Psychische gezondheid
Gevangen in mijn eigen gedachten
Dit boek gaat over psychische klachten. Zoek hulp als het onderwerp je raakt.
Hoofdstuk 1
De tegel op de vloer
De lijm op de muur begon al te drogen. Ik zag het aan de doffe glans van de grijze ribbels. Normaal gesproken werk ik snel. Ik strijk de specie uit met een kam van acht millimeter, pak een tegel uit de doos en druk hem vast met een kleine draai van mijn pols. Tik, tik met het rubberen hamertje. Waterpas erop. Volgende.
Maar nu zat ik op mijn knieën op de vloer van een nieuwbouwwoning in Colmschate. Ik had een witte marmerlook tegel in mijn handen van zestig bij zestig centimeter. Hij woog een kilo of zes, maar voor mijn gevoel woog hij vijftig kilo. Mijn armen trilden. Mijn adem zat hoog in mijn keel, ergens achter mijn adamsappel, als een harde prop papier die niet naar boven en niet naar beneden wilde.
Ik heet Dennis. Ik ben vierendertig jaar. Ik ben tegelzetter en badkamermonteur in Deventer. Al twaalf jaar doe ik dit werk. Ik heb duizenden meters wanden en vloeren betegeld. Ik ken elke soort ondergrond, elke voegmortel en elke kitnaad. Mijn klanten noemen me een vakman. Ze zeggen altijd dat ik zo rustig ben, zo netjes werk en nooit klaag. Maar die ochtend, op die koude cementdekvloer, voelde ik me geen vakman. Ik voelde me helemaal niks.
"Lukt het een beetje daar, Dennis?" riep de bewoonster vanaf de trap. Haar naam was Astrid. Ze was vriendelijk. Ze had om tien uur al koffie met een gevulde koek gebracht. Ik had de koek in een stuk keukenrol gewikkeld en in mijn gereedschapskist verstopt, omdat ik geen hap door mijn keel kreeg.
"Ja hoor!" riep ik terug. Mijn stem klonk schor en dun. "Gaat prima. Even een lastig hoekje uitmeten."
Het was een leugen. Een gore leugen. Er was geen lastig hoekje. Het was een kaal, recht stuk wand. Een kind kon de tegel daar plaatsen. Maar mijn hersenen gaven geen signaal meer aan mijn handen. In mijn hoofd gonsde het. Het was hetzelfde geluid als wanneer je te dicht bij een zware transformatorkast staat. Een eentonige, dreunende zoem die alle andere gedachten wegdrukte.
Je kan dit niet, zei de stem. Waarom ben je hier aan begonnen? Je bent traag. De lijm verbrandt. De hele muur mislukt door jou. Straks dondert alles naar beneden en zien ze wat voor een oplichter je bent.
Ik keek naar de grijze ribbels lijm. De bovenkant vormde al een vliesje. Als je daar nu nog een tegel op drukt, hecht hij niet goed. Over twee maanden klinkt hij hol. Over een jaar breekt de voeg. Ik wist dat donders goed. Het enige wat ik hoefde te doen, was mijn spatel pakken, de oude lijm wegschrapen en nieuwe lijm aanmaken. Tien minuten werk. Niks aan de hand.
In plaats daarvan legde ik de tegel neer. Mijn handen gleden van het keramiek af. Ik zette mijn handen plat op de grond en boog mijn hoofd tot mijn voorhoofd bijna de vloer raakte. Het stof van het zagen rook naar natte steen en kalk. De geur waar ik vroeger van hield. Nu maakte het me misselijk.
Ik kon niet meer opstaan. Het was alsof iemand een zak zand van tachtig kilo op mijn nek had gelegd. Mijn rugspieren waren strak gespannen kabels. Ik dacht aan mijn bus buiten voor de deur. De witte Peugeot Boxer met mijn eigen naam op de zijkant: *Dennis Brouwer – Tegelwerken*. Wat stelde die naam nog voor? Niks. Een huls. Een leeg bord langs de weg.
Sinds Sanne een half jaar geleden haar spullen had gepakt, was die huls langzaam leeggelopen. In het begin dacht ik dat het wel overwaaide. Je werkt gewoon door, hield ik mezelf voor. Niet zeuren. Gewoon zes dagen per week beulen tot je knieën pijn doen, 's avonds een magnetronmaaltijd naar binnen schuiven en voor de televisie in slaap vallen. Dat werkte. Een paar weken. Maar daarna kroop het binnen. Eerst als een lichte mist. Daarna als dikke, zwarte teer.
"Dennis? Wil je nog een kopje thee?" Astrid stond ineens in de opening van de badkamer.
Ik schoot overeind. Mijn knieën kraakten. Ik pakte vliegensvlug een spons en deed alsof ik de rand van de vloer aan het schoonmaken was. Mijn hart bonkte zo hard in mijn keel dat ik bang was dat ze het kon zien onder mijn T-shirt.
"Nee, dank je," zei ik, zonder haar aan te kijken. Ik keek strak naar de voeg tussen twee vloertegels. "Ik moet… ik ben een speciaal profiel vergeten. Uit de bus. Ik moet even naar de groothandel in Deventer om het op te halen."
Ze keek naar de muur met de half opgedroogde lijm. Ze zag de rimpels in de specie. Ik zag haar ogen even stilstaan bij de tegel die scheef op de grond lag. Ze zei niks lulligs. Ze knikte alleen maar vriendelijk. "Oh, is goed hoor. We zijn vanmiddag gewoon thuis."
"Ben zo terug," mompelde ik.
Ik liep naar beneden. Mijn stappen voelden zwaar, alsof ik lood in de zolen van mijn werkschoenen had. Buiten scheen de zon fel over de vinexwijk. Moeders fietsten met kinderen voorop. Een postbode reed door de straat. Alles ging gewoon door. Niemand had last van een transformator in zijn hoofd.
Ik stapte in mijn bus. Ik trok de deur dicht met een harde klap. De stilte in de cabine viel als een natte deken over me heen. Ik startte de dieselmotor niet. Ik klemde mijn vingers om het stuur tot mijn knokkels wit zagen. Mijn hele lijf begon te schudden. Korte, schokkende snikken die ik niet tegen kon houden. Geen tranen, alleen maar een droge, schokkende kramp in mijn borstkas.
Ik reed niet naar de groothandel. Ik draaide de sleutel om, schakelde in zijn achteruit en reed weg uit de wijk. Ik liet mijn gereedschap achter. Mijn dure zaagmachine, mijn laser, mijn vakkennis. Ik liet het allemaal liggen in het huis van een vreemde vrouw, omdat ik niet eens meer wist hoe ik een stuk steen tegen een muur moest plakken.
Hoofdstuk 2
Het gewicht van de ochtend
Mijn flat ligt op de derde verdieping van een galerijflat aan de rand van Deventer, vlak bij het spoor. Het is zo'n gebouw uit de jaren zeventig. Grijze betonplaten, een tochtige gang en een lift die altijd ruikt naar natte honden en schrale schoonmaakmiddelen. Toen Sanne er nog woonde, stonden er planten op de vensterbank en hing er een geel gordijn in de keuken. Nu stonden er alleen nog lege koffiemokken en een verdorde varen die zijn bruine naalden over het linoleum had laten vallen.
De dagen na het incident in Colmschate smolten samen tot één lange, trage brij. Ik zette mijn telefoon op stil en legde hem onder een stapel oude kranten in de gang. Iedere keer als het scherm oplichtte, voelde ik een steek in mijn maag. Klanten. Mijn broer Mark. Mensen die iets van me wilden. Mensen die dachten dat ik nog meedeed aan het leven.
Opstaan was het zwaarste gevecht van de dag. Het begon meestal rond half zes, als de eerste goederentrein over het spoor denderde. Het lage gedreun liet de ruiten van mijn slaapkamer trillen. Ik werd wakker met een gevoel alsof iemand me 's nachts met een knuppel had bewerkt. Pijn in mijn schouders, een stijve nek en een leegte in mijn borst die bijna tastbaar was. Alsof er een koude, tochtige grot zat waar ooit mijn longen en mijn hart zaten.
Blijf maar liggen, fluisterde de stem in mijn hoofd. Wat ga je doen dan? Er is niks voor jou vandaag. Iedereen weet inmiddels toch wel wat voor prutser je bent.
Ik keek naar het plafond. Er zat een scheurtje in het stucwerk dat leek op de omtrek van Frankrijk. Urenlang kon ik daarnaar kijken. Ik telde de seconden tussen de treinen door. Soms dwong ik mezelf om mijn voeten over de rand van het bed te zwaaien. Mijn blote voeten op het koude laminaat. Alleen al die beweging kostte net zoveel energie als vroeger het sjouwen van dertig zakken zand van vijfentwintig kilo.
Als ik eenmaal rechtop zat, begon het staren. Ik staarde naar mijn werkkleding die over de stoel hing. De donkerblauwe broek met de versleten kniestukken, wit uitgeslagen van de tegellijm en het voegsel. Die broek leek van een ander persoon te zijn. Een man die ik ooit had gekend, maar die allang dood was. Die man wist wat hij deed. Die man loste problemen op. Als een leiding lekte, zette hij er een nieuwe knelfitting op. Als een muur scheef was, raapte hij hem uit met specie. Hij twijfelde niet. Hij handelde.
Ik schoof naar de badkamer. Ik vermeed de spiegel boven de wastafel. Ik kende het beeld inmiddels wel. Een bleek gezicht, stoppels van tien dagen, donkere kringen onder ogen die dof en waterig stonden. Ik zag eruit als een zwerver in mijn eigen huis.
In de keuken pakte ik een glas kraanwater. De afwasbak stond vol. Borden met opgedroogde pastasaus, kommen met een harde laag havermout van vier dagen geleden. Een klein legertje fruitvliegjes vloog op toen ik de kraan opendraaide. Het kon me niet schelen. Ik dronk het water in één teug leeg en voelde hoe het koude vocht in mijn lege maag plofte.
Op de keukentafel lag de post. Witte enveloppen met blauwe randen. Aanmaningen van de leverancier van bouwmaterialen. Een brief van de belastingdienst. Een herinnering van de zorgverzekering. Ik had al twee maanden geen administratie meer gedaan. De map met facturen lag onder een laag stof op het bureau in de kleine slaapkamer. Ik wist dat er nog rekeningen openstonden die ik direct kon betalen als ik de facturen van vorige klussen zou versturen. Maar het openen van die laptop voelde als een sprong van een flatgebouw.
Wat maakte het ook uit? Het geld raakte op. Mijn spaarrekening, die ik samen met Sanne had opgebouwd voor een eigen huis met een tuin, was langzaam leeggelopen. Elke pintransactie bij de supermarkt was een gok. Haal ik het nog? Zegt het apparaat straks *ongekeurd*?
Ik ging op de bank zitten. De televisie stond uit, maar ik keek naar het zwarte scherm. In de weerspiegeling zag ik mijn eigen silhouet. Een vormeloze klont in een grijze joggingbroek.
Je bent lui, zei de stem. Gewoon ontzettend lui. Iedereen werkt. Iedereen heeft het wel eens moeilijk. Je ouders hebben vroeger toch ook gewoon doorgewerkt toen het crisis was? Je vader stond met veertig graden koorts nog op de steiger. En jij zit hier te janken om niks. Je bent een slapjanus.
Ik probeerde tegen de stem in te gaan. *Ik ben niet lui*, dacht ik. *Ik ben moe. Gewoon heel erg moe.* Maar de stem won altijd. De stem had betere argumenten. De stem had het bewijs: de volle afwasbak, de gesloten gordijnen, de ongeopende brieven en de achtergelaten gereedschappen in Colmschate.
Ik pakte een deken van de leuning en trok hem over mijn schouders. Het was half twee 's middags. Buiten klonk het gedempte geraas van het verkeer op de Zutphenseweg. Gewone mensen die van hun werk naar huis reden. Boodschappen deden. Plannen maakten voor het weekend. Ik sloot mijn ogen en wenste met alles wat ik in me had dat ik simpelweg kon oplossen. Niet doodgaan met een hoop gedoe en bloed, maar gewoon zachtjes verdwijnen uit de wereld, alsof ik er nooit was geweest.
Hoofdstuk 3
Een leeg feestje
Zaterdagavond. De verjaardag van mijn broer Mark. Hij werd zesendertig en vierde het in zijn rijtjeshuis in Zwolle. Ik had drie dagen lang redenen bedacht om niet te gaan. Een lekke band. Een buikgriep. Een spoedklus in Apeldoorn. Maar Mark was mijn enige broer. Hij had me al vier keer geappt in de afgelopen week. Als ik niet opdaagde, zou hij aan de deur komen. Dat was het laatste wat ik wilde: Mark in mijn flat, tussen de fruitvliegjes en de ongeopende rekeningen.
Ik douchte me voor het eerst in vijf dagen. Ik schrobde mijn huid rood met een harde borstel, alsof ik het vuil en de schaamte van de afgelopen weken weg kon boenen. Ik schoor mijn baard af, sneed me twee keer aan mijn kin en plakte er stukjes wc-papier op tot het bloeden stopte. Ik trok een schone spijkerbroek aan en een donkerblauw overhemd. In de gang spoot ik een wolk aftershave over me heen. Een dikke laag geur om de stank van mijn isolement te maskeren.
De rit naar Zwolle was een beproeving. Op de A28 voelde het alsof de vangrails op me afkwamen. Mijn handen klam om het stuur. Ik zette de radio hard aan – een zender met foute popmuziek – om maar niet te hoeven nadenken. Ik zong mee met liedjes die ik haatte, alleen maar om geluid te maken in de cabine van de bus.
Toen ik de straat van Mark inreed, stond het al vol met auto's. Keurige stationwagens. Kinderzitjes op de achterbank. Fietsjes op de stoep. De warmte en het licht sloegen me vanuit het raam tegemoet toen ik aanbelde. De voordeur zwaaide open.
"Dennis! Kijk eens aan, de grote aannemer heeft tijd gevonden!" Mark gaf me een stevige klap op mijn schouder en trok me in een korte omhelzing. Hij rook naar bier en vlees van de barbecue. Hij straalde. Hij had net een promotie gehad bij het logistieke bedrijf waar hij werkte.
"Gefeliciteerd man," zei ik. Ik perste er een grijns uit. Een grijns die ik in de spiegel had geoefend. Hoeken van mijn mond omhoog, ogen een beetje samenknijpen. Zie je wel? Niks aan de hand.
"Kom door, kom door. Sanne is er niet bij?" vroeg hij terloops, terwijl hij me meesleurde naar de woonkamer.
De vraag was als een vuistslag in mijn maag, maar ik hield mijn glimlach vast. "Nee, die moest… die had wat anders."
Mark keek me even aan, een fractie van een seconde te lang. Hij wist dat het uit was, maar we hadden er nooit echt over gepraat. Mannen in onze familie praten niet over relaties die stranden. We praten over voetbal, over auto's en over verbouwingen.
De woonkamer zat vol. Mijn schoonzus Brenda, wat neven, vrienden van de voetbalclub van Mark. Een kring van verjaardagsstoelen, een salontafel vol bakjes met paprikachips, pinda's en blokjes jonge kaas met een stukje augurk erop geprikt.
"Hee Dennis!" riep oom Gerard vanuit de hoek. "Hoe is het met de handel? Nog genoeg tegelwerk? Ze zeggen dat de bouw stilvalt door die stikstofonzin!"
Ik pakte een flesje bier uit het krat in de gang en liep naar de kring. "Nou, Gerard, bij mij loopt het wel door hoor," hoorde ik mezelf zeggen. Mijn stem klonk vreemd, alsof iemand anders via een luidspreker in mijn keel sprak. "Mensen willen toch douchen, hè? Crisis of geen crisis."
Er werd gelachen. Oom Gerard knikte goedkeurend. "Zo is dat. Handen uit de mouwen. Geen gezeik."
Ik ging op een krukje bij de verwarming zitten. Ik nam een flinke slok bier. De alcohol brandde koud in mijn keel, maar deed niks om de knoop in mijn borst los te maken. Ik keek rond in de kamer. Mensen praatten door elkaar heen. Verhalen over hypotheekrentes, vakanties naar Spanje, het nieuwe kunstgrasveld bij de club. Het was een taal die ik vloeiend had moeten spreken, maar elk woord klonk nu als ruis.
Ik zat er wel, maar ik was er niet. Ik was een toeschouwer die door dik, vuil glas naar een vrolijk tafereel keek. Als ik nu plotseling opstond en zou schreeuwen dat ik al twee weken niet fatsoenlijk had geslapen, dat ik een badkamer half afgemaakt had achtergelaten en dat ik bang was om de brievenbus te legen, wat zouden ze dan doen? Ze zouden stilvallen. Ze zouden me aankijken met die afkeurende, ongemakkelijke blik. *Wat een aansteller. Verman je toch eens.*
"Dennis? Gaat het wel goed met je?"
Brenda stond ineens naast me met een schaal met mini-saucijzenbroodjes. Haar blik was zacht, te zacht. Vrouwen zien dat soort dingen sneller dan mannen.
"Ja hoor, prima," zei ik te snel. "Gewoon druk. Veel meters gemaakt deze week. Zwaar betonwerk in Apeldoorn."
"Je bent zo mager geworden," zei ze zachtjes. Ze hield de schaal niet eens naar voren. Ze keek naar mijn wangen. "Eet je wel een beetje?"
"Ik leef op koffie en biefstuk," loog ik. Ik lachte erbij, maar het klonk hol. "Je kent me toch."
Ze knikte langzaam, maar haar ogen lieten me niet los. Ik voelde het zweet uitbreken onder mijn overhemd. Het begon tussen mijn schouderbladen en liep in een koud straaltje langs mijn ruggengraat. De muren van de woonkamer leken naar binnen te schuiven. De stemmen werden harder, scherper. Het gerinkel van glazen sneed in mijn oren.
Ik zette mijn flesje bier op de vensterbank. Het was nog halfvol.
"Ik moet er vandoor," zei ik tegen Mark, die net een nieuwe schaal bitterballen binnenbracht.
"Nu al? Je bent er net een uur, man! Blijf nog even hangen, we gaan zo pokeren."
"Kan niet," zei ik. Ik keek hem niet aan. Ik keek naar zijn kraag. "Morgenochtend vroeg een klus. Spoedklus. Watersnood bij een tandartspraktijk in Zwolle-Zuid."
Mark liet zijn armen zakken. De vrolijkheid verdween uit zijn gezicht. "Dennis. Er is wat, hè?"
"Nee man. Werk is werk. Ik bel je van de week."
Ik draaide me om voor hij iets terug kon zeggen. Ik liep de gang in, trok mijn jas van de kapstok en stapte naar buiten de kille herfstavond in. Pas toen ik het portier van de bus achter me dichtsloeg en het slot erop klikte, kon ik weer ademhalen. Maar de opluchting duurde precies tien seconden. Daarna kwam de schaamte. Ik kon niet eens meer een uur tussen mijn eigen familie zitten zonder te vluchten als een laffe hond.
Hoofdstuk 4
Het zwarte gat in de bus
Ik reed niet terug naar Deventer. Ik kon het niet. Het idee om die donkere galerij op te lopen, de sleutel in het slot te steken en weer die muffe lucht van stilstaand stof in te ademen, maakte me fysiek misselijk.
In plaats daarvan reed ik over de provinciale weg langs de IJssel. Het was aardedonker. Aan de linkerkant stroomde het water, onzichtbaar maar voelbaar als een gapend gat in het landschap. De koplampen van de bus sneden door flarden grondmist die over de uiterwaarden dreven.
Ergens tussen Wijhe en Olst stuurde ik de bus een smal zijweggetje in. Een doodlopend pad van gebroken asfalt dat leidde naar een verlaten parkeerplaats bij een oude steenfabriek. Vroeger, toen we een jaar of achttien waren, kwamen we hier met brommers om bier te drinken en banden op te roken. Nu stond er geen hond. Alleen een roestige container en een paar kale wilgen die door de wind heen en weer werden gezwiept.
Ik zette de motor af. De lichten gingen uit. Het werd pikkedonker.
Het enige licht kwam van het dashboardklokje: 23:42. Buiten tikte de regen zachtjes tegen de voorruit. Eerst een paar losse druppels, daarna een gestage, kille stroom. De ventilator van de motor gaf nog een laatste zucht en zweeg toen helemaal.
Daar zat ik dan. Dennis Brouwer. Eigenaar van een bus vol onbetaald gereedschap, een rekening vol schulden en een hoofd dat voelde alsof het volgepropt zat met natte as.
Ik haalde mijn telefoon tevoorschijn. Het scherm verblindde me even. Er stonden acht gemiste oproepen op. Drie van Astrid uit Colmschate. Twee van een onbekend nummer – waarschijnlijk een andere klant die wilde weten waar ik bleef. Eén van Mark, gestuurd om kwart over elf: *Ben je veilig thuis? Bel me even.*
Ik reageerde niet. Ik drukte het scherm uit en smeet het toestel op de bijrijdersstoel. Het stuiterde op het plastic en gleed tussen de stoel en de handrem in de diepte. Laat maar liggen. Laat het maar wegrotten.
Dit was het dan. De bodem van de put. Mensen zeggen wel eens: 'Als je de bodem raakt, kun je alleen nog maar omhoog.' Wat een stompzinnige lulkoek. Als je de bodem raakt, lig je gewoon in de modder. Het is koud op de bodem. Er is geen ladder. Er is geen licht. Er is alleen maar het besef dat je er helemaal alleen ligt en dat niemand je kan horen, hoe hard je ook zou schreeuwen.
En ik schreeuwde niet eens. Ik had de kracht niet meer om boos te zijn. De boosheid was al weken geleden weggeëbd. Wat overbleef was een totale, verlammende leegte. Een gevoel dat de wereld een grote machine was met miljoenen tandwielen die perfect in elkaar grepen, en dat ik het enige tandwiel was waarvan de tanden waren afgebroken. Ik draaide doelloos rond, zonder grip, en hield alleen maar de boel op.
Als ik nu niet meer terugkwam, wat dan? Sanne had haar eigen leven alweer opgepakt; ik had via via gehoord dat ze weer aan het daten was. Mark had zijn gezin, zijn promotie, zijn eigen sores. Mijn klanten zouden even vloeken, een andere tegelzetter bellen en na een maand was iedereen vergeten dat Dennis Brouwer ooit had bestaan.
Het leek zo eenvoudig. Zo angstaanjagend logisch. De mist buiten over de IJssel leek bijna uitnodigend. Het water stroomde traag en zwaar naar het noorden. Eén stap. Geen gedachten meer. Geen zoemend geluid in mijn hoofd. Geen schaamte over mislukte klussen, geen rekeningen meer die ik niet kon betalen. Gewoon rust. Absolute, zwarte rust.
Ik deed het portier open. De koude wind sloeg direct in mijn gezicht. Het rook naar rottend riet en rivierklei. Ik zette een voet op het natte gras. Mijn knieën voelden slap, alsof ze van elastiek waren gemaakt.
Ik liep naar de rand van het talud. De rivier lag zo'n twintig meter lager. Ik zag het schijnsel van een binnenschip dat langzaam stroomopwaarts voer. Twee kleine lichtjes, rood en groen, die door het donker kropen. De motor van het schip maakte een diep, regelmatig geluid: *plof… plof… plof… plof.* Het klonk als een hartslag.
Ik bleef staan. De regen liep over mijn wangen, door mijn kraag, langs mijn borstbeen. Ik was doorweekt binnen twee minuten. Mijn handen waren ijspegels.
Ik keek naar die lampjes op het water. De schipper zat daar warm achter zijn stuurwiel. Die man had een bestemming. Rotterdam. Duisburg. Ergens waar lading gelost moest worden. En ik stond hier in een verlaten weiland in de modder weg te zakken als een stuk afval.
Ineens begon ik onbedaarlijk te beven. Niet van de kou, maar van pure, dierlijke angst. Ik wilde niet dood. Dat was het gruwelijke besef dat als een mes door de mist in mijn hoofd sneed. Ik wilde helemaal niet dood. Ik wilde alleen maar dat deze pijn ophield. Ik wilde dat die verdomde stem in mijn kop zijn bek hield. Ik wilde weer een tegel vast kunnen houden zonder te trillen. Ik wilde gewoon weer normaal kunnen ademhalen.
Ik strompelde achteruit, weg van het talud. Mijn schoen gleed weg in de modder en ik viel op mijn zij in het natte gras. Het kon me niet schelen. Ik krabbelde op handen en voeten overeind en strompelde terug naar de bus.
Ik dook naar binnen, smeet de deur dicht en draaide de vergrendeling om. Ik zocht op de tast tussen de stoelen tot mijn vingers het koude glas van mijn telefoon vonden. Mijn vingers waren zo stijf van de kou dat ik nauwelijks over het scherm kon vegen.
Ik toetste het nummer in van Mark. Het was half twee 's nachts.
De telefoon ging over. Eén keer. Twee keer. Drie keer.
"Dennis?" De stem van Mark klonk slaperig, maar meteen alert. "Waar ben je? Wat is er?"
Ik probeerde een woord te vormen, maar er kwam alleen een gebroken gorgelgeluid uit mijn keel. Ik beet op mijn knokkels om mezelf te dwingen niet in te storten.
"Mark," bracht ik eruit. Het was nauwelijks een fluistering. "Het gaat niet meer. Ik kan het niet meer alleen."
Hoofdstuk 5
Het telefoontje
Mark was er binnen twintig minuten. Hij had niet eens gevraagd wat er was aan de telefoon; hij had alleen gevraagd waar ik stond. Toen zijn koplampen over de struiken van het verlaten fabrieksterrein zwaaiden, zat ik nog precies zoals ik had gezeten: ineengedoken op de bestuurdersstoel, met mijn natte kleren klam tegen mijn lijf geplakt.
Hij stapte uit zijn auto, liet zijn eigen motor draaien en trok het portier van mijn bus open. Hij keek naar me. Mijn bemodderde broek, mijn trillende handen, mijn gezicht dat strak stond van de paniek. Hij zei geen woord. Hij pakte me bij mijn arm, trok me overeind en duwde me op de passagiersstoel van zijn eigen auto. Hij zette de verwarming op de hoogste stand. De warme lucht blies met een dof geruis tegen mijn benen.
"Morgen halen we je bus wel op," zei hij kort. Hij reed weg zonder vragen te stellen.
Die nacht sliep ik op de bank in zijn werkkamer in Zwolle. Brenda had een dikke wollen deken over me heen gelegd en een kop hete thee met suiker op het tafeltje gezet. Ik had geen slok genomen. Ik had alleen maar geluisterd naar de geluiden in het huis. Het tikken van de centrale verwarming. Het kraken van een vloerplank boven me. Het besef dat iemand anders nu de leiding had genomen, voelde tegelijkertijd vernederend en als een gigantische bevrijding. Ik hoefde even niks meer hoog te houden. Het bouwwerk was al ingestort.
De volgende ochtend was het maandag. Om acht uur kwam Mark de kamer binnen. Hij had twee koppen koffie in zijn handen. Hij zette er eentje voor mijn neus neer en ging op de bureaustoel tegenover de bank zitten.
"We gaan de dokter bellen, Dennis," zei hij. Geen vraag. Een mededeling. Zijn stem was rustig, maar hij week niet.
"Nee," mompelde ik. Ik trok de deken strakker om me heen. "Dat hoeft niet. Ik moet gewoon even bijslapen. Even een paar dagen rustig aan doen, dan trek ik wel weer bij."
"Je trekt helemaal niet bij," zei Mark hard. "Kijk eens naar jezelf, man. Je weegt nog maar zestig kilo. Je ogen liggen achterin je schedel. Je stond gisteravond bij de IJssel in de zeikende regen. Als ik je nu laat gaan, vind ik je volgende week in een kist. En dat laat ik niet gebeuren. Begrepen?"
Het woord *kist* bleef tussen ons in hangen. Het was koud en zwaar. Ik keek naar de vloerbedekking. Ik kon niks inbrengen. Hij had gelijk. Als ik nu naar mijn eigen flat terugging, zou ik weer op die bank gaan zitten, staren naar de muur en wachten tot het definitief donker werd.
"Ik weet niet wat ik moet zeggen tegen zo'n vent," zei ik schor.
"Dat hoef je ook niet te weten. Ik ga met je mee."
Om negen uur zaten we in de wachtkamer van de huisartsenpraktijk in Deventer. Mijn eigen praktijk, waar ik in tien jaar tijd hooguit twee keer was geweest: een keer voor een tetanusspuit nadat ik in een roestige spijker had gestaan, en een keer voor een doorgesneden pees in mijn duim. De wachtkamer rook naar papier en desinfectiemiddel. Aan de muur hing een poster over darmkanker en een bak met folders over stoppen met roken.
Er zat een oudere vrouw met een rollator en een moeder met een peuter die met houten blokken speelde. *Klak. Klak. Klak.* Het geluid van de blokken deed pijn aan mijn ogen. Ik hield mijn blik strak op de linoleumvloer gericht. Ik voelde me een idioot. Een gezonde vent van vierendertig tussen de bejaarden en de zieke kinderen. Er was niks mis met mijn lijf. Mijn longen werkten, mijn hart klopte, mijn spieren deden het. En toch voelde ik me zieker dan wie dan ook in die ruimte.
"Meneer Brouwer?"
Dokter Van Dijk stond in de deuropening. Een man van een jaar of vijftig met grijs haar en een bril zonder montuur. Hij keek vriendelijk, maar zakelijk. Mark stond als eerste op en gaf me een klein zetje tegen mijn schouder.
We liepen de spreekkamer in. Twee stoelen voor het bureau. Een onderzoekstafel met een rol papier erop. De computer piepte zachtjes.
"Dennis," zei de dokter terwijl hij ging zitten en naar zijn scherm keek. "Lang niet gezien. Zeker vier jaar geleden. Wat kan ik voor je doen?"
Ik deed mijn mond open, maar er kwam geen geluid. De prop in mijn keel was er weer. Mijn handen begonnen direct te trillen op mijn knieën. Ik kneep mijn vingers in de stof van mijn spijkerbroek.
Mark nam het woord. "Het gaat helemaal mis, dokter. Dennis slaapt niet meer. Hij eet nauwelijks. Hij kan zijn werk niet meer doen en gisteravond trof ik hem midden in de nacht aan langs de rivier. Hij stort helemaal in."
De dokter keek niet naar Mark, maar naar mij. Zijn blik was niet geschokt. Hij leek dit verhaal eerder te hebben gehoord. Hij leunde achterover in zijn bureaustoel en schoof zijn toetsenbord een klein stukje opzij.
"Klopt dat, Dennis?" vroeg hij rustig.
Ik slikte. Ik keek naar het raam achter hem. Buiten reed een stadsbus voorbij. Gewone mensen. Gewoon leven.
"Ik zit klem," zei ik. Mijn stem brak bij het tweede woord. De tranen die ik dagenlang had tegengehouden, brandden plotseling achter mijn ogen. Niet een paar druppels, maar een hete golf die over mijn wangen stroomde. Ik schaamde me kapot. Ik sloeg mijn handen voor mijn gezicht en huilde met schokkende halen, voor het eerst sinds ik een jongen van tien was. "Ik zit helemaal klem in mijn eigen kop. Ik kan er niet meer uit."
Dokter Van Dijk zei een hele tijd niks. Hij schoof alleen een doos met tissues naar mijn kant van het bureau. Pas toen het snikken wat rustiger werd, pakte hij zijn pen.
"Het is goed dat je er bent, Dennis," zei hij kalm. "Je bent niet gek, en je bent niet lui. Je bent overbelast en waarschijnlijk zwaar depressief. En daar gaan we wat aan doen. Maar je moet het wel toelaten."
Hoofdstuk 6
Praten over gruis
De eerste afspraak bij Karin, de praktijkondersteuner GGZ, was drie dagen later. Ze had een klein kantoortje op de eerste verdieping van de praktijk, met uitzicht op een fietsenstalling. Twee gemakkelijke fauteuils met beige stof, een ronde salontafel met een doos tissues en een schilderij van een mistig bos aan de muur.
Karin was een vrouw van begin veertig met kort, donkerrood haar en een wollen vest. Ze zag er niet uit als een psychiater uit een film. Ze had geen notitieblok waarin ze stiekem vinkjes zette. Ze zat gewoon tegenover me met een beker kantoorkoffie.
"Waar wil je beginnen?" vroeg ze bij ons eerste gesprek.
"Ik weet het niet," zei ik eerlijk. Ik zat op het puntje van de fauteuil, met mijn werkschoenen strak naast elkaar op het tapijt. Ik voelde me ongemakkelijk. Praten over gevoelens was iets voor televisieprogramma's, niet voor jongens die hun geld verdienden met het zagen van tegels en het sjouwen van gipsplaten.
"Begin maar bij de tegel," zei ze. Dokter Van Dijk had haar blijkbaar een korte samenvatting gegeven.
En dus begon ik over de badkamer in Colmschate. Over de specie die opdroogde. Over het gewicht van die ene marmerlook tegel. Het voelde stom om het te vertellen. Terwijl ik praatte, hoorde ik hoe belachelijk het klonk: een volwassen vent die in paniek raakt van een stuk keramiek.
"En wat dacht je op dat moment over jezelf?" vroeg ze.
"Dat ik een prutser ben," zei ik zonder aarzelen. "Dat ik mijn vak niet versta. Dat ik een bedrieger ben en dat iedereen het nu eindelijk doorheeft."
Karin knikte langzaam. Ze nam een slok koffie. "Is dat waar?"
"Wat?"
"Ben je een prutser?"
"Nou… nee," gaf ik met tegenzin toe. "Normaal gesproken niet. Ik heb goede recensies. Mijn werk zit strak in de voeg. Mensen wachten soms vier maanden tot ik tijd heb."
"Dus je wéét dat je een vakman bent. Maar op dat moment voelde je je een oplichter. Waar komt die stem vandaan, Dennis?"
Die vraag bleef de weken daarna door mijn hoofd spoken. Karin gaf me geen simpele antwoorden en ze strooide niet met goedkope tegeltjeswijsheden. We ontleedden de boel, alsof we een oude, verrotte badkamer tot op het kale beton aan het afbikken waren.
Ik ontdekte dingen die ik liever niet wilde zien. Dat ik al vijftien jaar lang dacht dat ik alleen maar bestaansrecht had als ik nuttig was. Als ik werkte. Als ik mensen hielp. Mijn vader was net zo geweest: altijd op de steiger, altijd klussen bij buren, nooit zeuren over pijn. Als je stilstond, was je waardeloos. Dat had ik als kind geleerd zonder dat iemand het ooit hardop had gezegd.
Toen Sanne wegging, was de eerste steunbalk weggezaagd. Ik had het gat dichtgegooid met nog harder werken. Zestig uur per week. Zeventig uur. Tot mijn lichaam simpelweg de stekker eruit trok. De depressie was geen plotselinge blikseminslag geweest; het was een langzame verzakking van het fundament.
"Je zelfbeeld is gebouwd op drijfzand," zei Karin tijdens de vierde sessie. Ze tekende een piramide op een wit vel papier. "Bovenaan staat 'Dennis de goede tegelzetter'. Maar wat staat er onderaan? Wie is Dennis als hij geen spaan vasthoudt?"
Ik keek naar de tekening. Er stond niks onderaan. Alleen een leeg vak.
"Niemand," zei ik zacht.
"Precies. En daarom raak je in paniek als het werk even niet lukt. Want als Dennis de tegelzetter faalt, blijft er helemaal niks van je over. Dan ben je vogelvrij."
Het was pijnlijk om te horen, maar het klopte zó precies dat het me de adem benam. We spraken af dat ik voorlopig niet fulltime aan de slag ging. Dokter Van Dijk had me tijdelijk arbeidsongeschikt verklaard via een regeling voor zelfstandigen. Mark hielp me met de achterstallige post. Samen hadden we op een zaterdagmiddag alle enveloppen opengemaakt. We hadden de belastingdienst gebeld, een betalingsregeling getroffen voor het materiaal en Astrid in Colmschate opgebeld.
Dat telefoontje naar Astrid was het engste wat ik ooit had gedaan. Ik had verwacht dat ze woedend zou zijn. Dat ze zou dreigen met een advocaat.
"Dennis," had ze gezegd toen ik haar vertelde dat ik ziek was geworden en niet meer terug kon komen om de klus af te maken. "Ik zag het toch aan je die ochtend? Je was lijkbleek. Maak je over die badkamer geen zorgen, mijn zwager heeft het afgemaakt. Zorg maar eerst dat je zelf weer op de rit komt."
Toen ik ophing, had ik een kwartier lang op de rand van mijn bed gezeten. Geen schreeuwende ruzie. Geen rechtszaak. De wereld verging helemaal niet omdat ik een fout had gemaakt. De enige die me wilde veroordelen tot levenslang, was de man in mijn eigen spiegel.
Het gruis begon langzaam weg te zakken. Niet snel. Het was millimeterwerk. Soms had ik een dinsdag waarop ik weer de hele dag onder de dekens lag en dacht dat alle therapie flauwekul was. Maar op woensdag dwong ik mezelf dan weer naar buiten. Een rondje om de IJssel. Vijf kilometer wandelen in stevig tempo. Kijken naar de boten. Ademen. Eén stap tegelijk.
Hoofdstuk 7
De voeg die blijft zitten
Het is nu acht maanden na die nacht bij de steenfabriek. Het is mei. De bomen langs de Singel in Deventer staan vol in het blad en de terrassen op de Brink zitten vol met mensen die zonnebrillen dragen en koude drankjes drinken.
Ik zit op mijn knieën in een kleine keuken in Diepenveen. Een renovatie van een oud herenhuis. Ik ben bezig met een achterwand van wit geglazuurde metrotegels. Tik, tik met het rubberen hamertje. Waterpas erop. Het luchtbelletje staat keurig tussen de twee zwarte lijntjes.
Ik werk weer. Drie dagen per week, niet meer dan zes uur per dag. De andere dagen gebruik ik om bij te komen, mijn administratie direct bij te werken en naar de sportschool te gaan. Ik heb geleerd dat een lege agenda soms belangrijker is dan een volle bankrekening.
Ben ik beter? Genezen? Nee. Zo werkt het niet, heb ik ontdekt. Psychische ellende is niet zoals een gebroken been dat na zes weken gips weer precies zo sterk is als daarvoor. Het lijkt meer op een barst in een tegel. Als je er met de juiste hars in gaat en het netjes polijst, kun je de vloer gewoon weer gebruiken. Je kunt eroverheen lopen, je kunt er een zware kast op zetten. Maar als je goed kijkt, in het juiste licht, zie je de lijn nog steeds lopen. De barst verdwijnt nooit helemaal.
Er zijn nog steeds ochtenden dat ik wakker word en de zwaarte in mijn borst voel trekken. De stem is ook niet dood. Hij is alleen wat ouder en heser geworden. Soms, als ik een zaagsnede verkeerd afteken of als een klant een opmerking maakt over de prijs, hoor ik hem weer op de achtergrond morrelen: *Zie je wel? Prutser.*
Maar ik luister er niet meer naar alsof het het evangelie is. Ik hoor het aan, zoals je luistert naar een dronken buurman die over de schutting staat te schreeuwen. Je haalt je schouders op en je gaat weer verder met waar je mee bezig was.
Ik pak een voegspaan en een bakje antracietkleurige voegmortel. De pasta ruikt naar nat zand en polymeer. Ik strijk de specie diagonaal over de metrotegels, zodat de ruimtes tussen de stenen helemaal vol lopen. Het overtollige materiaal schraap ik weg met een soepele beweging van mijn pols.
Vroeger dacht ik altijd dat een voeg diende om de muur waterdicht te maken. Dat is maar het halve verhaal. De echte functie van een voeg is om de werking van het gebouw op te vangen. Huizen bewegen. Muren zetten uit als het warm wordt en krimpen als het koud is. Als je tegels koud tegen elkaar aan zou plakken, zonder tussenruimte, zouden ze binnen een jaar allemaal kapot springen door de spanning. De voeg geeft mee. De voeg vangt de klappen op.
Ik had dertig jaar lang geprobeerd te leven zonder voegen. Ik had geprobeerd een keiharde, naadloze wand te zijn waar niks doorheen kon dringen. Geen zwakte, geen verdriet, geen twijfel. En toen het fundament begon te schudden, was ik gewoon in stukken gebarsten.
"Koffie, Dennis?"
De bewoner, een jonge kerel met een bril en een schildersbroek aan, steekt zijn hoofd om de keukendeur. Hij houdt een mok omhoog.
"Graag," zeg ik. Ik leg de spaan neer en ga op mijn hurken zitten. Mijn knieën kraken een beetje, maar het is gewone slijtage van het vak. Geen lood meer. Gewoon botten en spieren.
"Zwart, toch?"
"Zwart is prima. En als je een koek hebt, sla ik hem niet af."
Hij lacht en loopt weer naar de gang. Ik pak een vochtige spons uit de emmer en begin de tegels schoon te poetsen. Met ronde bewegingen was ik de cementsluier van het glazuur af. Onder het doffe grijs komt het heldere, glanzende wit tevoorschijn. De lijnen zijn strak. Niet perfect – als je met een microscoop gaat kijken, zit er vast ergens een halve millimeter verschil in. Maar het is echt. Het is solide. Het blijft zitten.
Ik kijk naar mijn eigen spiegelbeeld in de natte tegels. Geen bleke schim meer. Mijn wangen hebben weer wat kleur gekregen van het buiten zijn. De kringen onder mijn ogen zijn lichter. Ik zie eruit als een gewone man die zijn best doet om de dag door te komen. Meer hoeft het niet te zijn.
Ik ben niet trots op wat er gebeurd is. Ik schaam me er ook niet meer voor. Het is gewoon een stuk van mijn verhaal geworden, net zoals de littekens op mijn handen van afgegleden stanleymessen en splinters van graniet. Je kunt niet bouwen zonder stof te maken. En je kunt niet leven zonder af en toe keihard op je bek te gaan.
Ik spoel de spons uit in de emmer. Het water wordt troebel en grijs. Ik wring hem uit met twee handen tot de laatste druppels eruit vallen. Dan zet ik de spons weer op de wand en maak de klus af.