra het kan.’

Ik knikte. We waren vier jaar uit elkaar. Meestal communiceerden we over schoolroosters en vergeten gymtassen. Ik was nog nooit zo blij geweest hem te zien.

In Meander Medisch Centrum kreeg ik plakkers op mijn borst, een infuus en steeds opnieuw dezelfde vragen. Hoe lang koorts? Welke medicijnen? Pijn? Onlangs ergens behandeld? Drugs gebruikt?

Een verpleegkundige nam bloed af in verschillende flesjes. Mijn temperatuur was 39,4. Er werd een foto van mijn longen gemaakt. Een arts luisterde lang naar mijn hart.

‘Hoort u iets?’ vroeg ik.

‘Een geruis dat we verder moeten bekijken.’

Dat klonk klein. Een geruis was een koelkast. Een leiding in de muur.

Even later reed iemand een echoapparaat binnen. Ik moest op mijn linkerzij liggen. Op het scherm bewoog iets zwarts en grijs. De arts zei weinig. Ze vroeg een collega mee te kijken.

Toen wist ik dat ik die avond niet meer naar huis zou gaan.

Hoofdstuk 2

Een klep die lekt

De volgende ochtend zat er een cardioloog naast mijn bed. Ze heette dokter Smit en had een blauwe pen achter haar oor. David stond bij het raam. Hij had koffie gehaald die niemand opdronk.

‘We denken aan een infectie van een hartklep,’ zei ze. ‘Endocarditis. De bloedkweken moeten meer duidelijkheid geven. Op de echo zien we afwijkingen aan de aortaklep. Die lekt ernstig.’

Ik kende het woord aorta. De rest moest ze herhalen.

Ze tekende een hart op de achterkant van een formulier. Vier vakken. Een paar pijlen. Bij één klep zette ze een kruis.

‘Deze hoort te voorkomen dat bloed terugstroomt. Dat gebeurt nu wel. Je hart raakt daardoor overbelast. Er zit ook vocht achter je longen.’

‘En daar krijg ik medicijnen voor?’

‘Ja. Antibiotica via het infuus. Ook medicijnen om vocht kwijt te raken. Maar de schade aan de klep kan zo ernstig zijn dat een operatie nodig is.’

David zette zijn beker neer.

‘Wat voor operatie?’

‘Dan wordt de zieke klep vervangen.’

Ik keek naar het kruis op haar tekening. Het stond precies onder een koffievlek.

Er volgde een onderzoek met een echoslang via mijn slokdarm. Ik kreeg verdoving in mijn keel en een roesje. Vooraf moest ik een bijtring tussen mijn tanden nemen. Ik vond dat vernederend, al deed niemand iets verkeerd. Een verpleegkundige bleef bij mijn hoofd en legde uit wat er gebeurde. Achteraf wist ik alleen nog dat ik kokhalsde en haar mouw vastpakte.

De beelden bevestigden de zorgen. Mijn klep was beschadigd. Later groeiden er bacteriën in de bloedkweken. De antibiotica werden daarop aangepast.

‘Hoe kom ik hieraan?’ vroeg ik.

Dokter Smit vertelde dat bacteriën via het bloed op een klep terecht kunnen komen. Soms is er een aanwijsbare bron. Soms niet.

‘Heb ik te lang gewacht?’

Ze schoof haar stoel dichterbij.

‘Je bent ernstig ziek. Daar moeten we nu iets aan doen. Achteraf kun je niet precies vaststellen welk moment alles had veranderd.’

Het was geen vrijspraak. Ook geen beschuldiging. Toch bleef ik in mijn hoofd teruggaan naar de werkplaats. Naar die ene middag waarop ik rillend een versnellingskabel had vervangen. Bas had gezegd dat ik naar huis moest. Ik had hem gevraagd of hij dan mijn helft van de huur betaalde.

Diezelfde dag ging ik met een ambulance naar het UMC Utrecht. Een team van cardiologen, infectiespecialisten en hartchirurgen zou mijn behandeling overnemen. Ik vond het woord team geruststellend tot ik besefte hoeveel mensen er blijkbaar nodig waren.

Bas belde onderweg.

‘De zaak blijft draaien,’ zei hij.

‘De blauwe Gazelle moet morgen klaar.’

‘Noor.’

‘De onderdelen liggen in het bakje onder—’

‘Ik vind dat bakje wel.’

Ik huilde pas toen hij ophing. Niet luid. Er liepen tranen mijn oren in omdat ik plat lag.

In Utrecht kwam de chirurg die avond langs. Van Leeuwen. Hij ging niet aan het voeteneind staan, maar trok een stoel naast me. De operatie kon niet wachten tot de hele antibioticakuur was afgerond. Mijn hart kreeg het te zwaar.

Hij legde uit dat hij mijn borstbeen zou openen. De beschadigde klep verwijderen. Een nieuwe plaatsen. Tijdens een deel van de operatie zou een hart-longmachine het werk overnemen.

Ik vroeg of ik dood kon gaan.

‘Ja,’ zei hij. ‘Die kans is er. Ook zonder operatie is het risico nu groot.’

Ik was blij dat hij niet om de vraag heen draaide. Daarna wilde ik dat hij iets anders had gezegd.

We bespraken een mechanische en een biologische klep. Levensduur. Mogelijke nieuwe ingrepen. Stollingsremming. Mijn leeftijd telde mee, maar ook mijn voorkeur. Ik koos uiteindelijk voor een mechanische klep. Niet omdat ik ineens deskundig was. Omdat zijn uitleg duidelijk was en ik de afweging begreep, voor zover dat lukte met koorts en angst.

David bracht Fien die avond. Ze bleef eerst naast de deur staan.

‘Kom maar,’ zei ik.

Ze ging voorzichtig tegen me aan zitten. Haar schouder was hard en smal onder haar trui.

‘Gaan ze je hart eruit halen?’

‘Nee. Ze vervangen een kapot onderdeel.’

Ik hoorde mezelf praten alsof ik een fiets was. Dus vertelde ik daarna precies wat ik wel wist en wat niet.

Toen ze weg moest, vroeg ze: ‘Ben je er morgen nog?’

Ik wilde ja zeggen. Zonder voorbehoud.

‘Ze gaan heel goed voor me zorgen,’ zei ik. ‘En papa blijft bij jou.’

Ze keek me aan. Ze begreep dat ik geen echte belofte had gedaan.

Hoofdstuk 3

Het gat in de tijd

Voor de operatie gaf ik mijn telefoon aan David. Hij stond naast mijn bed in een kamer waar het nog donker was. Op de gang rammelde een kar.

‘De code is Fiens geboortedatum,’ zei ik.

‘Dat is een slechte code.’

‘Vandaag niet veranderen.’

Hij glimlachte, maar zijn mond bleef strak.

Ik had die nacht een bericht voor Fien opgenomen. Twee keer. De eerste keer klonk ik alsof ik afscheid nam. De tweede keer zei ik alleen dat ik van haar hield en dat ze haar vader niet gek moest maken over die nieuwe sneakers. Daarna verwijderde ik beide opnamen. Ik wist niet wat zo’n bericht met haar zou doen.

In plaats daarvan schreef ik op een briefje: Mijn blauwe vest ligt nog bij jou. Dat was onzin. Het vest lag thuis. Maar ik wilde iets achterlaten dat over later ging.

Een verpleegkundige controleerde mijn naam en geboortedatum. Ik deed mijn oorbellen uit. Mijn handen trilden zo dat David het tweede slotje losmaakte.

Bij de deuren naar de operatieafdeling moest hij achterblijven.

‘Tot straks,’ zei hij.

Ik stak mijn hand op. Het infuusslangetje trok aan mijn huid.

In de operatiekamer was het lichter dan ik verwachtte. Er stond geen dramatische muziek aan. Iemand vroeg of ik prettig lag. Iemand anders plakte iets op mijn rug. De anesthesioloog vertelde dat ik zuurstof kreeg en daarna slaapmedicatie.

‘Denk maar aan iets fijns,’ zei hij.

Ik dacht aan de bankschroef in onze werkplaats. Aan de beschadigde rode lak op het handvat. Toen was er niets meer.

Mijn eerste herinnering daarna klopt waarschijnlijk niet. Ik dacht dat ik achter glas in een tankstation lag. Mensen liepen langs en deden alsof ze me niet zagen. Ik wilde roepen, maar er zat iets in mijn keel.

Er was werkelijk een beademingsbuis. De rest maakte mijn hoofd ervan.

Een stem zei mijn naam. Steeds opnieuw.

‘Noor. Je bent op de intensive care. De operatie is klaar.’

Ik probeerde mijn hand naar mijn mond te brengen. Iemand hield hem tegen. Niet hard. Toch werd ik woedend. Ik dacht dat ik vastzat en niemand van plan was me uit te leggen waarom.

Later vertelde de verpleegkundige, Lotte, dat ik korte tijd erg onrustig was geweest. Door de narcose, de infectie, de medicijnen en de vreemde omgeving kon ik verward raken. Op dat moment voelde het niet als verwarring. Het voelde alsof ik iets wist wat niemand geloofde.

Toen de buis eruit was, had ik een rauwe keel. Ik mocht kleine slokjes water. Nog nooit had ik zo veel zin gehad in een hele beker. Lotte gaf me een beetje en wachtte.

‘Meer.’

‘Rustig aan. Eerst kijken of dit goed gaat.’

Onder mijn deken liepen slangen uit mijn lichaam. Drains. Een katheter. Draden op mijn borst. Midden op mijn borstkas zat een verband. Ik keek ernaar en draaide mijn hoofd weg.

De chirurg kwam vertellen dat de klep was vervangen. De operatie was technisch goed verlopen. Dat was belangrijk, maar de infectie moest nog verder behandeld worden. Mijn herstel zou tijd kosten.

‘Hoeveel tijd?’

‘Weken in elk geval. En voordat je je echt weer jezelf voelt, mogelijk maanden.’

Ik vond maanden een onredelijk antwoord. Alsof hij mijn agenda niet kende.

De eerste keer dat ik moest hoesten, schoot er pijn door mijn borst. Ik hield een kussentje stevig tegen me aan, zoals de fysiotherapeut had voorgedaan. Het hielp iets. Niet genoeg om stoer te blijven.

‘Ik kan dit niet,’ zei ik.

‘We doen één keer,’ zei ze. ‘Daarna rust.’

Dat werd de maat van mijn dagen. Eén keer hoesten. Op de bedrand zitten. Voeten op de vloer. Drie passen naar een stoel. Daarna tien minuten bijkomen alsof ik hard had gefietst.

Op de derde dag zag ik mijn wond voor het eerst. Het verband werd verzorgd. Ik keek naar beneden. Een rode lijn liep over het midden van mijn borst. Onderaan zaten kleinere wondjes van de drains.

‘Wil je een spiegel?’ vroeg Lotte.

‘Nee.’

Een minuut later zei ik toch ja.

Mijn borsten, mijn sproeten, de moedervlek onder mijn sleutelbeen: alles was er nog. Maar het midden was veranderd. Gezwollen. Gekneusd. Dichtgemaakt.

Die nacht hoorde ik een zacht tikken. Ik zocht met mijn ogen naar de klok.

De verpleegkundige zag me kijken.

‘Dat kan je nieuwe klep zijn.’

Ik hield mijn adem even in. Het tikken bleef.

Ik was opgelucht dat mijn hart werkte. Ik was ook bang dat ik dat geluid nooit meer zou kunnen verdragen.

Hoofdstuk 4

Kamer achttien

Op de verpleegafdeling kreeg ik kamer achttien. Vanuit mijn bed zag ik een stuk parkeerterrein en een boom die langzaam bladeren kreeg. Ik had het begin van de lente gemist terwijl ik dacht dat ik griep had.

De dagen werden ingedeeld door antibiotica, bloedafnames, controles en bezoek. Voor de langdurige behandeling kreeg ik een dunne lijn in mijn bovenarm. Een verpleegkundige legde uit hoe die verzorgd werd en wanneer ik moest waarschuwen. Ik luisterde aandachtiger dan ik ooit bij een gebruiksaanwijzing had gedaan.

Mijn kamergenoot heette Ria. Ze was zevenenzestig, kwam uit Nieuwegein en had een andere hartoperatie achter de rug. Ze keek televisie met het geluid te hard.

De eerste avond ergerde ik me aan haar. De tweede avond vroeg ze waarom ik mijn avondeten onaangeroerd liet staan.

‘Geen trek.’

‘Dat was de vraag niet.’

Ik keek haar aan.

‘Ik ben bang dat ik moet overgeven. Dan gaat mijn borst weer zo’n pijn doen.’

Ze drukte op mijn bel.

‘Dat kun je gewoon zeggen tegen ze.’

Ik vond haar bemoeizuchtig. Ik was ook blij dat iemand het deed.

Er waren meer dingen waar ik over zweeg. Dat ik hulp nodig had bij het wassen van mijn benen. Dat ik dagenlang niet naar het toilet kon door de medicijnen en het stilliggen. Dat ik bij elke temperatuursmeting naar het gezicht van de verpleegkundige keek voordat ik naar het scherm durfde te kijken.

Op een middag was mijn temperatuur weer hoger. Niet zo hoog als thuis, maar genoeg om me stil te krijgen. Er werden nieuwe bloedkweken afgenomen. De arts onderzocht me en vertelde wat ze controleerden.

‘Is de nieuwe klep ook besmet?’ vroeg ik.

‘Dat weten we nu niet. Een temperatuurstijging kan meerdere oorzaken hebben. We nemen het serieus.’

De uren daarna duurden langer dan de dagen ervoor. Ik controleerde steeds de plek waar de lijn mijn arm inging. Ik drukte mijn hand op mijn borst. Alsof ik door mijn huid heen kon voelen of er iets misging.

Er kwam uiteindelijk geen aanwijzing voor een nieuwe infectie. De temperatuur zakte. De behandeling bleef op schema. Mijn angst trok zich daar minder snel iets van aan.

Fien kwam na school met David. Ze legde haar wiskundeboek op mijn deken en vroeg naar een som. Ik kon de cijfers zien, maar ze bleven niet in mijn hoofd zitten.

‘Vraag even aan papa.’

‘Jij snapt dit altijd.’

‘Nu niet.’

Ik zei het te scherp. Haar hand schoot terug naar het boek.

‘Sorry,’ zei ik. ‘Mijn hoofd doet ook nog niet goed mee.’

Ze knikte zonder me aan te kijken. Even later liep ze met David koffie halen. Ik hoorde haar op de gang vragen of ik een ander mens was geworden.

Die zin deed meer pijn dan ik had verwacht.

Een medisch maatschappelijk werker kwam langs. Ze heette Elise. Ik vertelde haar eerst over de zaak, de huur en mijn gebrekkige verzekering voor arbeidsongeschiktheid. Dat waren overzichtelijke problemen. Bedragen. Termijnen.

Daarna vertelde ik wat Fien had gezegd.

‘Ze probeert te begrijpen wat er gebeurt,’ zei Elise. ‘Dat doe jij ook.’

‘Ik snauw tegen haar.’

‘Dan bied je je excuses aan. Ziek zijn maakt dat niet onbelangrijk. Maar je hoeft ook niet te doen alsof je dezelfde energie hebt.’

Bas bracht een map met cijfers. Hij had tijdelijk een monteur gevonden voor twee dagen per week. Dat kostte geld dat we nauwelijks hadden. Een paar klanten wilden wachten. Een paar niet.

‘Ik kan de administratie doen,’ zei ik.

Hij schoof één factuur naar me toe. Ik las hem drie keer en zag pas toen dat ik naar het verkeerde bedrag keek.

‘Nog niet,’ zei Bas.

Ik haatte hem ongeveer vijf seconden.

Tegen het einde van mijn opname leerde ik omgaan met mijn nieuwe medicijnen. Vanwege de mechanische klep moest ik blijvend stollingsremming gebruiken. Bij mij werd dat acenocoumarol. De trombosedienst zou mijn bloed controleren en het doseerschema aanpassen. Ik kreeg uitleg over bloedingen, andere medicijnen en wanneer ik hulp moest zoeken.

Het was veel. Ik vroeg alles op papier.

Na overleg kon ik het laatste deel van de antibioticakuur thuis afmaken met gespecialiseerde thuiszorg. Voor het ontslag oefende ik met de fysiotherapeut een trap.

Boven bleef ik staan. Mijn benen trilden.

‘Gelukt,’ zei hij.

Ik keek omlaag naar de treden. Thuis waren het er twaalf. Ik telde deze twee keer voordat ik durfde te geloven dat het er net zoveel waren.

Hoofdstuk 5

De stoel bij het raam

Thuis rook het naar wasmiddel dat ik zelf nooit kocht. Mijn moeder had schoongemaakt. Te grondig. De stapel post was verdwenen in een lade en mijn koffiemokken stonden op een andere plank.

‘Je hoeft alleen maar uit te rusten,’ zei ze.

Ik stond boven aan de trap en kon nog niet antwoorden.

David had een stevige stoel bij het raam gezet. Daarnaast stond een tafeltje met water, mijn telefoon en de medicijnlijst. Het zag eruit alsof iemand een oude vrouw verwachtte.

Ik ging er meteen in zitten.

De eerste dagen draaiden om kleine afstanden. Van stoel naar wc. Van wc naar keuken. Terug naar de stoel. Ik volgde de instructies voor het herstel van mijn borstbeen en probeerde niet meer te tillen of te duwen dan was toegestaan. Toch vergat ik het soms. Dan trok ik aan een zwaar raam en voelde ik direct waarom ik voorzichtig moest zijn.

De thuiszorg kwam voor de antibiotica en de lijn. Mijn bloed werd gecontroleerd. De trombosedienst belde over de dosering. Ik schreef alles in een schrift, omdat ik bang was schema’s door elkaar te halen.

Mijn moeder zette pannen soep in de koelkast.

‘Met verse groenten,’ zei ze. ‘Daar knap je van op.’

‘Het is geen gebrek aan broccoli, mam.’

Ze zette de pan te hard neer.

Ik zag hoe moe ze was. Ze was tweeënzeventig en reed bijna dagelijks vanuit Nijkerk naar me toe. Toch kon ik haar bezorgdheid soms slecht verdragen. Ze vroeg bij elke zucht of ik benauwd was.

We spraken uiteindelijk af dat ze één keer mocht vragen hoe het ging. Daarna zou ik het zelf zeggen als er iets veranderde. Ze hield zich daar ongeveer een uur aan. Toen moesten we allebei lachen. Voor het eerst zonder dat het meteen over de operatie ging.

’s Nachts lukte lachen niet. In bed hoorde ik mijn klep. Soms zacht, soms duidelijker, afhankelijk van hoe ik lag. Ik wist dat het geluid op zichzelf niet betekende dat er iets verkeerd ging. Toch lag ik te luisteren of het ritme veranderde.

Ik sliep met een lampje aan. Zodra ik indommelde, stond ik soms weer op die trap. Of ik lag achter dat denkbeeldige glas van de intensive care. Ik werd wakker met natte handen.

Op een nacht voelde ik mijn hart hard bonzen. Mijn ademhaling werd snel. Ik belde de huisartsenpost. Vanwege mijn recente operatie en de klachten werd ik beoordeeld. David kwam voor Fien. Ik voelde me schuldig terwijl ik mijn schoenen aantrok.

Er werd geen acute hartcomplicatie gevonden. De arts zei dat angst en een verstoorde ademhaling waarschijnlijk meespeelden. Hij zei ook dat nieuwe of ernstige klachten opnieuw beoordeeld moesten worden. Ik had goed gedaan aan bellen.

Toch hoorde ik vooral het woord angst.

Thuis zei ik tegen David: ‘Dus ik stel me aan.’

‘Dat heeft niemand gezegd.’

‘Ik lag daar tussen mensen die echt ziek waren.’

Hij keek naar mijn medicijnschrift, de stoel, de verbandspullen op tafel.

‘Noor. Kijk even om je heen.’

De volgende week vertelde ik de huisarts over de nachten. Via het ziekenhuis kreeg ik een afspraak voor psychologische begeleiding. Niet omdat mijn hartklachten verzonnen waren. Omdat wat er gebeurd was mijn hele dag bleef beheersen.

Fien woonde tijdelijk vooral bij haar vader. Op woensdag at ze bij mij. De eerste keer wilde ik pannenkoeken bakken. Na twee stuks moest ik gaan zitten. Zij nam de spatel over.

‘Ik kan dit wel,’ zei ze.

‘Dat weet ik.’

Ze draaide een pannenkoek die dubbelklapte. We aten hem toch.

Na het eten vroeg ze of ze mijn litteken mocht zien. Ik trok de hals van mijn shirt omlaag. De wond was dicht. De lijn was nog rood en op sommige plekken dikker.

‘Doet het pijn?’

‘Soms. En ernaast voelt het juist doof.’

Ze keek lang.

‘Ik was bang dat het open zou gaan als ik je knuffelde.’

Ik schoof mijn stoel naar achteren en stak mijn armen uit. We zochten voorzichtig een houding. Haar wang kwam tegen mijn schouder.

‘Ik ben niet van glas,’ zei ik.

Later vond ik haar bij de kapstok. Ze had mijn schoenen netjes naast elkaar gezet, met de neuzen naar de deur.

‘Voor als je snel weg moet,’ zei ze.

Die avond belde ik David. We besloten hulp te vragen voor Fien. Ze had die trap niet alleen achter zich gelaten omdat ik weer thuis was.

Hoofdstuk 6

Weer naar buiten

Mijn eerste dag hartrevalidatie begon met een ruzie over een jas. Het regende en mijn moeder vond mijn regenjack te dun. Ik was vierenveertig geworden in de weken na de operatie en stond in mijn eigen gang te verdedigen dat ik zelf kleding kon kiezen.

‘Breng me gewoon,’ zei ik.

In de auto zeiden we tien minuten niets. Daarna bood ik mijn excuses aan. Zij zei dat ze bang was. Meer hoefden we die ochtend niet uit te zoeken.

De antibioticakuur was inmiddels klaar. De lijn was verwijderd. Bij controles waren er geen tekenen dat de infectie terug was. Mijn nieuwe klep functioneerde goed. Dat waren goede berichten. Ik had alleen verwacht dat mijn lichaam ze sneller zou geloven.

In de oefenzaal stonden fietsen waarop je nergens heen ging. Ik vond dat een belediging voor het concept fiets. De fysiotherapeut, Marloes, hoorde mijn opmerking en wees naar een zadel.

‘Begin maar met hier blijven.’

Naast me fietste Ahmed, een buschauffeur uit Utrecht. Aan de andere kant zat Els, die haar handdoek kaarsrecht over het stuur legde. We waren om verschillende redenen geopereerd. Onze verhalen waren niet hetzelfde. De blikken naar het scherm met hartslagcijfers wel.

Ik begon te hard. Na een paar minuten kon ik nauwelijks nog praten.

Marloes verlaagde de weerstand.

‘Je hoeft hier niets te bewijzen.’

‘Ik wil gewoon weten wat ik kan.’

‘Dan moet je wel meten wat je kunt volhouden.’

Dat vond ik een irritant goed antwoord.

Er waren gesprekken over inspanning, medicijnen, voeding en angst. Bij de psycholoog vertelde ik eindelijk over het tankstation achter glas. Ik verwachtte dat ze zou zeggen dat het maar een droom was.

Ze vroeg wat ik voelde als ik eraan terugdacht.

‘Dat niemand me helpt.’

Terwijl ik dat zei, begon ik te huilen. Ik had in het ziekenhuis voortdurend hulp gekregen. Toch zat die andere herinnering vast in mijn lichaam.

We werkten aan die beelden en aan de angst om opnieuw ziek te worden. Ik leerde verschil maken tussen afgesproken controles en eindeloos geruststelling zoeken. Mijn temperatuur meten zonder aanleiding gaf me vijf minuten rust en daarna een nieuwe reden om te twijfelen.

We maakten een plan voor klachten waarbij ik moest bellen. Dat plan hing in de keuken. Daardoor hoefde ik niet iedere avond zelf een nieuwe grens te bedenken.

Na overleg met mijn behandelaars begon ik weer in de werkplaats. Twee ochtenden per week. Geen zware fietsen tillen. Geen volle dagen. Eerst bestellingen, telefoontjes en kleine klussen.

De eerste ochtend stond Bas in de deuropening.

‘Koffie?’

Ik knikte. Ik had gedacht dat ik meteen zou huilen bij de geur van banden en kettingolie. In plaats daarvan ergerde ik me aan de nieuwe indeling van de gereedschapswand.

‘Wie heeft de momentsleutels verplaatst?’

‘De mensen die hier werkten terwijl jij weg was.’

Ik liet het daarbij.

Om elf uur maakte ik een fout bij een bestelling. Tien remblokken in plaats van twee. Niets ernstigs. Toch werd ik heet van schaamte. Ik pakte meteen een reparatiebon om te laten zien dat ik nog iets kon.

Bas legde zijn hand op het papier.

‘Je gaat naar huis.’

‘Ik ben net binnen.’

‘En je kijkt al een kwartier alsof je door stroop probeert te rekenen.’

Ik trok mijn jas aan zonder afscheid te nemen. Buiten ging ik op een bankje zitten. Ik was te moe om meteen naar huis te lopen.

Tien minuten later kwam Bas met mijn tas.

‘Je bent niet ontslagen,’ zei hij.

‘Dat is lastig. Ik bezit de helft.’

Hij ging naast me zitten. We maakten een nieuw schema. Korter. Duidelijker. Met rust voordat ik instortte, niet erna.

Het ging vooruit, maar niet in een nette lijn. Na een goede woensdag kon donderdag verloren gaan aan slapen. Ik kreeg blauwe plekken van de stollingsremming. Een wondje aan mijn vinger bloedde langer dan vroeger. Ik leerde handschoenen dragen en niet uit gewoonte een pijnstiller te pakken zonder te controleren of die bij mijn medicijnen paste.

Op een zaterdag liep ik met Fien naar het Eemplein. We haalden brood en gingen even op een bank zitten.

‘Moet je rusten?’ vroeg ze.

‘Ja.’

Ze knikte en pakte haar telefoon. Geen paniek. Geen onderzoekende blik.

Ik keek naar haar gebogen hoofd en at een stuk van het brood. Dat ze zich gewoon verveelde terwijl ik uitrustte, voelde als echte vooruitgang.

Hoofdstuk 7

Een jaar later

Een jaar na de operatie ging ik voor controle naar Utrecht. Ik kende inmiddels de route vanaf de parkeergarage. Ik wist welke lift traag was en bij welke koffieautomaat de beker soms vastliep.

Toch moest ik in de wachtruimte naar het toilet van de zenuwen.

Bij de echo keek ik weer naar zwart-witte beelden. Ik probeerde niet aan het gezicht van de laborant af te lezen wat ze zag. Dat lukte ongeveer drie minuten.

‘Kunt u al iets zeggen?’ vroeg ik.

‘De cardioloog bespreekt straks de uitslag met u.’

Het was het juiste antwoord. Ik had er een hekel aan.

Dokter Smit was er niet. Mijn controles waren nu bij een cardioloog in Utrecht die mijn dossier kende en mijn naam correct uitsprak. Hij vertelde dat de klep goed functioneerde. Mijn hartfunctie was hersteld ten opzichte van de zieke periode. Er waren op dat moment geen aanwijzingen voor problemen die een nieuwe behandeling vroegen.

Ik liet mijn schouders zakken.

Daarna bespraken we de rest. Mijn stollingswaarden waren meestal stabiel, maar controle bleef nodig. Ik moest alert blijven op onverklaarde koorts en bij ingrepen altijd melden dat ik een kunstklep had. We herhaalden de afspraken over mondzorg en antibiotische bescherming bij bepaalde tandheelkundige behandelingen.

‘En die moeheid?’ vroeg ik.

Hij stelde vragen. Hoe vaak? Na welke inspanning? Werd het erger? Er werd niet automatisch gezegd dat alles bij de operatie hoorde. Dat vond ik prettig. We spraken af wat nog onderzocht moest worden en wat ik samen met de huisarts zou volgen.

Een goede controle betekende niet dat elke klacht verdween. Wel dat ik die middag met minder angst naar buiten liep.

Ik werkte inmiddels vier korte dagen per week. Minder dan vroeger. Bas en ik hadden lang gerekend voordat we besloten de tijdelijke monteur een vast aantal uren te geven. Mijn inkomen was lager. De reserve voor een nieuwe bestelbus was opgegaan aan maanden waarin ik weinig kon.

Dat vond ik nog steeds oneerlijk. Ik had geen behoefte om er een les over prioriteiten van te maken. Ik had liever mijn gezondheid én die bestelbus gehad.

Maar de zaak bestond nog. Ik kon weer reparaties doen. Soms vergat ik tijdens het werk een uur lang dat ik een kunstklep had. Dan hoorde ik hem ’s avonds in bed en schrok ik niet meer direct. Het tikken was niet mooi geworden. Het was wel bekend.

Met David bleef het bij samen ouders zijn. Mensen vroegen soms of we door alles weer naar elkaar toe waren gegroeid. We konden beter praten en maakten minder ruzie over kleine dingen. Dat betekende niet dat de redenen voor onze scheiding verdwenen waren.

Fien sliep weer even vaak bij mij als bij hem. Ze had gesprekken gehad met iemand die kinderen begeleidde na ziekte in het gezin. Soms vroeg ze nog of ik mijn telefoon bij me had als ik alleen ging wandelen. Meestal dacht ze vooral aan school, vriendinnen en hoe onredelijk mijn regels waren. Ik genoot niet van elke discussie. Wel van het feit dat ze die weer durfde te voeren.

Mijn litteken was lichter geworden. Onderaan bleef een stukje dik en gevoelig. Naast de lijn zat een strook huid die anders aanvoelde als ik eroverheen streek. Ik droeg weer shirts met een open hals. Niet elke dag. Soms wilde ik gewoon niet dat een onbekende in de rij bij de bakker vroeg wat mij was overkomen.

In juni ging ik met Fien naar een zwembad in Amersfoort. Ik had zwemmen lang uitgesteld, ook nadat het medisch weer mocht. In het kleedhokje bleef ik naar mijn badpak kijken. De bovenkant van het litteken was zichtbaar.

‘Mam, kom je?’

‘Ja.’

Bij het water trok ik mijn handdoek niet meteen uit. Fien wachtte ongeduldig met haar brilletje op haar voorhoofd.

‘Je hoeft niet te duiken,’ zei ze.

‘Dat was ik ook niet van plan.’

Ik legde de handdoek neer en nam het trapje. Het water voelde koud tegen mijn buik. Ik zwom één rustige baan. Aan de kant bleef ik even staan. Mijn ademhaling zakte. Fien dook onder en kwam naast me boven.

‘Nog eentje?’

‘Straks. Eerst even rust.’

Op weg naar huis haalden we boodschappen. Melk, brood, tomaten. Fien nam de zwaarste tas zonder er iets van te zeggen.

Bij onze trap keek ik omhoog. Twaalf treden. Ik liep rustig naar boven, met één hand langs de leuning. Boven zette ik mijn tas neer en pakte mijn sleutel.

Binnen vroeg Fien wat we gingen eten.

Ik was buiten adem. Niet bang.

‘Pasta,’ zei ik. ‘Als jij de tomaten snijdt.’