Naar de inhoud
Terug naar het boek

Ziekte en gezondheid

Elke dag een prik

Bevat beschrijvingen van ziekte en behandeling.

Hoofdstuk 1

Elke dag een prik — De dorst

Ik dronk uit de kraan van de personeelswc toen mijn benen het begaven.

Mijn knieën raakten eerst de tegels. Daarna sloeg mijn schouder tegen de deur. Ik bleef zitten met mijn mond open. Het water liep nog.

‘Mara?’ riep iemand.

Ik wilde antwoorden, maar moest overgeven.

Dat was op een dinsdag in november. Ik was vierendertig en werkte bij een fietsenwinkel aan de Amsterdamsestraatweg in Utrecht. Mijn grootste probleem had die ochtend een klant geleken die zijn elektrische fiets zonder sleutel kwam ophalen.

Mijn collega Bilal duwde tegen de deur.

‘Kun je opzij?’

‘Even.’

‘Nee. Nu.’

Ik schoof mijn voeten weg. Hij kwam binnen, hurkte en draaide de kraan dicht.

‘Je ademt raar.’

‘Buikgriep.’

Hij keek naar de plas braaksel naast mijn schoen. Toen naar mij.

‘Ik bel.’

Ik protesteerde nog. We hadden drie reparaties beloofd voor twaalf uur. Mijn dochter Noor moest om kwart over drie uit school worden gehaald. Mijn telefoon lag onder de toonbank. Alles leek dringend, behalve ikzelf.

De ambulancebroeder vroeg hoe lang ik al zo veel dronk.

‘Een paar weken.’

‘En veel plassen?’

Ik knikte.

‘Afgevallen?’

Mijn broek zakte af zonder riem. Dat had ik een prettig bijverschijnsel van drukte gevonden. Zeven kilo, ongeveer. Ik had er niets voor gedaan.

Hij prikte in mijn vinger. Keek op zijn meter. Prikte nog eens.

‘We nemen je mee.’

‘Wat is het dan?’

‘Je bloedsuiker is veel te hoog. In het ziekenhuis onderzoeken ze verder wat er aan de hand is.’

Bilal stond bij de deur met mijn jas en telefoon. Hij had ook mijn tas gepakt, die met het kapotte hengsel.

‘Noor,’ zei ik.

‘Ik bel je zus. Wat is haar naam?’

‘Sanne.’

Ik gaf hem mijn toegangscode. Dat voelde op dat moment vreemder dan op een brancard liggen. Iemand anders kreeg toegang tot mijn leven terwijl ik er zelf naast lag.

In het Diakonessenhuis knipte een verpleegkundige mijn mouw niet open, hoewel ik daar bang voor was. Ze schoof hem rustig omhoog. Er kwam een infuus. Bloed werd afgenomen. Iemand plakte draden op mijn borst.

Een arts vroeg of ik wist waar ik was.

‘Utrecht. Ziekenhuis. Dinsdag.’

‘Goed.’

‘Is dit suikerziekte?’

‘Daar lijkt het sterk op. Je bloed is ook verzuurd. Dat heet ketoacidose. We gaan je vocht en insuline geven en je goed bewaken.’

Ik kende diabetes van mijn oma. Zij slikte tabletten en zei nee tegen taart, behalve op verjaardagen. Ik begreep niet waarom er bij mij zo veel mensen rond het bed stonden.

‘Kan dat van te veel energiedrank komen?’ vroeg ik.

De arts trok een stoel bij.

‘Dit beeld past bij diabetes type één. Dat krijg je niet doordat je iets verkeerd hebt gegeten of gedronken.’

Ik hoorde vooral het woord één. Alsof er nog een gunstiger nummer bestond waarvoor ik had kunnen kiezen.

Sanne kwam tegen de avond. Ze had Noor bij haar man gelaten. Op haar trui zat een gedroogde veeg yoghurt.

‘Je had me kunnen bellen,’ zei ze.

‘Ik dacht dat ik moe was.’

‘Je bent altijd moe.’

Ze zei het boos. Daarna begon ze te huilen. Ik keek naar het slangetje in mijn hand. Daar kon ik beter tegen.

De eerste nacht werd ik steeds gewekt. Een bloeddrukband kneep mijn arm samen. Er werd bloed geprikt. Achter het gordijn hoestte een man tot hij vloekte. Ik vroeg twee keer of mijn dochter wist waar ik was.

De volgende ochtend belde Sanne vanuit haar keuken. Noor kwam in beeld met nat haar en een boterham.

‘Mama, ga je dood?’

Ik keek naar de infuuspomp.

‘De dokters behandelen me. Ik blijf nog even hier.’

‘Maar ga je dood?’

‘Dat is niet wat ze verwachten, lieverd.’

Dat was het eerlijkste antwoord dat ik kon vinden.

Drie dagen later zette een diabetesverpleegkundige een oefenpen op mijn tafeltje. Ze heette Lotte. Ze droeg blauwe sportschoenen onder haar uniform.

‘We gaan oefenen,’ zei ze.

‘Hoe lang moet ik dit doen?’

Ze wachtte niet met antwoorden.

‘Insuline heb je voortaan nodig. Elke dag.’

Ik pakte de pen niet vast.

Buiten reed een vuilniswagen achteruit. Het piepen kwam door het gesloten raam heen. Mensen begonnen gewoon aan hun donderdag.

Lotte schoof de pen een paar centimeter dichterbij.

‘Vandaag hoef je alleen de eerste keer te leren.’

Hoofdstuk 2

De eerste keer

Mijn hand bleef boven mijn buik hangen.

Het naaldje was kort. Dat maakte niets uit. Het kwam uit een pen die ik zelf vasthield, en ik moest het zelf naar binnen duwen.

‘Ik kan het niet,’ zei ik.

Lotte zat naast het bed. Niet tegenover me. Dat scheelde.

‘Wat verwacht je dat er gebeurt?’

‘Dat ik flauwval. Dat ik verkeerd prik. Dat ik mezelf kapotmaak.’

‘We nemen de stappen samen door.’

Ze liet me controleren welke pen ik had. We bekeken de voorgeschreven dosis. Ik had twee soorten insuline gekregen, met verschillende taken. Juist dat maakte me bang. Twee pennen die allebei op iets onschuldigs leken.

Ik zette de naald tegen mijn huid. Trok hem weer terug.

‘Sorry.’

‘Je hoeft geen sorry te zeggen.’

Bij de derde poging lukte het. Het deed minder pijn dan het infuus. Ik was daar bijna kwaad om. Mijn hele lichaam had zich schrap gezet voor iets wat nauwelijks prikte.

‘Goed gedaan,’ zei Lotte.

Ik begon te huilen.

Niet netjes. Mijn neus liep. Ik kon de pen niet veilig opruimen omdat mijn handen trilden. Lotte hielp zonder er een gebeurtenis van te maken.

De prik was klein. De afspraak die eraan vastzat niet.

De dagen daarna kreeg ik uitleg. Over meten, eten, bewegen en lage bloedsuikers. Over ziekte en wanneer ik moest bellen. Er kwam een sensor op mijn bovenarm. Mijn telefoon kon nu cijfers laten zien waar ik eerder niet eens over had nagedacht.

‘Het apparaat helpt,’ zei Lotte. ‘Maar als het getal niet past bij hoe je je voelt, controleer je volgens de afspraken met een vingerprik.’

Ik schreef alles op. Mijn schrift kreeg vette vlekken van de ziekenhuislunch. Op bladzijde vier stond alleen: NIET ZELF GAAN GISSEN.

Bij ontslag kreeg ik een tas met spullen en een map met afspraken. Ik had nooit zo veel bagage nodig gehad om ergens niet te willen zijn.

Sanne haalde me op.

‘Zal ik vannacht blijven?’

‘Nee.’

‘Mara.’

‘Ik moet toch een keer alleen.’

Ze stopte bij de betaalautomaat van de parkeergarage.

‘Dat hoeft niet vanavond.’

Ik zei niets. Ze bleef.

Thuis in Zuilen rook het naar wasmiddel. Sanne had schoongemaakt. Mijn oude glas stond niet meer naast de bank. De stapel lege flessen was weg. Pas toen zag ik hoe lang ik al ziek was geweest. In elke kamer had water gestaan.

Noor kwam uit haar slaapkamer en botste tegen mijn benen.

‘Niet zo hard,’ zei Sanne.

‘Jawel,’ zei ik.

Ik hield mijn dochter vast tot ze zich loswurmelde.

Bij het avondeten moest ik rekenen. We aten pasta. Ik woog een portie, keek in mijn schema en controleerde mezelf opnieuw. Noor tikte met haar vork tegen haar glas.

‘Wordt het koud?’

‘Een beetje.’

‘Moet die prik voor altijd?’

‘Voorlopig is dit hoe ik gezond blijf.’

‘Ook op je verjaardag?’

‘Ook dan.’

Ze dacht na.

‘Dan krijg je twee cadeaus.’

Na het eten legde ik mijn voorraad op het aanrecht. Naalden, strips, pennen. Ik maakte afzonderlijke plekken en controleerde de etiketten. Het keukenlaatje met elastiekjes en verjaardagskaarsjes werd mijn medische la.

Later stond ik voor de koelkast. Op een plank lagen nu ook medicijnen. Naast de yoghurt van Noor.

Sanne kwam achter me staan.

‘Wat zoek je?’

‘Mijn oude keuken.’

Ze sloeg geen arm om me heen. Daar was ik blij om. We bleven gewoon kijken.

Die nacht ging mijn telefoon af. Een sensoralarm. Ik zat meteen rechtop. Sanne was er eerder dan ik mijn bril kon vinden.

Volgens het afgesproken stappenplan controleerde ik de waarde. Ik behandelde de lage bloedsuiker zoals ik had geleerd. Daarna wachtten we samen aan de keukentafel en controleerde ik opnieuw.

De klok boven de deur tikte hard.

‘Ik durf niet meer te slapen,’ zei ik.

‘Dan blijven we even zitten.’

‘Jij moet morgen werken.’

‘Ja.’

Ze zette haar voeten op de lege stoel tegenover haar.

Toen de waarde hersteld was, bleven mijn handen trillen. Niet alleen van de lage suiker.

Om halfvier bracht Sanne me een schone pyjama. Mijn shirt was nat van het zweet.

Ik trok het uit en zag een klein blauw plekje op mijn buik.

De eerste zichtbare plek van een leven waarvoor ik nog geen routine had.

Hoofdstuk 3

Onder de toonbank

Na drie weken thuis wilde ik terug naar de winkel.

Niet omdat ik uitgerust was. Ik was het zat om aan de keukentafel te zitten en naar grafieken te kijken. Iedere stijging leek bewijs dat ik iets fout had gedaan. Iedere daling maakte me bang voor de nacht.

Mijn baas, Erik, stelde korte diensten voor.

‘Eerst een paar ochtenden. Via de bedrijfsarts kijken we verder.’

‘Ik kan gewoon werken.’

‘Dat zeg je. We beginnen toch rustig.’

Op mijn eerste ochtend rook de werkplaats naar rubber en kettingolie. Bilal had mijn kruk onder de toonbank vandaan gehaald.

‘Speciaal voor de directie,’ zei hij.

‘Dan mag jij koffie brengen.’

Het was onze eerste normale grap sinds de ambulance. Ik bleef er even in hangen.

Om elf uur at ik een boterham in het magazijn. Ik had mijn spullen meegenomen in een zwarte toilettas. Mijn prikpen hield ik laag, hoewel niemand keek.

Bilal kwam binnen voor een binnenband.

‘Je hoeft je hier niet te verstoppen.’

‘Dat doe ik niet.’

Hij keek naar mijn stoel tussen twee dozen fietsbellen.

‘Mooi kantoor dan.’

Ik trok mijn trui recht.

Ik wilde geen vragen. Geen mensen die vroegen of ik dat brood wel mocht. Geen verhalen over een buurman die zijn ziekte had opgelost door kaneel te eten. In het ziekenhuis had ik uitleg gekregen. Daarbuiten had blijkbaar iedereen advies.

Mijn moeder belde die middag.

‘Je tante heeft iets gelezen over een streng dieet.’

‘Mam, ik heb insuline nodig.’

‘Ik denk alleen mee.’

‘Vraag dan eerst waarover.’

Ze werd stil. Ik voelde me meteen schuldig. Toch trok ik mijn woorden niet terug.

De tweede werkweek ging het mis op een donderdag.

Er was een levering gekomen. Erik zat in een gesprek. Ik hielp Bilal dozen verplaatsen. Daarna kwam een klant met een lekke band, toen iemand met een kapotte accu. Mijn pauze schoof op. Mijn lichaam liet zich niet zo makkelijk verschuiven.

Ik hoorde mijn alarm door het gesprek heen. Ik drukte het weg om de klant uit te laten praten.

Dat ene moment bleef later steeds terugkomen. Mijn duim op het scherm. Alsof beleefdheid belangrijker was dan wat ik net had geleerd.

Even later kreeg ik de kassalade niet open. Ik toetste dezelfde code drie keer verkeerd in.

‘Mara?’ vroeg Bilal.

‘Dat ding doet het niet.’

Mijn tong voelde dik. Mijn nek was nat.

Hij kwam naast me staan.

‘Ga zitten. Nu.’

‘Ik moet afrekenen.’

Hij draaide zich naar de klant.

‘Een ogenblik, alstublieft.’

Bilal wist waar mijn snelle suikers lagen. We hadden het besproken, tegen mijn zin. Ik was nog wakker en kon slikken. Hij gaf me wat we hadden afgesproken en bleef bij me terwijl ik controleerde en behandelde volgens mijn plan.

De klant keek naar de fietssloten aan de muur. Dat vond ik erger dan staren. Zijn overdreven poging om niets te zien.

Toen ik weer helder werd, zat Erik voor me op zijn hurken.

‘Moet ik iemand bellen?’

‘Nog niet. Blijf even.’

Ik was boos. Op de dozen. Op de klant. Op mijn duim. Vooral op Bilal, omdat hij precies had gedaan wat nodig was en ik hem daarom niets kon verwijten.

Later zat ik in Eriks kantoor.

‘Dit kan niet,’ zei hij.

Ik verstijfde.

‘Ik kan mijn werk nog.’

‘Dat bedoel ik niet. Je pauze mag niet verdwijnen omdat het druk is.’

‘Dan moet iemand mijn klanten overnemen.’

‘Ja.’

Hij zei het zo eenvoudig dat ik geen tegenargument vond.

We maakten afspraken. Mijn tas kreeg een vaste, bereikbare plek. Geen doos ervoor. Pauzes kwamen op het rooster. Bilal en Erik wilden leren wat ze bij een ernstig incident moesten doen. Ik nam contact op met mijn behandelteam om het werk en bewegen te bespreken.

Op weg naar huis liep ik met mijn fiets aan de hand. Ik vertrouwde mezelf nog niet tussen het verkeer.

Bij de Marnixbrug belde Sanne.

‘Hoe ging het?’

‘Slecht.’

‘Wil je vertellen?’

Ik keek naar een handschoen die in de goot lag.

‘Ik dacht dat ik terug was.’

Ze wachtte.

‘Maar ik ben terug met bagage.’

‘Dan moet daar plek voor komen.’

Thuis zette ik mijn zwarte tas niet in de kast. Ik legde hem op de tafel.

De volgende ochtend prikte ik in de personeelsruimte. Niet tussen de dozen. Toen Bilal koffie kwam halen, bleef ik zitten.

Hoofdstuk 4

Niet jouw taak

Noor begon mijn telefoon in de gaten te houden.

Eerst dacht ik dat ze spelletjes wilde spelen. Ze kwam dicht tegen me aan zitten als het scherm oplichtte. Bij elk piepje keek ze naar mijn gezicht.

Op een woensdag vond ik een pakje druivensuiker onder haar kussen.

‘Hoe komt dit hier?’

Ze zat op de vloer met haar schooltas.

‘Voor als jij raar doet.’

Ik ging op haar bed zitten.

‘Wanneer doe ik raar?’

‘Zoals bij tante Sanne. Toen je zo boos praatte.’

Dat was een week eerder geweest. Een lage waarde, snel behandeld. Ik had kortaf gereageerd omdat iedereen tegelijk iets vroeg. Ik dacht dat Noor vooral naar haar tekenfilm had gekeken.

‘Dat heb je onthouden.’

Ze trok een draadje uit haar sok.

‘Ik moet toch helpen?’

Ik had haar verteld dat ze mij mocht roepen en een volwassene moest halen als ik niet goed reageerde. Ik had niet bedoeld dat ze nachtdienst moest houden. Maar voor een kind van acht was dat verschil blijkbaar niet duidelijk.

Die avond belde ik Lotte.

‘Mijn dochter bewaart suiker in haar bed.’

Ik probeerde het luchtig te zeggen. Het lukte niet.

Lotte vroeg hoe het thuis ging. Niet alleen met de waarden. Met slapen, eten, werken. Ik vertelde dat ik soms ieder kwartier mijn telefoon controleerde. Dat ik uitstapjes afzegde omdat ik niet wist wat mijn bloedsuiker zou doen. Dat ik nergens meer heen wilde zonder Sanne.

‘Je bent voortdurend op wacht,’ zei ze.

‘Dat moet toch?’

‘Je moet goed voor jezelf zorgen. Dat is niet hetzelfde als nooit meer ontspannen.’

Ze stelde een gesprek voor met een psycholoog die mensen met diabetes begeleidde. Ik zei meteen dat ik niet depressief was.

‘Dat hoeft ook niet.’

Twee weken later zat ik bij Esther in een spreekkamer bij het ziekenhuis. Er stond een plant met bruine randen. Ik keek ernaar terwijl ze vroeg waarvoor ik kwam.

‘Omdat mijn dochter bang is.’

‘En jij?’

‘Ik heb geen tijd om daar iets mee te zijn.’

Ze schreef niets op. Dat maakte het lastiger om mijn antwoord te laten verdwijnen.

Ik vertelde over de wc in de winkel. Over de vraag van Noor op het telefoonscherm. Over slapen met mijn bril naast mijn hand, zodat ik geen seconden verloor.

‘Ik vertrouw mijn lichaam niet meer,’ zei ik.

Dat was de eerste zin die echt klopte.

Met Esther maakte ik kleine afspraken. Niet gedachteloos blijven kijken. Wel de controles en alarmen gebruiken zoals afgesproken met mijn behandelteam. Opschrijven waar ik bang voor was. Bespreken welke risico’s om een handeling vroegen en welke gedachten mij alleen wakker hielden.

Het werkte niet meteen. De eerste avond hield ik het acht minuten vol zonder mijn scherm te openen. Ik schaamde me toen ik dat vertelde.

‘Dan weten we waar je begint,’ zei Esther.

Voor Noor maakten we een eenvoudig plan. Ze hoefde geen getallen te begrijpen of doseringen te controleren. Bij zorgen mocht ze mij aanspreken. Als ik niet goed reageerde, moest ze een volwassene inschakelen en bij een noodgeval 112 bellen. We oefenden ons adres. Daarna stopten we.

‘En nu ben jij klaar,’ zei ik.

‘Maar wie let er dan op?’

‘Ik. Met de dokters en andere grote mensen.’

‘Ook als ik slaap?’

‘Juist dan.’

We legden haar druivensuiker terug bij mijn voorraad.

Op vrijdag kwam haar vader Joris haar ophalen. We waren al drie jaar uit elkaar. Hij bleef meestal in de deuropening staan, maar die avond vroeg ik hem binnen.

‘Noor maakt zich zorgen,’ zei ik.

‘Dat merk ik.’

‘Waarom zei je niks?’

‘Ik wist niet of je dat van me wilde horen.’

Daar had hij een punt. Ik had elke vraag van hem behandeld alsof hij mijn geschiktheid als moeder onderzocht.

We spraken af wat hij kon uitleggen. En dat hij niet via Noor naar mijn gezondheid zou vragen.

Toen ze weg waren, was het huis stil. Ik legde mijn telefoon naast me en pakte een boek.

Na twee bladzijden wist ik niet wat ik had gelezen.

Ik begon opnieuw.

Om tien uur stuurde Joris een foto. Noor sliep met haar mond open. Geen pakje onder haar kussen. Haar hand lag om de poot van haar knuffelhond.

Ik bekeek de foto langer dan mijn glucosegrafiek.

Hoofdstuk 5

De nacht in februari

De buikgriep begon om halfzes in de ochtend.

Noor had twee dagen eerder overgegeven. Ik had lakens gewassen, beschuit gebracht en gedacht dat ik de dans ontsprongen was. Nu zat ik zelf op de badkamervloer.

De tegels waren kouder dan in de winkel. Toch was ik onmiddellijk terug op die andere vloer.

Ik pakte mijn telefoon.

Mijn waarde was hoog. Ik controleerde en volgde het ziekteplan dat mijn behandelteam met me had gemaakt. Ook mat ik ketonen. Mijn maag draaide terwijl ik naar de uitslag keek.

Dit was een van de situaties waarvoor ik moest bellen.

Ik belde.

De medewerker vroeg of ik vocht binnenhield.

‘Bijna niet.’

‘Ben je alleen?’

‘Mijn dochter slaapt hier.’

Er volgden gerichte vragen. Daarna kreeg ik te horen dat ik met spoed beoordeeld moest worden. Ik moest niet zelf rijden.

Ik belde Sanne. Ze nam bij de vierde toon op.

‘Wat is er?’

‘Ik ben ziek. Het ziekenhuis wil me zien.’

‘Ik kom.’

‘Kun je Noor meenemen?’

‘Ik kom,’ herhaalde ze.

Ik trok een joggingbroek aan en zocht mijn tas. Mijn handen gingen te snel. Ik legde mijn meter in de tas en haalde hem er meteen weer uit omdat ik dacht dat ik hem vergeten was.

Noor stond opeens in de gang.

‘Heb je weer suiker?’

‘Ik heb buikgriep. Daardoor is mijn diabetes moeilijker te regelen.’

‘Moet je naar het ziekenhuis?’

‘Ja. Om hulp te krijgen voordat het erger wordt.’

Ze keek naar mijn buik, alsof daar iets te zien was.

‘Ga je weer zo lang weg?’

‘Dat weet ik nog niet.’

Ik wilde zeggen dat ik dezelfde middag terug zou zijn. Het lag al klaar in mijn mond. Ik slikte het in.

Sanne kwam met haar jas over haar pyjama. Ze belde Joris, die Noor kon ophalen, en bleef vervolgens bij mij. Tegen de tijd dat we vertrokken, had ik opnieuw gebraakt.

Op de spoedeisende hulp kreeg ik een bakje aangereikt voordat ik mijn naam had uitgesproken.

Een verpleegkundige herkende mijn angst eerder dan ik die benoemde.

‘Eerder opgenomen geweest?’

Ik knikte.

‘Bij de diagnose. Verzuurd.’

‘Dan snap ik dat dit veel oproept. We gaan kijken hoe het nu is.’

Er werd bloed afgenomen. Ik kreeg vocht via een infuus en behandeling tegen de misselijkheid. De arts legde later uit dat ik uitgedroogd was en ketonen had, maar niet de ernstige verzuring van de eerste keer.

‘Goed dat je volgens je plan hebt gebeld.’

Ik begon te huilen van opluchting. Daarna uit boosheid.

‘Voor andere mensen is dit gewoon een emmer naast hun bed.’

‘Voor jou vraagt ziek zijn extra aandacht,’ zei hij.

Ik vond het een vreselijke zin. Vooral omdat hij waar was.

Sanne zat naast me en at een broodje kaas uit de automaat. Het plastic kraakte.

‘Kun je daarmee stoppen?’ snauwde ik.

Ze legde het broodje neer.

‘Sorry,’ zei ik.

‘Ik ga zo even op de gang eten.’

‘Je hoeft niet weg.’

‘Ik moet wel eten, Mara.’

Ik keek naar haar. Naar de donkere randen onder haar ogen. Haar ene sok was grijs en de andere zwart.

Zij had ook een ochtend gehad. Ik had daar tot dat moment niet aan gedacht.

‘Eet je broodje maar.’

Ze deed het zonder verder iets te zeggen.

Ik bleef die nacht ter observatie. Er was geen dramatische verslechtering. Dat maakte de uren niet makkelijk. De misselijkheid trok langzaam weg. Iedere slok water voelde als een proef.

Een verpleegkundige kwam mijn infuus controleren.

‘Ik heb alles gedaan wat afgesproken was,’ zei ik.

‘Dat hoor ik.’

‘En toch lig ik hier.’

Ze bleef even staan.

‘Die afspraken zijn er ook om te zorgen dat je op tijd hier bent als dat nodig is.’

Daar had ik niet aan gedacht. In mijn hoofd was goede zelfzorg een manier om nooit meer opgenomen te worden. Het bleek geen belofte. Het was een manier om te reageren.

De volgende middag mocht ik naar huis met duidelijke vervolgafspraken. Sanne bracht me. Bij de voordeur gaf ik haar haar huissleutel terug, die ik in mijn tas had gestopt.

‘Hou jij hem maar,’ zei ik daarna.

Ze stak hem aan haar sleutelbos.

Ik vond dat nog steeds moeilijk.

Ik vroeg het toch.

Hoofdstuk 6

Ruimte maken

In maart zag ik op mijn loonstrook wat minder werken betekende.

Ik zat aan tafel met de rekenmachine van mijn telefoon. Huur. Energie. Boodschappen. Schoolreisje. Mijn zorgkosten en het eigen risico. Mijn buffer was nooit groot geweest. Nu werd hij zichtbaar kleiner.

Ik schoof de envelop met de gemeentebelasting onder een folder.

Dat hielp precies zolang ik de folder niet optilde.

Tijdens een gesprek met de bedrijfsarts zei ik dat ik meer uren wilde.

‘Omdat het beter gaat, of omdat het geld opraakt?’

‘Allebei.’

Hij vroeg door. We hielden vast aan een geleidelijke opbouw. Op zijn advies zocht ik ook uit welke hulp en regelingen mogelijk waren. Het was niet het antwoord waarop ik had gehoopt. Wel het eerste gesprek waarin niemand deed alsof herstel losstond van de huur.

Erik liet me vaker bestellingen en garantieaanvragen afhandelen. Werk dat ik zittend kon doen, met vaste pauzes. Ik miste de werkplaats.

‘Ik wil geen zielig bureauhoekje,’ zei ik.

‘Het is de voorraadadministratie. Daar wordt niemand zielig van. Hooguit chagrijnig.’

Hij had gelijk over dat laatste. Ik vond zes verkeerd geboekte accu’s en een bestelling die twee keer betaald was. Voor het eerst in maanden ging ik naar huis omdat mijn werk klaar was, niet omdat ik op was.

Toch bleef de ziekte overal tussen zitten. Een sensor die losliet. Een blauwe plek op mijn buik. Een nacht waarin een alarm klonk en ik de volgende ochtend geen hele zin kon maken. Een maaltijd waarvan ik dacht dat ik hem begreep en die toch anders uitpakte.

Lotte bekeek met mij de patronen en besprak aanpassingen. Ze vroeg ook of ik wilde praten over een pomp.

‘Moet dat?’

‘Nee. Het is een mogelijkheid. Geen examen waarvoor je moet slagen.’

Ik wilde voorlopig mijn pennen houden. Er veranderde al genoeg. Het hielp dat die keuze mocht bestaan zonder dat iemand me ouderwets vond.

Via het behandelteam hoorde ik over een bijeenkomst voor mensen met diabetes. Ik ging bijna niet. Ik zag een zaaltje voor me waar iedereen voorbeeldig leefde en een sporthorloge droeg.

Het was een buurtruimte in Utrecht. De koffie was slap. Aan tafel zat een man met verf op zijn broek. Hij heette Dennis en werkte als schilder.

‘Hoe lang heb jij het?’ vroeg hij.

‘Vier maanden.’

‘Rotbegin gehad?’

‘Behoorlijk.’

Hij knikte. Geen advies. Geen vergelijking.

Een vrouw naast hem, Aïcha, trok een pakje koekjes open.

‘Wie wil?’

Ik lachte onverwacht.

‘Wat?’ vroeg ze.

‘Ik dacht dat ik hier alleen komkommer zou krijgen.’

‘Die neem jij dan volgende keer mee.’

We praatten over werk, ouders die zich bemoeiden en apparaten die aandacht vroegen op onhandige momenten. Niemand gaf mij doseringen. Niemand beweerde dat ik harder mijn best moest doen. Toen ik vertelde dat ik soms bang was om te slapen, keek niemand verbaasd.

Dennis zei: ‘Dat heb ik ook gehad. Niet elke nacht meer.’

Dat laatste was belangrijker dan een geruststelling geweest.

Thuis vertelde ik Sanne over de avond. Ze stond in mijn keuken en pakte automatisch mijn telefoon toen hij piepte.

‘Laat maar,’ zei ik.

Ze legde hem terug.

‘Ik wilde alleen kijken.’

‘Weet ik.’

Ik controleerde zelf en handelde waar nodig. Daarna zetten we thee.

‘Je hoeft niet steeds klaar te staan,’ zei ik.

Haar gezicht veranderde.

‘Vorige maand moest ik nog om zes uur hier zijn.’

‘En daar ben ik blij om. Maar ik wil ook gewoon je zus zijn.’

‘Ik weet niet wanneer ik wel en niet moet helpen.’

Dat was eerlijk. We waren allebei regels aan het verzinnen zonder ze uit te spreken.

We maakten nieuwe afspraken. Ik zou duidelijk vragen wat ik nodig had. Zij mocht weigeren als iets geen noodsituatie was. Voor spoed bleef er een plan met meerdere volwassenen, niet alleen Sanne.

Een week later vroeg ik of ze zaterdag kon oppassen.

‘Nee. Ik ben in Nijmegen.’

Mijn eerste reactie was irritatie. Daarna opluchting.

‘Goed. Ik vraag Joris.’

Die zaterdag ging ik alleen naar de bioscoop. Midden in de film controleerde ik mijn waarde. Daarna stopte ik mijn telefoon weer weg.

Ik miste een stukje dialoog.

Niet de hele avond.

Hoofdstuk 7

Tot aan het water

In juni vroeg Noor of we naar zee konden fietsen.

‘Vanaf Utrecht?’ vroeg ik.

‘Kan dat niet?’

‘Wel. Maar ik denk dat jij na Nieuwegein al een ijsje eist.’

Ze lachte.

We kozen iets haalbaarders. Met de trein naar Den Haag. Daarna met de tram naar Scheveningen. Geen prestatie, geen afstand die we moesten halen. Gewoon een dag weg, met ruimte om eerder terug te gaan.

De avond ervoor pakte ik mijn tas. Mijn medische spullen, reservebenodigdheden, snelle suikers, eten en water. Ik controleerde de voorraad en de afgesproken voorbereiding voor een actieve dag. Daarna deed ik de rits dicht.

Tien minuten later wilde ik alles opnieuw uitpakken.

Ik bleef met mijn hand op de tas staan.

Toen liep ik naar de badkamer en poetste mijn tanden.

Ik sliep onrustig. Om vijf uur was ik wakker. De neiging om af te zeggen was sterk. Ik kon zeggen dat er regen kwam. Dat de trein druk zou zijn. Noor zou teleurgesteld zijn, maar ze zou het accepteren. Ze was de laatste maanden erg goed geworden in dingen accepteren.

Daarom maakte ik om zeven uur haar gordijnen open.

‘Zee,’ zei ik.

Ze zat meteen rechtop.

Op Utrecht Centraal kocht ik koffie. Noor mocht de perronnummers zoeken. Ze liep voor me uit met een kleine rugzak die bij elke stap tegen haar billen sloeg.

In de trein vroeg ze of mijn tas naast haar mocht.

‘Waarom?’

‘Dan kan jij je benen kwijt.’

Niet om hem te bewaken. Alleen voor mijn benen.

Ik keek uit het raam tot mijn ogen niet meer prikten.

Bij Den Haag Centraal moesten we wachten op de tram. Mijn telefoon gaf een waarschuwing. Ik keek, beoordeelde de situatie volgens mijn afspraken en zei dat we even gingen zitten. Ik nam wat nodig was en hield de waarde in de gaten.

Noor ging naast me op het bankje zitten.

‘Missen we de zee?’

‘Nee. Alleen deze tram.’

Ze pakte haar stripboek.

Dat was alles. Geen paniek. Geen verontschuldiging van mij. Een volgende tram kwam later.

Op het strand waaide zand tegen onze enkels. De zee was grijs. Noor trok haar schoenen uit voordat we een plek hadden gevonden.

‘Niet te ver!’ riep ik.

‘Dat zeg je altijd!’

Ze had gelijk. Dit had niets met diabetes te maken.

Ik legde een handdoek neer en ging zitten. Mijn tas stond in de schaduw, zorgvuldig opgeborgen zoals ik had geleerd. Ik keek naar Noor, die met een stok een geul groef. Steeds als er water in liep, zakten de randen in.

Na een tijdje kwam ze naast me zitten.

‘Ben je nog ziek?’

Ik veegde zand van haar knie.

‘Ja. Mijn diabetes gaat niet weg.’

‘Maar je bent niet zoals in het ziekenhuis.’

‘Nee. Ik krijg behandeling. En ik leer beter wat ik nodig heb.’

‘Word je nog weleens bang?’

Ik dacht aan die ochtend, aan mijn hand op de tas.

‘Ja.’

‘Ik ook.’

‘Wil je zeggen wanneer?’

‘Als je lang niks zegt.’

Dat wist ik niet. Ik had gedacht dat stilte juist rust gaf.

‘Dan mag je vragen wat er is. Soms denk ik gewoon na over boodschappen.’

‘Of over fietsen.’

‘Of over fietsen.’

Ze stond op om haar geul te redden.

Bij de lunch controleerde ik wat nodig was en gebruikte mijn insulinepen. Gewoon aan tafel, met mijn spullen veilig bij me. Een man keek even op. Daarna ging hij verder met zijn eigen bord.

Maandenlang had ik gedacht dat iedereen naar mij keek. De meeste mensen hadden zelf haast, honger of een kind dat saus op zijn mouw smeerde.

Toen we thuiskwamen, zat er zand in mijn schoenen en was ik moe. Gewone moeheid en de andere moeheid door elkaar. Ik kon ze nog niet altijd scheiden.

Er lag een brief met een controleafspraak op de mat. De volgende ochtend moest ik werken. Die avond moest ik opnieuw meten, opletten en prikken. Het uitstapje had niets opgelost.

Ik had nog slechte nachten. Ik kon nog kwaad worden op een getal. Soms deed een prik pijn op een plek waar hij gisteren nauwelijks voelbaar was. Ik had hulp nodig, vaker dan ik prettig vond.

Maar Noor vroeg bij het tandenpoetsen wanneer we weer gingen.

‘Even in de agenda kijken,’ zei ik.

Niet: misschien als ik beter ben.

Later legde ik mijn spullen klaar voor de ochtend. De pennen op hun vaste plek. Mijn werktas bij de deur. Daarachter stond de schelp die Noor had meegenomen, op een schoteltje tegen het lekken.

Ik heet Mara de Bruin. Ik prik elke dag. Vaak meer dan één keer.

Morgen breng ik eerst mijn dochter naar school.