Psychische gezondheid
Glimlachen op de automatische piloot
Dit boek gaat over psychische klachten. Zoek hulp als het onderwerp je raakt.
Hoofdstuk 1
De verkeerde trein
De trein reed Utrecht Centraal uit toen ik besefte dat ik naar Amersfoort ging. Ik moest naar Rotterdam. Dat deed ik al zes jaar, drie dagen per week.
Mijn tas stond tussen mijn schoenen. Op mijn telefoon verschenen berichten van mijn collega Eva.
Ben je er al?
De klant zit klaar.
Noor?
Ik typte: Kleine vertraging. Begin maar vast.
Daarna zette ik mijn telefoon uit.
In het raam zag ik een vrouw die rustig leek. Donkere jas. Haar achter haar oren. Een gezicht dat ik die ochtend zorgvuldig had gemaakt. Zelfs mijn mond stond een beetje omhoog. Alsof ik iets aardigs dacht.
Ik heet Noor van Dijk. Ik was vierendertig. Ik kon een vergadering leiden terwijl ik onder tafel mijn nagels in mijn bovenbeen drukte. Ik kon vragen hoe iemands weekend was zonder het antwoord te horen. Ik kon lachen op precies het juiste moment.
Maar ik kon niet meer onthouden welke trein ik moest nemen.
Bij station Amersfoort bleef ik zitten tot een schoonmaker tegen het raam tikte.
‘Eindpunt, mevrouw.’
‘Ja. Natuurlijk.’
Ik glimlachte naar hem. Daar was het weer. Die beweging waar ik niets voor hoefde te voelen.
Op het perron rook het naar koffie en natte jassen. Ik ging op een bank zitten. Mijn hart sloeg hard. Niet snel genoeg om dramatisch te zijn. Wel hard genoeg om elke slag te tellen.
De afgelopen maanden had ik steeds minder geslapen. Eerst lag ik wakker tot één uur. Daarna tot drie uur. De laatste week keek ik soms hoe de slaapkamer langzaam licht werd. Om zeven uur stapte ik onder de douche. Ik deed alsof die nacht gewoon had plaatsgevonden.
Op mijn werk, een communicatiebureau aan de Rotterdamse Schiekade, maakte ik teksten over werkgeluk. Ik schreef dat mensen ruimte nodig hadden om zichzelf te zijn. Daarna ging ik op het toilet zitten omdat ik niet wist hoe ik de middag moest halen.
Mijn telefoon ging weer aan. Zeventien meldingen.
Ik belde Eva.
‘Waar ben je?’ vroeg ze.
‘Amersfoort.’
Het bleef stil.
‘Waarom?’
‘Verkeerde trein.’
‘Oké. Kom je terug?’
Ik keek naar mijn handen. Mijn linkerduim trilde.
‘Ik weet het niet.’
Dat was de eerste eerlijke zin die ik die dag zei.
Eva schoof ergens een stoel. Ik hoorde haar een deur sluiten.
‘Noor. Ben je alleen?’
‘Op een station ben je nooit alleen.’
Ik lachte. Zij niet.
‘Kun je naar huis?’
Ik woonde in Utrecht, boven een fietsenwinkel in de Adelaarstraat. Er stond afwas van vier dagen. Op mijn bed lag schone was die inmiddels weer muf rook. Naar huis gaan voelde niet als thuiskomen. Het voelde als terugkeren naar een plek waar bewijsmateriaal lag.
‘Ja,’ zei ik toch.
‘Stuur me een bericht als je binnen bent. Ik regel het hier.’
Ze zei het zonder zucht. Dat maakte het erger. Ik had een verwijt verwacht. Dan had ik tenminste iets gehad om me tegen te verzetten.
In de trein terug zat tegenover me een jongen met een plastic bak druiven. Hij trok ze één voor één van het steeltje. Ik keek naar zijn vingers. Naar die kleine, overzichtelijke handeling. Druif pakken. Opeten. Volgende druif.
Thuis kreeg ik mijn sleutel niet meteen in het slot.
Mijn buurvrouw Bep kwam de trap af met een boodschappentas.
‘Vroege dag?’
‘Werk thuis.’
‘Lekker hoor.’
‘Ja.’
Binnen liet ik mijn jas aan. Ik ging op de keukenvloer zitten. De koelkast sloeg aan. Boven me stond een kopje op het aanrecht met een vel op de thee.
Eva stuurde een vraagteken.
Ik schreef: Thuis. Gaat prima.
Ik keek naar die woorden. Mijn vingers lagen boven het scherm. Toen verwijderde ik de laatste twee.
Er verscheen meteen: Zal ik iemand bellen?
Mijn zus heette Marit. Ze woonde in Nieuwegein. We spraken elkaar meestal op zondag. Ik vertelde haar dan over klanten en zij vertelde over haar dochter Fien. We bleven zorgvuldig aan de buitenkant van onze levens.
Ik gaf Eva haar nummer.
Daarna legde ik mijn telefoon naast me op de vloer.
Voor het eerst hoopte ik niet dat iedereen me met rust zou laten.
Hoofdstuk 2
De deur open
Marit stond binnen drie kwartier voor mijn deur. Ze belde twee keer. Daarna hoorde ik haar door de brievenbus.
‘Noor. Ik weet dat je er bent.’
Ik bleef op de vloer zitten. Mijn benen waren koud geworden.
‘Je hoeft niet op te ruimen,’ zei ze.
Dat was blijkbaar de zin die ik nodig had. Ik stond op en deed open.
Marit keek naar mijn jas. Naar de keuken. Toen naar mij.
‘Heb je gegeten?’
‘Een krentenbol.’
‘Vandaag?’
Ik wist het niet zeker.
Ze trok haar schoenen uit en liep naar de koelkast. Ik wilde zeggen dat ze niet moest gaan zorgen. Dat ik geen kind was. Maar ze zette alleen een pak melk terug en vroeg waar de pannen stonden.
We aten roerei op toast. Zij aan tafel. Ik op de stoel bij het raam, omdat de andere stoel vol post lag.
‘Eva zei dat je vastzat.’
‘Ik zat in de verkeerde trein.’
‘Dat bedoelde ze niet.’
Buiten werd een bakfiets tegen een paaltje gezet. Iemand vloekte. Het geluid kwam scherp binnen.
‘Ik ben gewoon moe,’ zei ik.
Marit knikte niet.
‘Hoe lang?’
‘Een tijdje.’
‘Hoe lang is een tijdje?’
Ik schoof mijn bord weg.
‘Sinds november misschien.’
Het was april.
Ze ademde uit door haar neus. Ik zag dat ze schrok en haar best deed dat niet op mij te leggen.
‘Waarom heb je niks gezegd?’
‘Omdat jij ook druk bent.’
‘Dat beslis ik zelf.’
Haar toon was scherp. Daarna schoof ze haar stoel dichterbij.
‘Sorry. Maar dat beslis ik echt zelf.’
Ik vertelde over de nachten. Over mijn hoofd dat bij elk bericht meteen tien mogelijke problemen maakte. Over douchen met het licht uit, omdat mijn eigen gezicht me irriteerde. Over boodschappen die ik online bestelde en bij bezorging niet durfde aan te nemen.
Niet alles kwam in een mooie volgorde. Sommige dingen zei ik twee keer. Andere slikte ik halverwege in.
‘Soms denk ik dat het fijn zou zijn als ik een tijdje niet bestond,’ zei ik.
Marit keek me recht aan.
‘Wil je jezelf iets aandoen?’
‘Nee. Ik maak geen plannen. Ik wil alleen niet steeds wakker hoeven worden met dit.’
Mijn stem brak op het laatste woord. Niet hard. Meer alsof er iets bleef steken.
Marit pakte mijn hand niet. Ze wist dat ik dan misschien zou dichtklappen.
‘Dank je dat je dat zegt. We gaan de huisarts bellen.’
Ik keek naar de klok.
‘Het is bijna vijf.’
‘Dan bellen we nu.’
De assistente vroeg of het kon wachten tot morgen. Ik opende mijn mond om ja te zeggen. Marit wees naar de telefoon in mijn hand.
‘Vertel wat je mij vertelde,’ fluisterde ze.
Dat deed ik. Stotterend. Met mijn ogen dicht.
De assistente overlegde. Een paar minuten later mocht ik de volgende ochtend komen. Ze vroeg ook of ik de avond veilig kon doorkomen. Marit bleef. We spraken af wie we zouden bellen als mijn gedachten veranderden of ik mezelf niet vertrouwde.
Toen ik ophing, voelde ik me niet opgelucht. Ik voelde me betrapt.
‘Nu staat het ergens,’ zei ik.
‘Wat?’
‘Dat ik dit ben.’
‘Dat je hulp nodig hebt, ja.’
Ik wilde met haar discussiëren. Daar had ik geen kracht voor.
Die avond belde mijn teamleider, Bas. Ik zag zijn naam oplichten en duwde de telefoon onder een kussen.
Marit trok hem er weer onder vandaan.
‘Je hoeft niet op te nemen. Maar wegstoppen helpt volgens mij ook niet.’
Ik stuurde dat ik ziek was en morgen geen overleg kon doen.
Bas antwoordde: Beterschap. Morgen kort contact over overdracht?
Mijn maag trok samen.
Marit las mee, met mijn toestemming.
‘Morgen na de huisarts,’ zei ze. ‘Niet vanavond.’
Ze bleef op de bank slapen. Ik gaf haar het dekbed uit de logeerkast. Daar viel een ongeopende blauwe envelop uit. Ik propte die terug.
Marit zag het. Ze zei niets.
Om halfdrie stond ik in de woonkamer. Ze was wakker.
‘Ook geen slaap?’ vroeg ze.
Ik schudde mijn hoofd.
Ze sloeg een hoek van het dekbed open. Ik ging naast haar zitten, niet eronder.
We luisterden naar een scooter in de straat. Daarna naar de verwarmingsbuizen.
‘Ik weet niet hoe ik dit moet repareren,’ zei ik.
‘Ik ook niet,’ zei Marit.
Dat was fijner dan een belofte.
Hoofdstuk 3
Elf minuten
In de wachtkamer van de huisartsenpraktijk aan de Oudegracht hing een poster over tekenbeten. Ik las hem zes keer. Marit zat naast me. Ze had aangeboden buiten te wachten. Ik had haar gevraagd te blijven.
Huisarts De Graaf liep elf minuten uit. Dat zag ik op de digitale klok boven de balie. In die elf minuten besloot ik meerdere keren dat we moesten vertrekken.
Toen mijn naam klonk, stond ik te snel op.
‘Gaat het?’ vroeg de huisarts.
‘Ja hoor.’
Marit keek naar me.
In de spreekkamer zette ik mijn tas op schoot. De huisarts draaide zijn stoel van het scherm af.
‘Vertel.’
Ik begon met de trein. Daarna met mijn werk. Ik maakte er een overzichtelijk verhaal van. Drukke periode. Slecht geslapen. Even geschrokken.
‘En thuis?’ vroeg hij.
‘Ook wel moe.’
Marit bewoog naast me.
‘Mag ik iets zeggen?’
Ik knikte, al wilde ik dat niet.
‘Ze zit soms uren op de vloer. Ze eet weinig. En gisteren vertelde ze dat ze soms niet wil bestaan.’
Mijn gezicht werd heet.
De huisarts keek niet naar Marit. Hij bleef bij mij.
‘Klopt dat, Noor?’
Ik knikte.
Hij vroeg verder. Rechtstreeks, zonder een ernstige stem op te zetten. Of ik dood wilde. Of ik plannen had. Of ik eerder iets had gedaan om mezelf te beschadigen. Wie ik kon bereiken als het erger werd.
Ik antwoordde zo precies mogelijk. Het was ongemakkelijk. Tegelijk hoefde ik niet meer te raden welke woorden wel mochten.
Daarna vroeg hij naar slapen, eten, concentratie en plezier. Bij dat laatste moest ik lang nadenken.
‘Ik fiets graag,’ zei ik.
‘Wanneer heb je dat voor het laatst gedaan omdat je het fijn vond?’
Ik keek naar mijn tas.
‘Geen idee.’
Hij zei dat er duidelijke depressieve klachten waren, naast veel spanning. Dat hij verder wilde kijken. Niet alles op één ochtend vastleggen.
Ik had gehoopt op een bloedtest met een eenvoudige uitslag. Een tekort. Iets dat je kon aanvullen zonder je leven uit elkaar te halen.
Er kwam ook bloedonderzoek, om lichamelijke oorzaken mee te beoordelen. Maar hij zei meteen dat mijn klachten serieus bleven als daar niets uitkwam.
We maakten een afspraak bij de praktijkondersteuner geestelijke gezondheidszorg. Over twaalf dagen. De huisarts wilde me eerder terugzien en besprak een verwijzing voor verdere behandeling. Er waren wachttijden.
‘Wat doe ik tot die tijd?’ vroeg ik.
Mijn stem klonk bozer dan ik bedoelde.
‘We laten je niet twaalf dagen zonder contact zitten,’ zei hij.
We maakten concrete afspraken. Een telefoongesprek na het weekend. Regelmatig eten. Elke dag even naar buiten, zonder er een prestatie van te maken. Marit als eerste contactpersoon, als zij dat kon dragen. Daarnaast mijn vriend Daan, die twee straten verder woonde en nog niets wist.
Voor direct gevaar moest ik 112 bellen. Bij een crisis kon ik de huisarts of huisartsenpost bereiken. Ook schreef hij 113 en 0800-0113 op, voor als gedachten aan zelfdoding sterker werden of ik daarover wilde praten.
Ik vouwde het papier klein op.
Buiten vroeg Marit of ik koffie wilde.
‘Ik wil naar huis.’
‘Oké.’
Op de brug bleef ik staan.
‘Denk je dat ik overdrijf?’
Ze keek bijna kwaad.
‘Nee.’
‘Ik heb geen goede reden.’
‘Je hoeft mij geen reden te verkopen.’
Thuis belde ik Bas. Ik had drie zinnen opgeschreven. Ik ben ziek. Ik kan nu niet werken. Over mijn herstel houd ik contact volgens de afspraken.
Bij de tweede zin begon ik te huilen.
Bas wachtte.
‘We nemen je projecten over,’ zei hij. ‘De bedrijfsarts kijkt straks met je mee.’
‘Het dossier van Vlaardingen staat nog lokaal.’
‘Dat lossen we op.’
‘En de presentatie—’
‘Noor. Niet nu.’
Na het gesprek stuurde Eva een foto van mijn plant op kantoor. Ze had hem water gegeven.
Ik huilde opnieuw. Dit keer omdat iets kleins blijkbaar zonder mij kon blijven leven.
Die middag belde ik Daan. Hij nam op vanuit de supermarkt.
‘Wat eten we?’ vroeg hij, nog voor ik iets zei.
‘Ik moet je iets vertellen.’
Ik hoorde het geratel van zijn mandje stoppen.
Ik vertelde het. Zonder de trein als grappige opening.
‘Zal ik komen?’ vroeg hij.
‘Ja. Maar neem geen wijn mee.’
‘Goed. Soep?’
‘Soep is goed.’
Hoofdstuk 4
De volle gang
De derde week thuis werd moeilijker dan de eerste.
In het begin waren er afspraken. Telefoontjes. Mensen die langskwamen. Daarna gingen zij weer werken. Mijn dagen werden stil. Om tien uur stond ik soms nog naast mijn bed, zoekend naar een reden om mijn trui aan te trekken.
Ik had gedacht dat rust vanzelf prettig zou zijn. Maar zonder werk hoorde ik mijn gedachten beter.
Je laat iedereen zitten.
Je had eerder iets moeten zeggen.
Straks blijkt dat je gewoon lui bent.
Bij de praktijkondersteuner, Hester, vertelde ik vooral wat ik wél had gedaan. Gewandeld. Gekookt. Mijn zus gebeld.
‘Hoe ging de rest van de dag?’ vroeg ze.
‘Redelijk.’
Ze liet een stilte vallen.
Ik keek naar een doos tissues op de vensterbank.
‘Slecht,’ zei ik toen.
Hester vroeg me een doorsneedag te beschrijven. Niet hoe die eruit hoorde te zien. Hoe die echt verliep.
Ik vertelde dat ik een kwartier onder de douche stond zonder me te wassen. Dat ik berichten opende, antwoorden bedacht en ze niet verstuurde. Dat ik soms pas om vier uur iets at.
‘Je bent hier ook hard aan het werk om het goed te doen,’ zei ze.
Ik voelde irritatie.
‘Wat moet ik dan? Slecht mijn best doen?’
‘Je hoeft mij niet gerust te stellen.’
Ik keek weg. Dat was precies wat ik deed.
Een paar dagen later kwam Daan om samen boodschappen te doen. Het regende. We liepen naar de Albert Heijn op de Amsterdamsestraatweg.
Bij de broodafdeling ging het nog. Bij de koeling werd alles te fel. Een kind gilde bij de yoghurt. Een medewerker trok een kar langs me. Daan vroeg welke soep ik wilde.
Ik wist het niet.
‘Tomaat of groente?’
Ik keek naar de verpakkingen. Mijn hart begon te bonzen. Ik kreeg geen goede ademhaling meer te pakken. Mijn vingers tintelden.
‘Noor?’
‘Ik moet weg.’
Ik liet mijn mandje staan en liep naar buiten. Het alarm bij de uitgang piepte voor iemand anders. Toch schoot mijn hele lijf ervan omhoog.
Onder het afdak boog ik voorover.
Daan kwam naast me staan.
‘Wat heb je nodig?’
‘Niet praten.’
Hij zweeg.
Ik voelde het koude metaal van het hek onder mijn hand. Zag de wielen van een geparkeerde scooter. Een gescheurde kassabon in een plas. Langzaam werd de straat weer een straat in plaats van een verzameling dreigingen.
Thuis kroop ik onder een deken.
‘Dit had ik vorige maand niet,’ zei ik.
‘Misschien wel, maar ging je toen door,’ zei Daan.
‘Maak er niet meteen iets leerzaams van.’
Hij trok zijn wenkbrauwen op.
‘Sorry.’
Ik schaamde me voor mijn toon. Toch was ik blij dat hij niet wegging.
Die avond belde Marit. Ze wilde zaterdag met mij en Fien naar het Nijntje Museum.
‘Misschien,’ zei ik.
‘Ik moet kaartjes boeken.’
‘Boek dan maar.’
Zaterdagochtend kreeg ik mijn schoenen niet aan. Niet omdat mijn handen het niet konden. Omdat het idee van kinderen, geluid en opgewekte ouders me misselijk maakte.
Ik belde af.
Marit zweeg even.
‘Fien had zich erop verheugd.’
‘Ik weet het.’
‘Je had ook eerder nee kunnen zeggen.’
‘Dat weet ik ook.’
Ik hing te snel op. Daarna zette ik mijn telefoon uit en trok de gordijnen dicht.
Om zes uur hoorde ik de bel. Toen nog een keer.
Het was Marit.
‘Ik heb geen toegangsbewijs gekocht om je schuldgevoel te bezorgen,’ zei ze toen ik opendeed. ‘Ik was teleurgesteld. Dat mag toch?’
Ik ging op de onderste traptrede zitten.
‘Als jij teleurgesteld bent, denk ik meteen dat ik alles verpest.’
Ze bleef tegen de muur staan. Onze gang was te smal voor een fatsoenlijke afstand.
‘Ik kan niet elke zin perfect zeggen,’ zei ze.
‘Dat vraag ik niet.’
‘Een beetje wel.’
Dat deed pijn. Omdat het klopte.
We spraken af dat ik geen misschien meer zou zeggen als ik eigenlijk nee bedoelde. En dat zij niet verantwoordelijk was voor elke slechte avond.
Voor ze vertrok, vroeg ik of ze morgen wilde bellen.
‘Tien minuten,’ zei ze. ‘Daarna moet ik Fien ophalen.’
‘Tien minuten is goed.’
Hoofdstuk 5
Onder het lachen
In juni begon ik bij een psycholoog in Utrecht-West. Er was eerder plek vrijgekomen. Ik las het bericht drie keer voordat ik terugbelde.
Mijn psycholoog heette Samira. Ze had een bureau, twee stoelen en een klok die ik vanuit mijn stoel niet kon zien. Dat vond ik onbeleefd. Ik wilde weten hoeveel tijd ik nog had om iets belangrijks te zeggen.
Tijdens de eerste gesprekken zochten we uit wat er speelde. De depressieve klachten stonden voorop. De voortdurende spanning maakte alles zwaarder. Samira vroeg niet alleen wat er misging, maar ook hoe ik zo lang door had kunnen werken.
‘Discipline,’ zei ik.
‘En wat kostte dat?’
Ik trok mijn schouders op.
‘Blijkbaar dit.’
Ik lachte erbij.
‘Wat gebeurt er nu?’ vroeg ze.
‘Niks.’
‘Je zegt iets pijnlijks en lacht.’
Mijn mond ontspande meteen. Ik voelde me betrapt, net als na het telefoontje met de huisarts.
‘Anders wordt het zo zwaar,’ zei ik.
‘Voor wie?’
Ik wilde zeggen: voor ons allebei. Maar ik kende haar nauwelijks. Toch was ik al bezig haar gesprek draaglijk te houden.
We werkten met concrete situaties. Een bericht van Bas. Een gemiste oproep van mijn moeder. Een stapel enveloppen. Wat dacht ik? Wat voelde ik? Wat deed ik vervolgens?
Dat laatste was vaak hetzelfde. Instemmen. Uitstellen. Verbergen.
Ik kreeg geen opdracht om ineens van mezelf te houden. We begonnen kleiner. Eén taak kiezen. Een grens uitspreken. Nagaan of mijn hardste conclusie ook werkelijk klopte.
Op een donderdag maakte ik met Daan de post open. Hij zat tegenover me aan de keukentafel. Er lagen drie stapels: betalen, bewaren, weggooien.
De blauwe envelop uit de logeerkast bleek minder ernstig dan ik had gedacht. Een andere brief juist niet. Ik had een betaling gemist en moest extra kosten betalen.
‘Zie je wel,’ zei ik.
‘Wat zie ik?’ vroeg Daan.
‘Dat ik het niet kan.’
Hij tikte op de brief.
‘Ik zie zesentwintig euro administratiekosten.’
Ik werd boos. Daarna moest ik lachen. Niet het lachje waarmee ik dingen wegpoetste. Gewoon omdat hij zo droog keek.
We betaalden. Ik zette een herinnering in mijn agenda.
Het bleef een vervelende middag. Maar de brieven lagen niet meer in mijn beddengoed.
Met de huisarts besprak ik ook medicijnen. Mijn klachten waren nog steeds zwaar. Hij legde uit wat een antidepressivum mogelijk kon doen, welke bijwerkingen konden optreden en dat het tijd kon kosten om het effect te beoordelen. Ik was bang dat ik er vlak van zou worden.
‘Ik voel nu ook al bijna niets,’ zei ik uiteindelijk.
We besloten tot een proef, met controleafspraken. De eerste dagen was ik misselijk en onrustiger. Ik belde de praktijk in plaats van stil te beslissen dat ik alles verkeerd had gedaan. We overlegden hoe verder.
Er kwam geen ochtend waarop de wereld plotseling helder werd. Wel merkte ik na een tijd dat ik soms iets kon doen voordat ik er een uur tegenop had gezien. Of dat door de behandeling kwam, door de medicatie, door minder belasting of door alles samen, kon ik niet aanwijzen.
Op een avond bakte ik aardappels. Halverwege besefte ik dat ik honger had. Echte honger. Geen herinnering dat een mens moest eten.
Ik stuurde Marit een foto van mijn bord.
Zij stuurde terug: Veel ketchup.
Ik schreef: Medisch noodzakelijk.
Daarna at ik alles op.
Niet elke stap bleef staan. Soms sloeg ik alsnog een maaltijd over. Soms zat ik na een goede dag twee dagen binnen. Samira vroeg me die schommelingen op te schrijven zonder er direct een oordeel naast te zetten.
Dat lukte slecht. Mijn schrift stond vol woorden als waardeloos en mislukt.
‘Kun je opschrijven wat er gebeurde?’ vroeg ze. ‘Alsof een camera het zag.’
Dus schreef ik: Tot elf uur in bed. Afspraak afgezegd. Om drie uur brood gegeten. Daan gebeld.
Het zag er anders uit zonder het vonnis.
Die avond legde ik mijn schrift op tafel in plaats van onder een tijdschrift.
De volgende ochtend stond het er nog. Ik hoefde niet te doen alsof het van iemand anders was.
Hoofdstuk 6
De oude stoel
In september ging ik voor het eerst terug naar kantoor. Niet om meteen te werken. Om koffie te drinken met Bas en Eva. Dat hadden we met de bedrijfsarts afgesproken.
Ik nam de trein naar Rotterdam. Voor vertrek controleerde ik het bord drie keer.
In mijn tas zaten een fles water en een kaartje met mijn afspraken. Een uur blijven. Geen klantgesprekken. Zelf aangeven als het genoeg was.
Bij de ingang van het bureau bleef ik staan. Door het glas zag ik de hoge tafel waar we verjaardagen vierden. Er stond een schaal met mandarijnen.
Eva kwam naar buiten.
‘Wil je eerst een rondje lopen?’
‘Nee. Als ik nu wegloop, kom ik misschien niet terug.’
‘Dan gaan we naar binnen.’
Ze omhelsde me pas nadat ze het had gevraagd. Dat was lief en vreemd. Alsof ik breekbaarder was geworden in de maanden dat ze me niet dagelijks zag.
Mijn bureau stond er nog. Mijn stoel ook. De plant was groter.
‘Die heeft het beter gedaan dan ik,’ zei ik.
Daar was het grapje.
Eva glimlachte, maar keek daarna serieus.
‘Ik heb je gemist.’
Ik wist niet wat ik daarop moest zeggen.
Bas had een kleine vergaderkamer gereserveerd. Hij vroeg hoe het was om er te zijn.
‘Spannend.’
Ik wachtte. Niemand vroeg me het spannender te maken dan dat.
We bespraken mogelijke taken. Eerst een paar korte blokken per week, als de opbouw verantwoord bleek. Afgebakend werk. Geen deadlines voor klanten. Regelmatig kijken of het paste.
‘Ik kan waarschijnlijk best al wat meer,’ zei ik.
Eva keek naar het kaartje dat ik op tafel had gelegd.
‘Waarschijnlijk hoeft vandaag niet besloten te worden,’ zei ze.
Ik voelde weerstand. Ik wilde niet behandeld worden als iemand die zichzelf niet kende. Tegelijk had ik maandenlang heel overtuigend verkeerde informatie over mezelf gegeven.
Na vijftig minuten was ik op. Geluiden kwamen harder binnen. Bas zijn zinnen werden lang.
‘Ik moet gaan,’ zei ik.
Hij knikte en sloot zijn notitieboek.
Buiten trilden mijn benen. In de trein huilde ik zacht achter mijn sjaal. Niet omdat het mis was gegaan. Omdat het zoveel had gekost.
De eerste weken van mijn werkhervatting verliepen redelijk. Ik controleerde teksten en werkte een intern document bij. Twee keer per week twee uur. Ik wilde sneller. De bedrijfsarts en ik hielden de stappen klein.
Toen stuurde een oud-klant me rechtstreeks een bericht.
Fijn dat je terug bent. Kun jij even meekijken? Jij kent dit dossier.
Ik zag de vraag om kwart over acht ’s avonds. Om halfnegen zat ik achter mijn laptop. Om elf uur had ik vier pagina’s herschreven.
Het voelde bekend. Nuttig zijn. Snel zijn. Iemand teleurstelling besparen.
Die nacht sliep ik nauwelijks.
De volgende ochtend zei ik tegen Eva dat het goed ging. Daarna maakte ik een fout in een eenvoudige tekst en begon mijn hart te jagen.
Op het toilet hield ik mijn telefoon vast. Ik wilde Samira afzeggen. Ik wilde Bas vertellen dat ik migraine had. Ik wilde naar huis en verdwijnen uit alle groepsgesprekken.
Ik bleef tien minuten zitten.
Toen liep ik naar Bas.
‘Ik heb gisteravond gewerkt. Buiten de afspraken. En ik heb erover gelogen dat het goed ging.’
Hij schoof zijn scherm opzij.
‘Ga zitten.’
We spraken over de klant. Over bereikbaarheid. Over mijn neiging om een verzoek als een opdracht te horen. Bas stuurde een bericht dat vragen voorlopig via hem moesten lopen. Ik zette mijn werkmeldingen buiten werktijd uit.
Ik voelde me kinderachtig toen ik dat deed.
Bij Samira zei ik dat ik terug bij af was.
Ze vroeg wat ik de vorige keer had gedaan toen het slecht ging.
‘Maanden niets gezegd.’
‘En nu?’
‘Een ochtend.’
Ik keek naar mijn schoenen.
De terugslag duurde langer dan die ochtend. We pasten mijn opbouw aan. Ik sliep weer slechter en had minder energie. Het was geen verborgen succes. Het was vervelend en het had gevolgen.
Maar ik bleef naar afspraken gaan. Ik vertelde Marit wat er gebeurd was. En toen de klant me bedankte voor mijn avondwerk, antwoordde ik niet met: Geen moeite.
Ik schreef dat ik voorlopig niet buiten mijn afgesproken uren beschikbaar was.
Daarna legde ik mijn telefoon weg. Het bericht bleef verstuurd.
Hoofdstuk 7
Zonder glimlach
In februari, bijna een jaar na die verkeerde trein, zat ik met Fien in een stadsbus. We gingen niet naar een museum. We gingen pannenkoeken eten in het centrum van Utrecht. Eén afspraak. Geen middagprogramma erachteraan.
Fien was zeven geworden. Ze had een rode muts op met een losse draad waar ze steeds aan trok.
‘Mama zegt dat jij weer werkt,’ zei ze.
‘Een deel van de week.’
‘Waarom niet elke dag?’
‘Omdat ik nog niet zoveel kan als vroeger.’
Ze dacht na.
‘Mijn meester werkt op vrijdag ook niet.’
‘Misschien heeft hij het goed geregeld.’
Ze knikte alsof daarmee alles duidelijk was.
Bij de volgende halte stapte een grote groep in. De bus werd warm. Iemand stond met een rugzak tegen mijn schouder. Ik voelde de bekende spanning onder mijn ribben.
Fien wees naar buiten.
‘Zijn we er?’
Nog niet. Ik kon blijven zitten. Ik kon ook eerder uitstappen en een stukje lopen.
‘We stappen hier uit,’ zei ik.
Buiten mopperde ze dat het koud was.
‘Klopt,’ zei ik. ‘En ik had wat lucht nodig.’
Ik verzon geen reden over een mooiere route. We liepen langs het water. Na een paar minuten stopte ze haar hand in de mijne.
In het restaurant bestelde ze een pannenkoek met spek en stroop. Ik nam kaas. Halverwege schoof ze haar bord naar me toe.
‘Ik lust toch geen spek.’
‘Dan had je een interessante bestelling.’
Ze lachte zo hard dat de vrouw naast ons opkeek. Ik lachte mee. Daarna aten we stukken van elkaars pannenkoek.
Toen ik haar thuisbracht, vroeg Marit hoe het was gegaan.
‘Leuk. En ik ben moe.’
‘Wil je nog thee?’
‘Nee. Ik ga naar huis.’
Ze knikte. Geen teleurgesteld gezicht. Maar zelfs als dat er was geweest, had ik mogen vertrekken. Dat wist ik inmiddels. Ik moest het nog vaak oefenen.
Mijn leven was niet terug in de oude vorm. Ik werkte minder uren. Sommige taken waren naar collega’s gegaan en zouden daar blijven. Dat had me meer verdriet gedaan dan ik eerst wilde toegeven. Ik miste het gevoel dat iedereen mij nodig had.
Ik miste minder hoe laat ik daarvoor wakker lag.
Met Samira sprak ik nog om de paar weken. We bekeken wat hielp en wat me opnieuw uitputte. De medicijnen besprak ik met mijn huisarts. Ik veranderde daar niet zelf mee omdat ik een goede of slechte week had.
Mijn herstel paste niet in één woord. Er waren dagen waarop ik vergat mezelf te controleren. Dan kookte ik, werkte ik, stuurde ik een dom filmpje naar Daan. Er waren ook ochtenden waarop ik naar mijn kleren staarde en meteen bang werd voor alles wat eerder was gebeurd.
Op mijn koelkast hing een klein lijstje. Niet met doelen, maar met signalen. Slechter slapen. Maaltijden overslaan. Alle berichten laten liggen. Overal ja op zeggen. Als meerdere dingen terugkwamen, nam ik contact op. Niet pas als ik op de keukenvloer zat.
Bep kwam me die middag op de trap tegen.
‘Lekker dagje gehad?’
‘Ja. Nu even bijkomen.’
‘Dat doe ik ook van mijn kleinkinderen,’ zei ze.
Ze liep door met haar boodschappentas. Ik hoefde haar niet mijn hele geschiedenis te geven om iets waars te zeggen.
Boven trok ik mijn schoenen uit. De afwas stond er nog van het ontbijt. Twee borden en een mes. Geen bewijsstuk. Gewoon afwas.
Ik zette thee en ging bij het raam zitten.
Mijn telefoon lichtte op. Eva vroeg of ik de volgende ochtend iets eerder kon beginnen. Vroeger had ik direct ja getypt en daarna gerekend hoeveel slaap ik kon missen.
Nu keek ik eerst in mijn agenda. Ik had een afspraak bij de huisarts.
Dat lukt niet, schreef ik. Ik ben er op de afgesproken tijd.
Ze stuurde een duim terug.
Ik bleef nog even naar het scherm kijken. Mijn schouders stonden hoog. Langzaam liet ik ze zakken.
Buiten sloot de fietsenmaker zijn winkel. Een fietsbel rinkelde toen hij een rek naar binnen trok. Verderop riep iemand een naam.
Ik voelde me niet bijzonder gelukkig. Ook niet leeg. Ik was moe van een middag met Fien. Mijn thee was te heet. Er zat stroop op mijn mouw.
Morgen moest ik weer oefenen. Met werken. Met stoppen. Met vertellen hoe het werkelijk ging.
Ik hoefde daar nu niet op vooruit te lopen.
Toen Daan belde, nam ik op.
‘Hoe is het?’ vroeg hij.
Ik keek naar het donkere raam. Mijn gezicht stond rustig, zonder glimlach.
‘Vandaag best goed,’ zei ik. ‘Heb je even?’