Naar de inhoud
Terug naar het boek

Psychische gezondheid

Het jaar dat ik niet buiten kwam

Dit boek gaat over psychische klachten. Zoek hulp als het onderwerp je raakt.

Hoofdstuk 1

De ketting

Op 12 maart zette ik twee boodschappentassen in de gang. Ik deed de deur dicht. Daarna schoof ik de ketting erop.

Die ketting bleef ruim een jaar mijn belangrijkste bezit.

Ik heet Daan Vermeer. Ik was vierendertig. Ik woonde driehoog in Kanaleneiland, in een flat waar je kon horen wanneer de bovenbuurman staand plaste. Ik werkte bij een fietsenwinkel aan de Amsterdamsestraatweg. Ik verving remblokjes, richtte wielen en at mijn boterhammen boven een bak met oude binnenbanden.

Tot die dinsdag was mijn leven kleiner geworden zonder dat ik het echt toegaf. Eerst vermeed ik de bus. Daarna de supermarkt op zaterdag. Toen de fietsenstalling onder Utrecht Centraal.

Er was altijd een reden. Te druk. Te warm. Geen zin.

Die ochtend stond ik bij de kassa van de Lidl. Voor me rekende een man zes pakken koffiemelk af. De kassière vroeg iets. Ik hoorde haar stem, maar niet de woorden.

Mijn hart sloeg hard tegen mijn borstbeen.

Niet snel zoals na fietsen. Hard. Verkeerd.

Ik keek naar de schuifdeuren. Er stonden twee winkelwagens tussen mij en de uitgang. Een kind huilde. Het piepje van de scanner ging door.

‘Meneer? Uw pincode.’

Ik wist hem niet meer.

Vier cijfers die ik al twaalf jaar gebruikte. Weg.

‘Gaat het?’ vroeg de kassière.

Ik knikte. Dat deed ik altijd als het niet ging.

Mijn vingers vonden de cijfers alsnog. Ik greep mijn tassen en liep naar buiten. Op het parkeerterrein hurkte ik naast een rode Opel. Ik was ervan overtuigd dat ik daar zou sterven. Tussen een vettig bonnetje en een platgereden mandarijn.

Een vrouw vroeg of ze iemand moest bellen.

‘Nee. Lage bloedsuiker.’

Ik had net twee krentenbollen gegeten.

Thuis belde ik de huisarts. De assistente stelde vragen over pijn op mijn borst, mijn ademhaling en hoe lang het duurde. Die middag zat ik bij dokter Smit. Hij onderzocht me en vroeg ook naar eerdere aanvallen. Ik vertelde over mijn hart. Niet over de bus. Niet over de routes die ik inmiddels vermeed.

Hij legde uit dat mijn klachten bij paniek konden passen. We maakten een vervolgafspraak. Bij nieuwe of andere ernstige klachten moest ik opnieuw bellen.

Ik fietste naar huis. Bij elke kruising controleerde ik mijn pols.

Dat was de laatste keer dat ik buiten kwam.

De volgende ochtend stond ik aangekleed bij de deur. Werkschoenen aan. Sleutels in mijn hand. Achter de deur klapte ergens beneden de brievenbus dicht.

Mijn maag trok samen.

Ik zag mezelf op de galerij liggen. De buurvrouw die over me heen moest stappen. De ambulance die de verkeerde ingang nam.

Ik deed mijn jas uit.

Om kwart over acht belde ik Bas, mijn baas.

‘Buikgriep,’ zei ik.

‘Blijf maar thuis. Je klinkt beroerd.’

Vrijdag werd het een virus. De week erna was ik uitgeput na dat virus. Tegen mijn zus Eva zei ik dat het druk was op het werk.

Liegen kostte weinig moeite zolang iedereen alleen mijn stem hoorde.

Mijn boodschappen liet ik bezorgen. De eerste bezorger vroeg of ik de krat even buiten de deur kon zetten.

‘Rug,’ zei ik, met mijn hand op mijn zij.

Hij tilde alles over de drempel.

Ik leerde wanneer de galerij stil was. Vuilnis zette ik ’s nachts vlak naast mijn deur. De volgende ochtend trok ik de zak weer naar binnen. De container stond beneden. Daar had ik geen oplossing voor.

Na drie weken rook mijn keuken zuur.

Eva belde op een zondag.

‘Ik ben in de buurt. Koffie?’

‘Komt slecht uit.’

‘Je zegt al een maand dat het slecht uitkomt.’

‘Dan zal het wel slecht uitkomen.’

Er viel een stilte. Ik hoorde haar richtingaanwijzer.

‘Daan. Ben je thuis?’

‘Nee.’

Tien minuten later ging de bel.

Ik stond midden in de woonkamer en bewoog niet. Mijn telefoon trilde. Daarna klonk haar stem door de brievenbus.

‘Je fiets staat beneden. Je raam staat open. En ik hoor je telefoon.’

Ik keek naar de ketting.

‘Ga weg.’

‘Doe open.’

‘Ik kan niet.’

Dat was de eerste ware zin die ik in weken tegen iemand had gezegd.

Eva ging aan de andere kant van de deur zitten. Haar jas schuurde langs het hout.

‘Goed,’ zei ze. ‘Dan blijf ik hier even.’

Hoofdstuk 2

Aan de deur

Eva bleef drie kwartier zitten. Ik wist dat omdat ik de klok boven het fornuis kon zien.

Ze praatte niet voortdurend. Dat maakte het erger. In de stiltes hoorde ik haar ademen. Mijn kleine zus, die vroeger bij mij kwam liggen als er onweer was, zat nu op een betonnen galerij omdat ik de deur niet durfde te openen.

‘Ben je ziek?’ vroeg ze.

‘Weet ik niet.’

‘Heb je gedronken?’

‘Nee.’

‘Mag ik je zien?’

Ik schoof de ketting los. Alleen dat geluid maakte me misselijk.

Eva duwde de deur voorzichtig open. Ze keek naar mijn baard, mijn joggingbroek en de vuilniszakken. Ze zei niets over de lucht.

‘Heb je koffie?’

‘Filters zijn op.’

‘Thee dan.’

Ze ging eerst naar de keuken. Ik hoorde de kraan. Daarna het raam dat verder werd opengeduwd.

‘Niet te ver,’ riep ik.

Ze kwam terug met twee mokken lauw water. De waterkoker bleek kapot. Ik had hem al dagen niet meer gebruikt.

‘Vertel,’ zei ze.

Ik vertelde over de Lidl. Over mijn hart. Over de deur. Halverwege begon ik te huilen. Niet netjes. Mijn neus liep en ik kreeg geen hele zin meer uitgesproken.

Eva schoof de doos tissues naar me toe.

‘Waarom heb je niets gezegd?’

‘Omdat jij dan zou komen.’

Ze keek naar haar mok.

‘Ja,’ zei ze. ‘Dat klopt.’

Ze wilde me meteen meenemen. Een rondje om het gebouw. Desnoods alleen naar de lift.

Ik werd zo boos dat zij ervan schrok.

‘Denk je dat ik daar zelf niet op ben gekomen?’

‘Ik probeer te helpen.’

‘Dan moet je luisteren.’

Ze zette haar mok neer. Een harde tik op tafel.

‘En jij moet stoppen met tegen me liegen.’

Daar zaten we. Allebei kwaad. Allebei bang, al kon ik dat toen alleen bij mezelf herkennen.

Uiteindelijk belden we de huisarts op maandag. Eva zat naast me terwijl ik sprak. Ik begon opnieuw over duizeligheid. Ze tikte met haar vinger tegen mijn knie.

‘Ik kom mijn huis niet uit,’ zei ik toen.

De assistente vroeg hoelang al.

Ik moest tellen.

Dokter Smit belde die middag terug. Later die week kwam hij langs. Hij ging op dezelfde stoel zitten als Eva, met zijn tas tussen zijn schoenen. Hij vroeg naar slapen, eten, alcohol en werk. Ook vroeg hij of ik nog wilde leven.

‘Ja,’ zei ik snel. ‘Ik wil alleen niet zo leven.’

Hij liet die zin even staan.

Daarna spraken we over angst, vermijding en hulp. Hij verwees me door. Tot er plek was, kon ik telefonisch contact hebben met de praktijkondersteuner. Een huisbezoek door haar was ook mogelijk.

‘Dus ik ben niet gek?’ vroeg ik.

‘Je bent ernstig vastgelopen,’ zei hij. ‘Dat is niet hetzelfde.’

Die middag belde ik Bas.

Ik had een heel verhaal opgeschreven. Met woorden als overbelasting en lichamelijke klachten. Toen hij opnam, las ik geen woord voor.

‘Ik heb gelogen over die griep.’

Bas zweeg.

‘Ik ben ziek. Maar anders.’

Hij vroeg of ik ontslag wilde nemen.

‘Nee.’

‘Mooi. Doe dat dan ook niet uit schaamte.’

We spraken af dat hij mijn ziekmelding verder zou regelen. De bedrijfsarts zou contact opnemen. Ik hoefde Bas geen medische details te geven. Toch vertelde ik hem over de deur.

‘Verdomme, Daan,’ zei hij zacht.

Ik verwachtte een grap. Bas maakte overal grappen over. Dit keer niet.

Eva bracht de vuilnis weg. Ze kocht een waterkoker en schreef niet op wat ik haar schuldig was. Voor ze vertrok, gaf ik haar mijn reservesleutel.

‘Niet zomaar binnenkomen,’ zei ik.

‘Alleen als we dat afspreken. Of als ik echt denk dat er iets mis is.’

Die avond stuurde ze een foto van haar kat, die in de doos van mijn nieuwe waterkoker zat.

Ik stuurde een duimpje terug.

Daarna keek ik op de website van de behandelaar. De wachttijd stond in weken. Ik rekende uit welke maand het zou zijn.

Juni.

Buiten hoorde ik iemand op de galerij lachen. Een sleutelbos rinkelde. Een deur ging open en dicht.

Ik zette thee. Voor het eerst die dag dronk ik iets warms.

Hoofdstuk 3

De gele map

Noor kwam op donderdag om tien uur. Ze was praktijkondersteuner en droeg natte gympen. Het regende hard.

‘Waar wil je zitten?’ vroeg ze.

Ik wees naar de stoel bij het raam.

‘Liever hier,’ zei ze, wijzend naar de tafel. ‘Dan hoef ik niet boven je uit te hangen als ik schrijf.’

Ze had een gele map bij zich. Geen apparaat, geen formulieren van twintig pagina’s. Toch keek ik steeds naar die map. Daar zou straks mijn naam in staan. Met iets erachter wat ik niet wilde zijn.

Noor vroeg hoe mijn dag eruitzag.

‘Gewoon,’ zei ik.

‘Neem gisteren.’

Ik was om half twaalf opgestaan. Ik had op mijn telefoon gelezen over hartritmestoornissen. Daarna een broodje gegeten. Gedoucht had ik niet. Om vier uur had ik een serie aangezet die ik al kende. Om twee uur ’s nachts lag ik nog wakker.

Noor schreef een paar woorden op.

‘Dat klinkt als veel uren alleen met je angst.’

Ik haalde mijn schouders op.

We maakten een klein plan. Op een vaste tijd opstaan. Iets eten aan tafel. Elke dag douchen hoefde van haar niet op een lijst, maar schone kleren leek ons allebei haalbaar. En niet de hele middag zoeken naar verklaringen voor mijn hartslag.

‘Dus ik moet gewoon normaal doen.’

‘Nee. We proberen je dag minder zwaar te maken terwijl je op behandeling wacht.’

Dat verschil drong pas later door.

Ze vroeg wanneer de angst was begonnen. Ik zei: in de supermarkt. Daarna vertelde ik over een aanval in de bus. Die was eerder geweest.

‘En daarvoor?’

Ik keek naar de vensterbank. Daar stond een foto van mijn vader met een te kleine fiets. Een klant had hem ooit ingeruild. Mijn vader had erop gezeten voor de grap.

‘Mijn vader is vorig jaar overleden.’

Noor legde haar pen neer.

Hij was in zijn keuken in Nieuwegein gevonden. Een hartstilstand, hadden ze gezegd. Mijn oom kwam langs omdat hij niet op zijn telefoon reageerde.

Die ochtend had mijn vader mij ook gebeld.

Om 08.17 uur.

Ik was op mijn werk en had vieze handen. Bovendien hadden we de avond ervoor ruzie gehad over mijn moeder. Zij was al jaren bij hem weg. Hij vond dat ik te vaak haar kant koos.

Ik had mijn telefoon zien oplichten.

Ik had hem laten liggen.

‘Je weet niet waarom hij belde,’ zei Noor.

‘Nee.’

‘Maar je hebt daar wel een antwoord op gemaakt.’

Ik knikte.

In mijn versie had hij pijn gehad. Had hij mij nodig gehad. Had hij naar zijn scherm gekeken terwijl ik een ketting op spanning zette.

Niemand had dat bevestigd. Niemand kon het uitsluiten op een manier die ik geloofde.

Sinds zijn dood luisterde ik naar mijn eigen lichaam alsof het elk moment hetzelfde kon doen.

Noor zei niet dat daar ineens alles mee verklaard was. Ze vroeg wat ik miste aan hem.

Dat vond ik moeilijker.

‘Hij belde altijd te vroeg,’ zei ik.

Toen huilde ik weer.

In juni begon mijn behandeling via beeldbellen. Mijn behandelaar heette Marieke. Ze sprak over paniek en agorafobie. Over hoe vermijden op korte termijn opluchtte, maar mijn angst ondertussen meer ruimte gaf.

Ik had een hekel aan hoe logisch dat klonk.

We maakten samen een lijst. Naast de voordeur staan. De klink aanraken. De deur openen. Op de galerij staan. Naar de lift lopen.

Bij dat laatste gaf ik mijn angst een tien.

‘Dan beginnen we daar niet,’ zei Marieke.

Mijn eerste oefening was bij de gesloten deur blijven staan zonder mijn pols te controleren. We spraken af hoe lang. Ik mocht bang zijn. Ik hoefde niet te wachten tot ik rustig was.

De eerste keer hield ik het korter vol dan gepland.

Bij het volgende gesprek zei ik dat het goed was gegaan.

Marieke keek me aan via het scherm.

‘Wat betekent goed?’

Ik voelde dezelfde schaamte als bij Eva.

‘Ik ben naar de bank gevlucht.’

‘Dan kijken we naar wat er gebeurde.’

Geen zucht. Geen teleurstelling.

Die middag probeerde ik het opnieuw. Mijn hand trilde boven de klink. Ik liet hem trillen.

Toen de afgesproken tijd voorbij was, ging ik zitten.

Mijn T-shirt was nat van het zweet. De deur zat nog dicht. Toch schreef ik het op.

Hoofdstuk 4

Water op de vloer

In augustus werd het zo warm dat de boter in mijn keuken slap bleef. De flat hield alle hitte vast. Ik sliep op een laken in de woonkamer.

De oefeningen gingen langzaam. Soms kreeg ik de deur een handbreed open. Dan zag ik de grijze vloer van de galerij en de blauwe plantenbak van mijn buurvrouw. Verder niet.

Ik bleef met beide voeten binnen.

Op een woensdag werd ik wakker van een druppel op mijn enkel.

Eerst dacht ik dat ik had gezweet. Toen viel er nog een.

Boven de radiator hing een donkere plek in het plafond. Terwijl ik keek, werd die groter.

Ik schoof een pan eronder en belde de woningcorporatie.

‘Kunt u bij de bovenburen aanbellen?’ vroeg de medewerker.

‘Nee.’

‘Zijn ze niet thuis?’

‘Ik kan niet naar buiten.’

Er volgde een stilte waarin ik hem hoorde typen.

‘Ik heb een angststoornis,’ zei ik. Het woord voelde geleend, maar het werkte.

Hij belde zelf de bovenbuurman. Er bleek een slang van de wasmachine los te zijn geraakt. De lekkage stopte, maar een monteur moest bij mij controleren of alles veilig was.

‘Vandaag nog.’

Ik keek naar de pannen op de vloer.

‘Goed.’

Een uur later stond er een man voor mijn deur. Hij heette Patrick en had een plastic gereedschapskoffer. Toen ik hem binnenliet, hield ik me achter de deur verscholen.

Hij keek naar het plafond.

‘Dat is een flinke.’

Ik wilde zeggen dat hij snel moest zijn. In plaats daarvan vroeg ik of hij de voordeur dicht wilde doen.

‘Natuurlijk.’

Hij werkte twintig minuten. Ik zat aan tafel en volgde elk geluid. Zijn telefoon. Zijn boor. Het schuiven van zijn ladder.

Toen hij klaar was, maakte hij foto’s voor het herstelwerk.

‘Er komt nog iemand voor het stucwerk. Niet morgen. Dit moet eerst drogen.’

Hij opende de voordeur om zijn koffer buiten te zetten.

Op dat moment kwam buurvrouw Ria langs met haar rollator.

‘Daan? Ben jij daar?’

Ik had haar maanden niet gesproken.

Ze keek langs Patrick naar binnen. Naar de pannen. Naar mij.

‘O, jongen. Heb jij ook water?’

Ik zei niets.

Mijn hart ging tekeer. De deur stond helemaal open. Er waren mensen. Ik kon de galerij ruiken, warm beton en sigarettenrook.

‘De deur,’ zei ik.

Patrick draaide zich om.

‘Wat?’

‘Dicht. Nu.’

Hij trok hem meteen achter zich dicht.

Ik schoof de ketting erop en zakte op de grond. Mijn adem schoot omhoog. Ik dacht dat ik zou overgeven.

Aan de andere kant hoorde ik Ria iets fluisteren. Daarna vertrokken ze.

Die middag sloeg ik mijn afspraak met Marieke over.

Ik nam niet op. Ik las haar bericht wel, maar antwoordde niet. De volgende ochtend deed ik hetzelfde bij Eva.

Er was water geweest. Een monteur. Een buurvrouw. En ik had me gedragen alsof ze me kwamen arresteren.

Tegen de avond schoof er iets door de brievenbus.

Een kaartje, afgescheurd uit een boodschappenblok.

‘Daan, ik hoef niet te weten wat er is. Als je iets nodig hebt, bel maar. Nummer hieronder. Groet, Ria van 37.’

Onder haar naam stond: ‘De plantenbak staat niet in de weg, hoop ik.’

Ik las dat laatste drie keer.

Daarna stuurde ik Marieke een bericht. Dat ik me schaamde. Dat ik dacht dat de behandeling niet werkte.

We spraken de volgende dag.

‘Je hebt hulp gebeld,’ zei ze. ‘Je hebt iemand binnengelaten. En toen werd het te veel.’

‘Ik schreeuwde tegen hem.’

‘Dat vond je vervelend. Dat snap ik. Maar het wist de rest niet uit.’

We maakten de oefeningen iets kleiner, niet omdat ik terug bij het begin was, maar omdat ik de laatste weken steeds had gewacht op één grote doorbraak.

’s Avonds stuurde ik Ria een bedankje. De plantenbak stond prima.

Ze antwoordde met een foto van haar hond. Een dik wit dier met een scheve onderbeet.

‘Dit is Willem. Hij blaft wel, maar hij is geen toezichthouder.’

Ik moest lachen. Hardop.

Daarna stuurde ik Patrick via de corporatie mijn excuses. Ik kreeg twee dagen later een kort bericht terug.

‘Geen probleem. Hopelijk knapt het plafond snel op.’

Hoofdstuk 5

De lange nacht

In november stopte ik met de gordijnen openen.

Niet als besluit. Ik liet ze één ochtend dicht. De volgende dag weer. Daarna werd het iets waar ik pas aan dacht als het buiten alweer donker was.

Mijn angst was niet verdwenen. Er was iets bij gekomen. Ik had geen zin meer in eten, films of gesprekken. Zelfs bestellen voelde als werk.

Eva kwam op zaterdag. Ze zag drie onaangeroerde bakjes eten in de koelkast.

‘Die van dinsdag ook?’ vroeg ze.

‘Geen trek.’

‘Je moet wel eten.’

‘Dat weet ik.’

‘Waarom doe je het dan niet?’

Ik sloeg de koelkast dicht.

‘Omdat weten blijkbaar niet genoeg is.’

Ze ging aan tafel zitten. Onder haar ogen zaten donkere randen.

‘Ik weet ook niet meer wat ik moet doen, Daan.’

Dat maakte me bang. Eva was degene die wel wist wat er moest gebeuren. Bellen. Opruimen. Een afspraak maken. Als zij het niet meer wist, bleef er weinig over.

‘Je hoeft niet steeds te komen,’ zei ik.

‘Ik wil komen. Maar ik kan niet elke avond controleren of je nog eet.’

Ik hoorde: ik ben je zat.

Ze zei: ‘Ik wil je zus blijven. Ik kan niet je hele hulpverlening zijn.’

We maakten die middag geen ruzie meer. Daar waren we allebei te moe voor. Ze warmde soep op. Ik at een halve kom omdat zij tegenover me zat.

Die nacht sliep ik niet.

Om drie uur pakte ik mijn telefoon. Ik zag foto’s van mensen die in een café zaten. Een oud-collega had een kind gekregen. Bas stond op de winkelpagina met een nieuwe medewerker.

Ik wist dat de winkel door moest. Toch voelde die foto als bewijs dat ik al was vervangen.

Tegen vieren dacht ik voor het eerst helder dat ik niet meer wakker wilde worden.

Ik had geen plan. Dat maakte de gedachte niet minder ernstig. Hij gaf een soort rust waar ik van schrok.

Ik opende het gesprek met Eva en typte: ‘Het gaat niet goed.’

Daarna verwijderde ik het.

Ze moest slapen. Morgen moest ze werken. Ik had haar al genoeg gekost.

Ik belde uiteindelijk 113. Ik fluisterde, alsof iemand in de gang me kon horen.

De vrouw aan de telefoon vroeg wat er die nacht gebeurde. Ze vroeg rechtstreeks of ik dacht aan zelfdoding en of ik iets had voorbereid.

‘Ik wil vooral dat dit ophoudt,’ zei ik.

Ze bleef bij me in het gesprek. Ze hielp me uitzoeken wie ik kon inschakelen en wat ik nodig had om veilig door de nacht te komen.

Daarna belde ik Eva toch.

Ze nam na de vijfde keer overgaan op.

‘Sorry,’ zei ik.

‘Wat is er?’

Ik vertelde het. Niet mooi. Niet volledig. Wel genoeg.

Ze kwam. Haar trui zat binnenstebuiten. We belden samen de huisartsenpost, waar iemand mijn situatie beoordeelde. Er werden afspraken gemaakt voor die nacht en voor contact met mijn eigen huisarts in de ochtend.

Eva bleef op de bank.

Ik lag in bed met de deur open. Af en toe vroeg ze of ik nog wakker was. Dan zei ik ja.

De volgende dagen werd mijn zorg uitgebreid. Dokter Smit kwam langs. Marieke overlegde, met mijn toestemming, met hem. We maakten concrete afspraken voor als die gedachten terugkwamen. Wie ik zou bellen. Wie bereikbaar was. Wanneer er direct hulp nodig was.

Ook bespraken we medicatie. Ik was bang voor bijwerkingen en controleerde in het begin elk gevoel. De huisarts hield contact. Het was zoeken. Niet slikken en klaar.

Eva sprak intussen met iemand voor naasten. Ze vertelde me dat pas later.

‘Ben je boos?’ vroeg ze.

‘Waarom?’

‘Omdat ik over je praat.’

Ik schudde mijn hoofd.

‘Zeg maar dat ik ook vóór dit alles irritant was.’

Ze lachte voor het eerst in weken zonder meteen naar mijn gezicht te kijken.

Er kwam geen snelle omslag. Ik bleef sombere dagen houden. De oefeningen lagen tijdelijk bijna stil. Maar ik opende de gordijnen weer, meestal na een herinnering op mijn telefoon.

Op een ochtend zag ik Ria beneden met Willem. Ze stond te wachten terwijl hij uitgebreid aan een paaltje rook.

Ik keek tot ze de hoek om waren.

Daarna zette ik brood op een bord. Ik at het niet helemaal op. Wel meer dan de dag ervoor.

Hoofdstuk 6

Het bericht

In januari kwam Eva met een kartonnen doos uit mijn vaders schuur.

‘Deze stond nog bij mij,’ zei ze. ‘Geen haast. Hij mag ook dicht blijven.’

Er zaten spullen in die niemand had willen weggooien. Een rolmaat. Sleutels zonder label. Een kassabon uit 2018. Zijn oude telefoon.

Ik legde de kleppen weer over elkaar.

Eva dronk koffie en vertelde over een kapotte lift op haar werk. Ze keek niet steeds naar de doos. Dat hielp.

Pas een week later haalde ik de telefoon eruit.

Ik had zelf nog een voicemail van hem bewaard. Niet van de ochtend waarop hij overleed. Van twee dagen eerder. Ik wist dat hij bestond, maar had hem sinds de uitvaart niet meer afgespeeld.

Tijdens mijn gesprek met Marieke noemde ik hem.

‘Wat verwacht je te horen?’ vroeg ze.

‘Dat hij nog leeft.’

‘Op die opname wel.’

Ik werd boos om dat antwoord. Daarna begreep ik dat een zachter antwoord niet beter was geweest.

We spraken er langer over. Over de ochtend van zijn dood. Over de ruzie. Over mijn overtuiging dat een opgenomen telefoontje alles had veranderd.

‘Misschien had ik iets kunnen doen,’ zei ik.

‘Dat weet je niet.’

‘Jij ook niet.’

‘Nee,’ zei ze. ‘Ik kan je die zekerheid niet geven.’

Ik wilde die zekerheid nog steeds. Een arts die zou zeggen dat hij direct dood was geweest. Een tijdlijn die mij vrijsprak. Iemand die kon bewijzen dat hij alleen belde over een fietsband.

Dat bewijs kwam niet.

Die avond luisterde ik naar het oude bericht.

Eerst hoorde ik wind. Daarna mijn vader.

‘Daan, met pa. Ik sta bij de bouwmarkt. Hoe heet dat spul voor die lekkende kraan ook alweer? Bel maar. O, wacht. Er loopt hier iemand.’

Toen verbrak hij de verbinding niet. Ik hoorde hem een medewerker aanspreken. Daarna nog twaalf seconden gerommel.

Ik luisterde opnieuw.

Ik huilde niet meteen. Ik ergerde me eerst aan hoe hard hij in de telefoon sprak. Dat was zo vertrouwd dat ik er misselijk van werd.

Later belde ik Eva.

‘Ik mis hem,’ zei ik.

‘Ik ook.’

We hadden het over zijn slechte pannenkoeken. Over hoe hij altijd beweerde dat ze expres dik waren. Daarna ook over zijn koppigheid. De vervelende opmerkingen over onze moeder. Het feit dat hij soms niet luisterde.

Hij werd in dat gesprek weer iemand die echt had bestaan. Niet alleen de man die ik niet had teruggebeld.

Mijn dagen kregen intussen meer vorm. De medicatie leek mijn somberheid wat te verminderen. Dat was geen nette rechte lijn. Ik had slechte nachten en dagen waarop ik nergens toe kwam. Maar ik kon vaker oefenen zonder daarna de rest van de dag in bed te liggen.

Bas belde op dinsdagmiddag, zoals afgesproken. Niet elke keer over terugkomen. Soms vertelde hij over de winkel.

‘Er is een klant die zegt dat zijn fiets achteruit trapt.’

‘Elektrische?’

‘Nee.’

‘Dan moet je hem andersom op het zadel zetten.’

Bas lachte.

Later stuurde hij een foto van een beschadigde naaf. Ik zag meteen wat er mis was. Het antwoord kostte me twee zinnen.

Daarna zat ik een tijd naar mijn handen te kijken. Ik miste het werk. Niet alleen mijn loon of de mensen. Ook weten wat ik deed.

Met Marieke sprak ik af dat werkcontact geen stiekeme terugkeer naar volledige diensten zou worden. De bedrijfsarts bleef betrokken. Eerst moest er meer mogelijk zijn dan een foto bekijken aan mijn keukentafel.

Bij de voordeur oefende ik nu zonder mijn telefoon als reddingslijn vast te klemmen. Ik legde hem op het kastje. Mijn sleutels bleven in mijn zak.

Op een vrijdag zette ik de deur helemaal open.

Ria stond verderop haar planten water te geven.

‘Hoi,’ zei ze.

‘Hoi.’

Ze ging door met gieten.

Ik bleef binnen, met mijn tenen tegen de dorpel. Mijn hart bonsde. Ik voelde de neiging om de deur dicht te gooien.

Dat deed ik niet meteen.

Toen ik hem later wel sloot, pakte ik mijn schrift. Ik schreef niet dat het makkelijk was geweest.

Ik schreef: ‘Deur open. Ria gezien. Geen pols gevoeld.’

Onder die zin zette ik de datum.

Hoofdstuk 7

Voor het gebouw

Op 12 maart was het een jaar geleden.

Ik had gedacht dat die datum me zou dwingen. Alsof ik precies twaalf maanden kreeg en daarna vanzelf naar buiten moest.

Het regende die ochtend. Ik stond om elf uur bij de deur. Jas aan. Schoenen aan. Ik legde mijn hand op de klink en begon zo hard te trillen dat mijn sleutelbos tegen mijn been tikte.

Ik deed mijn jas weer uit.

Daarna belde ik Marieke tijdens onze afspraak en zei dat ik alles had verpest.

‘Wat had je vandaag afgesproken?’ vroeg ze.

‘Bij de open deur staan.’

‘En wat had je er zelf van gemaakt?’

‘Naar beneden. Buiten. Het hele stuk.’

Ze knikte.

Ik was kwaad op de kalender, op mijn lichaam en op haar rustige gezicht. Toch oefende ik later alsnog bij de open deur. Niet meer dan we hadden afgesproken.

De dagen erna herhaalde ik dat. Op woensdag kwam één voet over de drempel. Ik trok hem terug alsof de galerij heet was.

Op vrijdag stonden beide voeten buiten.

Er gebeurde niets bijzonders. Mijn hart ging snel. Een scooter trok op in de straat. Er lag een uitgedroogde worm naast Ria’s plantenbak.

Ik stond op de galerij.

Ik ging weer naar binnen voor ik iets anders probeerde. Ik wilde niet van die ene stap meteen een examen maken.

Eva stuurde drie uitroeptekens. Daarna vroeg ze of ik wilde dat ze zondag kwam.

‘Gewoon koffie,’ schreef ik.

‘Gewoon koffie,’ schreef ze terug.

Een week later liep ik met Marieke op beeldverbinding tot bij de lift. Een volgende keer zonder verbinding, zoals we hadden voorbereid. Ik nam de lift nog niet. Ik drukte alleen op de knop en keek hoe de deuren opengingen.

De binnenruimte rook naar schoonmaakmiddel en natte hond.

Ik liep terug.

Op 22 maart kwam Eva om half tien. Ik had haar gevraagd erbij te zijn. Niet om me naar beneden te praten. Niet om mijn arm vast te houden tenzij ik daarom vroeg.

We zouden proberen tot in de hal te komen.

‘En als het niet lukt?’ vroeg ze terwijl ze haar jas ophing.

‘Dan drinken we koffie.’

‘Prima.’

Ik had slecht geslapen. Mijn mond was droog. Ik wilde wachten tot ik me beter voelde, maar dat moment kende ik inmiddels. Daar kon een hele dag in verdwijnen.

We gingen.

Bij de lift moest ik mijn hand tegen de muur leggen. Het beton was koud. Eva keek naar het briefje over grofvuil dat naast de lift hing.

Ze gaf me tijd zonder er een toespraak van te maken.

Binnen drukte ik op nul.

Toen de lift bewoog, sloot ik mijn ogen. Ik opende ze weer. Ik wilde zien waar ik was.

Beneden liep een man met een sporttas langs ons heen. Hij knikte. Ik knikte terug.

De hal was kleiner dan ik me herinnerde.

Door het glas zag ik de fietsenrekken. Mijn eigen fiets stond er nog, met twee zachte banden. Iemand had een folder onder de snelbinder gestoken. De randen waren bijna helemaal weggerot.

We bleven even staan.

‘Ik wil tot de deur,’ zei ik.

Eva liep naast me.

Ik drukte de zware buitendeur open. Koude lucht kwam langs mijn gezicht. Mijn buik trok samen. Mijn benen voelden onbetrouwbaar.

Ik zette een stap op de stoep.

Toen nog één.

Er reed een vuilniswagen langs. Ergens rook het naar gebakken ui. Aan de overkant trok een kind zijn muts af terwijl zijn moeder iets riep wat ik niet verstond.

Ik wachtte niet tot mijn angst weg was. Die bleef.

‘Ik ben bang,’ zei ik.

‘Ik weet het,’ zei Eva.

We stonden een paar minuten voor het gebouw. Daarna gingen we terug. Ik was uitgeput. Ook teleurgesteld dat ik niet verder was gekomen. Dat vertelde ik pas boven.

Eva zette twee mokken neer.

‘Je hoeft niet te doen alsof het alleen mooi was,’ zei ze.

Het bleef daarna moeilijk. Soms kwam ik niet voorbij de galerij. De supermarkt deed ik nog maanden niet alleen. Mijn behandeling liep door. Over werk maakten we kleine, voorzichtige plannen.

Maar mijn huis was niet meer de enige plek waar ik kon zijn.

Een week later liep ik met Ria en Willem tot het eerste paaltje. Willem nam zijn tijd. Ik ook.

Toen we terugkwamen, deed ik mijn deur open. Ik zette koffie en trok mijn schoenen uit.

De ketting liet ik los.