Naar de inhoud
Terug naar het boek

Ziekte en gezondheid

Een lichaam dat niet meewerkt

Bevat beschrijvingen van ziekte en behandeling.

Hoofdstuk 1

De tegel die bleef liggen

De badkamer aan de Eemnesserweg rook naar nat cement en stof. Het was dinsdagochtend, half negen. Ik stond op mijn knieën op de pas gelegde vloer. Naast me lag een doos met zware, antracietkleurige tegels van zestig bij zestig centimeter. Ik deed dit werk al veertien jaar. Mijn eigen bedrijf, Dennis van Beek Tegelwerken. Gewoon met mijn eigen handen mijn geld verdienen, niks mis mee.

Ik pakte een tegel met beide handen beet. Ik zette mijn knieën schrap, spande mijn buik aan en tilde. Precies op het moment dat de tegel loskwam van de grond, schoot het erin. Het was geen gewone steek. Het voelde alsof iemand met een botte schroevendraaier diep in mijn rechterbil wroette en daarna een draad onder stroom zette naar mijn onderrug. Mijn adem sloeg vast in mijn keel. Mijn handen lieten los. De tegel kletterde op het beton en brak in twee scherpe stukken.

Ik bleef op handen en knieën zitten. De pijn trok niet weg. Hij werd heet, vlammend. Ik probeerde overeind te komen, maar mijn onderrug zat op slot. Het was alsof de wervels met roestig ijzerdraad aan elkaar waren gebonden. 'Verdomme,' siste ik tegen de kale gipsplaten.

Na tien minuten lukte het me om op te staan door me op te trekken aan het kozijn. Ik zweette alsof ik net een uur had hardgelopen. Ik liep met kleine, schuifelende passen naar mijn bus. Bukken om mijn gereedschapskist op te tillen ging niet meer. Ik liet alles liggen. Ik stapte in de bus, zette de stoelverwarming op de hoogste stand en reed naar huis in Vathorst. Elke verkeersdrempel voelde als een klap tegen mijn bekken.

Thuis was het stil. Marit was naar haar werk bij de opticien in het centrum en de kinderen waren naar school. Ik liet me op de bank vallen. Of liever: ik liet me zakken, millimeter voor millimeter. Ik dacht dat het spit was. Of een overbelaste spier. Als tegelzetter weet je dat je lichaam slijt. Je knieën gaan eraan, je schouders kraken. Maar dit voelde anders. Dit voelde alsof mijn eigen geraamte me tegenwerkte.

Toen Marit om vijf uur thuiskwam met Milan en Tess, lag ik er nog. Ze zag het meteen aan mijn gezicht. 'Dennis, wat is er?' vroeg ze. Ze zette de boodschappentas op het aanrecht en kwam naast me staan. 'Mijn rug,' zei ik kortaf. 'Schoot erin bij die klus in Baarn. Geef me twee dagen rust en een paar doordrukstrips ibuprofen. Dan is het weg.'

Maar het ging niet weg. De dagen werden weken. Rusten hielp niet, bewegen deed zeer. Het vreemdste was de ochtend. Normaal spring je uit bed, spring je onder de douche en neem je een bak koffie. Nu werd ik wakker rond vier uur ’s nachts omdat mijn bekken gloeide alsof er gloeiende kolen in lagen. Als de wekker om zeven uur ging, was ik stijver dan een houten plank. Ik moest op mijn zij rollen, mijn benen uit bed zwaaien en mezelf met twee armen omhoog duwen. Mijn sokken aantrekken werd een militaire operatie waar ik twintig minuten over deed.

'Ga nou naar de dokter,' zei Marit op een zaterdagochtend in oktober. Ze keek me aan over de rand van haar theeglas. Milan zat naast haar een boterham met pindakaas te smeren en keek met grote ogen naar mij. Hij had me al drie weken niet zien stoeien. 'Het is gewoon overbelasting,' zei ik koppig. 'Ik ben achtendertig, Marit. Geen tachtig. Ik moet maandag naar een klus in Hilversum. Die mensen zitten al een maand zonder douche.'

'Je kunt amper je eigen veters strikken, Dennis,' zei ze rustig, maar haar stem was scherp. 'Je gaat die dokter bellen. Vandaag nog.' Ik keek naar mijn schoenen. Ze had gelijk. Ik kon het niet meer ontkennen. Mijn lichaam wilde niet meer luisteren naar wat mijn hoofd wilde.

Hoofdstuk 2

Een vlek op de foto

De praktijk van dokter Van Vliet rook naar schoonmaakmiddel en natte jassen. Ik zat op de rand van de onderzoeksbank, met alleen mijn boxershort aan. Ik voelde me belachelijk. Ik was gewend om in een stevige werkbroek te lopen, met een rolmaat aan mijn riem en vuil onder mijn nagels. Nu zat ik hier te bibberen op een rol wit papier dat kraakte bij elke beweging.

Van Vliet duwde met zijn duim op mijn onderrug, net boven mijn stuitje. 'Doet dit zeer?' vroeg hij.

'Nee,' zei ik.

Hij drukte iets verder naar rechts, vlak bij mijn bekkenrand. Een scheut schoot door mijn been. Ik beet op mijn kiezen om geen kreet te geven.

'Ontspan maar,' zei hij. Hij waste zijn handen bij het wasbakje en draaide zich om. 'Hoe lang duurt die stijfheid ’s ochtends precies?'

'Een uur,' zei ik. 'Soms twee. Pas rond de middag voel ik me weer een beetje soepel. Maar als ik dan ga zitten in de bus, begint het van voren af aan.'

Hij knikte langzaam. 'En ’s nachts? Word je wakker van de pijn?'

'Altijd rond een uur of vier. Dan moet ik eruit om rondjes te lopen in de woonkamer. Als ik blijf liggen, wordt het erger.'

Ik dacht dat hij een recept voor zware spierverslappers zou uitschrijven en me naar de fysiotherapeut zou sturen. Dat deed hij ook, maar hij liet ook bloed prikken. Drie buisjes. Een week later belde hij me zelf. De ontstekingswaarden in mijn bloed waren te hoog. 'Niet schrikken, Dennis,' zei hij nuchter. 'Maar we gaan een foto laten maken in het ziekenhuis. En ik wil dat je naar de reumatoloog gaat.'

Reumatoloog. Dat woord paste niet bij mij. Mijn oma van vierentachtig had reuma. Die had kromme vingers en reed in een scootmobiel. Ik was tegelzetter. Ik tilde zakken specie van vijfentwintig kilo op mijn schouder.

Drie weken later lag ik in de MRI-scanner in het Meander Medisch Centrum. Het apparaat bonkte en piepte alsof er een drilboor naast mijn oren stond. Ik had een koptelefoon op waar zachtjes Sky Radio uit klonk, maar het hielp niks. Ik moest veertig minuten doodstil blijven liggen op een harde plank. Elke minuut voelde als een uur. De pijn in mijn bekken zeurde en brandde, maar ik mocht niet verzitten.

Het gesprek daarna met de specialist, dokter De Graaf, duurde nog geen kwartier. Ze was een vrouw van een jaar of vijftig met een kort grijs kapsel en een vriendelijke, zakelijke blik. Ze draaide haar beeldscherm naar me toe. Ik zag een zwart-wit beeld van mijn heupen en wervelkolom.

'Kijk,' zei ze, en ze wees met de punt van haar pen naar twee lichte vlekken aan weerszijden van mijn heiligbeen. 'Hier zien we actieve ontstekingen. Dat noemen we sacro-iliitis. In combinatie met uw klachten en het HLA-B27-gen dat we in uw bloed hebben gevonden, is het beeld duidelijk. U heeft axiale spondylartritis. Vroeger noemden we dat de ziekte van Bechterew.'

Ik staarde naar het scherm. De vlekken leken net melk die in water was gedruppeld. 'En hoe kom ik eraan?' vroeg ik.

'Pech,' zei ze simpel. 'Het zit in uw genen. Het immuunsysteem valt uw eigen gewrichten en peesaanhechtingen aan. Het lichaam denkt dat er een infectie zit, maar die is er niet. Daardoor ontstaan chronische ontstekingen. En als die te lang doorgaan, kan het bot gaan vergroeien.'

'Wanneer gaat het over?' vroeg ik. Het was een domme vraag, maar ik wist niks beters te zeggen.

Dokter De Graaf legde haar pen neer en vouwde haar handen op haar bureau. 'Het gaat niet over, meneer Van Beek. Het is een chronische aandoening. We kunnen de ontstekingen remmen met medicijnen. We kunnen zorgen dat u minder pijn heeft en zo mobiel mogelijk blijft. Maar genezen kunnen we het niet.'

Ik liep het ziekenhuis uit naar de parkeerplaats. De zon scheen fel op het asfalt, het was een frisse herfstdag. Mensen liepen met tassen naar hun auto, iemand lachte om een grap op zijn telefoon. Alles ging gewoon door. Ik stapte in mijn bus, sloeg het portier dicht en bleef tien minuten naar het stuur staren. Chronisch. Het woord voelde als een betonnen muur waar ik met tachtig kilometer per uur tegenaan was gereden.

Hoofdstuk 3

Slopen zonder hamer

In het begin probeerde ik de ziekte te behandelen zoals een lastige klant: negeren, doordrukken en hopen dat het vanzelf oploste. Ik kreeg ontstekingsremmers, zware pillen die naar krijt smaakten. Daarnaast begon ik met injecties. Eens in de twee weken zette ik zelf een spuit in mijn bovenbeen. Een klik, tien seconden wachten tot de vloeistof naar binnen liep, en klaar. Biologische medicijnen heetten ze. Ze moesten de boodschapperstoffen in mijn immuunsysteem blokkeren.

De eerste maanden leek het te werken. De vlammende pijn werd een doffe dreun. Ik dacht dat ik erdoorheen was. Ik nam weer klussen aan. Een tegelvloer in een woonkamer in Vathorst, een toiletruimte in Hoogland. Ik stond om zes uur op, slikte mijn pillen met een grote mok sterke koffie en ging aan de slag.

Maar mijn lichaam liet zich niet bedriegen. Halverwege de dag begon de straf. Mijn benen werden zwaar als loden pijpen. Als ik op mijn knieën zat om plinten te kitten, kwam ik na een uur nauwelijks meer overeind. Mijn vingers begonnen te zwellen. Zelfs de dop van een kitspuit draaien werd een beproeving. De vermoeidheid was nog erger dan de pijn. Het was geen gewone moeheid van een dag hard werken, maar een loodzware deken die ineens over mijn hersenen werd gegooid. Ik kon niet meer helder nadenken. Ik maakte stomme rekenfouten bij het opmeten van tegels. Ik zaagde een hoek verkeerd af en smeet het stuk keramiek tegen de muur aan gort.

'Gaat het wel, Dennis?' vroeg de aannemer die me vaak inhuurde. We stonden op een bouwplaats in Amersfoort-Noord. Hij keek naar hoe ik liep: stram, met een lichte kromming in mijn bovenrug, alsof ik een onzichtbare last droeg.

'Gaat prima,' loog ik. 'Beetje slecht geslapen.'

'Je tempo ligt te laag, man. Die badkamer had gisteren gevoegd moeten zijn. Ik kan de stucadoor niet laten wachten.'

Het was de eerste keer in veertien jaar dat iemand dat tegen me zei. Mijn hele reputatie was gebouwd op snelheid en strak werk. 'Je krijgt het voor elkaar,' beet ik hem toe. Maar die avond kwam ik niet eens zelf uit de auto. Marit moest naar buiten komen om me te helpen mijn laarzen uit te trekken bij de achterdeur.

Thuis veranderde de sfeer. De spanning hing tussen ons als de geur van aangebrand eten. Marit werkte vier dagen bij de opticien, runde het huishouden en zorgde voor de kinderen. Ik lag op de bank of zat in een hoek van de kamer naar een scherm te staren. Ik voelde me waardeloos. Geen man, geen kostwinner, alleen maar een blok aan haar been.

Op een avond liet Tess haar beker melk vallen. Het witte vocht stroomde over de houten vloer, vlak voor mijn voeten. 'Dennis, ruim jij het even op?' vroeg Marit vanaf het fornuis. 'Mijn handen zitten onder het gehakt.'

Ik keek naar de plas. Ik keek naar de keukenrol op het aanrecht. Het betekende dat ik moest opstaan, bukken, op mijn knieën moest gaan, vegen en weer overeind krabbelen. De gedachte alleen al deed pijn.

'Kan dat niet over vijf minuten?' bromde ik.

Marit liet de pollepel met een kletter in de pan vallen. Ze draaide zich om. Haar gezicht stond strak, haar ogen waren rood van vermoeidheid. 'Nee, Dennis. Dat kan niet over vijf minuten. Het trekt in het hout. Doe godverdomme eens iets. Je zit hier alleen nog maar als een zoutzak.'

'Ik kan niet bukken!' schreeuwde ik. Tess begon te huilen aan tafel. Milan keek met open mond naar ons. Ik had nog nooit zo tegen Marit geschreeuwd. 'Zie je het dan niet? Ik kan het gewoon niet!'

'Ik zie een man die heeft opgegeven,' zei ze met een stem die ijzig kalm was. 'En dat vind ik nog veel erger dan die kloterug van je.' Ze pakte zelf de rol papier, veegde met harde halen de melk op en liep de kamer uit. Ik bleef achter in de stilte met het zachte snikken van mijn dochter.

Hoofdstuk 4

De bodem van de kuil

Het dieptepunt kwam in november, precies een jaar na die eerste tegel in Baarn. Het had dagenlang geregend. Lage luchtdruk, natte kou; mijn gewrichten haatten het. Mijn medicijnen leken ineens niks meer te doen. De reumatoloog had me al gewaarschuwd dat het lichaam antistoffen kan aanmaken tegen die biologische middelen. Dan moet je overstappen op een ander type, maar dat duurt weken voordat het aanslaat.

Ik werd wakker om half zes. Het hele huis sliep nog. Buiten hoorde ik de regen tegen het slaapkamerraam kletteren. Ik wilde omdraaien, maar het ging niet. Mijn heupen zaten muurvast. De pijn was geen zeurende wond meer, maar een muur van vuur in mijn bekken en ribbenkast. Zelfs diep ademhalen deed pijn; de pezen tussen mijn ribben waren ook ontstoken.

Ik moest plassen. Dringend. Ik probeerde mijn benen te bewegen, maar mijn hersenen gaven een signaal dat ergens halverwege mijn ruggengraat strandde. Ik beet op mijn kussen om geen geluid te maken. Marit sliep naast me, eindelijk eens diep. Ik wilde haar niet wakker maken. Ik wilde niet wéér de stumper zijn die geholpen moest worden.

Met mijn armen trok ik me naar de rand van het matras. Ik liet me op de grond glijden. De klap op de vloerbedekking sneed door me heen. Ik kon niet opstaan. Ik had de kracht niet in mijn benen en mijn rug weigerde te buigen. Daar lag ik dan. Een volwassen vent van bijna veertig, op zijn buik op het tapijt, kruipend naar de badkamerdeur.

Ik zette mijn ellebogen in het tapijt en trok mezelf centimeter voor centimeter vooruit. Het duurde tien minuten om de drie meter naar de badkamer af te leggen. Mijn voorhoofd rustte tegen de koude witte tegels van de badkamervloer. Ik haalde het toilet niet. Ik verloor de controle over mijn blaas, daar op de vloer, tussen de wasmand en de wastafel.

Toen brak er iets in me. Niet in mijn rug, maar in mijn kop. Ik legde mijn wang op de natte tegels en huilde. Zonder geluid, met schokschouders die bij elke snik pijn deden in mijn borstkas. Ik was klaar. Ik kon niet meer vechten tegen iets dat in mijn eigen bloed zat. Dit was geen wedstrijd die je op karakter kon winnen. Mijn lichaam had me verraden, en ik had niks meer over om terug te vechten.

Marit vond me een half uur later. Ze schrok niet, ze gilde niet. Ze knielde naast me neer op de natte vloer. Ze pakte een handdoek, maakte me schoon en hielp me overeind. Ze zei helemaal niks. Geen 'het komt wel goed', geen verwijt. Ze hield me alleen maar vast terwijl ik tegen haar schouder leunde, zwaar en rillend van de kou.

Die middag belde ik de Kamer van Koophandel. Mijn handen trilden terwijl ik het formulier op de laptop invulde. Dennis van Beek Tegelwerken: beëindiging onderneming per direct. Ik had geen keuze meer. Er stonden nog drie offertes open en twee aanbetalingen die ik moest terugstorten. Mijn bus stond buiten op de oprit, volgeladen met gereedschap dat ik niet meer kon tillen.

Het voelde alsof ik mijn eigen overlijdensbericht ondertekende. Wie was ik als ik geen tegelzetter meer was? Ik had geen diploma’s, behalve mijn vmbo en mijn vakdiploma’s. Ik kon badkamers bouwen, leidingen leggen, tegelen tot op de millimeter strak. Meer kon ik niet. Ik keek door het raam naar buiten naar de grijze straat. Mijn bedrijf was weg. Mijn kracht was weg. En ik had geen idee wat er overbleef.

Hoofdstuk 5

Een andere meetlat

Begin januari stuurde de reumatoloog me door naar een revalidatiecentrum. Niet voor een wonderbaarlijke genezing, maar om 'te leren omgaan met de beperkingen'. Ik vond het een vreselijke term. Het klonk als opgeven met een mooi strikje eromheen.

De eerste dag ontmoette ik Johan. Johan was vijfenvijftig, had brede schouders en handen als kolenschoppen. Hij was dertig jaar timmerman geweest totdat dezelfde ziekte hem velde. Hij liep met een stok, maar zijn blik was helder en hij lachte om de grappen van de fysiotherapeut.

We zaten na de eerste oefensessie aan een lage tafel met automatenkoffie. Ik wreef over mijn onderrug, die gloeide van de simpele rekoefeningen. 'Waardeloos, hè?' zei ik bitter. 'Moet je kijken wat we doen. Een beetje met een bal rollen en op een matje liggen. Vroeger tilde ik zestig vierkante meter tegels op een ochtend naar de tweede verdieping.'

Johan nam een slok koffie en keek me rustig aan. 'Vroeger is dood, Dennis,' zei hij. Hij zei het niet gemeen, maar nuchter, zoals een timmerman zegt dat een plank scheef gezaagd is. 'Als je blijft meten met de meetlat van vroeger, ben je elke dag een mislukking. Die meetlat moet de kachel in.'

'Makkelijk lullen,' zei ik. 'Ik ben dertig jaar jonger dan jij lijkt te denken. Ik moet nog vijfentwintig jaar werken. Mijn gezin vreten geven.'

'Ik lul niet makkelijk,' zei Johan zacht. Hij stroopte zijn mouw op. Zijn onderarm zat vol littekens van oude operaties. 'Ik heb twee jaar op de bank gezeten met een fles jenever naast me omdat ik dacht dat ik niks meer waard was toen ik mijn hamer niet meer kon vasthouden. Mijn vrouw is bijna bij me weggewaaid. Pas toen ik stopte met vechten tegen wat er niet meer is, kon ik gaan kijken naar wat er nog wél stond.'

Zijn woorden bleven in mijn hoofd rondspoken. De weken daarna werkte ik met een ergotherapeute, Anneke. Ze was jong, maar ze liet zich niet door mijn norse buien van de wijs brengen. Ze leerde me iets wat ze 'energiemanagement' noemde. Weer zo’n rotwoord, maar de kern was simpel: ik moest stoppen met pieken en dalen.

'Jij werkt zoals je altijd gewerkt hebt, Dennis,' zei ze terwijl ze een grafiek op een bord tekende. 'Op een goede dag voel je je redelijk, dus ga je als een bezetene puinruimen in de tuin of het hele huis soppen. Gevolg: de drie dagen erna lig je plat van de pijn. Je moet stoppen op zeventig procent van wat je kúnt. Ook als de zon schijnt en je denkt dat je de hele wereld aankan.'

Het was tegen alles in wat ik als vakman had geleerd. In de bouw ga je door tot de klus af is. Niet zeuren, uren maken. Leren stoppen terwijl de klus nog niet af was, was moeilijker dan een doos tegels van vijftig kilo tillen. Ik moest leren nee zeggen. Tegen mezelf, tegen Marit, tegen vrienden die vroegen of ik 'even' wilde helpen met een dakkapel.

Langzaam veranderde er iets. Ik kreeg nieuwe medicijnen die beter aansloegen. De brand in mijn bekken werd kleiner; het leek meer op smeulend as dan op een uitslaande brand. Ik kocht een krukje op wieltjes voor thuis. Eerst schaamde ik me dood als ik erop zat om de vaatwasser uit te ruimen, maar het betekende wel dat ik Marit kon helpen zonder dat ik daarna drie uur op de bank moest bijkomen.

Op een middag in maart vroeg Milan of ik meeging naar het trapveldje. Vroeger rende ik met hem over het veld, schoot ballen hard in het kruis. Dat ging niet meer. 'Ik kan niet voetballen, vriend,' zei ik tegen hem bij de achterdeur.

'Weet ik, pap,' zei Milan. Hij hield de bal onder zijn arm. 'Maar je kunt wel op het bankje zitten en kijken of ik het goed doe. En tips geven.'

Ik slikte even. Ik trok mijn dikke jas aan en liep mee. Schuifelend, met kleine stappen. Maar ik wás er. En toen hij de bal van afstand in het doeltje trapte en juichend naar me omkeek, besefte ik dat Johan gelijk had gehad. De meetlat was veranderd, maar de sprong telde nog steeds.

Hoofdstuk 6

Nieuwe voegen

In mei begon het thuiszitten me te verstikken. De uitkering via de arbeidsongeschiktheidsverzekering gaf rust, maar elke dag naar dezelfde vier muren staren maakte me gek. Mijn handen jeukten. Ik miste de geur van bouwstof, het overleg met aannemers, het gevoel dat je met iets bezig bent dat blijft staan.

Ik zette mijn trots opzij en belde Henk de Jong. Henk was een aannemer uit Nijkerk waar ik vroeger veel voor had gewerkt. Een no-nonsense man met wit haar en een buik die over zijn riem hing. We spraken af in zijn keet bij een project in Amersfoort.

'Koffie?' vroeg hij en duwde een kartonnen bekertje naar me toe. Hij keek naar hoe ik ging zitten: voorzichtig, met een rechte rug, mijn handen rustend op mijn knieën.

'Je ziet eruit alsof je een bezemsteel hebt ingeslikt, Van Beek,' zei hij direct.

'Axiale spondylartritis,' zei ik. Het woord rolde er inmiddels zonder haperen uit. 'Mijn rug vergroeit langzaam. Fysiek werk op de vloer is klaar. Ik kan niet meer tegelen, Henk.'

Henk knikte langzaam. Hij kende het klappen van de zweep. 'En waarom zit je hier dan? Om te zeuren?'

'Nee,' zei ik. 'Ik wil werken. Jij hebt calculatiewerk liggen waar je een hekel aan hebt. Je zoekt iemand die offertes maakt, bouwtekeningen leest, de materiaalstroom regelt en precies weet hoeveel tijd een badkamer, tegelvloer of uitbouw kost. Ik ken de prijzen. Ik ken de valkuilen. Ik zie op een tekening in vijf minuten waar de leidingen gaan vloeken met het tegelwerk. Laat mij het voorbereiden. Twintig uur in de week. Op kantoor, en deels vanuit huis.'

Henk zweeg een tijdje. Hij trommelde met zijn vingers op het formica tafelblad. 'Je hebt nog nooit achter een computer gewerkt voor je brood, Dennis.'

'Ik heb veertien jaar mijn eigen administratie gedaan,' zei ik strak. 'Mijn offertes klopten altijd tot op de laatste cent. En ik weet hoe die jongens op de steiger denken. Beter dan een jochie van vijfentwintig dat net van het hbo komt rollen.'

Henk glimlachte vaag. 'Twee maanden proef. Drie dagen per week, zes uur per dag. Als je na twee weken met je rug op apegapen ligt, scheiden onze wegen zonder gezeik.'

'Afgesproken,' zei ik.

De eerste maand was een hel, maar op een heel andere manier dan ik gewend was. Mijn hersenen kraakten. Ik moest werken met calculatiesoftware die ik niet begreep. Ik zat urenlang op een bureaustoel, wat funest was voor mijn stijfheid. Na de eerste week kon ik nauwelijks meer lopen van de pijn in mijn SI-gewrichten.

Ik ging naar Henk toe. Mijn hart klopte in mijn keel; ik was bang dat hij zou zeggen dat het over was. 'Ik heb een zit-sta-bureau nodig,' zei ik. 'En een speciale stoel. En ik moet elk half uur even vijf minuten kunnen lopen over de werf. Anders trek ik het niet.'

Henk keek me even aan over zijn leesbril. 'Dan regel je dat bureau via de arbodienst of die verzekering van je,' zei hij nuchter. 'Zolang die berekening voor die school in Barneveld vrijdag maar op mijn bureau ligt.'

Het bureau kwam er. Ik wisselde af: twintig minuten staan, twintig minuten zitten, vijf minuten lopen. Als de pijn opvlamde, ging ik naar het magazijn en deed ik de rekoefeningen die ik in het revalidatiecentrum had geleerd. Ik schaamde me niet meer als een van de timmerlieden binnenliep terwijl ik met mijn handen tegen de muur mijn kuiten en rug stond op te rekken. 'Even de roest eruit duwen, mannen,' zei ik dan gewoon.

Na twee maanden riep Henk me bij zich. Hij schoof een contract over tafel. Vaste uren, vierentwintig uur per week als werkvoorbereider en calculator. 'Je bent te duur,' zei hij met een grijns. 'Maar die offerte voor Barneveld hebben we binnengehaald. En je hebt die aannemer uit Utrecht vijftienduizend euro uit de zak geklopt omdat je zag dat hij te veel stucwerk had berekend. Je blijft.'

Toen ik naar huis reed, zette ik voor het eerst in twee jaar de radio weer hard. Het was niet mijn oude bedrijf. Ik was niet meer de baas die zijn eigen klussen draaide. Maar ik had weer een plek. Mijn vakkennis zat niet in mijn versleten tussenwervels; die zat in mijn hoofd.

Hoofdstuk 7

Het gewicht van vandaag

Het is zaterdagochtend. Zes uur. Buiten is de wereld nog blauw en stil. Ik lig in bed en voel hoe mijn lichaam wakker wordt. De pijn is er. Die is er altijd. Het voelt als een doffe, zware druk onderin mijn rug, alsof iemand een zak nat zand op mijn heupen heeft gelegd. Mijn linkerschouder zeurt een beetje; daar zit sinds drie maanden ook een ontsteking.

Ik spring niet uit bed. Dat zal ik nooit meer doen. Ik adem rustig in en uit. Ik begin met mijn voeten: cirkels draaien. Dan trek ik langzaam mijn knieën op, een voor een. Ik draai mijn heupen van links naar rechts, zoals de fysiotherapeut me heeft geleerd. Tien minuten lang maak ik mijn eigen scharnieren los voordat ik het matras verlaat.

Beneden zet ik koffie. Het geluid van het bonenmalen is vertrouwd en geruststellend. Ik neem mijn medicijnen. Twee pillen bij het ontbijt. De spuit in mijn been hoeft pas volgende week weer. Ik loop naar de achtertuin. De ochtendlucht is koud en fris. Ik kan mijn tenen nog steeds niet aanraken zonder door mijn knieën te zakken, maar ik kan rechtop staan. Dat is genoeg.

Om half negen hoor ik gestommel op de trap. Tess komt als eerste de keuken in gerend, haar blonde haren in de war. Ze is inmiddels zeven. Ze springt tegen me aan. Vroeger zou ik haar in één zwaai op mijn schouder hebben getild. Nu zak ik eerst door mijn knieën, vang haar op met mijn armen tegen mijn borst en til haar met mijn benen op. Ze weet het niet beter. Voor haar is dit gewoon hoe papa knuffelt.

'Gaan we het vogelhuisje afmaken?' vraagt ze met een mond vol brood.

'Gaan we doen,' zeg ik.

In de schuur staat de werkbank. We hebben hem samen aangepast: een hoge kruk ervoor, zodat ik niet hoef te bukken. Het hout ligt al klaar, op maat gezaagd. Milan komt er even later ook bij. Hij is tien nu, bijna net zo eigenwijs als ik vroeger was. Hij pakt de hamer.

'Niet zo knijpen in die steel, Milan,' zeg ik vanaf mijn kruk. 'Laat het gewicht van de hamer het werk doen. Losjes vasthouden. Tikken, niet rammen.'

Hij probeert het. De spijker gaat recht het vurenhout in. Hij kijkt me aan met een grijns. 'Zo?'

'Precies zo,' zeg ik.

Ik kijk naar mijn handen. De knokkels zijn wat dikker dan vroeger, de huid is minder eeltig nu ik achter een scherm werk in plaats van in het cement zit. Mijn rug protesteert als ik iets te ver voorover leun om een schroef aan te geven. Ik ga weer rechtop zitten. Zeventig procent. Niet over de grens.

Marit komt de schuur in met een dienblad met drie bekers warme chocolademelk en een mok thee voor zichzelf. Ze zet het op de hoek van de werkbank en leunt even tegen me aan. Ze legt haar hand op mijn nek, precies op de plek waar de spieren altijd strak staan. Ze hoeft niks te vragen. We hebben een taal ontwikkeld zonder woorden. Ze weet aan de manier waarop ik uit mijn ogen kijk hoe hoog het vuur vandaag brandt.

'Rustig aan vanmiddag?' vraagt ze zachtjes.

'Ja,' zeg ik. 'Vanmiddag ga ik een uur liggen. Dan kunnen we vanavond naar de verjaardag van je zus.'

Het is geen overwinning zoals in een film. Er klinkt geen muziek als ik de schuurdeur dichtdoe. De ziekte van Bechterew gaat niet weg. Over tien jaar zit mijn onderrug waarschijnlijk helemaal aan elkaar vastgegroeid. Misschien heb ik tegen die tijd een operatie nodig voor een kunstheup. Misschien moet ik over vijf jaar terug naar minder uren op het werk.

Maar vandaag niet. Vandaag hangen Tess en Milan het vogelhuisje op aan de schutting. Vandaag drink ik koffie met mijn vrouw. Vandaag verdien ik mijn eigen geld op een manier die mijn lichaam toelaat. Ik ben Dennis van Beek. Ik ben geen tegelzetter meer, en dat is goed. Ik ben de man die leerde buigen toen zijn botten niet meer wilden.