Naar de inhoud
Terug naar het boek

Mantelzorg en ouder worden

Een waardig afscheid van thuis

Bevat beschrijvingen van ziekte en zorg aan het levenseinde.

Hoofdstuk 1

De gaskraan en de koffie

Mijn naam is Dennis van Leeuwen. Ik ben achtenveertig jaar en werk als planner bij een transportbedrijf aan de haven van Dordrecht. Ik ben gewend aan overzicht. Vrachtwagens die op tijd moeten vertrekken, chauffeurs met strakke rusttijden, stapels vrachtbrieven die moeten kloppen. Mijn leven draait om schema’s die werken. Maar twee jaar geleden werkte er helemaal niets meer.

Het begon op een dinsdagmiddag in november. Ik reed uit mijn werk naar Sliedrecht, naar het dijkhuisje van mijn vader. Mijn vader heet Gerard. Hij was toen achtenzeventig. Een man van hout en staal. Veertig jaar lang had hij als scheepstimmerman gewerkt op de werven langs de Merwede. Zijn handen waren breed, vol oude littekens van beitels en zagen. Na het overlijden van mijn moeder, zes jaar eerder, was hij in dat dijkhuis blijven wonen. Stug, stil en zelfstandig. Dacht ik.

Toen ik de voordeur opendeed, sloeg de geur direct tegen mijn keel. Het was geen geur van gebakken aardappels of natte jassen. Het was de weeïge, scherpe stank van onverbrand aardgas. Mijn maag kromp ineen. Ik smeet de deur wagenwijd open, holde de gang door naar de keuken en zag de blauwe knop van het oude fornuis helemaal opengedraaid staan. Er brandde geen vlam. De lucht suisde zachtjes uit de pit.

Met één ruk draaide ik de knop dicht. Ik smeet het keukenraam open, de koude rivierwind in. Mijn hart bonkte in mijn keel.

In de woonkamer zat mijn vader. Hij zat in zijn versleten bruine leren stoel, met zijn voeten op een krukje. Op schoot lag de krant van vorige week zaterdag. De televisie stond aan, maar het beeld sneeuwde. Er klonk alleen geruis.

'Pa,' riep ik, en mijn stem sloeg over van de schrik. 'Het gas stond open. De hele keuken staat blauw.'

Hij keek langzaam op over het randje van zijn leesbril. Zijn ogen stonden flets. Waar vroeger een scherpe blik zat, zag ik nu een soort mist. Hij fronste zijn zware wenkbrauwen.

'Wat sta je nou te schreeuwen, jongen?' zei hij rustig. Zijn stem klonk gekraakt, zoals altijd. 'Ik wilde koffie zetten. Maar het water kookte niet.'

Ik liep naar het fornuis. Er stond helemaal geen fluitketel op het rooster. Er stond een leeg aluminium steelpannetje. De bodem was zwart geblakerd van eerdere keren. De geur van verbrand metaal zat diep in de kieren van het fornuis getrokken.

'Je hebt het gas opengedraaid zonder lucifer, pa. Het huis had de lucht in kunnen vliegen.'

Mijn vader legde de krant weg. Hij werd boos. Dat deed hij de laatste tijd steeds vaker als hij iets niet begreep. Zijn kaken klemden op elkaar. 'Doe niet zo overdreven, Dennis. Ik ben niet kinds. Die rotkraan hapert gewoon. Ik zal er morgen even naar kijken met de moersleutel.'

Ik keek naar zijn handen. Zijn rechterhand trilde lichtjes op zijn knie. Op het dressoir achter hem zag ik drie lege potten oploskoffie staan. Ernaast lag een pakje beschuit dat open was gescheurd, vol mierennesten van kruimels. Op de eettafel lag een ongeopende brief van het waterbedrijf, met een rode streep erop: tweede aanmaning.

Ik ging op de rand van de tafel zitten. Mijn werkschoenen voelden zwaar. De vermoeidheid trok vanuit mijn nek naar mijn slapen. 'Wanneer heb je voor het laatst warm gegeten, pa?' vroeg ik zacht.

Hij keek naar het raam, naar de grijze lucht boven de dijk. 'Gisteren. Of eergisteren. Buurvrouw Truus bracht snert.'

Ik wist dat buurvrouw Truus al een half jaar in een verzorgingshuis in Papendrecht woonde. Ze bracht helemaal niets meer.

Op dat moment wist ik dat de lijn was overschreden. Dit was geen gewone vergeetachtigheid meer van een oude man die alleen was achtergebleven. Dit was een glijdende schaal naar beneden. En ik stond erbij, met lege handen, zonder enig idee hoe ik hem moest tegenhouden.

Hoofdstuk 2

Doolhof in eigen straat

Na die middag met het gasfornuis veranderde mijn leven in een permanente alarmtoestand. Op mijn werk zat ik achter twee beeldschermen, maar mijn hoofd was voortdurend aan de overkant van de rivier. Als mijn telefoon trilde, schoot de adrenaline door mijn lijf. Was het een chauffeur met een lekke band, of de overbuurvrouw van mijn vader?

In december kwam de sneeuw. Geen dik pak, maar een smerige laag natte prut die de klinkers op de dijk spekglad maakte. Ik had afgesproken dat ik elke ochtend om half acht even belde voor ik naar de garage ging. Als hij opnam, wist ik dat hij uit bed was.

Op een vrijdagochtend ging de telefoon over. Drie keer. Zes keer. Tien keer. Niets. Alleen de monotone kiestoon.

Ik liet mijn koffiebeker staan op mijn bureau, zei tegen mijn collega Rob dat hij de ritten naar Antwerpen moest overnemen, en rende naar mijn auto. De ruitenwissers piepten over het voorruitglas. Ik reed te hard over de N3, door de tunnel, de dijk op. Mijn handen klam om het stuur.

Toen ik de bocht om kwam bij het oude gemaal, zag ik een politiebusje staan. De blauwe zwaailichten stonden uit, maar de alarmlichten knipperden. Twee agenten in gele hesjes stonden bij de opgang naar het fietspad.

In het midden stond mijn vader.

Hij droeg zijn versleten ruitjesoverhemd, een dunne pyjamabroek en geen schoenen. Alleen grijze wollen sokken, die doorweekt waren van de natte sneeuw en blubber. In zijn hand klemde hij een oude houten duimstok.

Ik smeet mijn auto langs de kant en sprong eruit. De kou sneed direct door mijn jas.

'Pa!'

Hij draaide zich om. Zijn lippen waren blauw van de kou, zijn neus liep. Hij herkende me, maar er zat geen opluchting in zijn blik. Alleen pure verwarring en een vleugje angst.

'Dennis,' zei hij met klapperende tanden. 'Ze laten me niet door. Ik moet naar de werf. De deuren van het ruim moeten afgehangen worden voor het tij keert.'

Een jonge agente met een paardenstaart stapte naar me toe. 'Bent u zijn zoon?'

'Ja. Dennis. Wat is er gebeurd?'

'Een fietser zag hem lopen op het benedendijkse pad. Hij wist niet waar hij was en weigerde mee te gaan. Hij zegt dat hij naar zijn werk moet.' Haar stem was vriendelijk, maar zakelijk. Ze had dit vaker gezien.

Ik stapte op mijn vader af. Ik pakte zijn schouders beet. Hij voelde breekbaar aan onder dat dunne hemd, magerder dan ik me herinnerde. 'Pa, kom. We gaan naar binnen. Het is koud.'

'Ik kan niet naar binnen!' schreeuwde hij ineens. Hij zwaaide met de houten duimstok. 'De baas wacht op me! Als ik te laat ben, krijg ik geen dagloon!'

Het brak mijn hart in duizend stukken. Mijn vader was zeventien jaar met pensioen. De scheepswerf waar hij over sprak, was tien jaar geleden gesloopt om plaats te maken voor nieuwbouwwoningen met uitzicht op het water. Maar in zijn hoofd voer het vrachtschip nog steeds binnen en tikte de klok van de opzichter.

'De werf is dicht vandaag, pa,' loog ik. De woorden smaakten bitter in mijn mond. 'Vanwege het ijs. Niemand vaart uit vandaag.'

Hij keek me aan. Zijn ogen zochten de mijne, priemend, alsof hij vocht tegen de mist in zijn hersenen. Heel even leek het lampje aan te gaan. De duimstok zakte omlaag.

'Het ijs?' fluisterde hij.

'Ja. Het ijs. Kom nou maar.'

Samen met de agenten leidde ik hem naar mijn auto. Zijn sokken lieten natte, zwarte sporen achter op de bekleding. Toen we zijn gang binnenstapten, voelde het huis kil en donker. De verwarming stond uit. Op de keukenvloer lag een bord met beschimmelde boterhammen. De geur van verval hing overal.

Ik zette hem op een stoel, trok zijn ijskoude sokken uit en begon met een handdoek zijn voeten droog te wrijven. Zijn huid was paars en perkamentachtig. Terwijl ik daar op mijn knieën zat voor mijn eigen vader, legde hij plotseling zijn hand op mijn kruin. Zwaar en ruw.

'Het spijt me, jongen,' mompelde hij heel zacht. 'Ik wist de weg even niet meer.'

Ik boog mijn hoofd dieper zodat hij de tranen in mijn ogen niet kon zien. 'Geeft niet, pa,' zei ik. 'We zijn weer thuis.' Maar ik wist dondersgoed dat 'thuis' al lang niet meer bestond.

Hoofdstuk 3

Het schema van plakband

Na het incident op de dijk begon mijn tweede baan: mantelzorger, beheerder en bewaker. Ik kocht felgekleurde post-its, een whiteboard met dikke zwarte stiften en een nieuw digitaal klokje dat met grote letters aangaf: DONDERDAG OCHTEND.

Ik plakte briefjes op de deuren: DE DEUR IS OP SLOT. DE SLEUTEL HEEFT DENNIS. NIET AAN DE KACHEL DRAAIEN. DENNIS KOMT OM VIJF UUR.

Ik regelde thuiszorg via de huisarts. Twee keer per dag zou er iemand langskomen. 's Ochtends om te helpen met wassen en aankleden, 's avonds voor de pillen en een warme maaltijd van de tafeltje-dek-je service. Ik dacht dat het systeem waterdicht was. Ik dacht dat je een menselijke geest kon repareren met discipline en strakke planning, net zoals een verstoord rittenschema in de haven.

Wat was ik naïef.

Binnen twee weken lagen de gele briefjes verfrommeld in de prullenbak. Mijn vader trok ze van de muur omdat hij dacht dat het reclamefolders waren. De thuiszorg belde me al op de derde dag op mijn werk.

'Meneer Van Leeuwen? Met Sandra van de zorg. Uw vader doet de deur niet open. Hij staat achter het glas te zwaaien met een schroevendraaier en zegt dat we dieven zijn.'

Ik moest weer weg van de planning. Weer die rit over de N3, met het stuur vastgeklemd tussen mijn vingers tot mijn knokkels wit zagen. Toen ik aankwam, stond de jonge verzorgster bibberend op het stoepje. Binnen stond mijn vader, met zijn jas verkeerd dichtgeknoopt, het gezicht rood van woede.

Toen ik binnenging, vloog hij tegen me uit.

'Jij laat vreemd volk binnen!' brieste hij. Hij wees met een trillende vinger naar Sandra. 'Ze snuffelen in mijn kasten! Mijn spaargeld uit het blikje onder de vloer is weg! Heb jij dat gepakt? Heb jij mijn geld gestolen?'

Het kwam als een vuistslag in mijn maag. Mijn vader, die me had geleerd dat je van andermans spullen afblijft, die elke cent eerlijk had verdiend op de helling, beschuldigde mij van diefstal.

'Pa, niemand pakt je geld,' zei ik, en ik probeerde mijn stem rustig te houden, maar vanbinnen kookte het. 'Er ligt helemaal geen geld onder de vloer. Je hebt een bankrekening.'

'Lieg niet tegen me!' schreeuwde hij. Speeksel vloog uit zijn mondhoeken. 'Jullie spannen samen. Jullie willen me hier weghebben. Dat rotwijf van daarnet heeft mijn trouwring gepakt!'

Zijn trouwring zat om zijn eigen vinger. Hij zat er zo strak omheen dat het vel eromheen opgezwollen was. Ik wees ernaar. 'Hij zit om je hand, pa. Kijk dan.'

Hij keek naar zijn hand. Even stokte zijn adem. Hij staarde naar het goud, naar zijn eigen knokkels. De woede verdween uit zijn ogen en maakte plaats voor een diepe, lege schaamte. Hij draaide zich om en liep schuifelend naar de kamer, zonder nog een woord te zeggen.

Sandra keek me meelevend aan. 'Het is het decorumverlies, meneer Van Leeuwen. Het hoort bij het ziektebeeld. U moet het niet persoonlijk opvatten.'

'Niet persoonlijk?' fluisterde ik toen ze weg was. Ik leunde tegen het aanrecht. De gootsteen stond vol met kommen waarin aangekoekte pap dreef. 'Hij is mijn vader.'

In de weken daarna sliep ik nauwelijks meer dan drie uur per nacht. Mijn telefoon lag naast mijn kussen met het geluid op maximaal. Ik at slecht, leefde op koffie en kantinebroodjes. Op mijn werk begon ik fouten te maken. Twee vrachtwagens stonden een hele ochtend stil bij een douanepost omdat ik de verkeerde documenten had doorgestuurd. Mijn baas riep me op kantoor.

'Dennis,' zei hij. 'Je bent er niet met je kop bij. We zien het allemaal. Dit hou je niet vol.'

'Het gaat wel,' loog ik.

'Het gaat niet,' zei hij. 'Kijk eens in de spiegel.'

Ik keek die avond in de spiegel boven de wastafel in Sliedrecht. Ik zag een man met diepe, zwarte kringen onder zijn ogen, een grauwe huid en dof haar. Ik zag een man die aan het verdrinken was terwijl hij probeerde iemand te redden die niet eens meer wist dat hij in het water lag.

Hoofdstuk 4

De nachtelijke val

Het dieptepunt kwam in februari. Het was een dinsdagnacht, half vier. Buiten gierde een noordoosterstorm over de daken van Dordrecht. De regen kletterde tegen mijn slaapkamerraam.

Mijn telefoon ging. Geen trilling, maar de harde, snerpende beltoon die ik had ingesteld voor noodgevallen. Ik zat meteen rechtop in bed, mijn hartslag bonzend in mijn oren.

Het was de meldkamer van het alarmsysteem. Twee weken eerder had ik een halsalarm om vaders nek gehangen met de belofte dat hij er alleen op mocht drukken als er iets ergs was.

'Meneer Van Leeuwen? Er is een valalarm binnengekomen vanaf het adres van uw vader. We krijgen geen contact via de spreek-luisterverbinding.'

'Ik ben onderweg,' zei ik hees.

Ik trok een spijkerbroek over mijn boxershort aan, gooide een trui over mijn hoofd en rende naar buiten zonder sokken in mijn schoenen. De rit naar het dijkhuisje leek uren te duren, hoewel het maar tien minuten was. Het asfalt glom zwart in het licht van de lantaarnpalen. Takken waaiden over de weg.

Toen ik de voordeur opendeed, hoorde ik direct een zacht, ritmisch gekreun.

'Pa?'

Ik rende door de gang. Het licht in de keuken brandde fel. Daar lag hij.

Hij lag op de koude tegelvloer, tussen de keukentafel en de ijskast. Zijn benen lagen in een vreemde, gedraaide hoek. Zijn pyjamabroek was nat. Er lag een plas urine om hem heen, vermengd met een gebroken koffiemok en gemorste suiker. Hij had geen kussen, niets. Zijn gezicht lag tegen de harde plint gedrukt.

'Pa!' Ik liet me op mijn knieën vallen, recht in de nattigheid. Het kon me niets schelen. 'Wat is er gebeurd? Waar heb je pijn?'

Hij kreunde zachtjes. Zijn huid voelde ijskoud aan, als marmer. Hij rilde over zijn hele lichaam, zulke hevige schokken dat zijn tanden op elkaar klapperden.

'Koud...' bracht hij uit. 'Zo koud, Dennis.'

'Ik ga de ambulance bellen. Blijf liggen.'

'Nee,' fluisterde hij plotseling fel. Hij greep met zijn koude, klamme hand mijn pols vast. Zijn greep had nog verrassend veel kracht. 'Geen ziekenhuis. Alsjeblieft. Ze houden me daar vast. Laat me hier niet weghalen.'

Ik keek naar hem. Er zat een grote, blauwe bloeduitstorting op zijn slaap waar hij de rand van de tafel had geraakt. Zijn ogen stonden wijd open van pure paniek. Niet de paniek van de dementie, maar de oeroude angst van een dier dat in een val zit.

'Pa, ik moet kijken of er iets gebroken is,' zei ik met een brok in mijn keel.

Ik voelde voorzichtig aan zijn heupen, zijn benen. Hij schreeuwde het niet uit, maar kromp ineen. Godzijdank leek er niets gebroken, maar hij lag er waarschijnlijk al uren. Sinds middernacht? Sinds één uur? De gedachte dat hij daar urenlang in zijn eigen vuil op die vrieskoude vloer had gelegen, roepend om hulp die niet kwam, sneed als een scheermes door mijn ziel.

'Kom maar,' zei ik. 'Ik til je op.'

Ik schoof mijn armen onder zijn rug en zijn knieën. Vroeger tilde hij mij met één arm op zijn schouders als we naar het voetballen gingen kijken. Nu woog hij bijna niets meer. Hij rook naar oude zweet, urine en kou. Ik zette mijn tanden op elkaar, spande mijn rugspieren en tilde hem overeind.

Hij klemde zijn armen om mijn nek. Hij huilde. Grote, schokkerige tranen liepen over zijn ongeschoren wangen in mijn hals. Een volwassen man van bijna tachtig die huilde als een klein kind.

'Ik kan het niet meer, jongen,' snikte hij tegen mijn oor. 'Mijn hoofd doet het niet meer. Ik kan het niet meer.'

Ik droeg hem naar de woonkamer, legde hem op de bank en trok twee dikke wollen dekens over hem heen. Ik zette de gaskachel hoog, pakte een teiltje warm water en waste zijn gezicht en zijn benen schoon. Ik gaf hem droge kleren aan. Mechanisch, zonder na te denken, als een robot.

Pas toen hij een uur later eindelijk sliep, zachtjes snurkend onder de dekens, liep ik naar buiten. Ik ging op de dorpel van de achterdeur zitten in de stromende regen. De koude druppels spoelden over mijn hoofd, maar ik voelde het nauwelijks.

Ik sloeg mijn handen voor mijn gezicht en brak. Ik huilde zo hard dat mijn borstkas pijn deed. Ik huilde om hem, om het verlies van de sterke man die hij was geweest, en om mezelf. Ik kon dit niet meer. Als ik hem niet losliet, ging ik zelf kapot. En dat was het moment waarop ik de beslissing nam die ik maandenlang voor me uit had geschoven.

Hoofdstuk 5

De handtekening die wringt

Drie dagen na de nacht van de val zat ik aan de keukentafel met Anke. Anke was onze casemanager dementie, een vrouw van begin vijftig met een rustige stem en een map vol formulieren. Ze droeg een praktische wollen trui en had het soort kalmte over zich dat je alleen krijgt als je dit werk al twintig jaar doet.

Mijn vader lag in de kamer op de bank te slapen. De televisie stond zachtjes aan op Omroep Max.

'Je hoeft je niet te schamen, Dennis,' zei Anke terwijl ze een kop zwarte koffie voor zichzelf inschonk. 'Je hebt het langer volgehouden dan de meeste kinderen. Veel langer.'

'Het voelt als opgeven,' zei ik. Mijn stem klonk dof. Ik staarde naar de nerf van het formica tafelblad. 'Ik heb hem beloofd dat hij hier kon blijven. Toen ma stierf, stond ik bij haar bed. Ik zei: "Ik zorg voor pa." Dit voelt als verraad.'

Anke zette haar mok neer en keek me strak aan. Geen medelijden, maar pure eerlijkheid. 'Dennis, luister naar me. Jouw vader zorgen is niet hetzelfde als hem laten verwaarlozen in zijn eigen huis. Als hij hier blijft, breekt hij de volgende keer zijn heup. Of hij steekt de boel in brand. Dan eindigt hij met spoed op een gesloten afdeling in een vreemde stad waar toevallig een bed vrij is. Wil je dat?'

'Nee,' zei ik.

'Dan moeten we nu schakelen. We hebben de indicatie binnen: Zorgprofiel VV 5. Beschermd wonen met intensieve dementiezorg. Er is een plekje vrijgekomen in De Merwelanden. Kleinschalig wonen. Zes bewoners per huiskamer. Eigen kamer, uitzicht op het park. Het is een goede plek.'

Ze schoof een formulier naar me toe. Een aanvraag voor opname, en de papieren voor het aanvragen van mentorschap en bewindvoering bij de rechtbank. De zwarte inkt leek wel gloeiend heet.

Ik pakte de balpen. Mijn vingers voelden stijf.

In dat formulier stond alles wat mijn vader niet meer was. 'Niet meer in staat tot zelfregie.' 'Gevaar voor eigen fysieke veiligheid.' 'Ernstig gestoord tijds- en plaatsbesef.' Een heel mensenleven van zwoegen, bouwen en voor anderen zorgen gereduceerd tot medische codes en vinkjes in vakjes.

'Moet hij zelf niet tekenen?' vroeg ik zacht.

Anke schudde haar hoofd. 'Hij is wilsonbekwaam verklaard door de specialist ouderengeneeskunde van vorige week. Je weet hoe dat gesprek ging, Dennis. Hij wist niet meer welk jaar het was. Hij dacht dat koningin Juliana nog regeerde.'

Ik knikte langzaam. Ik herinnerde het me maar al te goed. De arts had gevraagd: "Meneer Van Leeuwen, wie is deze man naast u?" Mijn vader had naar mij gekeken, zijn wenkbrauwen gefronst en gezegd: "Dat is mijn broer Henk." Henk was dertig jaar geleden verdronken bij de Biesbosch.

Ik zette de punt van de pen op het papier. Mijn hand trilde een beetje, precies zoals de hand van mijn vader had getrild bij het gasfornuis. Ik schreef mijn naam: *D. van Leeuwen*.

Het geluid van de pen over het papier klonk angstaanjagend luid in de kille keuken.

Toen ik mijn handtekening zette, voelde het alsof ik een vonnis tekende. Een vonnis over zijn vrijheid. De vrijheid om naar buiten te lopen wanneer hij wilde, om zijn eigen rotzooi te maken, om naar de rivier te kijken vanuit zijn eigen raam.

'Wanneer?' vroeg ik, terwijl ik de pen neerlegde.

'Volgende week donderdag,' zei Anke. Ze pakte de papieren netjes bij elkaar en schoof ze in haar map. 'Om tien uur 's ochtends. Ik raad je aan om van tevoren zijn kleren alvast te brengen, zodat zijn kamer een beetje ingericht is als hij aankomt. Een bekende stoel, wat foto's. Dat verzacht de overgang.'

'En wat zeg ik tegen hem?'

Anke zweeg even. Ze keek naar de deuropening van de woonkamer, waar het zachte gesnurk van mijn vader vandaan kwam. 'Zeg de waarheid niet helemaal,' zei ze zacht. 'Zeg dat het huis geschilderd moet worden. Of dat hij gaat revalideren voor zijn benen. Als je zegt dat het voor altijd is, maak je hem doodsbang. Dat verdient hij niet.'

Ik knikte, maar vanbinnen walgde ik van mezelf. Ik moest gaan liegen tegen de man die me had geleerd altijd de waarheid te spreken. Maar de waarheid was een hamer geworden, en mijn vader had geen schild meer om de klappen op te vangen.

Hoofdstuk 6

Het laatste doosje schroeven

Het weekend voor de verhuizing stond ik alleen in het dijkhuis. Mijn vader logeerde voor een paar dagen op de respijtafdeling van het ziekenhuis zodat ik mijn handen vrij had. Het huis rook naar leegte en koude as.

Ik had zes verhuisdozen gekocht bij de bouwmarkt. Zes. Meer paste er niet in een kamer van vierentwintig vierkante meter in De Merwelanden.

Probeer maar eens vijftig jaar huwelijk, zeventig jaar herinneringen en een hele werkplaats vol gereedschap terug te brengen tot zes kartonnen dozen. Waar begin je?

Ik begon in de schuur. De werkplaats van mijn vader. Het rook er naar lijnzaadolie, roest en oud zaagsel. Langs de wanden hingen zijn zagen, allemaal netjes ingevet, de tanden geslepen. Boven de werkbank stonden tientallen glazen potjes aan de planken geschroefd met hun deksels: spijkers van twee duim, koperen klinknagels, schroeven met platte kop. Alles op maat, alles gerangschikt met de precisie van een vakman.

In de hoek stond zijn oude houten blokschaaf. Het hout van de zool was donker en spiegelglad geworden door de duizenden kilometers die hij over eiken- en teakhout had afgelegd. Ik pakte de schaaf op. Hij voelde zwaar en vertrouwd in mijn hand. Ik rook aan het hout. De geur van mijn jeugd. Zaterdagochtenden waarop ik op een krukje zat te kijken hoe de houtkrullen als blonde krullen over de werkbank rolden.

Ik legde de schaaf in doos nummer één.

Daarna ging ik naar de woonkamer. Zijn bruine leren stoel moest mee, hadden ze gezegd. Die gaf herkenning. Maar de stoel was aan de leuningen doorgesleten tot op het schuimrubber. Een van de poten zat los. Ik draaide er provisorisch een lange houtschroef in zodat hij niet zou wiebelen.

Op de schoorsteenmantel stonden de foto's. Mijn moeder in haar trouwjurk, met een suikerspinkapsel en een verlegen lach. Een zwart-witfoto van mij als peuter op een driewieler, met mijn vader erachter in een overall. Ik pakte de lijstjes in tussen theedoeken.

In de slaapkamer trok ik zijn kledingkast open. Tientallen overhemden, allemaal gewassen en gestreken door mijn moeder, jaren geleden, hangend aan plastic hangertjes. Veel kleren waren veel te groot geworden. Ik zocht de kleding uit die gemakkelijk aan en uit kon: broeken met elastiek, vesten met een rits in plaats van knopen. De verzorgers hadden me gewaarschuwd: 'Geen moeilijke knopen, meneer Van Leeuwen, dat levert alleen maar frustratie op bij het aankleden.'

Mijn trotse vader, in broeken met elastiek. Het deed fysiek pijn om die kleren in de doos te vouwen.

Onderin de kast vond ik een blikken sigarendoosje van Willem II. Ik maakte het open. Er lagen geen sigaren in. Er lagen spullen in die hij kennelijk had bewaard: mijn eerste zwemdiploma, een koperen scheepspenning van de tewaterlating van de sleepboot *Volharding* uit 1974, en een klein gouden kettinkje met een kruisje van mijn moeder.

Ik ging op de rand van het kale matras zitten met het blikje op schoot. Ik keek om me heen. De kringen op het behang waar schilderijtjes hadden gehangen. De slijtplek in het zeil voor het bed, precies waar hij vijftig jaar lang elke ochtend zijn voeten had neergezet om op te staan.

Dit huis was geen stapel stenen. Het was een museum van zijn leven. En ik was degene die het museum aan het ontmantelen was. Ik voelde me een inbreker, een vandaal die met kartonnen dozen het fundament onder iemands bestaan weghaalde.

Ik pakte een doosje met oude koperen schroefjes uit de schuur. Ik stopte het in mijn jaszak. Gewoon, om iets tastbaars bij me te hebben. Iets van hem dat nog klopte. Iets dat niet verward, bang of kapot was.

Hoofdstuk 7

De deur valt in het slot

Donderdagochtend tien uur. Het weer was grijs en stil, alsof de wereld even haar adem inhield. Geen regen, geen wind, alleen een klamme nevel die over de polder hing.

Ik haalde mijn vader op bij de tijdelijke afdeling. Hij was rustig. Te rustig. Ze hadden hem een lichte rustgever gegeven om de verhuizing soepel te laten verlopen. Hij zat in de auto met zijn nette blauwe overjas aan, zijn handen gevouwen op zijn schoot. Zijn haren waren netjes gekamd met wat water.

'Gaan we naar huis?' vroeg hij toen we de dijk afreden.

Ik keek in de achteruitkijkspiegel. Ik slikte de brok in mijn keel weg. 'We gaan eerst even ergens anders kijken, pa. Een plek waar je benen wat beter kunnen rusten.'

Hij keek uit het zijraam naar de schepen op de rivier. 'Mooi water vandaag,' zei hij. 'Weinig stroom.' Hij leek de leugen niet eens te registreren.

De Merwelanden was een modern, laag gebouw met veel glas en rode bakstenen. De automatische schuifdeuren gleden open met een zacht gesis. De geur sloeg meteen naar binnen: een mengsel van boenwas, warm eten, wasverzachter en die typische, ongrijpbare geur van ouderdom die je in elk verpleeghuis ruikt.

We liepen door een lange gang met linoleum op de vloer. Aan de wanden hingen oude foto's van Dordrecht en de scheepswerven. Goed bedoeld, maar het voelde kunstmatig. Als een decor.

Kamer 14. Op de deur hing een houten naambordje: *G. van Leeuwen*.

Ik deed de deur open. Ik had mijn best gedaan. Zijn leren stoel stond bij het raam, met het uitzicht op een vijver en een paar treurwilgen. Zijn scheepsschaaf lag op de vensterbank. De foto van mijn moeder stond op het nachtkastje. Het dekbedovertrek van thuis lag op het smalle, hoge zorgbed.

Mijn vader schuifelde naar binnen. Hij leunde zwaar op zijn stok. Hij keek rond. Zijn blik dwaalde langs de witte muren, het railsysteem aan het plafond voor een eventuele tillift, de rode alarmknop naast het bed.

'Wiens hut is dit?' vroeg hij.

'Van jou, pa,' zei ik. 'Dit is jouw kamer voor nu.'

Hij liep naar het raam en keek naar buiten. 'Er vaart hier niks,' zei hij teleurgesteld. 'Geen spitsen, geen duwboten. Alleen maar eenden.'

Een jonge verzorgster met een opgewekt gezicht kwam binnen. Ze heette Chantal. 'Goedemorgen meneer Van Leeuwen! Fijn dat u er bent. We hebben net verse koffie in de huiskamer. Heeft u zin in een bakkie met een stroopwafel?'

Mijn vader keek haar aan. Hij zette zijn kapiteinsblik op, die oude houding van vroeger waarmee hij op de werf liet zien dat er niet met hem gesold werd. 'Ik drink mijn koffie thuis, juffrouw.'

'Dat begrijp ik,' zei Chantal vriendelijk, zonder te wijken. 'Maar de koffie is hier ook best lekker hoor. Komt u maar even kennismaken met de buurman. Die heeft vroeger ook gevaren.'

Dat woord raakte hem. 'Gevaren?'

'Ja. Op de Rijn.'

Mijn vader keek naar mij. Zijn ogen zochten naar houvast, naar toestemming. 'Ga maar even kijken, pa,' zei ik. Mijn stem trilde. 'Ik blijf hier nog even je spullen uitpakken.'

Hij knikte langzaam. Hij liep achter Chantal aan, voetje voor voetje, zijn rug kromgebogen onder de blauwe jas. Bij de deur van de kamer draaide hij zich nog één keer om. Hij zwaaide niet. Hij keek me alleen maar aan met een blik die zei: *Ik weet het wel, jongen. Maar ik kan er niets meer aan doen.*

Toen hij de gang door was, ging ik op zijn leren stoel zitten. Ik keek naar de klok aan de muur. Die tikte genadeloos door. Een seconde, nog een seconde.

Ik pakte zijn overhemden uit de doos en legde ze in de witte kledingkast. Ik zette zijn pantoffels onder het bed. Ik legde het doosje met koperen schroefjes op zijn nachtkastje, naast de foto van mijn moeder.

Om half twaalf liep ik naar de huiskamer. Mijn vader zat aan een grote houten tafel. Voor hem stond een plastic bekertje met koffie. Naast hem zat een oude vrouw die zachtjes voor zich uit prevelde. Mijn vader staarde naar de stroopwafel op zijn schoteltje. Hij at hem niet op.

Ik liep naar hem toe en legde mijn hand op zijn schouder. 'Ik ga ervandoor, pa. Ik kom zaterdag weer.'

Hij keek op. De nevel in zijn ogen leek weer dikker te zijn geworden. 'Ga je naar de dijk?'

'Ja,' zei ik.

'Doe de achterdeur goed op de knip,' zei hij zacht. 'Het tocht altijd zo bij het washok.'

'Zal ik doen, pa.'

Ik bukte me en kuste hem op zijn wang. Zijn stoppelbaard prikte tegen mijn lippen. Hij rook naar de lavendelzeep van het tehuis. Niet meer naar teer. Niet meer naar thuis.

Ik liep door de gangen, langs de foto's van de schepen, door de automatische deuren naar buiten. De koude lucht sloeg in mijn gezicht. Het voelde als een bevrijding en een nekslag tegelijk.

Ik stapte in mijn auto en reed terug naar Sliedrecht. Naar het dijkhuisje.

Toen ik de voordeur opendeed, was het er muisstil. Geen getik van een klok, geen geruis van de televisie, geen geur van gas. Alleen de geur van een leeg huis waar vijftig jaar leven zojuist was weggezogen.

Ik liep naar het washok. Ik deed de achterdeur dicht en draaide de sleutel om. Twee slagen. De grendel viel met een harde, doffe klik in het slot.

Ik leunde met mijn voorhoofd tegen het koude hout van de deur en bleef daar staan. Het was voorbij. Hij was veilig. Hij had een bed, hij had zorg, hij zou niet meer vallen op de keukenvloer.

Maar ik had nog nooit in mijn hele leven zo intens verloren.