Verlies en rouw
Het afscheid dat nooit kwam
Gaat over overlijden en rouw.
Hoofdstuk 1
De gemiste oproep
Mijn naam is Dennis de Graaf. Ik ben achtendertig jaar en ik woon in Dordrecht, in een portiekwoning in Krispijn. Ik werk als buschauffeur bij Qbuzz. Mijn vaste route is lijn 3, van het centraal station naar Crabbehof en weer terug. Ik houd van dat werk. Mensen stappen in, knikken of kijken chagrijnig, checken in en gaan zitten. Je hebt overzicht. Je zit achter een stuur, volgt de lijnen op het asfalt en aan het eind van de rit draai je de bus om. Alles heeft een begin en een einde. Alles klopt met de klok.
Behalve die dinsdagavond in november.
Het regende hard. Het soort regen dat het licht van de lantaarnpalen uitsmeert over je voorruit. Ik had net mijn dienst afgerond en zat op de bank met een bord opgewarmde nasi. Mijn spieren waren stijf van acht uur sturen. De televisie stond aan op een herhaling van een politieserie. Om veertien minuten over negen trilde mijn telefoon op de salontafel. Het scherm lichtte op: 'Luuk'. Mijn jongere broer.
We hadden die middag ruzie gehad. Geen grote ruzie, maar zo’n smerig, zeurend ding over geld en afspraken. Luuk had weer eens zijn motorverzekering niet betaald en vroeg of hij tweehonderd euro kon lenen. Ik had nee gezegd. Ik had gezegd dat hij eindelijk eens volwassen moest worden. Hij was tweeëndertig, maar hij leefde nog steeds alsof geld uit de lucht kwam vallen. Hij had me een kille klootzak genoemd en opgehangen.
Nu zag ik zijn naam knipperen. Ik kauwde op mijn eten en keek naar het scherm. Mijn eerste reactie was irritatie. Ik had geen zin in nog een discussie. Geen zin in zijn verontschuldigingen die toch nooit iets veranderden, of in zijn verwijten. Ik liet de telefoon trillen tot hij stopte. Dertig seconden later hoorde ik de zachte 'pling' van een voicemailmelding. Ik dacht: ik luister morgenochtend wel. Als ik fris ben en hij nuchter is. Ik zette het geluid uit en legde het toestel ondersteboven op tafel.
Die nacht sliep ik onrustig. De wind sloeg tegen de slaapkamerramen. Om kwart voor zes ging mijn wekker. Ik waste mijn gezicht, trok mijn blauwe uniformoverhemd aan en zette koffie. Terwijl het water door het filter pruttelde, pakte ik mijn telefoon. Er was geen voicemail ingesproken. Er stond alleen: 'Gemiste oproep: 21:14'.
Om kwart over zes ging de deurbel. Dat gebeurt nooit op dat tijdstip. De intercom kraakte toen ik op de knop drukte. Beneden stond een stem die vroeg of Dennis de Graaf thuis was. Politie.
Ik liep de trap af in mijn sokken. Twee agenten stonden in de tochtige hal van het portiek. Een man van een jaar of veertig en een jonge vrouw met een blocnote onder haar arm. Hun jassen waren donker van het vocht. Ik kende die blik. Als buschauffeur zie je soms ook ongelukken gebeuren en je herkent de gezichten van mensen die slecht nieuws moeten brengen. Ze kijken je aan, maar hun ogen zijn een fractie te stil.
"Dennis de Graaf?" vroeg de man.
"Ja," zei ik. Mijn stem klonk hees. Ik hield de voordeur half open.
"Mogen we even mee naar boven lopen?"
"Wat is er gebeurd? Is het mijn moeder?"
"Laten we even rustig naar binnen gaan, meneer," zei de vrouw. Haar toon was te vriendelijk, te voorzichtig. Alsof ik van dun glas was gemaakt.
Op mijn overloop, naast de kapstok waar mijn natte regenjas nog hing, vertelden ze het. Luuk was rond half tien verongelukt op de N3 richting Papendrecht. Hij reed op zijn Kawasaki. Een vrachtwagen had hem niet gezien bij het wisselen van rijstrook. Luuk was onder de aanhanger geschoven. Hij was op slag dood geweest.
Ik keek naar de knopen op het vest van de vrouwelijke agent. Een van de knopen zat een beetje los. Dat was het enige wat ik dacht: die knoop valt er straks af. Daarna dacht ik aan veertien minuten over negen. Zestien minuten voor hij stierf, had hij mij gebeld. En ik had mijn vork in mijn nasi gestoken en gewacht tot het scherm zwart werd.
Hoofdstuk 2
Koud licht op de gang
Het mortuarium van het Albert Schweitzer ziekenhuis ruikt nergens naar. Dat is misschien nog het ergste. Je verwacht een geur van ontsmettingsmiddel, van ziekenhuiszeep of chemicaliën, maar de lucht is er volkomen neutraal. IJskoud en doodstil.
Ik liep er samen met mijn moeder. Ze leunde zwaar op mijn arm. Ze is klein, nog geen meter zestig, en sinds het overlijden van mijn vader zes jaar eerder leek ze elk jaar een stukje verder in te krimpen. Nu voelde ze als een vogel in mijn greep. Haar vingers klampten zich vast in de stof van mijn jas. Ze huilde niet. Ze ademde alleen maar schokkerig, alsof ze te weinig zuurstof uit de lucht kon halen.
Een man met een zacht grijs vest leidde ons een kamer binnen. Er stonden twee stoelen en in het midden een metalen verhoging met een laken erop. Onder het laken tekende zich de vorm van een lichaam af. Het leek te lang. Luuk was lang, bijna een meter negentig, maar hier leek hij vreemd recht en strak.
"Neem de tijd," zei de man zacht. Hij deed een stap naar achteren en bleef bij de deur staan. Zijn handen hield hij gevouwen voor zijn buik.
Ik liep naar voren. Mijn knieën voelden slap, alsof de pezen waren doorgesneden. Mijn moeder bleef stokstijf staan bij de drempel. Ze schudde haar hoofd. "Nee," fluisterde ze. "Nee, Dennis. Dat is hem niet."
"We moeten kijken, mam," zei ik. Mijn eigen stem klonk alsof iemand anders sprak via een oude radio.
Ik pakte de rand van het laken vast. De stof was stug en koud. Ik sloeg het een stukje terug. Tot aan zijn schouders.
Het was Luuk. Zijn haar zat raar netjes, nat gekamd naar achteren. Er zat een donkere, paarsblauwe zwelling aan de zijkant van zijn slaap, doorlopend tot onder zijn kaak. Zijn neus stond scheef. Maar zijn mond was het ergste. Luuks mond stond altijd een beetje open als hij praatte, klaar voor een grap, een grote bek of een lach. Nu waren zijn lippen stijf op elkaar gedrukt, een dunne, bleke streep. Grijsblauw. Alsof hij iets verzweeg.
"Luuk," zei ik zacht.
Er kwam geen antwoord. Dat weet je natuurlijk. Iedereen weet dat een dood lichaam niet antwoordt. Maar mijn hele brein schreeuwde dat hij zijn ogen moest opendoen. Dit was de jongen met wie ik hutten had gebouwd in de Biesbosch. De jongen die mijn eerste brommer had gesloopt en toen een hele zaterdag had gehuild van schuldgevoel. De jongen die gisteren tegen me schreeuwde dat ik een klootzak was.
Ik legde mijn hand op zijn voorhoofd. Mijn vingers raakten zijn huid. Het was alsof ik een steen aanraakte die de hele winter in de schaduw had gelegen. Geen spoor van warmte. Helemaal niets. De kou drong meteen door in mijn vingertoppen, een nare, bijtende kou die dieper ging dan het vel.
"Waarom nam je niet op?" vroeg ik in gedachten. En meteen daarna: "Waarom nam ik niet op?"
Mijn moeder kwam nu langzaam dichterbij. Ze zakte op haar knieën naast de brancard en pakte Luuks hand. Zijn hand was zwaar beschadigd, zagen we toen, de knokkels lagen open en waren blauwzwart verkleurd. Mijn moeder begon te wiegen. Een eentonig, laag geluid kwam uit haar keel, geen huilen, maar een kreun van een dier dat vastzit in een klem.
Ik kon niet huilen. Mijn maag trok samen tot een keiharde knoop. Ik keek naar Luuks gezicht en zocht naar iets dat leek op vrede, zoals ze dat altijd in films laten zien. Mensen zeggen: 'Hij leek net te slapen.' Maar Luuk leek helemaal niet te slapen. Hij leek op iemand die plotseling en met geweld uit zijn leven was gerukt. De woede hing nog rond zijn ooghoeken. Het onaffe. De spanning van de klap zat nog in zijn spieren gevangen.
"We moeten gaan," zei ik tegen mijn moeder na een kwartier. Ik kon de kou niet langer verdragen. Het leek alsof die kou uit de tafel kroop en de hele kamer vulde, mijn longen in.
De man bij de deur knikte meelevend toen we naar buiten liepen. Ik wilde hem slaan. Ik wilde zijn vriendelijke, professionele gezicht kapot slaan omdat hij Luuk zo netjes had neergelegd, alsof dit een normale werkdag was.
Hoofdstuk 3
De stilte in het ouderlijk huis
De dagen daarna bestonden uit praktische zaken. Dat is de grote truc van de dood: hij dwingt je om formulieren in te vullen, verzekeringen te bellen en een kist uit te zoeken, zodat je niet hoeft na te denken over wat er werkelijk aan de hand is.
Luuk woonde in een huurappartementje in het Reeland. Drie hoog achter, boven een bakkerij. Twee dagen na zijn dood moest ik erheen om kleren op te halen voor de begrafenis. Mijn moeder was niet in staat om een stap te verzetten; die zat thuis op de bank onder een deken, starend naar een foto van Luuk toen hij acht was en een snoekbaars vasthield.
Ik had Luuks sleutelbos in mijn zak. Hij voelde zwaar. Toen ik de sleutel in het slot van zijn voordeur stak, hoorde ik het vertrouwde klikkende geluid. Ik duwde de deur open.
In de gang rook het naar Luuk: een mengeling van tabak, goedkope aftershave en het leer van zijn motorjas. Op het tafeltje naast de deur lag zijn post. Twee rekeningen, een folder van een bouwmarkt. Zijn schoenen stonden schots en scheef bij de mat. Eén sneaker lag op zijn zijkant, alsof hij hem haastig had uitgeschopt.
Ik liep de woonkamer in. Het was alsof de tijd stil was blijven staan op het moment dat hij de deur achter zich dichttrok. Op het aanrecht stond een beker met een laagje opgedroogde koffie. Een theelepeltje lag ernaast, met een bruin kringetje eromheen. De televisie stond nog op stand-by, het rode lampje gloeide in de schemering van de kamer. Gordijnen hingen half open.
Ik ging op zijn versleten stoffen bank zitten. De kussens bogen mee in de vorm van zijn lichaam. Alles in dit huis verwachtte dat hij zo dadelijk de trap op zou rennen met een zak shoarma of een krat bier. De plant op de vensterbank had dorst; de aarde was wit en gebarsten. De kalender aan de muur stond op november. Er stond een cirkel om de zevenentwintigste: 'APK motor'.
Ik stond op en liep naar zijn slaapkamer. De kledingkast puilde uit van de verwassen T-shirts en spijkerbroeken. Ik zocht naar een pak of tenminste een net overhemd. Luuk had een hekel aan overhemden. Uiteindelijk vond ik een donkerblauw overhemd dat hij ooit had gedragen op de bruiloft van een neef. Het zat vol kreukels. Ik hield het tegen mijn borst en rook eraan. De geur sloeg in mijn keel: de geur van wasmiddel en zijn zweet.
Toen zag ik op zijn nachtkastje een opgevouwen briefje liggen. Mijn hart sloeg een slag over. Een afscheidsbrief? Nee, natuurlijk niet, het was een verkeersongeluk. Ik vouwde het open. Het was een boodschappenlijstje in zijn slordige hanenpoten: *koffie, eieren, shag, remmenreiniger, Dennis bellen.*
*Dennis bellen.* Het was onderstreept. Twee keer.
Ik liet me op de rand van zijn bed zakken. Mijn ademhaling stokte. Hij had die avond op zijn lijstje gekeken en hij had gedacht: ik moet Dennis bellen. Niet om ruzie te maken, misschien niet eens om geld. Gewoon bellen. Omdat we broers waren. En ik had naar dat knipperende scherm gekeken met een bord nasi op schoot en gedacht: stik er maar in met je gezeur.
Ik kneep het briefje fijn in mijn vuist. De scherpe randjes van het papier prikten in mijn handpalm. Waarom had hij gebeld? Wat had hij willen zeggen? Had hij sorry willen zeggen? Of had hij willen waarschuwen dat het wegdek spiegelglad was? Het maakte niets meer uit. De woorden die hij had willen uitspreken waren met hem gestorven op het koude asfalt van de N3, ergens tussen hectometerpaal 4,2 en 4,4.
Ik stopte het verfrommelde briefje in mijn broekzak. Ik pakte het blauwe overhemd en een donkere spijkerbroek, stopte ze in een plastic tas van de Dirk en deed de deur van het appartement achter me dicht. Het slot draaide tweemaal om. Een droog, definitief geluid dat door het trappenhuis galmde.
Hoofdstuk 4
Een kist vol bloemen en lege woorden
De aula van begraafplaats Essenhof zat vol. Luuk kende veel mensen. Mannen met leren jacks en tatoeages, vrienden van de sportschool, vage kennissen uit de kroegen rond het Scheffersplein. Ze stonden achterin, schouder aan schouder, ongemakkelijk schuifelend op hun zware schoenen.
Voorin zat ik, naast mijn moeder. Ze droeg een zwarte mantel die veel te wijd was geworden. Haar blik was leeg. Ze keek naar de kist. Een eenvoudige kist van licht eikenhout. Bovenop lagen witte rozen en Luuks oude motorhandschoenen. De handschoenen zagen er versleten uit, het leer bij de vingers was kaalgeschuurd door het sturen.
Er werd muziek gedraaid. Hardrock. Nummers waar Luuk van hield. Het klonk hol en luid door de luidsprekers van de aula. Mensen keken naar hun schoenen. Een neef hield een toespraak over hoe Luuk altijd het zonnetje in huis was, hoe hij altijd klaarstond voor iedereen en het leven vierde alsof elke dag een feest was.
Ik luisterde en voelde de woede in me opborrelen. Het was allemaal waar, maar het was ook een leugen. Luuk was niet alleen het zonnetje in huis. Hij kon onuitstaanbaar zijn. Hij kon zijn verantwoordelijkheden ontlopen, hij liet rekeningen liggen, hij liet mensen stikken als het hem te heet onder de voeten werd. Hij was een mens van vlees en bloed, met fouten en tekortkomingen. Nu maakten ze een heilige van hem. Omdat hij dood was. Omdat je over de doden niets dan goeds mag zeggen.
Toen was het mijn beurt om naar voren te lopen. Mijn moeder kneep even in mijn hand. Ik had een briefje voorbereid, netjes opgeschreven met een pen. Maar toen ik achter het spreekgestoelte stond en de zaal in keek, zag ik alleen maar wazige gezichten. Ik keek naar de kist. Het hout glansde onder de spotjes.
Ik haalde het briefje uit mijn zak, maar vouwde het niet open. Ik legde het op het hout van het katheder.
"Luuk en ik hadden ruzie," zei ik. Mijn stem brak niet; hij klonk harder dan ik bedoelde. Een paar mensen op de derde rij keken geschokt op.
"De laatste keer dat we elkaar spraken, schreeuwden we. Dinsdagmiddag om vier uur. Ik zei dingen waar ik spijt van heb. En hij zei dingen waar hij spijt van had. Die avond belde hij me. Om veertien minuten over negen. Ik nam niet op. Ik dacht dat we morgen wel weer verder zouden zien."
Het was muisstil in de aula. Zelfs het schuifelen van de motorrijders achterin hield op. Niemand bewoog.
"Morgen bestaat niet," zei ik. "Dat is wat ik heb geleerd. Je denkt dat er altijd een morgen is waarop je dingen kunt uitpraten. Een morgen waarop je zegt: 'Zand erover, biertje?' Maar soms is er geen morgen. Soms stopt de tijd gewoon om veertien over negen."
Ik zweeg. Ik wilde meer zeggen. Ik wilde zeggen dat ik hem miste met een pijn die voelde alsof iemand een schop in mijn maag had gegeven. Ik wilde zeggen dat ik alles zou geven, mijn hele spaarrekening, mijn huis, mijn eigen leven, om nog één minuut met hem te kunnen praten. Gewoon zestig seconden aan een keukentafel.
Maar de woorden kwamen niet. Ze bleven steken in mijn keel als scherven glas.
"Rust zacht, broertje," zei ik ten slotte. Ik stapte naar de kist, legde mijn hand een seconde op het koude hout en liep terug naar mijn plek.
Na afloop stonden we in de condoleancekamer. De geur van koffie en kleffe cake. Mensen drukten mijn hand. Ze zeiden de dingen die mensen altijd zeggen als ze niet weten wat ze moeten zeggen.
"Hij heeft nu rust, Dennis."
"Hij kijkt op je neer van boven."
"Geef het tijd. Tijd heelt alle wonden."
Ik knikte mechanisch. Ik zei: "Dank je. Fijn dat je er bent." Maar vanbinnen wilde ik schreeuwen. Hij heeft geen rust, dacht ik. Hij is dertig jaar te vroeg doodgereden op een natte asfaltweg. En hij kijkt nergens op neer; hij ligt in een gat in de grond onder zes voet klei. Hou toch op met je vrome praatjes.
Hoofdstuk 5
De zwarte leegte
Drie weken na de begrafenis zat ik weer achter het stuur van lijn 3. De bedrijfsarts had gevraagd of ik het wel zeker wist. Ik had gezegd dat ik gek werd van het thuiszitten. En dat was waar. Als ik thuis was, keek ik alleen maar naar de muur, naar het kastje waar Luuks foto stond, of naar mijn telefoon. Ik had mezelf betrapt op het feit dat ik soms minutenlang naar zijn contactpersoon staarde, met mijn vinger zwevend boven de groene belknop.
Dus ging ik weer rijden. Dordrecht Centraal, Krispijn, Crabbehof. De deuren die open en dicht sisten. De stem van de halteomroep: 'Volgende halte: Brouwersdijk.' Het ritme van de stad hield me overeind. Tenminste, dat dacht ik.
Het dieptepunt kwam op een woensdagmiddag in januari. Het was grauw, waterkoud weer. De bus zat halfvol met scholieren van het Insula College en oudere mensen met rollators. Ik reed op de Laan der Verenigde Naties. Vlak voor het stoplicht bij de toerit naar de snelweg sloeg het toe.
Het begon met een benauwd gevoel op mijn borst. Alsof er een spanband om mijn ribbenkast zat die langzaam werd aangetrokken. Mijn vingers om het grote plastic stuur werden gevoelloos en begonnen te tintelen. Ik keek in de achteruitkijkspiegel. De gezichten van de passagiers leken ver weg, onscherp, alsof ik door dik matglas naar ze keek.
*Hij belde om veertien over negen.*
De gedachte sloeg in als een mokerslag. Mijn hart begon tekeer te gaan, een razend, onregelmatig bonken in mijn keel. Ik kreeg geen lucht meer. De lucht in de bus leek opgezogen, vervangen door iets zwaars en giftigs. Ik zag het kruispunt voor me, de stoplichten die op oranje sprongen. Een zwarte motor haalde me aan de linkerkant in. Het silhouet van de rijder: zwarte helm, brede schouders, het gifgroene accent op de tank.
Luuk.
"Luuk," zei ik hardop.
Ik trapte op de rem. Veel te hard. De bus doook voorover in zijn vering. Achter me klonk het gegil van een meisje, het kletteren van een tas die over de vloer schoof, en een luide vloek van een man voorin.
"Hé chauffeur! Doe eens normaal man!"
Ik zette de bus in de vrij en trok de handrem aan met een ruk die door de hele wagen galmde. Mijn hele lijf trilde. Het zweet brak me uit; het liep over mijn voorhoofd en prikte in mijn ogen. Ik deed de chauffeursdeur open en wankelde het gangpad in. De passagiers keken me met grote ogen aan, half geschrokken, half boos.
"Iedereen uitstappen," zei ik. Mijn stem sloeg over.
"Wat zeg je?" vroeg een man van middelbare leeftijd met een attachékoffer. "We staan midden op de weg!"
"Uitstappen!" schreeuwde ik. Ik sloeg met mijn vlakke hand tegen de glazen wand naast de bestuurdersstoel. "Eruit! Nu! De bus is kapot!"
Ze schrokken van mijn blik. Zonder nog iets te zeggen pakten de mensen hun spullen en schuifelden via de middendeur naar buiten, de koude motregen in. Ik bleef alleen achter in het lege gangpad.
Ik zakte op mijn knieën op de geribbelde vloer van de bus. Tussen de lege stoelen, tussen de rondslingerende snoeppapiertjes en het vuil van honderden schoenen. En daar brak ik. Voor het eerst sinds die dinsdagavond in november begon ik te janken. Geen stille tranen, maar een rauw, hikkend gehuil dat uit het diepst van mijn buik kwam. Ik sloeg met mijn vuist op de vloer tot mijn knokkels bloedden. Ik schreeuwde zijn naam in de lege bus.
"Waarom, klootzak? Waarom heb je me niet gewaarschuwd? Waarom heb ik die godverdomme telefoon niet opgenomen?"
Niemand antwoordde. Alleen de compressor onder de bus sloeg aan met een zware, mechanische brom.
Hoofdstuk 6
De sleutelbos
Na het incident met de bus zat ik twee maanden thuis. Ziek gemeld. Mijn leidinggevende bij de busmaatschappij, Rob, was een vent van zestig die zelf dertig jaar op de bus had gezeten. Hij kwam niet aanzetten met protocollen of bedrijfsartsen. Hij kwam gewoon langs op een dinsdagmiddag, zette een doos gevulde koeken op tafel en keek naar de troep in mijn woonkamer.
Er stonden lege pizzadozen op het aanrecht. Op de salontafel slingerden lege bierblikjes rond. De gordijnen waren dicht.
Rob nam een slok van de oploskoffie die ik voor hem had neergezet. Hij zei een kwartier lang helemaal niets. Hij zat daar gewoon, een zware man in een windjack, terwijl de klok aan de muur tikte.
"Je gaat eraan onderdoor, Dennis," zei hij ten slotte.
"Ik weet het," zei ik tegen mijn mok.
"Je bent niet de eerste die iemand verliest. En je bent ook niet de eerste die ruzie had voor het gebeurde."
"Hij belde me, Rob. Een kwartier voor de klap. Ik zag zijn naam staan en ik dacht: stik er maar in. Dat vergeef ik mezelf nooit meer. Nooit."
Rob knikte langzaam. Hij pakte een koek, brak hem doormidden en at de helft op. "Dat hoef je jezelf ook niet te vergeven," zei hij kalm.
Ik keek op. Ik had verwacht dat hij zou zeggen wat iedereen zei: dat ik het niet kon weten, dat het een ongeluk was, dat Luuk het me niet kwalijk zou nemen.
"Wat zeg je nou?" vroeg ik.
"Je hoeft het jezelf niet te vergeven," herhaalde hij. "Want vergeving is een sprookje. Mensen denken dat er ergens een stempel bestaat met 'kwijtgescholden'. Dat bestaat niet. Wat gebeurd is, is gebeurd. Jij nam niet op. Hij reed te pletter. Dat is een keihard feit. En dat blijft zo tot de dag dat jij zelf onder de zoden ligt."
Zijn woorden waren hard, maar ze voelden op een vreemde manier schoner aan dan alle zachte troost van de afgelopen maanden. Geen pleisters op een open botbreuk.
"En wat moet ik dan?" vroeg ik. Mijn stem trilde.
"Je moet ermee leren lopen," zei Rob. "Zoals een man met een been minder leert lopen met een prothese. Het doet pijn, het schuurt, je strompelt. Maar je blijft niet op de bank zitten zuipen tot je wegroest. Je broer had een hekel aan zeikerds, toch?"
Ik slikte. Een vage herinnering aan Luuk kwam boven, hoe hij me ooit had uitgelachen toen ik een week liep te klagen over een verrekte spier. *'Niet janken De Graaf, gewoon doortrappen.'*
"Ja," zei ik. "Dat had hij zeker."
Een week later belde mijn moeder. Luuks huis moest definitief leeggemaakt worden voor de woningbouwvereniging. De grote meubels waren al weggehaald door een opkoper, maar er stonden nog wat dozen met persoonlijke spullen. Of ik die wilde uitzoeken.
Ik ging erheen op een zaterdagochtend. Het appartement was koud en galmde. In een hoek van de slaapkamer stond een verhuisdoos met gereedschap en kleine rommel. Bovenop lag zijn reservesleutelbos van de motor. Aan die sleutelbos hing een leren labeltje. Het was versleten, de letters waren er half ingedrukt met een slagletterset. Ik herkende het meteen. Luuk had dat ding gemaakt toen hij een jaar of zestien was, op de LTS.
Er stond: *'Brothers in arms'*. Met een spelfout: hij had *'Brothers in harms'* geschreven, omdat zijn Engels toen nog waardeloos was. We hadden er destijds tranen om gelachen.
Ik hield het stukje leer vast in mijn hand. Het was vet van de kettingolie. En plotseling drong het tot me door. Het ontbrekende afscheid – die laatste oproep, die denkbeeldige filmscène waarin we elkaar omhelsden en vergaven – was een illusie. Luuk hield niet van me op basis van die laatste zestien minuten. Onze band werd niet bepaald door die ene stomme ruzie over tweehonderd euro. Onze band bestond uit tweeëndertig jaar samen opgroeien, lachen, vechten, zuipen en elkaars rotzooi opruimen.
Dat telefoontje was niet het einde van ons verhaal. Het was gewoon het moment waarop de lijn werd verbroken. Meer niet.
Hoofdstuk 7
Lijn 3 naar huis
Het is nu veertien maanden later. Het is weer november. De bomen langs de Weeskinderendijk laten hun laatste, zwarte bladeren vallen in de modder.
Ik zit weer op lijn 3. De ochtendspits is net voorbij. Buiten hangt een dunne nevel over de rivier de Merwede. In mijn binnenzak voel ik het harde randje van het leren sleutellabeltje. Ik draag het altijd bij me tijdens mijn diensten. Niet als geluksbrenger – want Luuk bracht het weinig geluk – maar als herinnering aan de werkelijkheid.
Het gemis is niet weg. Het is niet 'een plekje gegeven', zoals mensen dat zo stompzinnig kunnen noemen. Rouw is geen meubelstuk dat je in een hoek schuift tot het niet meer in de weg staat. Het is meer als het weer. Soms is het rustig, bewolkt maar draaglijk. En soms steekt er ineens een storm op die je de adem beneemt, zomaar op een doodgewone dinsdag als je langs een tankstation rijdt en de geur van tweetaktolie ruikt.
Ik ga nog regelmatig naar Essenhof. Niet om tegen een steen te praten. Ik geloof nog steeds niet dat hij me kan horen. Maar ik ga erheen om het onkruid weg te halen en een peuk te roken bij zijn graf. Ik steek er twee op, rook de mijne op en laat de andere opbranden op de rand van de stenen rand. Het slaat nergens op, maar het is mijn ritueel.
Met mijn moeder gaat het redelijk. Ze is oud geworden in een jaar tijd, haar pas is schuifelend, maar ze kookt weer af en toe voor me. We praten over Luuk. Niet meer met die paniek van in het begin, maar met verhalen over vroeger. Over hoe hij ooit een kano had gestolen en vast kwam te zitten in het riet bij Werkendam. We kunnen er weer om glimlachen, al blijft er altijd die schaduw over de tafel hangen. De lege stoel gaat nooit meer weg.
Ik stop bij de halte Crabbehof. De deuren gaan open met een sissend geluid. Een oudere vrouw stapt in, moeizaam steunend op een paraplu. Ik wacht geduldig tot ze heeft ingecheckt en op een stoel is gaan zitten voor ik de bus weer in beweging zet. Rustig aan. Geen haast.
Ik heb die voicemailmelding nooit meer gezien. Mijn telefoon is inmiddels vervangen, de oude ligt in een la. Maar het tijdstip – veertien over negen – blijft in mijn hoofd gegrift. Soms, als ik 's avonds laat dienst heb en de digitale klok op het dashboard verspringt van 21:13 naar 21:14, houd ik mijn adem even in. Eén seconde. Dan adem ik weer uit en kijk ik naar de weg voor me.
Het afscheid is nooit gekomen. Er was geen hand die werd vastgehouden, geen laatste wijze les, geen 'ik hou van je'. Er was alleen de plotselinge stilte na een ruzie. Een wreed, stompzinnig toeval.
Maar ik weet nu dat een leven niet wordt samengevat door het laatste hoofdstuk alleen. Luuk was mijn broer. Dat was hij voor die oproep, dat was hij tijdens die oproep, en dat blijft hij zolang ik nog ademhaal en deze bus over de Drechtsteden stuur.
Ik trap het gaspedaal in. De motor bromt betrouwbaar onder mijn voeten. De ruitenwissers wissen het regenvuil van het glas, slag na slag. Ik kijk in de spiegel, geef richting aan naar links en rijd de halte uit. Terug naar het station.