Psychische gezondheid
Elke ochtend opnieuw opstaan
Dit boek gaat over psychische klachten. Zoek hulp als het onderwerp je raakt.
Hoofdstuk 1
De deur
Om kwart over zeven ging de bel. Ik zat op de keukenvloer. Mijn telefoon lag naast mijn voet. Op het scherm stonden elf gemiste oproepen van mijn zus.
‘Daan. Ik hoor je telefoon.’
Ik hield mijn adem in.
Mijn zus Vera had een sleutel, maar ik had de grendel erop gedaan. Dat deed ik sinds een paar weken. Niet omdat iemand mij bedreigde. Ik verdroeg alleen het idee niet dat iemand zomaar binnen kon komen.
‘Doe even open.’
Op het aanrecht stonden drie kommen met harde resten havermout. De vuilniszak lekte. Ergens onder de tafel lag mijn werkschoen. De andere had ik nog aan.
Ik was vierendertig. Ik woonde in een portiekflat in Utrecht-Zuilen. Tot voor kort repareerde ik fietsen bij een zaak aan de Amsterdamsestraatweg. Nu kreeg ik mijn eigen voordeur niet open.
‘Je hoeft niks uit te leggen,’ zei Vera.
Dat maakte het erger. Ik had de hele nacht uitleg bedacht. Buikgriep. Een kapotte telefoon. Vergeten mijn wekker te zetten. Maar geen enkele leugen verklaarde waarom ik al drie dagen niet op mijn werk was verschenen.
Ik kroop overeind. Mijn rechterbeen sliep. Bij de deur bleef ik staan.
‘Ben je alleen?’ vroeg ik.
‘Ja.’
Ik schoof de grendel weg.
Vera keek eerst naar mijn gezicht. Daarna naar mijn schoen. Ze zei er niets over. Ze stapte naar binnen en trok haar jas uit.
‘Wanneer heb je gegeten?’
‘Gisteren.’
‘Wat?’
Ik wist het niet.
Ze zette de waterkoker aan. Dat kleine klikje klonk ongepast normaal.
‘Bram belde me,’ zei ze. ‘Hij maakt zich zorgen.’
‘Hij wil weten wanneer ik weer kom.’
‘Dat vroeg hij niet.’
Ik ging aan tafel zitten. Onder mijn elleboog plakte iets. Vera schoof een stapel enveloppen opzij en legde twee boterhammen voor me neer. Ik kreeg een halve weg. Bij elke hap moest ik bewust slikken.
Daarna belde ze de huisarts.
‘Niet doen,’ zei ik.
Ze hield haar duim boven het scherm. ‘Waarom niet?’
Omdat het dan echt werd. Omdat er straks in een computer zou staan wat ik zelf niet hardop durfde te zeggen. Omdat mijn vader vroeger over een overspannen collega had gezegd dat sommige mensen gewoon weinig konden hebben.
‘Ik ben alleen moe.’
Vera keek naar mijn handen. Ze trilden zo erg dat ik mijn glas op tafel moest laten staan.
‘Dan bellen we omdat je moe bent.’
Om tien uur zat ik bij dokter Smit. Vera was in de wachtkamer gebleven. Ik had daarom gevraagd. Zonder haar erbij kon ik misschien nog zeggen dat het meeviel.
De huisarts keek niet meteen naar zijn scherm.
‘Wat gebeurt er, Daan?’
‘Ik slaap slecht.’
‘Hoe slecht?’
‘Twee uur. Soms drie.’
‘Sinds wanneer?’
Ik begon te rekenen. De weken liepen door elkaar. Er was een klant geweest die boos werd over een achterrem. Ik had toen achter in de werkplaats overgegeven. Dat was in september. Nu was het november.
‘Een tijdje.’
Hij vroeg verder. Over eten. Over werken. Over de ochtenden. Ik vertelde dat ik soms twintig minuten op de rand van mijn bed zat, met één sok in mijn hand. Dat ik berichten las zonder de woorden te begrijpen. Dat ik bang was zodra ik wakker werd, nog voordat ik wist waarvoor.
Toen vroeg hij of ik weleens dacht dat ik niet meer wilde leven.
Ik keek naar het bakje met tongspatels op zijn bureau.
‘Ik wil vooral niet meer zo wakker worden.’
‘Heb je plannen om jezelf iets aan te doen?’
‘Nee.’
Hij liet een stilte vallen. Geen ongemakkelijke stilte. Hij wachtte gewoon tot ik weer opkeek.
We maakten afspraken. Vera zou die nacht blijven. De volgende dag zou hij bellen. Er kwam een verwijzing. Bij verslechtering moest ik contact opnemen, ook buiten kantooruren.
‘Vandaag hoef je niet op te lossen hoe je volgende maand leeft,’ zei hij. ‘Vandaag zorgen we dat je niet alleen blijft zitten.’
Buiten stond Vera bij haar fiets.
‘En?’ vroeg ze.
Ik probeerde antwoord te geven. Mijn mond trok scheef. Daarna begon ik te huilen, midden op de stoep. Mensen liepen om ons heen. Een bezorger belde omdat we in de weg stonden.
Vera pakte mijn arm.
‘Zullen we eerst naar huis?’
Ik knikte.
Die avond haalde ik de grendel van de deur. Ik legde hem in de bestekla. Dat was het enige wat ik zelf deed. Het was genoeg voor die dag.
Hoofdstuk 2
De envelop
Vera sliep op mijn bank. Om zes uur hoorde ik haar zacht vloeken. Mijn kat Joep had naast haar hoofd overgegeven.
‘Hij past goed bij deze woning,’ zei ze.
Ik lachte één keer. Een droog kuchje. Daarna schaamde ik me. Blijkbaar kon ik wel lachen, maar niet werken. In mijn hoofd was dat bewijs dat ik me aanstelde.
Bij het ontbijt zei ik dat ik maandag terug kon.
Vera keek op de kalender. Het was donderdag.
‘Heb je dat met de huisarts besproken?’
‘Ik kan toch niet eeuwig thuisblijven?’
‘Je bent gisteren voor het eerst gegaan.’
Ik hoorde verwijt in haar stem. Achteraf weet ik niet of het erin zat. Op dat moment wist ik het zeker.
‘Je hoeft hier niet te blijven.’
Ze legde haar mes neer.
‘Dat weet ik.’
We aten verder zonder iets te zeggen. Ik staarde naar een gat in het tafelkleed. Vera moest naar haar werk in Nieuwegein. Ze begeleidde mensen bij een woonvoorziening. Ik vond het verschrikkelijk dat ze thuis nu ook iemand moest begeleiden.
Voor ze vertrok, schreef ze drie dingen op een bonnetje. Douchen. Iets eten. De huisarts opnemen.
Ik verfrommelde het zodra de deur dichtviel.
Een uur later haalde ik het weer uit de prullenbak.
Douchen lukte niet. Ik zette wel het water aan. Toen het warm werd, zat ik op het gesloten toiletdeksel. Ik dacht aan uitkleden, afdrogen, schone kleren zoeken. Te veel handelingen. Na tien minuten draaide ik de kraan dicht.
Rond twaalf uur belde dokter Smit. Ik nam op omdat het op het bonnetje stond.
Hij vroeg hoe de nacht was gegaan. Ik zei: ‘Prima.’
‘Hoeveel uur heb je geslapen?’
‘Drie.’
‘En hoe gaat het nu?’
Ik vertelde over de douche. Hij reageerde niet verbaasd. Dat hielp meer dan geruststelling.
Er was over vijf dagen plek bij de praktijkondersteuner. Voor verdere behandeling zou ik waarschijnlijk moeten wachten. Hij wilde me in de tussentijd blijven zien.
Na het gesprek ging de brievenbusklep. Ik schrok zo hard dat Joep van mijn schoot sprong.
Er lag een envelop van mijn verhuurder.
Ik zag het logo en liet hem liggen.
De rest van de middag liep ik eromheen. Naar de keuken. Terug naar de bank. Naar het toilet. De envelop bleef op dezelfde tegel liggen. Tegen vieren was hij het belangrijkste voorwerp in mijn huis.
Toen belde Bram.
Ik kende zijn nummer uit mijn hoofd. We werkten al elf jaar samen. Hij had de fietsenzaak van zijn oom overgenomen. Ik was erbij geweest toen we het oude bord van de gevel haalden.
‘Hé,’ zei hij.
‘Sorry.’
‘Waarvoor?’
‘Alles.’
Aan zijn kant klonk een ratel. Hij was nog aan het werk.
‘Ik heb je ziek gemeld bij de arbodienst. Daar krijg je bericht van.’
Mijn maag trok samen.
‘Dus ik word gecontroleerd.’
‘Nee. Er komt iemand kijken wat er nodig is.’
‘Jij moet mijn werk opvangen.’
Hij zweeg even.
‘Ja. Dat is lastig. Maar dat betekent niet dat jij maandag moet komen terwijl het niet gaat.’
Ik had liever gehad dat hij zei dat het helemaal geen probleem was. Nu hoorde ik dat het wél een probleem was, en dat hij toch niet boos werd. Ik wist niet hoe ik daarmee om moest gaan.
‘Je hoeft me geen medisch verslag te geven,’ zei hij. ‘Laat vrijdag even weten hoe je erbij zit. Meer vraag ik niet.’
Na het gesprek pakte ik de envelop.
Twee maanden huurachterstand. Een bedrag dat ik drie keer las. Mijn loon was binnengekomen. Het geld had er kunnen zijn. Maar ik had automatische betalingen stopgezet toen ik bang werd voor roodstand. Daarna had ik niets meer bekeken.
Vera kwam om halfzeven. Ik gaf haar de brief voordat ze haar jas uit had.
‘Ik ben een idioot.’
Ze las hem.
‘Er moet morgen gebeld worden.’
‘Dat zei ik niet.’
‘Ik hoorde wat je zei. Ik ben het alleen niet met je eens.’
We openden mijn bankieren-app. Mijn wachtwoord wist ik nog. Dat verraste me.
Vera schreef bedragen op. Ik zat naast haar en voelde mijn gezicht branden.
‘Ik betaal dit niet voor je,’ zei ze.
Ik keek op.
‘Maar ik blijf erbij als je belt.’
De volgende ochtend draaide ik het nummer zelf. Toen iemand opnam, vergat ik mijn postcode. Ik moest op een andere envelop kijken.
De medewerker wachtte.
We maakten een betalingsregeling. Er werd niet geschreeuwd. Niemand zei dat ik ongeschikt was voor een volwassen leven.
Na afloop zette ik de brief in een map. De map bleef een week op de keukentafel liggen. Maar de envelop was open.
Hoofdstuk 3
De stoel
De praktijkondersteuner heette Nadia. In haar kamer stonden twee blauwe stoelen. Ik koos degene dichtst bij de deur.
‘Wil je je jas uitdoen?’ vroeg ze.
‘Nee.’
‘Prima.’
Ik had onderweg bedacht dat ik helder zou uitleggen wat er mis was. Een lijst met klachten. Een paar voorbeelden. Daarna zou zij zeggen wat ik moest doen.
Maar toen ze vroeg hoe mijn week was geweest, begon ik over de huurachterstand. Daarna over de kapotte afzuigkap. Daarna vertelde ik dat mijn kat speciaal voer nodig had.
‘En jij?’ vroeg ze.
‘Wat bedoel je?’
‘Waar zit jij in dat verhaal?’
Ik vond het een irritante vraag. Dat zei ik ook.
Ze knikte. ‘Dan vraag ik het anders. Wanneer was het deze week het zwaarst?’
‘Tussen wakker worden en slapen.’
Ze glimlachte niet. Ze schreef het op.
We spraken over somberheid en paniek. Over hoe ik mijn dagen steeds kleiner maakte. Niet meer naar de supermarkt omdat ik daar benauwd werd. Niet meer naar vrienden omdat ik niets te vertellen had. Mijn telefoon uit omdat elk bericht iets van me vroeg.
‘Het geeft even rust,’ zei Nadia. ‘Wat gebeurt er daarna?’
‘Dan wordt de volgende keer erger.’
Dat wist ik dus al. Weten bleek niet hetzelfde als kunnen stoppen.
Ze vroeg wanneer het begonnen was.
Mijn moeder was anderhalf jaar eerder overleden. Een beroerte. Op maandag had ze nog gevraagd of ik haar fietsband wilde plakken. Op donderdag zat ik met Vera in het ziekenhuis in Nieuwegein.
Na de uitvaart had ik drie dagen vrij genomen. Daarna ging ik werken. Fietsen hadden problemen die ik kon vinden. Een versleten kabel. Een kromme velg. Ik draaide iets los en zette iets nieuws vast.
Maar het was niet alleen mijn moeder. Er was geen nette verklaring met één beginpunt. Ik sliep al jaren slecht. Ik zei bijna nooit nee. Als een klant om tien voor zes kwam, bleef ik. Als Bram extra handen nodig had, kwam ik op zaterdag.
‘Ik wilde nuttig zijn,’ zei ik.
‘En als je dat niet was?’
Ik keek naar de deurklink.
‘Dan wist ik niet waarom mensen mij erbij wilden hebben.’
Na die afspraak was ik kapot. Ik had vijftig minuten in een stoel gezeten en moest thuis twee uur liggen. Ik vond dat belachelijk. Nadia had gewaarschuwd dat praten vermoeiend kon zijn. Toch voelde het als zakken voor een makkelijke toets.
De huisarts besprak medicijnen met me. Niet als snelle oplossing. Wel als mogelijke steun naast gesprekken en verdere behandeling. We bespraken bijwerkingen en maakten controleafspraken.
Ik begon op een maandag. De eerste dagen was ik misselijk. Mijn slaap bleef rommelig. Ik controleerde voortdurend of ik al iets voelde. Rust. Minder angst. Een duidelijke verandering.
Toen die uitbleef, wilde ik stoppen.
‘Bel eerst,’ zei Vera.
Ik belde. We bespraken wat ik merkte en wanneer ik aan de bel moest trekken. Het was minder spectaculair dan ik had gehoopt. Vooral volgen, afwegen en opnieuw afspreken.
Die vrijdag moest ik brood halen. Nadia en ik hadden dat als kleine stap gekozen. Niet de hele weekboodschappen. Alleen brood, op een rustig tijdstip.
Bij de supermarkt aan de Amsterdamsestraatweg stond een vrachtwagen te lossen. De metalen laadklep sloeg neer. Ik schrok. Binnen was het warm. Een kind huilde bij het fruit.
Ik pakte een half volkorenbrood.
Bij de kassa stonden vier mensen. Mijn hart begon te bonzen. Ik zag de uitgang, maar iemand blokkeerde hem met een kar.
Ik zette het brood op een vriezer en liep naar buiten.
Op de stoep belde ik Vera.
‘Mislukt.’
‘Waar ben je?’
‘Buiten.’
‘Wil je dat ik kom?’
Ik wilde ja zeggen. Ik wilde dat iemand mij naar huis bracht en de deur achter me sloot.
‘Nee. Blijf even praten.’
Ze vertelde over een kapotte koffieautomaat op haar werk. Geen wijze woorden. Gewoon een monteur die het verkeerde onderdeel had meegenomen.
Na een paar minuten werd mijn adem rustiger.
Ik ging niet terug naar binnen. Dat kon ik niet. Maar ik liep wel naar de bakker verderop. Daar stond niemand in de rij.
Thuis legde ik het brood op tafel en appte Nadia, zoals we hadden afgesproken: supermarkt verlaten, bakker gelukt.
Ik schrapte het woord mislukt voordat ik het bericht verstuurde.
Hoofdstuk 4
De verkeerde maandag
In januari begon ik weer in de werkplaats. Twee ochtenden per week. Twee uur per keer. Geen klanten. Geen ingewikkelde reparaties. Dat had ik met de bedrijfsarts en Bram afgesproken.
De avond ervoor legde ik mijn werkkleren klaar. Ik rook wasmiddel en een restje kettingvet dat nooit helemaal verdween. Voor het eerst in weken had ik ergens zin in.
Om halfvijf was ik wakker.
Om zes uur stond ik al onder de douche.
Om kwart voor negen parkeerde ik mijn fiets achter de zaak. Ik had drie keer overwogen om om te keren.
Bram deed de achterdeur open.
‘Koffie?’
Geen omhelzing. Geen toespraak. Ik had hem dankbaar kunnen zoenen.
Mijn werkbank was opgeruimd. Te netjes. De scheve sticker met mijn naam zat er nog op. Naast de bankschroef lag een stapel binnenbanden.
‘Die mag je uitzoeken. Bruikbaar of weg.’
Ik wilde zeggen dat ik geen stagiair was. Toen zag ik mijn handen trillen en ging zitten.
Na een uur had ik drie dozen gesorteerd. Een klant lachte luid aan de voorkant van de winkel. De compressor sloeg aan. Ik kromp ineen.
Bram keek op, maar zei niets.
Om elf uur trok ik mijn jas aan. Ik was boos dat ik moest vertrekken. Thuis viel ik met mijn schoenen aan in slaap.
De tweede ochtend ging beter. De derde ook. Ik plakte een band. Daarna nog één. Het voelde bijna vertrouwd.
Bijna was gevaarlijk. Ik maakte er in mijn hoofd meteen helemaal van.
Op maandag twee weken later was collega Sjoerd ziek. Bram liep tussen de balie en de werkplaats heen en weer. De telefoon ging steeds.
‘Ik kan best iets meer doen,’ zei ik.
‘Hou je aan je uren.’
‘Alleen die stadsfiets.’
Hij aarzelde. Ik zag dat hij de hulp kon gebruiken. Dat was genoeg.
Ik bleef tot één uur. Daarna tot twee uur. Ik at niet. Ik wilde mijn oude tempo terugvinden en dacht dat ik het bijna had.
Toen kwam een man zijn fiets ophalen.
‘Deze stond voor twaalf uur klaar.’
Bram was aan de telefoon. Ik liep naar de balie.
‘Het loopt iets uit.’
‘Dat zie ik. Ik moet naar mijn werk.’
Zijn stem werd harder. Niet extreem. Gewoon een boze klant. Ik had er honderden meegemaakt.
Maar ineens hoorde ik de rest van de winkel niet meer. Alleen hem. Mijn borst werd strak. Ik wist niet waar ik mijn handen moest laten.
‘Ik haal mijn collega,’ zei ik.
‘Jij werkt hier toch ook?’
Ik liep door naar achteren. Mijn elleboog raakte een bakje bouten. Ze kletterden over de vloer. Ik ging door de achterdeur naar buiten en moest kokhalzen boven een afvoerput.
Bram kwam achter me aan.
‘Ga zitten.’
‘Ik kan dit niet meer.’
‘Nu even niet.’
‘Nee. Helemaal niet.’
Hij pakte een kruk en zette die naast me neer. Ik ging zitten omdat mijn benen niet meer betrouwbaar voelden.
Die avond gooide ik mijn werkkleren in de vuilnisbak. Tien minuten later haalde ik ze eruit. Ik was bang dat Vera ze zou zien.
Ze zag ze toch. Er zat koffieprut op mijn broek.
‘Wat is er gebeurd?’
Ik vertelde het. Daarna zei ik dat iedereen beter af was als ik gewoon verdween.
Vera ging rechtop zitten.
‘Bedoel je weg van je werk, of bedoel je niet meer leven?’
Ik ergerde me aan haar directe vraag. Tegelijk was ik blij dat ik niet zelf het woord hoefde te vinden.
‘Ik wil niet dood. Ik wil dat het ophoudt.’
‘Heb je bedacht om jezelf iets aan te doen?’
‘Nee.’
‘Dan nog gaan we iemand bellen.’
Ze belde niet over mijn hoofd heen. Ze legde de telefoon tussen ons en wachtte. Uiteindelijk belde ik de huisartsenpost. Ik vertelde wat er was gebeurd en hoe donker mijn gedachten waren geworden. We spraken af wat ik die nacht nodig had en wanneer ik opnieuw hulp moest inschakelen. De volgende ochtend nam ik contact op met mijn eigen huisarts.
Later hoorde ik Vera in de keuken huilen.
Ik stond in de deuropening.
‘Sorry.’
Ze veegde haar gezicht af.
‘Ik ben niet boos. Maar ik kan niet de enige zijn die dit weet.’
Ik wilde haar beloven dat het nooit meer zou gebeuren. In plaats daarvan knikte ik.
De volgende dag vertelde ik Nadia alles. Ook het deel dat ik het liefst had weggelaten.
Hoofdstuk 5
De kring
In februari kon ik terecht bij een behandelaar in Utrecht. Het intakegesprek duurde anderhalf uur. Ik kreeg vragen die ik al eerder had beantwoord. Soms werd ik daar kwaad van. Alsof ik mijn ellende telkens opnieuw moest bewijzen.
Mijn behandelaar heette Eline. Ze vertelde wat ze in mijn klachten herkende: een depressie en stevige paniekklachten. We bespraken een behandelplan. Niet alleen praten over vroeger. Ook kijken naar wat ik nu deed als de angst opliep.
‘Ik vermijd alles,’ zei ik.
‘Niet alles. Je bent hier.’
‘Omdat Vera me bracht.’
‘Je bent toch zelf binnengekomen.’
Ik vond dat een magere prestatie. Zij schreef hem niet af.
De eerste weken oefenden we met kleine situaties. Alleen ergens heen fietsen. In een winkel blijven als ik spanning voelde. Een bericht beantwoorden zonder het tien keer te herschrijven. Soms lukte het. Soms kwam ik niet verder dan mijn voordeur.
Daarnaast wees Nadia me op een lotgenotengroep in Overvecht. Ik zei dat ik geen zin had om met vreemden in een kring te vertellen hoe rot ik me voelde.
‘Je hoeft niet te gaan,’ zei ze.
Dat antwoord bleef hangen. Ik was gewend geraakt aan dingen die moesten. Ziekmelden. Bellen. Afbetalen. Op tijd naar afspraken. Dit mocht ik weigeren.
Een week later ging ik toch.
De bijeenkomst was in een buurthuis. Ik stond buiten bij een rek vol natte fietsen. Door het raam zag ik inderdaad een kring.
Ik draaide me om.
‘Eerste keer?’
Een vrouw met een felrode regenjas zette haar fiets naast de mijne. Ze had een plastic tas om haar zadel geknoopt.
‘Zo duidelijk?’ vroeg ik.
‘Ik heb de eerste keer twintig minuten buiten gestaan. Ik ben Farah.’
‘Daan.’
‘Kom. De koffie is slecht, maar binnen is het droog.’
Er waren acht mensen. De begeleider heette Henk. Hij vertelde dat je niets hoefde te delen en dat adviezen alleen welkom waren als iemand erom vroeg.
Dat laatste verraste me. Sinds ik ziek was, had iedereen oplossingen. Minder op mijn telefoon. Meer sporten. Vitamines. Stoppen met koffie. Een neef had koud douchen voorgesteld terwijl ik al moeite had met warm douchen.
Ik zei alleen mijn naam.
Een man tegenover me vertelde dat hij na maanden thuis weer met de bus was gegaan. Een vrouw zei dat ze haar kinderen niet altijd naar school kon brengen. Ze sprak zacht. Ik keek naar haar handen. Ze draaide aan haar trouwring.
Toen Farah aan de beurt was, vertelde ze dat ze haar moeder had afgezegd.
‘Ik had geen ruimte voor bezoek. Mijn moeder vond dat ongezellig.’
‘Hoe was het om nee te zeggen?’ vroeg Henk.
‘Verschrikkelijk. Daarna heb ik een tosti gegeten.’
Ik moest lachen. Zij ook.
Halverwege zei ik toch iets.
‘Ik repareer fietsen. Of ik repareerde fietsen. Ik weet niet hoe ik dat nu moet zeggen.’
Niemand vulde het voor me in.
‘Ik dacht dat ik hersteld was omdat ik twee goede ochtenden had. Toen ben ik veel te lang gebleven. Nu durf ik niet terug.’
De man die met de bus was geweest, knikte.
‘Wil je horen hoe dat bij mij ging?’
Hij vroeg het echt. Ik kon nee zeggen.
Ik zei ja.
Na afloop bleef ik nog even bij de kapstok staan. Farah zocht haar fietssleutel.
‘Wordt het beter?’ vroeg ik.
Ze hield op met zoeken.
‘Sommige dingen wel. Ik merk eerder wanneer het misgaat. Meestal tenminste.’
‘Dat klinkt niet geweldig.’
‘Nee. Maar het scheelt me veel ellende.’
Thuis vertelde ik Vera over de groep. Ze zat aan mijn tafel met haar laptop. Ze had die middag weer een afspraak verzet om bij mij te kunnen zijn.
‘Je hoeft morgen niet te komen,’ zei ik.
Ze keek meteen bezorgd.
‘Niet omdat ik je weg wil hebben. Ik ga met iemand uit de groep wandelen. En vrijdag spreek ik Eline.’
Vera sloot haar laptop.
‘Ik wil ook weer gewoon je zus zijn.’
Ik knikte. Het deed pijn, hoewel ze niets wreeds zei.
We spraken af dat ze niet meer elke ochtend zou controleren of ik wakker was. Ik zou haar laten weten als het duidelijk slechter ging. Voor dringende hulp waren er andere nummers en afspraken. Die stonden nu op papier, niet alleen in haar hoofd.
Toen ze vertrok, bleef ik bij de deur staan.
Ik miste haar al voordat de lift beneden was. Toch belde ik haar niet terug.
Hoofdstuk 6
Het bankje
In april belde mijn vader. Hij wilde naar het graf van mijn moeder in Nieuwegein. Of ik meeging.
We hadden elkaar sinds Kerstmis niet gezien. Hij belde soms op zondag. Dan vroeg hij of ik alweer wat deed. Ik zei meestal dat het langzaam ging. Daarna spraken we over het weer.
‘Zaterdag om tien uur?’ vroeg hij.
‘Ik denk erover na.’
‘Je moet er ook af en toe uit, Daan.’
Ik hing niet op. Daar was ik later trots op. Op dat moment was ik vooral woedend.
In mijn volgende gesprek met Eline vertelde ik wat hij had gezegd.
‘Wat zou je hem willen antwoorden?’ vroeg ze.
‘Dat hij zijn mond moet houden.’
‘En als je iets preciezer bent?’
Ik dacht lang na.
‘Dat ik al de hele dag probeer om dingen te doen. Ook als hij dat niet ziet.’
Zaterdag ging ik mee. Niet omdat een uitstapje goed voor me zou zijn. Ik wilde naar mijn moeder. Dat onderscheid hielp.
Mijn vader wachtte bij de ingang van de begraafplaats. Hij droeg een jas die mijn moeder voor hem had gekocht. De kraag stond aan één kant naar binnen.
‘Je ziet er beter uit,’ zei hij.
‘Ik heb me geschoren.’
‘Dat scheelt.’
We liepen over het grind. Bij het graf zette hij een pot viooltjes neer. Ik haalde dorre blaadjes weg. Het was een gewone taak. Mijn handen wisten wat ze moesten doen.
‘Hoe is het op je werk?’ vroeg hij.
‘Twee keer twee uur. Ik ben opnieuw begonnen.’
‘Nog steeds zo weinig?’
Ik kneep een droog steeltje fijn.
‘Ja.’
‘Misschien moet je jezelf wat meer—’
‘Niet doen.’
Hij keek op.
‘Wat?’
‘De zin afmaken. Ik weet wat je gaat zeggen.’
‘Dat weet je helemaal niet.’
‘Dat ik moet doorzetten.’
Hij zweeg.
Ik voelde mijn hart versnellen. Het oude verlangen kwam op: sorry zeggen, het gladstrijken, praten over de bloemen. Ik bleef staan.
‘Ik probeer niet onder werk uit te komen. Ik probeer te zorgen dat ik het weer kan volhouden.’
‘Dat zeg ik toch niet?’
‘Nee. Maar ik hoor het wel elke keer als je vraagt of ik alweer wat doe.’
Mijn vader keek naar de steen. Ik dacht dat hij kwaad zou worden. Misschien was hij dat ook. Zijn mond stond strak.
‘Ik weet gewoon niet wat ik moet vragen,’ zei hij.
Dat antwoord had ik niet voorbereid.
We liepen naar een bankje bij de uitgang. Hij ging zitten met zijn handen tussen zijn knieën.
‘Na de begrafenis ben je meteen weer gaan werken,’ zei hij. ‘Ik dacht dat het hielp.’
‘Dat dacht ik ook.’
Een kraai trok iets uit een afvalbak. Mijn vader keek ernaar alsof hij moest ingrijpen. Toen bleef hij zitten.
‘Ik heb een keer beneden in de auto geslapen,’ zei hij. ‘Kort nadat je moeder overleed. Ik kon het huis niet in.’
Ik draaide mijn hoofd naar hem toe.
‘Waarom heb je dat niet verteld?’
Hij haalde zijn schouders op.
We zwegen. Het was geen verzoening zoals in een film. Hij bood geen volledige excuses aan. Ik begreep hem niet ineens. Maar hij bleef naast me zitten zonder te zeggen wat ik moest doen.
Op de terugweg kocht hij koffie bij een tankstation. Hij vroeg of ik suiker wilde. Ik dronk al twintig jaar zonder suiker. Ik zei gewoon nee.
Die avond was ik uitgeput. Ik had verwacht dat het gesprek opluchting zou geven. In plaats daarvan lag ik wakker en dacht aan mijn moeder. Aan haar fietsband, die ik nooit meer had geplakt.
De volgende ochtend bleef ik tot elf uur in bed.
Om halfelf kwam een bericht van Farah. We zouden wandelen bij de Vecht.
Ik schreef: gaat niet, slechte dag.
Ik wilde mijn telefoon wegleggen. Toen stuurde ik nog iets.
Heb je tien minuten om te bellen?
Ze belde om kwart voor twaalf. Niet meteen. Ze moest eerst haar boodschappen naar huis brengen.
Ik vertelde over mijn vader en over de nacht.
‘Heb je gegeten?’ vroeg ze.
‘Nog niet.’
‘Doe dat eerst. Wandelen kan ook morgen.’
Ik maakte twee boterhammen. Daarna kleedde ik me aan. De wandeling sloeg ik over.
Maandag ging ik naar mijn afspraak bij Eline. Ik vertelde dat het weekend zwaar was geweest, maar dat ik niet alle afspraken had afgezegd. Dat ik hulp had gevraagd zonder te wachten tot Vera aan mijn deur stond.
‘Dat is anders dan in november,’ zei ze.
Ik keek terug naar die ochtend op de keukenvloer.
‘Ja,’ zei ik. ‘Dat is anders.’
Hoofdstuk 7
Morgen ook
In juni draaide ik drie ochtenden per week in de fietsenzaak. Vier uur per ochtend. Dat was minder dan vroeger en meer dan ik in februari voor mogelijk had gehouden.
Ik zette om twaalf uur een wekker. Niet om op te staan. Om te stoppen.
De eerste keer lachte Sjoerd toen hij hem hoorde.
‘Moet je naar school?’
‘Nee. Naar huis.’
Hij keek naar Bram. Die haalde zijn schouders op.
‘Dan gaat hij naar huis.’
Daarmee was het klaar. Ik had die ochtend veel langer geoefend op een uitleg dan nodig was geweest.
Ik deed nog niet alles. Geen volle zaterdag. Geen rij boze klanten. Soms hielp ik iemand aan de balie, maar alleen als ik ruimte had. Ik hield mijn pauze, ook als er fietsen stonden te wachten.
Dat laatste voelde nog steeds verkeerd.
Op een donderdag vroeg Bram of ik op vrijdag extra kon komen. Hij vroeg het voorzichtig. Er was een grote levering en Sjoerd had vrij.
Ik keek naar het plan in mijn agenda. Vrijdag had ik behandeling. Daarna wilde ik niets hoeven.
‘Nee,’ zei ik.
Het woord kwam harder uit mijn mond dan bedoeld.
‘Oké,’ zei Bram.
Ik bleef staan.
‘Ben je boos?’
‘Nee. Ik vroeg het. Jij geeft antwoord.’
Hij pakte een doos remblokken en liep naar het magazijn. Ik stond nog even bij mijn werkbank. Mijn handen waren warm. Mijn hart bonsde. Nee zeggen voelde niet vrij. Het voelde eerst alsof ik iets gevaarlijks had gedaan.
Tien minuten later was dat gevoel minder.
Thuis lagen nog steeds enveloppen. Nu opende ik ze op woensdagmiddag. Soms met Vera aan de telefoon, meestal alleen. De huurachterstand was bijna weggewerkt. Mijn buffer was weg. Vakantie zat er dat jaar niet in.
Mijn huis was ook geen bewijs van volledig herstel. Er stonden regelmatig mokken naast mijn bed. Ik vergat een keer een afspraak bij de tandarts. Op slechte dagen bestelde ik eten dat ik te duur vond, omdat koken niet lukte.
Het verschil was dat ik zo’n dag minder vaak liet uitlopen op een week.
Met Eline oefende ik verder. Ik bleef mijn medicijnen met de huisarts bespreken. We namen geen grote besluiten op basis van één goede ochtend. Ik vond dat soms traag. Tegelijk wist ik inmiddels wat er gebeurde als ik haast gebruikte om mijn onzekerheid te verbergen.
De groep bleef belangrijk. Niet elke bijeenkomst leverde iets op. Soms ergerde ik me aan iemand die lang praatte. Soms zei ik zelf bijna niets. Maar er waren mensen die mijn naam kenden en niet alleen vroegen wanneer ik weer de oude was.
Farah en ik wandelden af en toe. Als zij afzegde, vroeg ik of ze iets nodig had. Ik ging niet meteen voor haar deur staan. Dat had ik van haar geleerd.
Op een dinsdag in juli werd ik om kwart over zes wakker. Mijn borst zat strak. Er was geen duidelijke reden. De avond ervoor was goed geweest. Ik had met Vera gegeten en we hadden ruzie gemaakt over een spelletje. Een gewone ruzie. Zij speelde vals, volgens mij.
Nu keek ik naar het plafond en dacht: daar gaan we weer.
Ik bleef liggen tot zeven uur. Joep krabde aan de slaapkamerdeur. Ik wilde me omdraaien en mijn telefoon uitzetten.
In plaats daarvan ging ik rechtop zitten.
Mijn voeten raakten de vloer. Ik bleef een minuut zo zitten. Daarna gaf ik de kat eten.
In de keuken zette ik thee. Ik at een boterham. Niet omdat ik trek had. Omdat ik wist dat wachten op trek die ochtend weinig zou opleveren.
Ik stuurde Bram een bericht. Slecht geslapen. Ik kom op de afgesproken tijd, maar wil even overleggen wat haalbaar is.
Hij antwoordde: goed, doen we.
Bij de zaak stond een meisje met een lekke band. Haar vader hield haar fiets vast. Aan het stuur hingen twee groene linten.
‘Kun jij hem maken?’ vroeg ze.
‘Ik ga eerst kijken wat er stuk is.’
Ik zette de fiets op de standaard. Mijn handen waren nog wat onrustig. Ik pakte de bandenlichters en begon.
Om twaalf uur ging mijn wekker.
Er stonden nog vier fietsen klaar. Ik waste mijn handen, hing mijn schort op en trok mijn jas aan.
Buiten belde ik Vera.
‘Hoe was het?’ vroeg ze.
‘Lastige start. Redelijke ochtend.’
‘Eet je zondag mee?’
‘Ja. Ik neem brood mee.’
Thuis zette ik mijn wekker voor de volgende dag. Daarna ging ik even op de bank zitten. Niet om te verdwijnen. Gewoon omdat ik moe was.
Morgen zou ik weer moeten opstaan. Ik wist niet hoe die ochtend zou voelen.
Ik wist wel wie ik kon bellen als het niet lukte.