Naar de inhoud
Terug naar het boek

Psychische gezondheid

Het gewicht van gewone dagen

Dit boek gaat over psychische klachten. Zoek hulp als het onderwerp je raakt.

Hoofdstuk 1

De uitgang

Ik liet mijn boodschappen achter bij kassa vier van de Albert Heijn aan de Amsterdamsestraatweg. Melk, rijst, appels en een pak vissticks. Mijn zoon Mees stond nog aan de andere kant van het poortje.

‘Pap?’

Ik kreeg geen lucht. Of wel, maar niet genoeg. Mijn hart sloeg zo hard dat mijn overhemd bewoog. De kassamedewerker vroeg of ik mijn pincode opnieuw wilde proberen.

‘Ik moet naar buiten.’

‘Uw pas zit er nog in.’

Ik trok eraan. Het apparaat piepte. Achter me zuchtte iemand.

Buiten hurkte ik naast een afvalbak. Het was maart. Er lag nat karton op de stoep. Ik drukte mijn handen tegen mijn borst en wachtte tot er iets zou scheuren.

Mees kwam naast me staan. Negen jaar oud. Zijn schooltas hing aan één schouder.

‘Ga je dood?’

‘Nee.’

Ik wist het niet.

Een vrouw met een rode fiets stopte. Ze vroeg of ze iemand moest bellen. Ik schudde mijn hoofd, maar zij bleef staan. Uiteindelijk belde ze toch. Ik hoorde mezelf zeggen dat het vast mijn hart was.

De ambulance kwam zonder sirene. Dat vond ik op dat moment beledigend. Alsof ze al hadden besloten dat ik overdreef.

Een verpleegkundige plakte elektroden op mijn borst. De deuren stonden halfopen. Mees zat op een stoel tegenover me en keek strak naar zijn schoenen.

‘Hoe heet u?’

‘Joris van Dalen.’

‘Geboortedatum?’

Ik gaf die van Mees.

De verpleegkundige stelde de vraag opnieuw. Rustig. Dat maakte me nog banger.

Ze onderzochten me. Mijn hartslag zakte. Er waren op dat moment geen aanwijzingen voor een acuut hartprobleem, zei ze. Mijn ademhaling was erg snel geweest. Ze adviseerde contact met de huisarts en legde uit wanneer ik opnieuw hulp moest zoeken.

‘Kan het paniek zijn?’ vroeg ze.

‘Ik ben niet bang.’

Ze keek naar mijn handen. Die trilden nog.

Mijn zus Sanne kwam ons halen. Mees ging voorin zitten. Hij vertelde haar dat we geen eten hadden gekocht. Niet dat ik misschien doodging. Dat bewaarde hij blijkbaar voor later.

Thuis zette Sanne brood en soep neer. Ze woonde in Nieuwegein en moest eigenlijk naar een late dienst in het ziekenhuis. Toch trok ze haar jas uit.

‘Hoe lang slaap je al slecht?’

‘Een paar nachten.’

Ze keek naar het aanrecht. Vier koffiemokken. Twee lege verpakkingen van maaltijdsalades. Een stapel enveloppen onder een folder van de bouwmarkt.

‘Joris.’

‘Een paar weken dan.’

Het waren maanden.

Ik was achtendertig. Ik werkte als transportplanner bij een groothandel op Lage Weide. Ik had een huurflat in Overvecht. Mees was elke woensdag en om het weekend bij mij. Zijn moeder, Eva, woonde met haar vriendin in Zuilen. We hadden geen oorlog. We hadden een gedeelde agenda en gesprekken die meestal begonnen met schoenen, school of zwemles.

Van buiten zag mijn leven er bestuurbaar uit.

Van binnen was elke handeling een discussie. Douchen kon later. Een brief openen kon morgen. Een collega terugbellen kon nadat ik iets gegeten had. Eten kon nadat ik de keuken had opgeruimd.

Dus gebeurde er niets.

Die avond bouwde Mees een parkeerplaats van Lego op het vloerkleed. Hij zette alle auto’s in keurige rijen. Bij één auto hield hij op.

‘Als je weer zo doet, moet ik dan tante Sanne bellen?’

‘Ik deed dat niet expres.’

‘Dat vroeg ik niet.’

Ik ging naast hem zitten. Mijn knieën kraakten.

‘Ja. Als je bang bent, mag je Sanne bellen. Of mama. Maar het is niet jouw taak om op mij te letten.’

Hij knikte zonder me aan te kijken.

Om halfnegen sliep hij. Ik stond in de deuropening en luisterde naar zijn ademhaling. Daarna liep ik naar de keuken. Sanne had de enveloppen in een rechte stapel gelegd. Bovenop lag er één met een rood kader.

Ik schoof hem onder de rest.

Mijn telefoon lichtte op. Een bericht van mijn leidinggevende, Bas.

Kun je morgen eerder komen? Er is iets mis met de planning van vrijdag.

Ik las het zes keer.

Toen ging ik naar de badkamer en deed de deur op slot. Niet omdat iemand binnen kon komen. Sanne was weg. Mees sliep.

Ik wilde gewoon ergens zitten waar niemand iets van me kon vragen.

Hoofdstuk 2

Twee vrachtwagens

Om zes uur bracht ik Mees naar Eva. Hij droeg zijn trui achterstevoren. Ik had het pas in de lift gezien.

Eva deed open in een joggingbroek.

‘Waarom zo vroeg?’

‘Probleem op werk.’

Mees liep langs haar naar binnen. Ik hoorde hem tegen haar vriendin zeggen dat ik gisteren in een ambulance had gezeten.

Eva bleef in de deuropening staan.

‘Dat had je mogen vertellen.’

‘Er was niks met mijn hart.’

‘Dat is niet hetzelfde als niks.’

Ik zei dat ik moest gaan.

Op Lage Weide stonden twee vrachtwagens bij hetzelfde laadperron. Eén chauffeur rookte naast zijn cabine. De ander kwam op me af zodra ik uitstapte.

‘Welke van ons gaat naar Zwolle?’

Ik wist het meteen. Ik had dezelfde rit twee keer toegewezen. De levering naar Arnhem stond nergens.

Binnen zat Bas achter mijn bureau. Op mijn beeldscherm stonden drie planningsvensters open. Mijn collega Rachid leunde tegen de kast.

‘Ga zitten,’ zei Bas.

‘Ik los het op.’

‘Eerst zitten.’

Ik bleef staan.

Bas draaide het scherm naar me toe. Er waren meer fouten. Een chauffeur stond ingepland tijdens zijn verlof. Een klant had voor niets personeel laten komen. Een spoedzending was blijven liggen.

Bij elke regel wist ik wanneer ik hem had moeten afhandelen. Ik herinnerde me het openen van de mail. De cursor boven het antwoordvak. Mijn hand op de muis. Daarna niets. Alsof iemand de minuten eruit had geknipt.

‘Drink je?’ vroeg Bas.

‘Nee.’

‘Gebruik je iets?’

‘Nee, verdomme.’

Rachid schoof een glas water naar me toe. Ik stootte het om. Het liep over een stapel vrachtbrieven.

Niemand zei iets.

Dat was het ergste.

Ik pakte tissues en begon te deppen. Mijn vingers werkten niet mee. Ik scheurde het natte papier kapot.

‘Laat liggen,’ zei Rachid.

‘Ik kan dit gewoon.’

Maar ik kon geen enkel ritnummer meer lezen. De cijfers stonden er scherp. Toch kwam hun betekenis niet binnen.

Bas stuurde me naar huis. Niet als straf, zei hij. Ik moest me ziekmelden en de huisarts bellen. Hij zou contact opnemen met de arbodienst.

Ik vroeg of ik ontslagen werd.

‘Daar hebben we het niet over.’

‘Maar straks wel?’

Hij wreef over zijn voorhoofd.

‘Joris, ik probeer te begrijpen wat er aan de hand is. Ik weet het ook niet.’

In de auto belde ik de huisarts. De assistente vroeg naar mijn klachten. Ik vertelde over het benauwd worden. Over niet slapen. Niet over de enveloppen of de ongewassen lakens.

‘Kunt u om elf uur komen?’

Ik keek naar het dashboard. Acht uur zeventien.

‘Ja.’

De tijd tot elf uur duurde belachelijk lang. Ik parkeerde bij de Vecht en bleef zitten. Een man gooide een stok voor zijn hond. Steeds hetzelfde stukje. De hond rende elke keer alsof het een nieuw voorstel was.

Huisarts De Graaf vroeg hoeveel ik sliep.

‘Vier uur. Soms minder.’

‘En hoe gaat het eten?’

‘Goed.’

Ze wachtte.

‘Niet zo goed.’

Ik vertelde over de supermarkt. Over de fouten. Ze vroeg of ik nog plezier had in dingen. Ik probeerde iets te bedenken. Fietsen met Mees. Muziek. Koken op zondag.

Het waren dingen die ik vroeger graag deed.

Daarna vroeg ze of ik weleens dacht dat ik niet meer wilde leven.

Ik keek naar een beschadiging in haar bureau.

‘Ik wil vooral een tijdje niet hoeven bestaan.’

Ze vroeg door. Rechtstreeks, zonder geschrokken gezicht. Of ik mezelf iets wilde aandoen. Of ik plannen had. Ik zei dat ik geen plannen had. Dat was waar. Ook waar was dat ik steeds vaker hoopte dat een dag vanzelf zou verdwijnen.

We maakten afspraken. Sanne zou die middag langskomen. Er kwam snel een gesprek met de praktijkondersteuner. De huisarts wilde me binnen een week terugzien. Ze schreef op wie ik buiten kantooruren kon bellen als het onveiliger werd.

Thuis legde ik dat briefje naast mijn sleutels.

Toen pakte ik eindelijk de envelop met het rode kader.

Er stonden twee maanden huurachterstand en een bedrag dat ik drie keer narekende.

Onder aan de brief stond een uiterste betaaldatum.

Die was gisteren geweest.

Hoofdstuk 3

De dichte deur

Ik belde de woningcorporatie niet. Ik trok de gordijnen dicht.

Dat klinkt achteraf als een vreemd besluit. Het was geen besluit. Ik las de brief, voelde mijn buik samentrekken en ging op bed liggen met mijn jas aan.

Om twee uur belde Sanne aan. Ik hield mijn adem in.

Mijn telefoon ging.

Ik drukte hem stil.

Daarna hoorde ik haar door de brievenbus.

‘Ik zie je auto, Joris.’

Ik bleef liggen.

Tien minuten later stak haar reservesleutel in het slot. De deur ging een stukje open en botste tegen de ketting. Die gebruikte ik nooit. Die ochtend wel.

‘Doe even open.’

‘Ga weg.’

‘Nee.’

Ik werd woedend. Niet luid. Er was geen kracht voor luid. Ik lag met mijn gezicht naar de muur en wenste dat zij één keer zou doen wat ik vroeg.

‘Ik hoef niks op te lossen,’ zei ze door de kier. ‘Maar ik wil je zien.’

Uiteindelijk haalde ik de ketting eraf.

Sanne keek naar mijn jas, toen naar mijn blote voeten. Ze kwam binnen zonder me aan te raken.

In de keuken vond ze de brief.

‘Hoeveel zijn er nog?’

‘Geen idee.’

We verzamelden enveloppen uit drie lades, mijn werktas en het vak naast de bank. Er lag een aanmaning voor een tandartsrekening tussen een verjaardagskaart en een kortingsbon voor pizza.

Sanne maakte stapels. Huur. Zorgverzekering. Energie. Overig.

‘Ik kan je wel iets lenen,’ zei ze.

Ik schudde mijn hoofd.

‘Dan hebben we volgende maand hetzelfde.’

Het was het eerste verstandige wat ik die dag zei. Ik haatte dat ik gelijk had.

We belden samen de woningcorporatie. Ik gaf toestemming dat Sanne meeluisterde. De medewerker vroeg wat ik per maand kon aflossen.

‘Geen idee,’ zei ik opnieuw.

Ze kon een kort uitstel vastleggen terwijl ik hulp zocht bij mijn financiën. Geen kwijtschelding. Geen belofte dat alles goed zou komen. Wel een datum en een naam. Sanne schreef beide op de achterkant van een oude kalender.

Daarna belde Eva.

‘Mees vraagt of hij woensdag gewoon komt.’

Ik zei ja.

Sanne keek op.

Eva vroeg of dat haalbaar was.

‘Ik ben zijn vader.’

‘Daar gaat het niet om.’

‘Waar dan wel om?’

‘Of jij morgen kunt opstaan, eten maken en hem ophalen zonder dat hij de hele middag bang is.’

Ik stond zo snel op dat de stoel achteroverviel.

‘Je pakt hem van me af.’

Aan de andere kant bleef het stil.

Toen zei Eva: ‘Ik probeer te zorgen dat hij kind kan zijn.’

Ik verbrak de verbinding.

Sanne zette de stoel overeind. Ze zei niet dat Eva gelijk had. Dat hoefde ook niet. Ik zag weer hoe Mees in de ambulance naar zijn schoenen had gekeken.

Die avond belde ik hem zelf.

‘Je blijft deze woensdag bij mama,’ zei ik. ‘Ik kom misschien even langs.’

‘Omdat je ziek bent?’

‘Ja.’

‘Kun je dan een pil nemen?’

‘Soms helpt een medicijn. Maar eerst ga ik met mensen praten die hier meer van weten.’

Hij vertelde dat zijn gum kwijt was. Een groene, in de vorm van een kikker. Ik luisterde alsof het een medisch noodgeval was. Ik was blij dat er nog iets bestond wat ik begreep.

Toen we ophingen, zag ik dat hij ook had gevraagd of ik zijn voetbalshirt kon wassen. Ik had zijn bericht van zondag gemist. Het shirt zat nog vochtig in zijn sporttas. Ik haalde het eruit en zette eindelijk de wasmachine aan.

Om elf uur vertrok Sanne. We hadden afgesproken dat ze de volgende ochtend zou bellen. Ik had gegeten. De gordijnen waren open. Op tafel lag een lijst met drie dingen voor morgen.

Toen de deur dichtviel, werd het huis opnieuw te groot.

Ik ging op de keukenvloer zitten. De koelkast bromde. Mijn telefoon lag naast mijn knie. Ik dacht aan mijn werk, de huur en Mees. Alles leek bewijs tegen me.

De gedachte dat iedereen beter af zou zijn zonder mij kwam niet hard binnen. Juist niet. Hij klonk bijna redelijk.

Dat maakte me bang.

Ik pakte het briefje van de huisarts en belde de huisartsenpost.

‘Ik heb geen plan,’ zei ik toen iemand opnam. ‘Maar ik vertrouw niet meer hoe ik denk.’

Hoofdstuk 4

Aan tafel

De medewerker van de huisartsenpost vroeg waar ik was. Of ik alleen was. Of ik direct gevaar liep. Ik gaf antwoord terwijl ik de voegen tussen de keukentegels telde.

Na overleg werd ik teruggebeld door een arts. Die wilde dat ik niet alleen bleef terwijl verdere hulp werd geregeld. Ik belde Sanne. Ze nam meteen op.

‘Ik kom,’ zei ze.

Geen zucht. Daar was ik haar dankbaar voor. Later vertelde ze dat ze in de auto had gehuild. Dat mocht ik toen nog niet weten, vond ze.

Die nacht sprak ik via de crisisdienst met twee hulpverleners. Eén heette Farid. De naam van de ander ben ik kwijt. Ze zaten aan mijn keukentafel. Farid vroeg wat er die avond veranderd was.

‘Ik begon mezelf te geloven.’

‘Waarin?’

‘Dat ik alleen maar schade doe.’

Hij vroeg naar gedachten, bedoelingen en plannen. Naar eerdere periodes. Naar drank. Naar Mees. Niet als reden waarom ik me moest schamen, maar om te begrijpen hoe mijn dagen eruitzagen.

Ik verwachtte dat iemand zou zeggen dat ik mee moest. Of dat het allemaal wel meeviel. Geen van beide gebeurde.

We spraken af dat Sanne bleef slapen. Er kwam vervolgcontact. We schreven op wat ik kon doen als mijn gedachten sterker werden en wie ik dan belde. Bij direct gevaar moest ik meteen spoedhulp inschakelen. Farid liet mij de afspraken herhalen.

‘Niet omdat je examen doet,’ zei hij. ‘Ik wil weten of we duidelijk zijn geweest.’

Om vier uur lag ik op de bank. Sanne sliep in mijn bed. Ik hoorde haar af en toe bewegen. Ik sliep twee uur achter elkaar. Dat was meer dan de nacht ervoor.

Drie dagen later zat ik tegenover Lotte, de praktijkondersteuner bij de huisarts. Ze droeg rode laarzen en had een doos tissues naast haar beeldscherm staan.

Ik besloot niet te huilen. Dat hield ik zeven minuten vol.

‘Wat doet u op een gewone ochtend?’ vroeg ze.

Ik vertelde wat ik vroeger deed.

Ze onderbrak me.

‘En gisteren?’

Gisteren had ik om kwart over tien mijn tanden gepoetst. Daarna had ik twintig minuten op de rand van het bad gezeten. Ik had twee boterhammen geroosterd en één opgegeten. De andere lag nog in het apparaat.

Lotte schreef niet meteen iets op.

‘Dat klinkt alsof heel weinig nog vanzelf gaat.’

Ik knikte.

Ze vroeg wanneer het was begonnen. Ik zocht naar één oorzaak. De scheiding, twee jaar geleden. Het overlijden van mijn vader. De druk op werk. Maar bij elk antwoord hoorde een tegenwerping. De scheiding was rustig verlopen. Mijn vader was al langer ziek geweest. Mijn collega’s hadden het ook druk.

‘U hoeft niet te bewijzen dat u genoeg hebt meegemaakt,’ zei ze.

Dat irriteerde me eerst. Ik wilde juist een verklaring die ik aan Bas kon geven. Een kapot onderdeel met een levertijd.

De huisarts besprak later een depressie en paniekklachten met me. We spraken over behandeling, over medicatie en over een verwijzing naar de specialistische ggz. De wachttijd was niet kort. Tot die tijd bleven de afspraken bij de praktijk staan.

Ik koos na uitleg voor medicatie. Ik wilde er niets van verwachten, maar controleerde de eerste ochtend na inname toch of ik me al anders voelde.

Ik voelde me misselijk.

De huisarts had gezegd dat bijwerkingen eerder konden komen dan effect. We hielden contact. Ik noteerde slaap, spanning en klachten op één vel papier. Geen hele dagboeken. Daar maakte ik anders weer werk van dat ik niet afkreeg.

Bij Lotte maakten we de opdrachten klein. Opstaan rond dezelfde tijd. Eten. Tien minuten buiten. Eén brief, niet alle brieven.

‘Dat is toch geen leven?’ zei ik.

‘Het is wat nu haalbaar kan zijn.’

Op weg naar huis kocht ik brood bij de bakker. In de rij begon mijn hart te bonzen. Ik wilde vertrekken.

Ik bleef staan tot ik kon bestellen.

Daarna zat ik twintig minuten uitgeput op een bankje.

Thuis belde Sanne.

‘Hoe ging het?’

‘Ik heb brood.’

Ze wachtte op meer.

‘Dat is het.’

‘Goed,’ zei ze.

Voor het eerst klonk dat woord niet als een opdracht.

Hoofdstuk 5

Kleine afspraken

De medewerker van het buurtteam heette Nadia. Ze kwam op een dinsdag met een laptop en vroeg of de tafel leeg kon.

Ik schoof de Lego van Mees in een schoenendoos. Er brak een slagboom af.

‘Sorry,’ zei Nadia.

‘Dat deed ik zelf.’

Ze glimlachte niet beleefd. Ze wachtte tot ik zat.

We bekeken mijn inkomsten en vaste lasten. Ik verdiende niet slecht. Dat maakte het moeilijker om de achterstand uit te leggen. Na de scheiding had ik meubels op afbetaling gekocht. Daarna was mijn auto kapotgegaan. Ik had rekeningen doorgeschoven, betalingsmails niet geopend en geld uitgegeven aan afhaaleten omdat ik niet kookte.

Een deel was pech. Een deel waren slechte keuzes. Het meeste was inmiddels zo door elkaar geraakt dat schuld toewijzen niets oploste.

Nadia maakte een overzicht.

Het totale bedrag was lager dan ik ’s nachts had gevreesd. Het was ook veel hoger dan wat er op mijn rekening stond.

‘We gaan geen aflossing beloven waardoor u geen eten meer kunt kopen,’ zei ze.

Ik moest huilen om die zin. Dat vond ik vernederend. Nadia schoof de tissues niet naar me toe. Ze liet me zelf opstaan en keukenpapier pakken.

We regelden betalingsafspraken. Sommige telefoontjes deed ik. Bij andere zat ik ernaast en gaf ik toestemming. Na twee uur was ik leeg. Nadia sloot haar laptop terwijl er nog werk lag.

‘Volgende week verder.’

Ik wilde zeggen dat ze moest blijven tot alles klaar was. Ik zei het niet.

Die middag had ik een afspraak met de bedrijfsarts. Bas kreeg van mij geen verslag van mijn behandeling. De bedrijfsarts besprak wat ik wel en niet aankon en adviseerde voorlopig rust van het werk, met later een voorzichtige opbouw.

Ik vroeg wanneer ik weer normaal was.

‘Daar kan ik u geen datum voor geven.’

Ik vond hem meteen een slechte arts.

Buiten wist ik dat ik vooral een slechte vraag had gesteld.

Bas belde de volgende dag op het afgesproken tijdstip. Tien minuten. Geen losse berichten meer in de avond.

‘Hoe gaat het?’

‘Wisselend.’

‘Kun je vrijdag naar de zaak komen voor koffie? Zonder werk.’

Mijn nek werd warm.

‘Nog niet.’

Hij zei oké. Ik had een betoog voorbereid en kwam er niet aan toe.

Met Mees begon ik opnieuw in kleine stukken. Eerst een uur bij Eva thuis. Daarna samen naar de bibliotheek aan de Neude. Eva bracht hem. Ze drukte een tas in mijn hand met een banaan, water en zijn vest.

Ik voelde me een oppas op proef.

‘Ik weet dat dit rot voelt,’ zei ze zacht.

‘Waarom doe je het dan?’

‘Omdat het ook voorzichtig moet.’

Binnen koos Mees een boek over giftige dieren. Hij wilde mij bij elke bladzijde overhoren.

‘Welke is gevaarlijker? Deze spin of deze kikker?’

‘Ik weet het niet.’

‘Je kijkt niet.’

Hij had gelijk. Ik hield de uitgang in de gaten.

Ik draaide mijn stoel zodat ik het boek beter zag. We bekeken een kikker die op een stukje felgekleurd speelgoed leek. Even vergat ik mijn ademhaling te controleren.

Bij de trap vroeg Mees: ‘Word je weer gewoon?’

Ik ging naast hem op de brede vensterbank zitten.

‘Ik word hopelijk beter. Maar ik weet nog niet hoe snel.’

‘Mama zegt dat het niet door mij komt.’

‘Dat klopt.’

‘Ook niet omdat ik soms niet luister?’

‘Ook dan niet.’

Hij keek naar mijn gezicht, alsof hij zocht naar een kleine uitzondering.

‘Jij hebt dit niet veroorzaakt,’ zei ik. ‘En jij hoeft het niet op te lossen.’

Buiten aten we de banaan uit zijn tas ieder voor de helft. Hij wilde een wafel. Ik zei dat we die vandaag niet kochten. Hij protesteerde. Ik merkte dat ik daar bijna blij van werd.

Die avond stuurde Eva een foto. Mees lag op de bank met zijn dierenboek op zijn borst.

Het was een goede dag geweest.

De volgende ochtend kwam ik niet uit bed.

Om twaalf uur belde Lotte voor onze afgesproken telefonische afspraak. Ik zei dat alles weer mislukt was.

‘Wat is alles?’ vroeg ze.

Ik keek naar de foto op mijn telefoon.

Daar had ik niet meteen antwoord op.

Hoofdstuk 6

Opnieuw bij vier

In juni begon ik met twee ochtenden van twee uur op kantoor. Ik kreeg geen liveplanning. Ik controleerde oude klantgegevens in een apart bestand. Geen chauffeur die op mijn antwoord wachtte. Geen vrachtwagen die verkeerd kon rijden.

De eerste ochtend legde Rachid een schone mok naast mijn toetsenbord.

‘Die andere had inmiddels een eigen ecosysteem,’ zei hij.

Ik lachte. Het geluid verraste me.

Na anderhalf uur begon het beeldscherm te trekken aan mijn ogen. Ik las dezelfde postcode vijf keer. Mijn eerste reactie was harder werken. Mijn tweede was doen alsof ik naar het toilet moest en daar blijven zitten.

In plaats daarvan liep ik naar Bas.

‘Ik moet stoppen.’

Hij keek op de klok.

Ik zag het en verstijfde.

‘Prima,’ zei hij. ‘Tot donderdag.’

In de auto was ik boos dat hij niet had gezegd hoe knap het was. Daarna was ik boos op mezelf omdat ik dat nodig had.

De behandeling bij de psycholoog begon diezelfde maand. Ze heette Marieke. We praatten, maar niet alleen. Ik moest bijhouden wat ik vermeed en wat ik voorspelde dat er zou gebeuren als ik het toch deed.

Boodschappen stonden bovenaan.

Mijn voorspelling: ik zou instorten, mensen zouden kijken en niemand zou helpen. Vervolgens zag Mees opnieuw hoe onbetrouwbaar ik was.

‘We beginnen zonder Mees,’ zei Marieke.

Ik ging eerst alleen naar binnen voor één product. Daarna voor drie. Ik mocht spanning voelen zonder meteen de hele missie af te blazen. Het doel was niet dat ik bij elke kassa kalm werd. Dat vond ik een onaantrekkelijk doel.

‘Ik wil gewoon dat het wegblijft,’ zei ik.

‘Dat snap ik.’

Ze beloofde het niet.

Na een paar weken ging Mees weer een nacht bij me slapen. We aten pasta en keken een film die hij al kende. Hij verklapte telkens wat er ging gebeuren. Ik liet hem.

Om drie uur hoorde ik zijn deur.

‘Pap?’

Ik zat rechtop voordat hij de kamer binnenkwam.

‘Wat is er?’

‘Ik moet plassen en het licht op de gang doet het niet.’

Een lamp. Dat was alles. Ik draaide een nieuwe in terwijl hij op het toilet zat. Daarna sliepen we verder.

Twee weken later ging het mis.

Mijn automatische huurbetaling was niet doorgegaan. Een afschrijving die ik vergeten was, had het saldo te laag gemaakt. De melding kwam op een donderdag, vlak voordat ik naar werk moest.

Ik voelde dezelfde hitte in mijn nek als in maart.

Op kantoor zei een collega dat de transportsector weinig geduld had met mensen die maar halve dagen werkten. Hij had het over een kennis. Misschien werkelijk alleen over die kennis.

Ik hoorde mijn eigen naam in elke zin.

Die middag belde ik niemand. Ik miste een afspraak met Nadia. Tegen de avond had ik hoofdpijn en had ik alleen crackers gegeten.

Toen belde Mees. Hij wilde de volgende dag pannenkoeken.

‘Natuurlijk,’ zei ik.

Ik had niets in huis.

Ik liep naar de Albert Heijn. Bij de ingang wist ik al dat ik te ver was gegaan die dag. Toch pakte ik een mandje. Melk. Eieren. Bloem.

Kassa vier was open.

Ik koos hem expres, uit woede op mezelf.

Halverwege de rij begon mijn hart te jagen. De geluiden werden scherp. Een fles tikte tegen een metalen rand. Iemand schoof een winkelwagen tegen mijn kuit.

Ik wilde rennen.

‘Gaat het?’ vroeg de kassamedewerker.

Ik herkende haar niet. Zij mij waarschijnlijk ook niet.

‘Nee,’ zei ik. ‘Ik heb paniek. Mag mijn mandje hier even staan?’

Ze wees naar een lege plek naast de kassa.

Ik liep naar buiten. Niet snel. Buiten belde ik Sanne.

‘Ben je veilig?’ vroeg ze.

‘Ja. Maar het gaat slecht.’

Ze bleef aan de lijn. Ik leunde tegen de muur en wachtte. Na een tijdje kon ik weer volgen wat ze zei.

Ik ging terug voor mijn mandje. Daarna belde ik Eva en zei dat het logeren misschien beter een week kon wachten. We spraken af de volgende ochtend te overleggen.

Thuis maakte ik een boterham. Ik betaalde de huur alsnog en stuurde Nadia een bericht.

De paniek was terug geweest.

Maar deze keer had ik mijn telefoon gebruikt voordat de keuken donker werd.

Hoofdstuk 7

Een gewone donderdag

In oktober werkte ik vier dagen van vijf uur. Niet in mijn oude functie. Bas en ik hadden geprobeerd een deel van de planning terug te pakken, maar de voortdurende onderbrekingen bleken te veel. Ik deed nu ritadministratie en hielp met vaste routes, met een collega als achtervang.

Ik had minder toeslagen. Dat betekende minder geld. De schuldregeling liep daardoor langer dan ik wilde.

Er was geen feestelijk moment waarop iedereen zei dat ik terug was.

Wel kwam Rachid op een ochtend met een dossier naast me staan.

‘Wil jij hiernaar kijken? Jij ziet dit soort fouten sneller.’

Ik controleerde de laadadressen. Hij had een huisnummer omgedraaid.

‘Hier,’ zei ik.

‘Zie je wel.’

Hij nam het dossier mee. Ik bleef nog even naar mijn lege handen kijken.

Met Marieke besprak ik hoe snel ik een slechte dag tot een einduitslag maakte. Eén ochtend moe betekende in mijn hoofd dat de behandeling niet werkte. Eén gemiste oproep betekende dat ik weer alles liet vallen.

Dat patroon verdween niet omdat ik het kon uitleggen. Ik moest het telkens herkennen terwijl ik er al middenin zat.

Mijn medicatie werd regelmatig met de huisarts besproken. Ik had baat bij de behandeling, maar ook last van bijwerkingen gehad. Sommige verdwenen. Over andere bleven we praten. Ik veranderde niet zelf de dosis als ik een goede of slechte week had. Daar was ik in het begin wel toe geneigd geweest.

Sanne kwam niet meer dagelijks langs. We aten meestal op zondag samen. Soms bij mij, soms bij haar. Ze vertelde over haar werk en haar nieuwe vriend, die elke afspraak tien minuten te vroeg kwam.

Op een zondag zei ze dat ze moe was geweest van het zorgen.

Ik wilde meteen beloven dat ik nooit meer hulp zou vragen.

‘Dat bedoel ik niet,’ zei ze. ‘Ik wil alleen kunnen zeggen dat het zwaar was.’

Dus luisterde ik. Zonder mezelf vrij te pleiten. Zonder haar te laten bewijzen dat ze toch van me hield.

Met Eva bleef het af en toe schuren. Ze vroeg soms te nadrukkelijk of ik wel had geslapen. Ik antwoordde soms te scherp. We hadden nu afgesproken welke signalen belangrijk waren en wanneer we de zorg voor Mees anders verdeelden. Daardoor hoefden we niet elk gapen te bespreken.

Mees sliep weer op de vaste dagen bij mij.

Op een donderdag in november kwam hij uit school met een kapotte rits en een brief over een schoolreis. Hij gooide zijn tas onder de tafel.

‘Die moet je vandaag lezen,’ zei hij.

‘Leg maar naast mijn bord.’

‘Echt lezen.’

Ik keek hem aan.

‘Ja. Echt.’

Hij vertrouwde erop dat ik hem van school haalde. Met brieven was hij nog niet overtuigd. Dat vond ik pijnlijk, maar ik kon hem moeilijk ongelijk geven.

We moesten boodschappen doen. Buiten regende het. Hij wilde op de fiets. Ik wilde lopen. We onderhandelden tot aan de voordeur en gingen uiteindelijk lopen.

In de supermarkt koos hij appels door ze allemaal op te tillen.

‘Wat doe je?’ vroeg ik.

‘Kijken welke zwaar is.’

‘Waarom?’

‘Die heeft meer appel.’

Bij de kassa begon mijn hart sneller te slaan. Niet veel. Genoeg om het op te merken.

Ik zette mijn voeten stil op de vloer. Mees vertelde dat zijn meester per ongeluk koffie over het digibord had gemorst. Ik stelde een vraag over dat verhaal. Niet om mijn lijf te misleiden. Ik wilde weten of dat ding nog werkte.

Mijn pas deed het meteen.

Buiten pakte Mees de lichte tas. Ik droeg de melk, de appels en een pot pastasaus. We liepen langs de plek waar ik in maart naast de afvalbak had gezeten.

Hij keek ernaar.

‘Hier was het, hè?’

‘Ja.’

‘Ben je nog bang dat het weer gebeurt?’

‘Soms.’

Hij dacht even na.

‘We hebben nu wel boodschappen.’

‘Ja,’ zei ik. ‘Die hebben we.’

Thuis brak hij een bord terwijl hij de tafel dekte. Ik schrok en vloekte. Hij schrok van mij. Ik zei sorry en pakte stoffer en blik. Daarna aten we van twee verschillende borden.

Na het eten las ik de schoolbrief. Ik vulde het formulier in en legde het terug in zijn tas.

Er waren nog rekeningen. Volgende week had ik therapie. Die nacht zou ik misschien slecht slapen.

Maar om halfacht zat ik naast mijn zoon op de bank. Zijn boek lag open tussen ons. Hij wees naar een dier dat ik niet kende.

Ik keek.