Naar de inhoud
Terug naar het boek

Psychische gezondheid

Een masker dat nooit afging

Dit boek gaat over psychische klachten. Zoek hulp als het onderwerp je raakt.

Hoofdstuk 1

De ketel en de kooi

Mijn naam is Dennis van der Meer. Ik ben vierendertig jaar, woon in Gouda en werk als servicemonteur voor cv-ketels. Als je mij op straat tegenkomt, zie je een stevige kerel in een blauwe werkbroek. Een vent die grappen maakt bij de groothandel, die fluit in zijn busje en die overal wel een praatje maakt. Dat was tenminste wat iedereen zag. Aan de buitenkant was ik de handige Dennis die nooit zeurde. De Dennis die overal een oplossing voor had. Maar aan de binnenkant zat ik al jaren opgesloten in een kooi van ijzerdraad.

Het begon niet op een speciale dag. Het begon sluipend, zoals roest die langzaam een koperen leiding opvreet. Maar er was één ochtend waarop het masker voor het eerst begon te kraken. Het was een kille dinsdag in november. Ik stond op een donkere zolder van een rijtjeshuis aan de rand van Gouda. De bewoonster, een vriendelijke vrouw van in de zestig, had me net een mok filterkoffie gebracht.

"Koud daarboven, hè monteur?" vroeg ze met een glimlach.

"Valt mee hoor," zei ik. Mijn stem klonk stevig, precies zoals het hoorde. "Even de brander schoonmaken en u zit er vanmiddag weer warm bij."

Ze knikte tevreden en liep de krakende zoldertrap af. Ik hoorde haar beneden de radio aanzetten. Ik pakte mijn ringsleutel uit de koffer. En precies op dat moment sloeg het toe.

Het kwam uit het niets. Geen waarschuwing. Mijn hart maakte een rare sprong, alsof het klem kwam te zitten tussen mijn ribben, en begon daarna als een razende te beuken. Niet gewoon snel, maar keihard. Ik voelde de slagen in mijn keel, achter mijn ogen, in mijn vingertoppen. De lucht op de zolder werd plotseling dik en stroperig. Ik ademde in, maar er kwam geen zuurstof binnen.

Dit is het, dacht ik. Ik krijg een hartstilstand. Nu. Hier op deze zolder.

De vloer leek onder mijn werkschoenen vandaan te zakken. Mijn handen begonnen zo hevig te trillen dat de ringsleutel met een doffe kletter op het laminaat viel. Het zweet brak me aan alle kanten uit, ijskoud en plakkerig. Ik greep me vast aan de rand van het dakraam. Buiten zag ik de straat, doodgewoon en grijs. Een postbode fietste voorbij. Niemand zag dat ik doodging.

'Niet vallen,' zei een stem in mijn hoofd. 'Als je valt, moet die vrouw een ambulance bellen. Dan zien ze hoe zwak je bent.'

Ik perste mijn ogen dicht. Ik dwong mezelf om op mijn hurken te gaan zitten. Mijn borstkas deed pijn van de spanning. Vijf minuten lang zat ik daar, met mijn voorhoofd tegen het koude zink van de afvoerpijp. Ik telde mijn ademhaling, net zoals ik ooit eens op internet had gelezen. Eén, twee, drie. Mijn hele lijf schreeuwde dat ik naar beneden moest rennen, de straat op, schreeuwend om hulp.

Maar ik deed het niet. Ik kon het niet.

Na tien minuten zakte de ergste golf. Mijn hart sloeg nog steeds te snel, maar de kamer stopte met tollen. Ik veegde het zweet van mijn gezicht met de mouw van mijn trui. Ik keek in de kleine spiegel die ik gebruikte om achter de ketel te kijken. Mijn gezicht was lijkbleek, mijn pupillen stonden wijd.

Ik trok mijn mondhoeken omhoog. Eerst voelde het als een grimas, daarna als een lach. Ik oefende het twee keer. "Zo mevrouw, die doet het weer." Mijn stem klonk bijna normaal.

Ik raapte mijn gereedschap op, schroefde de ketel dicht en liep naar beneden. In de keuken stond de vrouw met een koekblik.

"Zo snel al klaar?" vroeg ze verbaasd.

"Ja hoor," zei ik, en ik nam een gevulde koek aan. "Was een kleinigheidje. U kunt er weer een jaar tegenaan."

Mijn handen trilden nog in mijn jaszakken toen ik naar mijn bus liep. Ik stapte in, sloot de deuren en liet mijn hoofd op het stuur rusten. De angst was weggetrokken, maar de schok bleef nagolmen door mijn botten. Ik had geen idee wat er net was gebeurd. Ik wist alleen dat ik het aan niemand mocht vertellen. Niemand mocht weten dat de sterke Dennis zojuist bijna was ingestort op een stoffige zolder.

Hoofdstuk 2

Het orkest in mijn kop

Na die dinsdag werd alles anders, al zag niemand het aan me. Mijn leven veranderde in een militaire operatie om de schijn op te houden. De angst was niet meer een toevallige bezoeker; hij was ingetrokken. Hij zat naast me op de bijrijdersstoel van mijn witte Volkswagen Caddy. Hij zat aan de ontbijttafel tegenover me. Hij lag 's nachts op mijn borst, zwaar als een loden deken.

Het ergste waren de gedachten. Het leek wel een orkest in mijn kop dat dag en nacht vals speelde. Het begon al als de wekker ging om zes uur. Zodra ik mijn ogen opendeed, scande mijn brein mijn hele lichaam af. Klopt mijn hart wel regelmatig? Voel ik geen steek in mijn zij? Ben ik niet duizelig als ik rechtop ga zitten? En natuurlijk vond ik altijd wel iets. Een spiertje dat trilde. Een lichte druk op mijn slapen. Dat was genoeg om de motor weer aan te zwengelen.

'Zie je wel,' fluisterde de stem. 'Vandaag gaat het mis. Vandaag val je dood neer terwijl je op een ladder staat. Of je draait door. Je wordt gek en ze moeten je afvoeren in een dwangbuis.'

Mijn vriendin Sandra merkte het soms, maar nooit helemaal. Sandra werkt als administratief medewerker bij een transportbedrijf. Ze is praktisch, rustig en houdt van gezelligheid. We woonden toen drie jaar samen in ons appartement aan de Bloemendaalseweg.

"Dennis, je eet je boterham niet op," zei ze op een donderdagochtend. Ze smeerde haar eigen brood voor haar werk.

Ik keek naar de pindakaas op mijn bord. Mijn keel zat muurvast geknepen. Eten voelde alsof ik droog zand probeerde door te slikken.

"Geen honger," zei ik kort. "Beetje last van mijn maag. Te veel koffie gisteren bij die klus in Reeuwijk."

"Je moet rustiger aandoen met die espresso's," zei ze zonder op te kijken. Ze gaf me een kus op mijn wang, pakte haar tas en liep naar de voordeur. "Tot vanavond. We eten pasta, goed?"

"Heerlijk," zei ik met een glimlach die aanvoelde als opgedroogde verf.

Zodra de deur in het slot viel, rende ik naar de gangkast en controleerde voor de tiende keer die ochtend mijn bloeddruk. Ik had stiekem zo'n metertje gekocht bij de drogist in een ander dorp, zodat niemand me zou herkennen. Ik bewaarde het ding onder een stapel oude werkhandschoenen. De manchet blies zich strak om mijn bovenarm. Het getik van het apparaat leek luider dan een drilboor. 138 over 88. Iets te hoog. Meteen sloeg de paniek weer in mijn keel. Zie je wel. Beroerte. Hartaanval.

Om acht uur stond ik bij de groothandel voor installatiemateriaal. Bram, een collega-monteur van een ander bedrijf, sloeg me hard op mijn schouder.

"Hé kale!" riep hij lachend. "Mooie wedstrijd gisteren, hè? Wat een blunder van die keeper!"

Ik draaide me om. Mijn knieën voelden slap, alsof ze van elastiek waren gemaakt. Maar mijn gezicht deed wat het altijd deed: de grijns ging aan. De stem werd een octaaf lager en luider.

"Verschrikkelijk man," lachte ik mee. "Die vent kan nog geen strandbal vangen met twee handen. Heb je nog koppelingen voor me overgelaten, of heb je het hele magazijn weer leeggekocht?"

We lachten. We sloegen elkaar op de arm. Ik rekende mijn spullen af en liep met twee dozen fittingen naar buiten. Terwijl ik liep, voelde ik de grond onder me deinzen. Mijn zicht werd aan de randen wazig. Een koud zweet stroomde over mijn rug onder mijn dikke overall. Ik wilde gillen. Ik wilde Bram bij zijn kraag grijpen en schreeuwen: 'Help me dan, zie je dan niet dat ik verzuip?'

In plaats daarvan zwaaide ik vriendelijk naar de baliemedewerker en stapte in mijn bus. Ik zette de radio hard aan. Sky Radio. Vrolijke popmuziek. Ik zong zelfs mee met een stom liedje, puur om mezelf te bewijzen dat ik nog leefde. Maar mijn nagels stonden diep in het schuim van het stuurwiel gedrukt.

Hoofdstuk 3

De avond met de mannen

Vrijdagmiddag was altijd heilig bij ons installatiebedrijf. Rond een uur of vier druppelden de bussen binnen op het industrieterrein. We veegden het grofste stof van onze broeken, pakten flesjes bier uit de koelkast in de werkplaats en praatten over het weekend. Ik had die middag vier ketels onderhouden. Vier keer had ik mezelf door een golf van ademnood en duizeligheid heen geworsteld. Mijn lijf was uitgeput. Ik voelde me alsof ik een marathon had gelopen met lood in mijn schoenen.

Het liefst was ik direct naar huis gereden om met de gordijnen dicht op de bank te liggen. Maar dat kon niet. Als Dennis niet naar de vrijmibo kwam, ging iedereen vragen stellen. 'Is Dennis ziek? Dennis slaat toch nooit over?' Dat kon ik niet riskeren. Als ze gingen graven, zouden ze zien wat een wrak ik was geworden.

Dus stond ik erbij, leunend tegen een werkbank, met een koud flesje pils in mijn rechterhand. Arjan, mijn baas, stond een meter verderop. Hij was een vijftiger met handen als kolenschoppen en een hart van goud, maar hij hield niet van slap geouwehoer over gevoelens.

"Nog gezeik gehad met die lekkage aan de Tiendeweg?" vroeg Arjan terwijl hij een dop van zijn flesje wipte.

"Nee hoor," loog ik soepel. "Oude pakking was vergaan. Nieuwe erin, even afgeperst, draait weer als een zonnetje."

"Mooi zo. Jij lost het altijd wel op," zei Arjan met een knik. Hij nam een slok. "Daarom ben je mijn beste man, Dennis. Nooit gezeur, gewoon doorpakken."

Die woorden vielen als hete kolen op mijn maag. 'Mijn beste man. Nooit gezeur.' Als hij eens wist. Als hij wist dat ik een kwartier daarvoor op de parkeerplaats had gezeten met mijn vingers op mijn halsslagader, biddend dat mijn hartslag onder de honderdveertig zou zakken.

Ik nam een slok bier. De alcohol brandde even in mijn keel, maar bracht geen rust meer. Vroeger hielp een biertje om te ontspannen. Nu maakte elk vreemd gevoel in mijn lijf me juist banger. Werd ik nou licht in mijn hoofd van het bier, of zakte mijn bloeddruk weg? Begon ik wartaal uit te slaan?

Kees, een jonge leerling-monteur, kwam erbij staan. "Dennis, ga je vanavond nog mee naar de stad? We gaan met een paar man poolen bij De Swing."

Poolen. Een volle kroeg. Felle lampen, luide muziek, overal mensen, geen snelle vluchtweg naar buiten. Mijn keel sloeg meteen dicht. Het leek alsof de wanden van de werkplaats langzaam naar binnen schoven.

"Nee man, vanavond niet," zei ik, en ik gaf hem een speelse stomp tegen zijn schouder. "Sandra heeft een speciaal diner gekookt. Als ik niet op tijd ben, slaapt ze een week met haar rug naar me toe."

De mannen lachten luidkeels. "Onder de plak, Dennis! Onder de plak!" riep Bram.

Ik lachte mee. Ik gooide mijn hoofd achterover en liet mijn tanden zien. Ik maakte zelfs nog een gevatte opmerking over zijn eigen vriendin. Iedereen lachte nog harder. Ik was de gangmaker. De man die de sfeer erin hield.

Ondertussen keek ik vanuit mijn ooghoeken naar de roldeur. Die stond op een kier van een halve meter. Ik berekende hoe snel ik eronderdoor kon kruipen als ik echt zou flauwvallen. Zeven meter. Ongeveer vier grote stappen. Ik zette mijn flesje op de werkbank omdat mijn vingers gevoelloos begonnen te worden.

Om half zes stapte ik op mijn fiets naar huis. De koude regen sloeg in mijn gezicht. Het hielp een beetje om de mist in mijn hoofd op te klaren. Ik fietste over de Karnemelksloot. Het zwarte water zag er bijna uitnodigend rustig uit. Geen paniek daar beneden. Gewoon stilte. De gedachte schokte me zó erg dat ik hard in mijn remmen kneedde. Mijn banden gleden weg over de natte klinkers.

Ik bleef stilstaand over mijn stuur gebogen staan, hijgend in het donker. 'Wat denk je nou?' schold ik mezelf uit. 'Ben je helemaal van de pot gerukt? Je hebt een goeie baan. Je hebt Sandra. Je hebt een mooi huis. Stel je niet zo aan, klootzak. Doe gewoon normaal.'

Ik veegde de regen en een verdwaalde traan van mijn wangen en fietste door. Thuis rook het naar tomatensaus en knoflook. Sandra kwam de gang in en gaf me een zoen.

"Gezellig gehad bij de borrel?" vroeg ze.

"Ja, prima," zei ik, terwijl ik mijn natte jas ophing en mijn masker weer strak op mijn gezicht trok. "Zoals altijd."

Hoofdstuk 4

De val in de Gamma

De echte klap kwam op een zaterdagochtend in januari. Het was zo’n dag waarop alles grauw en zwaar aanvoelt. We waren bezig met het opknappen van het toilet in ons appartement, en we kwamen een paar knelkoppelingen en een stuk afvoerpijp tekort. Een simpel klusje. Een ritje van tien minuten naar de bouwmarkt op het bedrijventerrein.

"Ga je mee?" vroeg Sandra, terwijl ze haar schoenen aantrok.

"Blijf maar lekker zitten," zei ik snel. "Ik ben zo terug. Ik weet precies wat ik moet hebben, dan hoef jij niet tussen die rijen te slenteren."

De waarheid was dat ik Sandra er niet bij wilde hebben. Ik voelde me die ochtend al wankel. Mijn maag krampte en mijn handen voelden ijskoud aan. Als ik een aanval kreeg, wilde ik niet dat zij het zag. Ik dacht nog steeds dat ik de regie had. Dat ik de boel onder controle kon houden zolang ik het maar alleen deed.

De automatische schuifdeuren van de bouwmarkt gleden open. Een walm van zaagsel, verf en warme lucht sloeg me tegemoet. Het was druk. Gezinnen met karren vol laminaat, klussers die hardop overlegden over pluggen, kinderen die renden tussen de stellingen door. Boven me hingen rijen tl-buizen. Ze gonsden zachtjes. Een irritant, zoemend geluid dat direct mijn zenuwen leek binnen te dringen.

Ik pakte een rood plastic mandje en liep doelgericht naar gangpad 14: sanitair en leidingen. Snel pakken en wegwezen, hield ik mezelf voor. Gewoon de buis van veertig millimeter, twee bochten, doosje teflontape. Tien minuten.

Halverwege het gangpad bleef ik staan. Mijn blik viel op het rek met koppelingen. Er lagen honderden bakjes. Messing, koper, chroom. Normaal gesproken wist ik blindelings welk onderdeel ik nodig had. Ik deed dit werk tenslotte al vijftien jaar. Maar nu kon ik de maten niet meer lezen.

De letters op de kaartjes begonnen te dansen. Mijn blikveld werd kleiner, alsof iemand twee zwarte kokers voor mijn ogen hield. Het felle tl-licht werd plotseling verblindend wit. Het gezoem zwol aan tot een orkaankracht.

En toen viel de bodem weg.

Dit was geen gewone paniekaanval meer. Dit was een muur van pure doodsangst die met tweehonderd kilometer per uur tegen me aan knalde. Mijn borst zat potdicht. Ik probeerde naar adem te happen, maar er kwam niets in mijn longen. Mijn knieën veranderden in pudding. Het rode plastic mandje glipte uit mijn vingers. De koperen koppelingen kletterden met een oorverdovend lawaai over de betonnen vloer.

Ik greep naar de stelling om overeind te blijven, maar mijn hand gleed weg over een metalen rand. Ik zakte door mijn hoeven. Mijn rug schraapte langs een schap vol pvc-buizen en ik belandde op mijn billen op de vloer.

"Meneer? Gaat het wel met u?"

Een man in een geel-blauw poloshirt van de winkel boog zich over me heen. Hij hield een klembord vast. Zijn gezicht leek meters ver weg, vervormd als door een lachspiegel.

Ik wilde zeggen dat het ging. Ik wilde zeggen dat ik alleen even duizelig was. Dat ik Dennis was, de monteur, de man die nooit viel. Maar uit mijn mond kwam alleen een schor, piepend geluid. Mijn hele lijf begon onbedaarlijk te schudden. Mijn tanden klapperden op elkaar alsof ik in een vriescel zat. Ik kon het masker niet meer ophouden. Het was doormidden gebroken.

"Jacco, kom eens even hier!" riep de winkelmedewerker over zijn schouder. "Er ligt hier iemand niet goed! Bel een EHBO'er!"

Mensen bleven staan aan het begin van het gangpad. Ik zag een vrouw met een klein kind aan de hand. Het jongetje wees naar me. Ik was het monster op de vloer. De gek. De mislukkeling.

Die vernedering gaf me ineens een vlaag van blinde paniekkracht. Niet de ambulance. Niet hier. Niet zo.

Met een kreun duwde ik mezelf omhoog. Ik wankelde, greep een stellingpaal vast en trok me op. De medewerker probeerde mijn arm te pakken. "Ho, rustig maar meneer, ga even zitten."

"Blijf van me af," perste ik eruit. Mijn stem klonk rauw en vreemd, als van een dier in een klem.

Ik strompelde langs hem heen. Ik liet de onderdelen liggen. Ik liet alles liggen. Half rennend, half zwalkend bewoog ik me door het gangpad naar de uitgang. Ik stootte tegen een winkelkar aan. Een man riep iets lelijks naar me, maar ik hoorde het amper. Ik zag alleen de schuifdeuren. De buitenlucht.

Ik struikelde naar buiten de koude parkeerplaats op. De vrieslucht sloeg in mijn longen. Ik haalde mijn bus en viel op mijn knieën naast het linkerachterwiel. Daar, op het natte asfalt tussen twee geparkeerde auto's, gaf ik over. Gal en maagzuur. Ik bleef op handen en knieën zitten in de modder, kotsend en huilend tegelijk. De sterke Dennis bestond niet meer. Er was niets meer van hem over.

Hoofdstuk 5

Vier muren en de stilte

Ik ben die zaterdag op de een of andere manier thuisgekomen. Ik herinner me de rit nauwelijks. Ik reed veertig waar je tachtig mocht, met twee handen krampachtig om het stuur geklemd en de alarmlichten paraat. Thuis had ik de trap op gestrompeld, de sleutel in het slot laten zitten en was ik op het bed gevallen met mijn vuile kleren nog aan.

Toen Sandra de slaapkamer binnenkwam en me zo zag liggen — met modder op mijn broek, spuug op mijn jas en rode, betraande ogen — schrok ze zich dood. Ze dacht dat ik was overvallen. Ze wilde de dokter bellen, de politie, mijn moeder.

"Niet bellen," had ik gesmeekt met mijn gezicht in het kussen. "Alsjeblieft, bel niemand. Ik ben gewoon ziek. Griep. Zware griep."

Ze had me niet geloofd, dat zag ik aan haar ogen, maar ze had gedaan wat ik vroeg. Ze had mijn schoenen uitgetrokken en een deken over me heen gelegd.

De dagen daarna werden een zwart gat. Ik meldde me op maandagochtend ziek bij Arjan. Het was de eerste keer in negen jaar dat ik me ziekmeldde. Mijn stem trilde door de telefoon.

"Ik heb buikgriep, Arjan. Flink te pakken. Kan even niet rijden."

"Geen probleem jongen," zei Arjan direct. "Goed uitzieken. Binnen een paar dagen ben je weer het mannetje."

Maar ik werd niet het mannetje. Ik kwam het bed niet meer uit. De slaapkamer werd mijn hele wereld. De gordijnen bleven dicht. Het licht deed pijn aan mijn ogen, elk geluid van de straat sneed door mijn ziel. De kinderstemmen van het schoolplein verderop, het optrekken van een bus, het tikken van de regen tegen het raam: alles voelde als een bedreiging.

In die vier muren begon de echte hel. Zonder het werk, zonder de grappen en de afleiding, zat ik honderd procent van de tijd opgesloten met mijn eigen gedachten. En die gedachten waren genadeloos.

'Je bent gek geworden,' zeiden ze. 'Het is voorbij. Je kunt nooit meer werken. Je kunt Sandra geen normaal leven meer geven. Je bent dertig jaar lang een leugenaar geweest en nu is de rekening gekomen.'

Sandra probeerde het. Ze bracht thee, ze smeerde beschuitjes, ze ging naast me zitten en aaide over mijn rug. Maar ik verstijfde bij elke aanraking. Ik schaamde me zo diep dat ik haar niet eens aan kon kijken. Ik was de man die het dak repareerde als het lekte, die een nieuwe motor in haar auto zette als die kapot was. Nu lag ik hier te janken als een klein kind omdat ik bang was voor mijn eigen hartslag.

Op donderdagavond knapte er iets bij haar. Ze kwam de slaapkamer binnen en deed het grote licht aan. Ik kneep mijn ogen dicht en trok de deken over mijn hoofd.

"Nee Dennis, ophouden nou," zei ze scherp. Ze trok de deken met een ruk van me af.

"Doe uit," gromde ik. "Laat me met rust."

"Ik laat je niet met rust!" Haar stem sloeg over. Ik keek op en zag dat ze huilde. Haar wangen waren vlekkerig rood. "Kijk me eens aan, verdomme! Je ligt hier al zes dagen weg te rotten. Je eet bijna niks. Je praat niet. Dit is geen griep, Dennis. Ik ben niet achterlijk."

Ik zweeg. Ik staarde naar de plint onder de kledingkast.

"Praat met me," smeekte ze nu, en ze zakte op de rand van het bed. "Alsjeblieft. Ben je verslaafd aan iets? Heb je schulden? Hou je niet meer van me? Zeg het gewoon. Deze stilte maakt me kapot."

Haar vragen raakten me als vuistslagen. Schulden? Niet meer van haar houden? Dacht ze dat werkelijk?

Ik voelde de druk achter mijn ogen opbouwen. De dam die ik al die jaren met zoveel moeite overeind had gehouden, vertoonde nu metersbrede scheuren. Het masker was al kapot; nu brak de rest ook.

"Ik ben bang," bracht ik eruit. Het klonk armzalig. Zo zacht dat ze dichterbij moest komen.

"Wat zeg je?" vroeg ze.

"Ik ben bang," herhaalde ik, en toen brak het water door de dam. Ik begon te snikken. Niet netjes, maar luid, lelijk en ongecontroleerd. Mijn schouders schokten. Het snot liep uit mijn neus. "Ik ben de hele tijd bang, San. Al maanden. Al jaren. Ik denk elke minuut dat ik doodga. Ik kan mijn eigen kop niet meer stil krijgen. Ik durf niet eens meer naar de kut-Gamma om een pijpje te halen. Ik ben helemaal kapot vanbinnen."

Ze zei een hele tijd niets. Ze zat alleen maar op de rand van het bed. En toen sloeg ze haar armen om me heen. Niet voorzichtig, maar stevig. Ze trok mijn bezwete hoofd tegen haar borst. Ik voelde haar trui tegen mijn wang. Ik voelde haar tranen op mijn nek vallen.

"O, stommerd," fluisterde ze door haar tranen heen. "Waarom heb je dat dan niet gewoon gezegd? Waarom moest je dit in godsnaam allemaal alleen doen?"

Hoofdstuk 6

Praten met de handen open

Het openbreken loste niets op, maar het veranderde wel alles. De angst was niet plotseling verdwenen omdat ik gehuild had. De volgende ochtend werd ik nog steeds wakker met een bonzend hart en een droge keel. Maar het geheim was weg. De kooi stond niet meer op slot; Sandra zat er nu bij in, en dat maakte het dragelijker.

Zij was degene die de afspraak maakte bij de huisarts. Ik wilde eerst niet. "Wat moet ik daar zeggen?" sputterde ik tegen terwijl ik aan de keukentafel zat met een kop slappe thee. "Dat ik spoken zie?"

"Je gaat vertellen wat je mij hebt verteld," zei ze kalm. "En ik ga met je mee."

Die middag zat ik in de wachtkamer van dokter Jansen. Ik kende die man al sinds ik een jochie was. Hij had ooit mijn pols gezet toen ik uit een boom was gevallen. De praktijk rook naar desinfectiemiddel en oude tijdschriften. Ik klemde mijn handen tussen mijn knieën om te voorkomen dat ze zouden trillen.

Toen we binnen waren, deed ik iets wat ik nog nooit in mijn leven had gedaan: ik ging zitten en deed mijn handen open. Ik vertelde het hele verhaal. Niet stoer, niet lachend, maar precies zoals het was. De zolder in november. Het apparaat in de gangkast. De paniek bij de groothandel. De val in de Gamma.

Dokter Jansen luisterde. Hij onderbrak me niet. Hij typte af en toe iets op zijn toetsenbord. Toen ik klaar was, legde hij zijn handen op het bureau.

"Je hebt een paniekstoornis, Dennis," zei hij rustig. "En waarschijnlijk al heel lang een flinke bak chronische stress."

Het woord 'stoornis' voelde als een stempel. Als een keuring waarbij de ketel wordt afgekeurd en er een rood label op komt: ondeugdelijk voor gebruik.

"Ben ik gek aan het worden?" vroeg ik zacht.

Jansen schudde zijn hoofd. "Nee. Je bent juist veel te normaal gebleven onder abnormale druk. Je hebt een alarmsysteem in je lijf dat op scherp staat. Alsof er een rookmelder in je hoofd zit die al afgaat als er iemand een kaarsje aansteekt. Je hart mankeert niks. Je verstand mankeert niks. Maar je zenuwstelsel is over de rooie."

Hij stuurde me door naar Bert, een praktijkondersteuner voor de geestelijke gezondheidszorg, die twee deuren verderop zat. Geen dure psychiater met een leren bank, maar een nuchtere vijftiger in een spijkerbroek die praatte zoals mijn collega's op de bouw.

De eerste afspraak met Bert was twee weken later. Ik was doodsbang om te gaan. Ik dacht dat hij me zweverige ademhalingsoefeningen zou laten doen met wierook erbij.

Maar Bert keek me aan en zei: "Mooi vak, installatietechniek. Als er ergens te veel druk op een leiding staat en er zit geen overdrukventiel op, wat gebeurt er dan Dennis?"

"Dan klapt de koppeling eruit," antwoordde ik automatisch.

"Nou," zei Bert. "Dat is dus precies wat er in de Gamma is gebeurd. Jouw koppeling is eruit geklapt. Omdat je al tien jaar rondloopt alsof er niks aan de hand is, terwijl de manometer diep in het rood staat."

We begonnen te praten. Geen diepgravende theorieën over mijn vroege jeugd, maar simpele, harde feiten over hoe angst werkt in een mannenlijf. Hij legde uit wat adrenaline doet. Waarom mijn spieren verstijfden. Waarom mijn ogen tunnelvisie kregen. Het was puur biologie. Een oeroud systeem om te vluchten voor een beer, alleen was er bij mij geen beer, maar een gedachte.

"En wat moet ik doen als die beer weer komt?" vroeg ik.

"Niks," zei Bert. "Je laat hem maar brullen. Je stopt met vechten. Als je hart tekeergaat, zeg je: 'Kom maar op, pomp maar raak.' Je gaat er niet dood aan. Dat heb je inmiddels wel bewezen, want je leeft nog steeds."

Die zaterdag zette ik mijn eerste stap. Een wandeling langs de Karnemelksloot. Niet op de fiets, maar te voet. Sandra liep naast me. Mijn benen voelden aan als zandzakken. Mijn hart sloeg twee keer over bij de ophaalbrug. De angst schoot omhoog als een steekvlam.

Ik bleef staan. Mijn handen begonnen te zweten. 'Laat maar brullen,' dacht ik, met mijn kaken op elkaar geklemd. 'Kom maar dan.'

Ik viel niet neer. De brug bleef op zijn plek. De eenden zwommen door. Na twee minuten zakte de vlam weer in. Ik keek naar Sandra. Ze pakte mijn hand vast. Haar vingers waren warm. Het was de eerste keer in maanden dat ik voelde dat ik weer met beide benen op de aarde stond.

Hoofdstuk 7

Een schroef los

Herstel is geen rechte lijn omhoog. Het is geen Hollywoodfilm waarin de zon doorbreekt, de muziek aanzwelt en iedereen weer vrolijk over straat huppelt. Herstel is een modderige weg met diepe kuilen waarin je regelmatig weer tot je enkels wegzakt.

Na zes weken thuiszitten ging ik weer parttime aan de slag. Twee ochtenden in de week. Geen spoedklussen, geen ingewikkelde storingen. Gewoon simpel onderhoud.

De eerste dag terug op de zaak was verschrikkelijk. Ik parkeerde mijn Caddy op het terrein en mijn handen waren zo nat van het zweet dat ik de sleutel bijna niet omgedraaid kreeg. Mijn maag draaide rondjes. Ik was bang voor de blikken. Bang voor de grappen.

Arjan stond in de werkplaats een pomp uit elkaar te halen. Toen hij me zag, legde hij zijn steeksleutel neer en veegde zijn handen af aan een poetslap.

"Zo, van der Meer," zei hij rustig. "Je bent er weer."

"Ja," zei ik. Mijn keel was droog. Ik had me voorgenomen om weer een smoes te verzinnen. Iets over een hardnekkige darmbacterie. Maar toen ik hem aankeek, die oude rot die me het vak had geleerd, kon ik het niet over mijn lippen krijgen. De leugen paste niet meer. Het masker was te zwaar geworden om weer op te zetten.

"Ik had geen griep, Arjan," zei ik. Mijn stem klonk dunner dan ik wilde, maar ik keek hem recht in zijn ogen aan. "Ik had paniekaanvallen. Mijn hele kop zat op slot. Ik kon niks meer."

Het bleef stil in de werkplaats. Ik hoorde een radio op de achtergrond zachtjes spelen. Ik zette me schrap voor een harde opmerking. Iets over aanstellen of een schop onder je reet nodig hebben.

Arjan keek naar de grond. Hij trapte tegen een stuk koperpijp dat op de vloer lag. Daarna keek hij me weer aan. Zijn blik was anders dan anders. Zachter.

"Mijn broer heeft dat ook gehad," zei hij met een lage stem. "Tien jaar geleden. Die durfde de straat niet meer op. Zat maanden binnen met de gordijnen dicht."

Hij zette een stap naar voren en legde een zware, eeltige hand op mijn schouder. De greep was stevig en deed bijna pijn, maar het was het beste gevoel van de hele maand.

"Het is zwaar klotewerk daarboven in je bovenkamer," zei hij. "Fijn dat je er weer bent, Dennis. We doen het rustig aan. Twee klusjes vanmorgen. Als het niet gaat, bel je me en ga je naar huis. Afgesproken?"

"Afgesproken," zei ik. Er schoot een brok in mijn keel zo groot als een vuist, maar ik slikte hem weg.

Die ochtend ging ik naar een klant in Goverwelle. Een gewone tussenwoning. De ketel hing op zolder, net zoals die dinsdag in november. Terwijl ik de trap opliep, voelde ik de spanning stijgen. Mijn adem werd sneller. De herinnering aan de paniek zat in het hout van de traptreden gebrand.

Boven deed ik de kap van de ketel af. Ik pakte mijn schroevendraaier. Mijn hand trilde een beetje. Niet heel erg, maar hij trilde.

'Daar is de beer weer,' dacht ik. Ik zette de schroevendraaier op een bout. Mijn hart begon sneller te slaan. Boem. Boem. Boem.

Ik stopte niet. Ik rende niet naar beneden. Ik haalde een keer diep adem door mijn neus en blies het rustig uit door mijn mond. "Je mag er zijn," zei ik zachtjes tegen de brander voor me. "Klop maar. Ik moet hier toch een pakking vervangen."

Het was geen overwinning met trompetgeschal. Het was een klein, stil gevecht dat ik won door simpelweg niet weg te lopen. Na twintig minuten was de ketel klaar. De druk stond netjes op 1,8 bar. Geen lekkages.

Nu, een jaar later, ben ik er nog steeds niet helemaal vanaf. Soms, in een drukke supermarkt of als ik te veel hooi op mijn vork neem, voel ik de oude druk weer op mijn borst drukken. Dan begint het orkest in mijn hoofd weer te stemmen. Het verschil is dat ik nu niet meer doe alsof ik het niet hoor.

Ik draag geen masker meer. Als een collega vraagt hoe het gaat en ik heb een klotedag, zeg ik: "Niet best vandaag. Slecht geslapen, kop zit vol." Niemand lacht me uit. Niemand vindt me minder waard. Bram zei laatst zelfs dat hij zelf ook weleens met knikkende knieën op een steiger had gestaan na het overlijden van zijn vader.

Ik ben niet gerepareerd. Ik ben geen nieuwe ketel die zo uit de doos komt, glanzend en zonder krassen. Ik ben een ketel die al een flink aantal stookseizoenen achter de rug heeft. Er zit wat kalk in de leidingen, de brander vertoont wat slijtplekken en er rammelt weleens een schroef.

Maar ik draai nog steeds. Niet meer op volle kracht om mezelf te bewijzen, maar precies hard genoeg om het warm te houden.