Liefde, relaties en gezin
Een tweede kans op liefde
Hoofdstuk 1
De kille gang
De klap van de voordeur trilde na in de betonnen vloer. Het was zondagavond, iets over zeven. De flat was in één klap doodstil.
Ik bleef in het midden van de gang staan met een vieze theedoek in mijn hand. Op de vloer lag een lege zak paprikachips en een enkele sportsok van Milan. Mijn zoon van veertien. Hij had niet eens gedag gezegd toen zijn moeder beneden toeterde. Hij had zijn rugzak over zijn schouder gegooid, zijn capuchon opgezet en was de trap af gestampt. Sophie van tien had me tenminste nog een snelle knuffel gegeven. Een vluchtige druk tegen mijn buik, haar vlecht kriebelend tegen mijn kin. Daarna was ook zij weg gerend.
Ik heet Dennis van de Berg. Ik ben drieënveertig jaar en ik woon in Deventer, in een portiekflat drie hoog achter. Ik werk als allround timmerman bij een woningcorporatie. Met mijn handen werken snap ik. Als een kozijn rot is, zaag je het slechte hout eruit. Je zet er een nieuw stuk tussen, vult de naden met tweecomponentenpasta, schuurt het vlak en zet het in de grondverf. Na drie dagen zie je er niks meer van. Dan is het weer sterk.
Met mensen werkt dat niet zo. Zeker niet na een scheiding.
Laura en ik waren veertien jaar getrouwd geweest. Het ging niet met een grote knal kapot, maar met een langzame slijtage. Alsof iemand elke week een paar korrels zand in de tandwielen gooide. We praatten alleen nog over de hypotheek, over wie Sophie naar turnen bracht en wie de kliko aan de weg zette. Op het laatst sliepen we met de ruggen naar elkaar toe. Drie jaar geleden hakte Laura de knoop door. Ze wilde meer van het leven, zei ze. Ik kon haar geen ongelijk geven, maar de klap was hard.
Nu leefde ik in twee werelden. De ene week was ik vader. Dan kookte ik pasta, hielp ik met wiskunde en deed ik alsof het gezellig was in een woning van zeventig vierkante meter. De andere week was ik een spook. Dan kwam ik thuis van mijn werk met zaagsel in mijn haar, zette de televisie aan voor het geluid en at magnetronmaaltijden rechtstreeks uit het plastic bakje.
Ik dacht dat het zo zou blijven tot mijn pensioen. Werk, kinderen, stilte. Ik had er vrede mee gesloten. Dacht ik.
Tot die donderdag in oktober.
We waren bezig met het renoveren van de houten gevels van een buurtcentrum vlak bij het tuincentrum aan de rand van de stad. Rond het middaguur liep ik naar de overkant om een broodje te halen in de lunchroom van het tuincentrum. Het regende pijpenstelen. Buiten bij de overkapping stond een vrouw op een houten ladder. Ze probeerde een zware rol plastic zeil over een partij tuinmeubels te trekken. De wind greep het zeil. De ladder wiebelde op de natte tegels.
Zonder na te denken zette ik mijn pas erin. Ik greep de onderkant van de ladder beet en hield die met mijn volle gewicht tegen de grond.
'Rustig aan!' riep ik tegen de wind in. 'Niet springen!'
Ze keek naar beneden tussen de sporten door. Ze droeg een donkergroene werkjas met moddervegen op de mouwen. Onder een zwarte wollen muts kwamen plukken donkerblond haar vandaan. Haar ogen waren felblauw, een beetje geschrokken maar vooral nuchter.
'Als jij dat zeil even pakt, zet ik mijn voet op de balk,' zei ze met een hese stem. Geen gegil, geen paniek. Gewoon praktisch.
Ik pakte de zware flap plastic en trok het strak over de hoek. Samen kregen we het spul vast met een paar spanbanden. Toen ze van de ladder af stapte, veegde ze haar natte handen af aan haar werkbroek. Ze had brede schouders en kleine lachrimpels rond haar mond. Ze was geen meisje meer. Ze leek me rond de veertig.
'Dank je,' zei ze. 'Dat had een lelijke smak kunnen worden.'
'Geen dank,' zei ik. Mijn werkhandschoenen waren doorweekt. 'Ik zag het ding schuiven.'
'Ik ben Nelleke,' zei ze. Ze stak haar hand uit. Haar handdruk was stevig en warm, ondanks de koude regen.
'Dennis.'
'Nou, Dennis. Je hebt net voorkomen dat de bedrijfsleider me uitscheldt voor een natte krant. Lust je koffie?'
We dronken koffie uit kartonnen bekertjes onder het afdak, terwijl het water langs de zinken dakgoten kletterde. Ze vertelde dat ze de plantenafdeling deed. Ze had een zoon van twaalf, Bram. Ze woonde vijf kilometer verderop in Diepenveen. Gescheiden, al vier jaar. Gewoon, kort door de bocht, zonder zielig gedoe.
Toen ik twintig minuten later terugliep naar de bouwplaats, merkte ik dat ik floot. Dat had ik in geen drie jaar gedaan.
Hoofdstuk 2
Koffie aan de rivier
Twee weken later zag ik haar weer. Niet bij toeval. Ik had drie keer langs het tuincentrum gereden in mijn witte werkbus voordat ik de moed had om de parkeerplaats op te draaien. Mijn hart klopte in mijn keel alsof ik weer een puber van zestien was. Belachelijk, vond ik zelf. Een vent van drieënveertig met eelt op zijn knokkels die bang is om een vrouw aan te spreken.
Ze stond binnen bij de buitenplanten. Ze snoeide dorre takken van struiken met een snoeischaar. Ze droeg een spijkerbroek en een dikke trui. Toen ze me zag aankomen, legde ze de schaar neer en veegde haar voorhoofd af met haar pols.
'Kijk eens aan,' zei ze. De scheve tand rechtsboven maakte haar lach ontwapenend. 'De timmerman.'
'Ik zocht een zak potgrond,' loog ik slecht.
'Potgrond staat bij de kassa. Dit zijn heesters.'
Ik keek naar mijn werkschoenen. 'Ja. Weet ik eigenlijk ook wel.'
Ze glimlachte. 'Wanneer ben je klaar met werken?'
Zo begon het. We spraken af bij het pontje over de IJssel. Het was een heldere woensdagmiddag aan het begin van november. De wind sneed over het water. We liepen over de uiterwaarden met twee bekers koffie van de kiosk. Onze schouders raakten elkaar af en toe tijdens het lopen.
Nelleke liep stevig door. Ze vertelde over haar zoon Bram. Een jongen met een gebruiksaanwijzing, noemde ze hem. Druk, snel boos als dingen anders liepen dan gepland, maar met een gouden hart. Haar ex-man woonde in Groningen en keek nauwelijks naar het kind om. Ze deed het alleen. Dag in, dag uit.
'En jij?' vroeg ze. 'Hoe zit het met jouw clubje?'
Ik trapte tegen een platte kiezelsteen aan. 'Milan is veertien. Die praat tegenwoordig alleen nog met zijn schouders. Ophalen, laten zakken. Sophie is tien. Die probeert het voor iedereen goed te doen. En Laura... tja. We praten alleen als het echt moet. Ze woont met haar nieuwe vriend in Colmschate. Een vent van de bank.'
'Doet het nog pijn?' vroeg ze direct. Geen omwegen bij Nelleke.
Ik dacht even na. 'Het huis kwijtraken deed pijn. De kinderen maar de helft van de tijd zien, dat vreet aan me. Alsof ik parttime vader ben. Maar Laura en ik... nee. Dat vuur was al jaren uit. We hielden elkaar alleen maar gevangen.'
Ze knikte langzaam. Haar wangen waren rood van de kou. 'Het is zwaar, Dennis. Alleen achterblijven. Iedereen zegt dat je opnieuw moet beginnen, maar niemand vertelt je hoe dat moet als de wasmand vol ligt en je kind huilt om niks.'
We bleven staan bij de rand van het water. Een leeg vrachtschip voer stroomopwaarts voorbij. De boeggolf klotste tegen de basaltblokken.
'Ik dacht dat ik het niet meer kon,' zei ik zacht. 'Iemand leuk vinden.'
Nelleke keek me aan. Ze deed een stap dichterbij. Ze rook naar dennengroen en koude buitenlucht. 'Ik dacht het ook. Maar volgens mij bepalen we dat niet zelf.'
Ze pakte mijn hand. Haar vingers waren koud, maar haar greep was vast. Ik kneep zachtjes terug. Voor het eerst in jaren voelde ik de knoop in mijn maag losser worden. De zwaarte die altijd op mijn schouders drukte sinds de scheiding, leek een paar centimeter omhoog te komen.
We spraken vaker af. De donderdagen dat ik de kinderen niet had, aten we samen bij haar thuis. Haar huis rook naar verse soep en houtrook van de kachel. Het was er een beetje rommelig, maar warm. Niet zoals mijn kille galerijflat waar alles netjes op zijn plek stond omdat er niemand was om het te verplaatsen.
We vreeën voor het eerst op een regenachtige zaterdagavond. Het was niet onhandig of gehaast. Het was eerlijk. Twee lichamen met littekens, met striae en een beetje te veel buik, maar hongerig naar aanraking. Toen ze die nacht tegen mijn borst in slaap viel, luisterde ik naar haar rustige ademhaling. Ik dacht: misschien heb ik geluk. Misschien krijgt een mens toch een tweede kans, als hij maar lang genoeg wacht.
Ik wist toen nog niet hoe breekbaar dat geluk was.
Hoofdstuk 3
Het bos op zondag
Na vier maanden vonden we dat het tijd was. De kinderen moesten elkaar ontmoeten. Je kunt niet eeuwig in een bubbel blijven leven van geheime avondjes en stiekeme telefoontjes in de schaftkeet.
We kozen voor een neutrale plek. De Sallandse Heuvelrug. Wandelen in het bos, daarna pannenkoeken eten in het restaurant bij de parkeerplaats. Een beproefd concept, dacht ik naïef.
De spanning begon al in mijn auto. Milan zat voorin. Hij had zijn oortjes in en keek strak uit het zijraam. Sophie zat achterin. Ze friemelde zenuwachtig aan de rits van haar jas.
'Is Bram aardig, papa?' vroeg ze voor de vierde keer.
'Bram is twaalf,' zei ik rustig. 'Hij houdt van lego en hutten bouwen. Hij is vast heel gezellig.'
'En die mevrouw?'
'Nelleke. Ze heet Nelleke, schat. Ze is heel lief.'
Milan snoof minachtend door zijn neus. Hij zei niks, maar het geluid was luid genoeg.
'Wat is er, Milan?' vroeg ik terwijl ik de N348 op draaide.
'Niks,' zei hij zonder me aan te kijken. 'Boeit me gewoon niet.'
'Doe tenminste een beetje normaal straks. Voor mij.'
'Ik doe toch normaal? Ik zit hier gewoon.'
Op de parkeerplaats stond Nelleke al te wachten bij haar oude rode Toyota. Bram stond naast haar. Hij had een felgeel jack aan en schopte ritmisch tegen een boomstronk. Zodra we uitstapten, kwam Nelleke naar ons toe met een grote glimlach. Ze zag er leuk uit in haar bruine laarzen en wollen jas, maar ik zag aan haar ogen dat ze net zo gespannen was als ik.
'Hoi allemaal!' zei ze opgewekt. 'Wat fijn dat jullie er zijn.'
Sophie mompelde een beleefde 'hallo' en kroop direct achter mijn rug. Milan hield zijn handen diep in zijn jaszakken en knikte nauwelijks.
'Dit is Bram,' zei Nelleke. Ze legde een hand op de schouder van haar zoon.
Bram keek niet naar Milan of Sophie, maar wees naar een eekhoorn hoog in een berk. 'Die beesten hebben vlooien,' zei hij hard. 'Mijn meester zegt dat ze ziektes overbrengen.'
Niemand lachte.
De wandeling werd een ramp in slow motion. We liepen over het zandpad tussen de heide. Nelleke en ik liepen naast elkaar, maar we durfden elkaars hand niet vast te pakken. Milan liep tien meter voor ons uit, de pas erin, met zijn capuchon op. Sophie bleef aan mijn jaspand hangen, als een kleuter die bang is om kwijt te raken.
Bram rende van links naar rechts. Hij pakte dikke takken op en zwaaide ermee in het rond. Eén keer raakte hij bijna Sophies gezicht.
'Kijk eens uit, idioot!' beet Milan hem ineens toe. Hij draaide zich om en duwde Bram hard tegen de borst.
Bram struikelde achterover in het zand. Zijn gele jas zat direct onder het zwarte bospadstof. Hij sprong overeind, zijn gezicht spierwit van woede. 'Raak me niet aan! Blijf van me af!' schreeuwde hij met een overslaande stem. Hij begon wild met zijn armen te maaien.
'Milan!' schreeuwde ik. Ik greep de arm van mijn zoon. 'Ben je helemaal besodemieterd? Hij deed niks expres!'
'Hij sloeg bijna Sophie blind!' schreeuwde Milan terug. Zijn ogen spuwden vuur. 'Wat moeten we hier eigenlijk met die rare gekken van jou? Dit is stom! Jij bent stom!'
'Milan, dimmen nu!'
Nelleke stond op haar knieën bij Bram, die luidkeels begon te snikken van schrik en overprikkeling. Ze hield hem stevig vast. Ze keek me aan over de schouder van haar zoon. Haar blik was niet boos op mij, maar ik zag de schrik en de pijn. De illusie dat dit vanzelf goed zou komen, spatte daar op het zandpad uiteen.
Sophie begon ook te huilen. Ze klemde zich vast aan mijn been. 'Papa, ik wil naar mama toe. Alsjeblieft.'
We hebben geen pannenkoeken meer gegeten. We liepen in doodse stilte terug naar de auto's. Alleen het snikken van Bram en de zware ademhaling van Milan waren te horen. Bij het portier keek Nelleke me aan. Ze streek een pluk haar uit haar gezicht.
'We bellen vanavond wel even,' zei ze zacht. Het klonk vermoeid. Doodmoe.
'Het spijt me,' zei ik.
'Jou treft geen blaam, Dennis,' zei ze. Maar ze stapte in en trok de deur dicht zonder me aan te raken.
Hoofdstuk 4
Breekpunt
Twee maanden na het bosdrama dachten we dat we een stap verder waren. We hadden gepraat. Urenlang aan de telefoon, als de kinderen op bed lagen. We waren het erover eens: we moesten geduld hebben. Rome was ook niet op één dag gebouwd. Je kunt kinderen niet dwingen om van elkaar te houden.
Toch wilden we het nog een kans geven. Een heel weekend samen. Bij mij in de flat. De kinderen hadden vakantie. Laura was met haar nieuwe vriend naar Spanje, dus Sophie en Milan waren de hele week bij mij. Nelleke stelde voor dat zij en Bram van vrijdag tot zondag zouden komen logeren. Milan kon op een matras op de grond slapen bij Sophie, zodat Bram een eigen kamer had om tot rust te komen.
Dat was fout één.
'Waarom moet ik uit mijn eigen kamer rotten voor hem?' zei Milan toen hij zijn dekbed over de vloer smeet. Zijn kaken stonden strak op elkaar geklemd.
'Het is maar voor twee nachten,' zei ik rustig, terwijl ik een doos boodschappen uitpakte in de keuken. 'Bram raakt snel overprikkeld. Hij heeft even een eigen plekje nodig.'
'Kan mij die mongool schelen,' siste Milan.
Ik liet het pak koffie vallen op het aanrecht. Ik draaide me om. 'Nog één keer dat woord, Milan, en je levert je telefoon in voor de rest van de maand. Heb je me begrepen? Wees een beetje gastvrij.'
Hij keek me aan met een blik vol pure haat. Niet de gewone puberdrift, maar diepe, giftige wrok. 'Jij denkt alleen maar aan jezelf. Sinds je haar kent, tel ik niet meer mee.'
De zaterdag verliep als een wandeltocht door een mijnenveld. Iedereen liep op eieren. Bram zat de hele middag op de bank met een tablet. Het geluid van schietspelletjes schalde door de kleine woonkamer. Milan weigerde zijn kamerdeur uit te komen en Sophie zat stil aan de eettafel te tekenen, steeds schichtig om zich heen kijkend alsof er elk moment een bom kon ontploffen.
De bom ontplofte om zes uur.
Nelleke had gekookt. Gehaktballen met sperziebonen en aardappels. Ze had haar best gedaan. Er stonden zelfs servetten op tafel.
We zaten met zijn vijven aan de krappe eettafel. Milan prikte met zijn vork in de gehaktbal. Hij rook eraan en schoof zijn bord van zich af.
'Lust je het niet, lieverd?' vroeg Nelleke vriendelijk.
'Het smaakt naar zeep,' zei Milan ijskoud.
'Milan, ophouden,' zei ik waarschuwend.
'Het is gewoon ranzig! Mama maakt ze tenminste met echte kruiden. Dit smaakt nergens naar.'
Bram liet zijn vork vallen. Hij keek naar zijn moeder. 'Mama kan wel goed koken! Jij bent gemeen!'
'Hou je bek, kleuter!' schreeuwde Milan.
'En nou is het afgelopen!' Ik sloeg met mijn vlakke hand op tafel. De glazen rammelden. Sophie dook in elkaar en begon direct zachtjes te huilen. 'Milan, naar de gang. Nu!'
Milan sprong overeind. Zijn stoel viel met een harde klap achterover op het zeil. 'Ik ga nergens heen! Dit is míjn huis! Zij horen hier niet! Jij hebt ons al een keer weggegooid toen je ging scheiden van mama, en nu doe je het weer! Je wilt gewoon een nieuw gezinnetje omdat wij niet goed genoeg zijn!'
De woorden sloegen in mijn maag als een vuistslag. Ik verloor mijn adem. Ik zag het verdriet en de blinde razernij in de ogen van mijn zoon. Hij meende het echt. Hij dacht echt dat ik hem aan de kant schoof.
'Dat is niet waar,' bracht ik uit. Mijn stem trilde. 'Dat weet je best.'
'Wel waar!' schreeuwde hij. Hij rende naar de hal, rukte zijn jas van de kapstok en sloeg de voordeur achter zich dicht. Buiten hoorde ik zijn zware stappen over de galerij daveren.
Ik wilde achter hem aan, maar Nelleke stond op. Haar gezicht was lijkbleek. Ze begon zwijgend de borden van tafel te halen en op het aanrecht te zetten. Haar handen beefden hevig.
'Nelleke, wacht,' zei ik.
Ze keek me niet aan. 'Nee, Dennis. Milan heeft gelijk. We forceren dit. We proberen iets te lijmen wat nog helemaal niet heel kan zijn.'
'We lossen dit op. Hij is veertien, hij meent het niet zo.'
'Hij meent het wél,' zei ze, en nu keek ze me recht in de ogen. Er stonden tranen in. 'En het ergste is: hij heeft het volste recht om zo te voelen. Bram kan dit niet aan. Kijk naar hem.'
Bram zat op de grond met zijn handen over zijn oren, heen en weer wiegend.
Twintig minuten later was de flat leeg. Nelleke had haar weekendtas ingepakt, Bram bij de hand genomen en was naar beneden gelopen. Ze had me niet gekust. Ze had alleen zachtjes gezegd: 'Ik hou van je, Dennis. Maar dit kost ons allemaal de kop.'
Ik vond Milan een uur later. Hij zat op een betonnen bankje bij de skatebaan in de vrieskou, zonder handschoenen. Zijn neus was rood, zijn wangen nat van de tranen. Ik ging naast hem zitten. We zeiden een kwartier lang helemaal niks. Alleen de wind suisde door het hekwerk.
Hoofdstuk 5
Hout en schroeven
De stilte na die zaterdag duurde drie weken. Nelleke en ik stuurden elkaar af en toe een kort berichtje. *Hoe is het?* *Druk op het werk.* *Slaap je een beetje?* Geen telefoontjes. Geen afspraken. Het voelde als een rouwproces van iets dat nog maar net begonnen was.
Ik stortte me op mijn werk. Bij een basisschool in Deventer-Oost moesten twaalf houten kozijnen compleet vervangen worden. Zwaar werk. Slopen met een koevoet, zware balken tillen, precies op maat zagen. Mijn spieren deden pijn, mijn handen zaten vol splinters en sneetjes, maar het hield mijn hoofd leeg. Als ik fysiek kapot was, piekerde ik 's avonds tenminste niet als ik in bed lag.
Op een woensdagmiddag was ik thuis bezig in de berging onder de flat. Ik had de oude mountainbike van Milan op de kop gezet. De ketting was verroest en de versnelling haperde. Ik zat met een doek en ontvetter op een krukje toen de deur van de berging openging.
Milan stapte binnen. Hij had zijn schooltas over één schouder hangen. Hij bleef in de deuropening staan, met zijn handen diep in zijn broekzakken.
'Hoi,' zei hij.
'Hoi,' zei ik zonder op te kijken. Ik bleef met de doek over de zwarte schakels wrijven. 'Bijna klaar. Dan kun je er weer fatsoenlijk mee naar school.'
Hij kwam een paar stappen dichterbij. De geur van koude buitenlucht en deodorant kwam met hem mee. 'Papa?'
'Ja?'
'Ben je nog boos over wat ik zei?'
Ik legde de doek neer. Ik pakte een schroevendraaier en stelde de stelschroef van de achterderailleur bij. 'Ik was niet boos, Milan. Ik was verdrietig.'
Hij zweeg. Hij schopte zachtjes tegen een oude autoband die in de hoek lag.
'Ik heb jou en Sophie nooit weggedaan,' zei ik rustig. Mijn stem klonk hol tussen de betonnen muren. 'En dat ga ik ook nooit doen. De scheiding tussen mama en mij... dat ging over ons. Niet over jullie. Als ik een nieuw kozijn zet, gooi ik het oude niet weg omdat ik het haat. Het was gewoon op. Het paste niet meer in het huis.'
'Maar je wilde wel ineens met hen een nieuw gezin,' zei Milan zacht. Zijn stem klonk ineens weer als die van een jongetje van acht.
'Nee,' zei ik. Ik draaide me op mijn krukje om en keek hem recht aan. 'Dat dacht ik misschien even, maar dat was stom van me. Je kunt gezinnen niet aan elkaar plakken als een stuk multiplex. Nelleke is Nelleke. En Bram is Bram. Jullie zijn mijn kinderen. Jullie komen altijd eerst. Op nummer één. Als jij en Sophie er zijn, is er niemand anders belangrijker.'
Milan keek naar de vloer. Hij slikte een paar keer. 'Ik vind haar niet eens stom,' mompelde hij zo zacht dat ik het bijna niet verstond. 'Ze kan best aardig zijn. Maar die gozer... hij schreeuwt zo veel. En ik ben gewoon bang dat alles weer anders wordt.'
Ik stond op. Ik veegde mijn handen af aan mijn overall en legde mijn arm om zijn schouder. Hij trok zich deze keer niet terug. Hij liet zijn voorhoofd heel even tegen mijn borst rusten. Hij was bijna even lang als ik. Binnen een jaar zou hij over me heen groeien.
'Alles verandert altijd, kerel,' zei ik tegen zijn haar. 'Daar hou je niks aan tegen. Maar ik blijf hier. Ik ga nergens heen.'
Die avond belde Laura. Normaal gesproken hielden we onze gesprekken zakelijk en kort. Twee minuten over schoolroosters en alimentatie. Deze keer was het anders.
'Dennis,' zei ze. 'Milan vertelde me over dat weekend.'
Ik zette me schrap voor een preek. 'Laura, het was een fout. Ik heb het met hem uitgepraat.'
'Rustig maar,' onderbrak ze me. Haar stem klonk niet boos, maar zacht. Bezorgd zelfs. 'Ik bel niet om je af te zeiken. Milan vertelde dat hij zich rot voelde over wat hij had gezegd. Hij maakt zich zorgen om jou.'
'Om mij?'
'Hij zei dat je zo stil bent de laatste tijd. Dennis... je hoeft jezelf niet weg te cijferen voor de kinderen, weet je dat? Je mag ook gelukkig zijn. We zijn niet voor niks gescheiden. Je moet door.'
Toen we ophingen, bleef ik minutenlang naar het scherm van mijn telefoon kijken. Laura had gelijk. Maar Milan had ook gelijk. En Nelleke had ook gelijk.
Ik liep naar het raam en keek uit over de lichten van Deventer. Als een constructie instort, begin je niet meteen opnieuw te bouwen met dezelfde fouten. Je kijkt naar de fundering. Wat kan het dragen? En wat kan het niet dragen?
Hoofdstuk 6
De schuurdeur
Op zaterdagochtend laadde ik mijn gereedschapskist en mijn zware accu-schroefboormachine achter in de bus. Ik had Nelleke niet van tevoren gebeld. Geen appje gestuurd. Gewoon de motor gestart en naar Diepenveen gereden.
Haar huis was een oude helft van een dubbel met een flinke lap tuin. Toen ik de oprit op draaide, zag ik dat het hek openstond. Nelleke stond achter in de tuin. Ze was bezig om dorre hortensia's af te knippen. Ze droeg haar vertrouwde groene werkjas en dikke rubberen laarzen.
Toen ze het geluid van mijn bus hoorde, keek ze op. Ze liet de snoeischaar zakken. Ze maakte geen aanstalten om naar me toe te lopen, maar ze liep ook niet weg.
Ik stapte uit, pakte mijn gereedschapskist en liep het grindpad op. De wind voerde de geur van nat gras en rottend blad aan.
'Wat doe je hier, Dennis?' vroeg ze toen ik bij haar bleef staan. Haar gezicht stond neutraal, maar haar ogen verraadden dat ze slecht had geslapen. Donkere kringen onder het blauw.
'Je schuurdeur,' zei ik. Ik wees met mijn duim naar het houten bijgebouwtje achterin. 'Die hing al scheef toen ik hier de eerste keer kwam. Het onderste scharnier is uit het kozijn getrokken. Als de herfststormen komen, waait hij aan gort.'
Ze keek naar de deur, en toen weer naar mij. Er verscheen een klein, moe lachje om haar mondhoek. 'Kom je klussen?'
'Ik kom een deur maken,' zei ik. 'En daarna wil ik koffie. Als het mag.'
Ze knikte langzaam. 'De ketel staat op het fornuis. Bram is bij mijn zus tot vanmiddag.'
Ik zei niks meer. Ik liep naar de schuur, zette mijn kist neer en begon te werken. Het gaf me houvast. Hout liegt niet. IJzer liegt niet. Ik draaide de oude, verroeste schroeven eruit. Het hout rond het onderste scharnier was inderdaad zacht geworden door optrekkend vocht. Ik zaagde het rotte stuk hout er netjes tussenuit, pakte een vers stuk hardhout uit mijn bus, schaafde het precies passend en schroefde het vast met lange houtdraadbouten. Nieuwe scharnieren erop, even afhangen met de beitel tot de naad overal precies vijf millimeter was. Toen ik de deur dichtduwde, viel hij met een solide, doffe *klik* in het slot.
Nelleke kwam naar buiten met twee dampende mokken koffie. Ze gaf me er een aan. We leunden tegen de vernieuwde schuurwand in de waterige ochtendzon.
'Hij sluit goed,' zei ze.
'Loopt niet meer aan,' zei ik. Ik nam een slok hete koffie. 'Milan en ik hebben gepraat.'
Ze keek opzij. 'En?'
'Ik heb fouten gemaakt, Nel. Ik wilde te snel. Ik dacht: we gooien alles op één hoop, we roeren erin en dan hebben we weer een gezellig gezin. Zoals vroeger, maar dan beter. Maar dat kán helemaal niet. Mijn kinderen hebben al een gezin verloren. Die willen niet nog een keer het risico lopen dat de boel ontploft.'
'Bram ook niet,' zei ze zacht. 'Hij was dagen van de kaart na dat weekend. Hij kan niet tegen die spanningen.'
'Precies,' zei ik. Ik zette mijn mok op de regenton naast me. 'Dus moeten we ophouden met doen alsof we weer twintig zijn en gaan samenwonen in een nieuwbouwhuis met een loungeset in de tuin.'
Nelleke keek me strak aan. 'Wat zeg je nou eigenlijk, Dennis? Dat we moeten stoppen?'
'Nee,' zei ik resoluut. Ik pakte haar hand beet. Haar vingers waren koud, net als die eerste keer bij de IJssel. 'Ik wil niet stoppen. Ik ben gek op je, Nel. Ik wil jou. Maar ik wil geen nieuw samengesteld gezin spelen. Niet nu, en misschien wel nooit.'
Ze trok haar wenkbrauwen op. 'En hoe zie je dat voor je dan?'
'Jij woont hier met Bram. Ik woon in mijn flat met Milan en Sophie als ze er zijn. Als we de kinderen hebben, zijn we vader en moeder. Alleen dat. Maar de dagen dat we vrij zijn... die zijn van ons. Geen stiefmoeders, geen stiefvaders. Geen gedwongen boswandelingen. Geen pannenkoeken die niemand wil eten.'
Ze bleef stil. Een merel landde op het dak van de schuur en begon te tsjilpen. Ik voelde haar hand ontspannen in de mijne.
'Een latrelatie,' zei ze zacht. 'Op onze leeftijd.'
'Het kan me geen reet schelen hoe de mensen het noemen,' zei ik eerlijk. 'Ik wil je vasthouden als ik wakker word. Ik wil met je lachen. Ik wil voor je koken. Maar ik wil mijn zoon niet kwijtraken. En ik wil jouw zoon niet kapotmaken.'
Nelleke liet een diepe zucht horen. Alsof ze een zware koffer neerzette die ze al maanden droeg. Ze leunde met haar voorhoofd tegen mijn schouder. Ik voelde de stof van haar jas tegen mijn wang.
'Weet je wel hoe onhandig dat is?' fluisterde ze tegen mijn hals.
'Ja,' zei ik. 'Heel onhandig. Maar wel heel stevig. Net als die schuurdeur.'
Ze lachte. Het was haar echte lach, die met die scheve tand. Toen kuste ze me. Eerst voorzichtig, daarna diep en hongerig. De geur van houtzaagsel en koude ochtendzon hing tussen ons in.
Hoofdstuk 7
Ruimte om te ademen
We zijn nu ruim een jaar verder. Het is weer herfst in Deventer.
Ik sta in de keuken van mijn flat en snijd uien voor de goulash. Het raam staat op een kier tegen de kooklucht. Buiten kleurt de lucht boven de rivier oranje en paars. De kachel snort zachtjes.
Op de bank zit Milan. Hij is inmiddels vijftien en schiet overal doorheen. Zijn broekspijpen zijn te kort, zijn stem is zwaar en donker. Hij zit niet meer opgesloten in zijn kamer. Hij zit op de bank en kijkt naar een samenvatting van het voetbal. Sophie zit aan tafel. Ze maakt een tekening van een paard voor een vriendinnetje van school.
De deurbel gaat. Twee korte stoten. De afgesproken code.
Milan kijkt niet boos op. Hij roept alleen over de rand van de bank: 'Papa, de bel.'
Ik veeg mijn handen af aan mijn schort en loop naar de gang. Als ik open doe, staat Nelleke op de galerij. Ze heeft haar wangen rood van het fietsen. Ze draagt een dikke sjaal en heeft een plastic tasje bij zich met verse pruimen van de markt.
'Hoi timmerman,' zegt ze.
'Hoi tuinvrouw,' zeg ik.
Ik trek haar over de drempel en geef haar een kus op haar koude neus. Ze ruikt naar buiten, naar het leven. Ze stapt naar binnen en hangt haar jas aan de kapstok. Niet op een plek waar ze territorium afbakent, maar gewoon aan een leeg haakje.
Bram is er niet bij. Bram is dit weekend bij zijn tante, waar hij het fantastisch vindt omdat ze een schuur vol oude radio's heeft die hij uit elkaar mag schroeven. Volgend weekend is Bram bij Nelleke en zijn Milan en Sophie bij Laura. Dan slaap ik bij Nelleke in Diepenveen. Dan koken we samen, drinken we wijn tot twee uur 's nachts en praten we over de dingen die grote mensen bezighouden als er even geen kinderen in de buurt zijn.
Nelleke loopt de woonkamer in.
'Hoi Sophie,' zegt ze vriendelijk.
'Hoi Nelleke,' zegt Sophie. 'Kijk, ik heb de manen van het paard geschakeerd. Met drie kleuren potlood.'
Nelleke buigt zich over de tekening. 'Dat is knap gedaan, Soph. Die overgang van bruin naar zwart is heel natuurlijk.'
Sophie glimt van trots. Geen krampachtig gedoe meer, geen angst om mama te verraden. Nelleke is gewoon Nelleke. Een volwassene die aardig tegen haar doet en verstand heeft van mooie dingen.
Dan kijkt Nelleke naar de bank. 'Hee Milan. Heeft Twente nog gewonnen?'
Milan haalt zijn ogen van het scherm. Hij knikt kort. 'Twee-één in de blessuretijd. Mooie goal.'
'Mazzelpikken,' zegt Nelleke nuchter. 'Go Ahead had die punten harder nodig.'
Milan grijnst heel even. Een flits van een lach, maar het is genoeg. 'Dat lag aan die scheids, Nel. Die vent was blind.'
Ze worden nooit elkaars beste vrienden. Milan zal haar nooit mama noemen, en Bram zal mij nooit om zakgeld vragen. We zijn geen reclameplaatje van een vrolijk samengesteld gezin op een glossy tijdschrift. We vieren Kerstmis in etappes. Sinterklaas doen we apart. Vakanties plannen is een logistieke nachtmerrie met drie agenda's en twee ex-partners die ook nog wat te vinden hebben.
Maar het werkt. Omdat we de boel niet forceren. Omdat we de naden niet hebben dichtgekit met valse verwachtingen, maar de ruimte hebben gelaten om te krimpen en uit te zetten bij warmte en kou. Net als goed hout.
Later die avond, als de kinderen in bed liggen, zitten Nelleke en ik op het kleine balkonnetje van mijn flat. We hebben allebei een dikke jas aan en delen een fleeceplaid over onze knieën. De stad beneden ons begint rustig te worden. Af en toe rijdt er een trein over de spoorbrug over de IJssel. Het ijzeren gedender klinkt vertrouwd in de verte.
Ze leunt met haar hoofd tegen mijn schouder. Ik sla mijn arm om haar heen en voel haar warmte door de dikke lagen wol.
'Heb je spijt?' vraag ik zacht.
'Waarvan?'
'Dat het zo gaat. Dat we niet gewoon... nou ja, normaal doen. Zoals andere mensen.'
Nelleke pakt mijn hand beet onder het kleed. Haar vingers vlechten zich door de mijne. 'Wat is normaal, Dennis? Twintig jaar ruzie maken in een rijtjeshuis tot je elkaar niet meer kunt luchten of zien? Elkaars kinderen haten omdat je per se aan de buitenwereld wilt laten zien hoe goed je kunt re-integreren in het gezinsleven?'
Ze schudt haar hoofd. 'Mij niet bellen. Dit is van ons. Het past precies.'
Ik kijk naar onze handen in het schijnsel van de lantaarnpaal op de straat. Twee handen met schrammen, eelt en geschiedenis. Geen gladde handen meer. Geen sprookje.
Een tweede kans op liefde betekent niet dat je opnieuw begint met een schone lei. De lei is nooit schoon. Er staan altijd oude woorden op gekrast, fouten die je hebt gemaakt, breuken die nooit helemaal verdwijnen. Een tweede kans betekent dat je leert schrijven tussen de barsten door. Dat je niet probeert het oude te vergeten, maar dat je bouwt met het hout dat je hebt. Zelfs als het een beetje krom is getrokken door de regen.
Ik trek het dekentje wat hoger op en knijp zachtjes in haar hand. We zeggen niks meer. We kijken gewoon samen naar de lichten aan de overkant van het water.