Psychische gezondheid
Een hoofd vol stormen
Dit boek gaat over psychische klachten. Zoek hulp als het onderwerp je raakt.
Hoofdstuk 1
Een hoofd vol stormen — De brug
Halverwege de Muntbrug in Utrecht weet ik niet meer hoe ik moet ademen. Mijn fiets ligt tegen de reling. Het voorwiel draait nog. Aan de overkant loopt een vrouw met een gele boodschappentas. Ze kijkt naar me. Ik wil zeggen dat ze door moet lopen. Er komt alleen lucht uit mijn mond.
Mijn naam is Daan Vermeer. Ik ben zesendertig. Tot die ochtend dacht ik dat je altijd wist wanneer je de controle verloor.
De vrouw zet haar tas neer.
‘Heb je pijn op je borst?’
Ik knik. Mijn hart slaat zo hard dat ik het in mijn keel voel. Mijn linkerhand tintelt. Onder mijn jas stroomt zweet langs mijn rug.
‘Ik bel een ambulance.’
‘Nee,’ zeg ik. ‘Mijn werk.’
Ze kijkt naar mijn fiets. Naar mij.
‘Je werk kan wachten.’
Dat geloof ik niet. Bij drukkerij Van Dijk in Nieuwegein moeten vandaag vierduizend programmaboekjes de deur uit. Gisteren heb ik een bestand goedgekeurd met de verkeerde datum op de omslag. Niemand weet het nog. Mijn telefoon trilt sinds halfacht.
De vrouw heet Els. Dat vertelt ze terwijl ze naast me blijft staan. Ze raakt me niet aan. Daar ben ik haar later dankbaar voor. Op dat moment voelt zelfs de lucht tegen mijn huid te veel.
‘Kijk eens naar mij, Daan.’
Ik heb blijkbaar mijn naam gezegd.
‘De ambulance komt.’
Ik denk aan mijn dochter Noor. Acht jaar. Bij haar moeder in Leidsche Rijn. Ik heb beloofd haar vanmiddag op te halen. We zouden pannenkoeken maken. Er ligt beslagmix op mijn aanrecht. Dat beeld blijft hangen terwijl ik zeker weet dat ik doodga: een geel pak naast een vieze koffiemok.
In de ambulance plakken ze elektroden op mijn borst. De verpleegkundige stelt vragen. Medicijnen? Drugs? Eerder gehad?
‘Nee. Nee. Nee.’
Hoeveel koffie?
‘Zes. Misschien acht.’
Hoeveel slaap?
Daar moet ik over nadenken.
‘Vannacht twee uur. Daarvoor ook zoiets.’
In het ziekenhuis wordt mijn hart onderzocht. Er volgen bloedafnames en een lange tijd achter een gordijn. Mijn telefoon ligt op mijn buik. Negen gemiste oproepen van mijn leidinggevende, Erik. Twee van collega Mo. Eén van mijn zus Lotte.
Ik stuur Erik: Ben even bij een klant. Bel straks.
Ik lees de zin drie keer. Zelfs hier lieg ik door.
De arts gaat naast mijn bed zitten. Er zijn geen aanwijzingen voor een hartinfarct, zegt ze. Wat ze ziet, past bij een paniekaanval. Ze vraagt naar spanning.
‘Gewoon druk,’ zeg ik.
‘Wat betekent gewoon druk?’
Ik haal mijn schouders op.
Het betekent dat ik ’s nachts bereken hoeveel geld er overblijft na de huur en de alimentatie. Dat ik mails opnieuw lees omdat ik de woorden niet onthoud. Dat ik onder de douche sta met mijn hand tegen de muur, te moe om mijn haar uit te spoelen. Dat ik bij elk geluid op mijn telefoon schrik.
‘Werk,’ zeg ik.
Ze adviseert contact met mijn huisarts. Vandaag nog, als dat lukt. Niet doorfietsen naar Nieuwegein. Rustig naar huis. Iemand bellen.
Buiten het ziekenhuis is het hard gaan regenen. Ik sta onder de luifel en bel Lotte.
‘Kun je me ophalen?’
‘Waar ben je?’
Ik zeg het. Ze stelt geen tweede vraag.
In haar auto ruikt het naar natte jassen en pepermunt. Ze werkt in een bouwmarkt en draagt haar rode werkpolo. Ze heeft zonder uitleg haar dienst verlaten.
‘Wat is er gebeurd?’
‘Paniekaanval, zeggen ze.’
‘En wat zeg jij?’
‘Dat ik naar mijn werk moet.’
Ze rijdt de parkeerplaats af. De richtingaanwijzer tikt.
‘Daar gaan we niet heen.’
Ik wil protesteren. Dan zie ik dat mijn handen nog trillen. Ik klem ze tussen mijn knieën.
Bij mijn flat in Kanaleneiland loopt Lotte mee naar boven. Ze ziet de ongeopende post op de mat. De dozen pizza op het aanrecht. Het pak pannenkoekenmix.
Ze zegt niets over de rommel.
‘Wanneer komt Noor?’
‘Om drie uur.’
‘Bel Sanne.’
‘Dan denkt ze dat ik niet voor mijn eigen kind kan zorgen.’
Lotte schuift een stoel naar achteren.
‘Vandaag lukt het misschien niet.’
Ik zak op de andere stoel. Voor het eerst die ochtend huil ik. Niet stil. Niet netjes. Lotte blijft tegenover me zitten terwijl mijn telefoon opnieuw begint te trillen.
Hoofdstuk 2
De gesloten deur
Sanne neemt op tijdens haar lunchpauze. Ik hoor bestek en stemmen op de achtergrond.
‘Ben je Noor niet vergeten?’
‘Nee.’
Ik krijg het volgende woord niet uit mijn mond. Lotte zit aan tafel en kijkt naar haar handen.
‘Daan?’
‘Ik ben in het ziekenhuis geweest. Ze hebben mijn hart onderzocht. Dat was goed. Maar ik kan Noor vandaag niet ophalen.’
Het wordt stil aan de andere kant.
‘Wat was er dan?’
‘Paniek.’
Sanne vraagt of ik alleen ben. Niet of ik gedronken heb. Niet of ik me aanstel. Ik had haar antwoorden al bedacht. Nu moet ik luisteren naar wat ze werkelijk zegt.
‘Ik haal haar op. Morgen praten we verder.’
Daarna bel ik de huisarts. De assistente vraagt of ik die middag kan komen. Ik zeg dat het niet nodig is, nu mijn hart goed blijkt. Lotte trekt langzaam haar wenkbrauwen op.
‘Vier uur kan,’ zeg ik.
Huisarts De Bruin kent me vooral van een ontstoken knie. Ze zet haar scherm opzij en vraagt hoelang ik slecht slaap.
‘Een paar weken.’
‘Hoeveel weken?’
‘Misschien tien.’
Het blijkt moeilijk om tien weken samen te vatten. Er was geen duidelijke eerste dag. Ik ging later naar bed. Werd eerder wakker. Vergat boodschappen. Zat steeds vaker in mijn auto voordat ik het huis van Sanne binnen durfde. Onze scheiding was anderhalf jaar geleden. Iedereen vond dat ik het redelijk deed. Ik werkte. Ik betaalde. Ik haalde Noor op.
‘Waar had je nog plezier in?’ vraagt De Bruin.
Ik noem fietsen. Dan moet ik toegeven dat ik alleen nog naar mijn werk fiets.
Ze vraagt ook of ik gedachten heb aan de dood. Ik kijk naar de kalender naast haar bureau. Een foto van Texel.
‘Ik wil niet dood,’ zeg ik.
‘Dat is niet helemaal dezelfde vraag.’
Ik vertel dat ik soms hoop niet wakker te worden. Dat ik daar zelf van schrik. Dat ik niets heb voorbereid en geen plan heb.
Ze blijft rustig. We spreken af wie ik kan bellen als die gedachten sterker worden. Lotte mag erbij komen voor het laatste deel. Er komt een vervolgafspraak en een afspraak met de praktijkondersteuner. De Bruin wil ook met me bespreken welke verdere behandeling nodig is.
‘En werk?’ vraag ik.
‘Meld je ziek. Je hoeft je werkgever niet je hele verhaal te vertellen.’
Vanuit de wachtkamer stuur ik Erik dat ik ziek ben. Hij belt direct.
‘Wat heb je?’
‘Dat bespreek ik met de arts.’
Mijn stem klinkt ingestudeerd. Dat is hij ook.
‘We zitten hier wel met die boekjes.’
‘Dat weet ik.’
‘Kun je thuis nog even het bestand herstellen?’
Ik kijk naar Lotte.
‘Nee.’
Daarna hang ik op. Mijn maag trekt samen alsof ik iets gestolen heb.
De eerste dagen thuis worden niet rustig. Zonder werk is er niets dat mijn gedachten onderbreekt. Ik loop van de bank naar de keuken. Open de koelkast. Doe hem dicht. Ik lig op bed met mijn schoenen aan. Buiten leegt een vuilniswagen de containers. Het geluid maakt me woedend.
Mo stuurt een foto van de herdrukte boekjes. Daaronder: Opgelost. Niet jouw grootste probleem nu.
Ik antwoord niet. Ik schaam me te veel om opgelucht te zijn.
Vrijdag brengt Sanne Noor een uurtje langs. Ze blijft erbij. Dat hebben we afgesproken, maar als ze binnenkomt voel ik me gecontroleerd.
Noor geeft me een tekening van een hond met zeven poten.
‘Deze rent harder,’ zegt ze.
Ik lach. Even gaat het vanzelf.
We eten boterhammen. Noor vertelt over een meisje dat lijm op haar trui had gekregen. Halverwege haar verhaal raak ik de draad kwijt. Ik kijk naar haar mond en hoor alleen het zoemen van de koelkast.
‘Papa, luister je?’
‘Sorry. Nog een keer.’
Na hun vertrek sluit ik de deur. Op de gang hoor ik Sanne zeggen dat papa erg moe is.
Ik ga op de vloer zitten. Naast me ligt een envelop van de woningcorporatie. Een rode streep boven het adres.
Lotte belt. Ik druk haar weg.
Ze belt opnieuw.
Ik leg mijn telefoon onder een kussen en blijf zitten tot het buiten donker is.
Hoofdstuk 3
Niet opnemen
Om kwart over acht staat Lotte voor mijn deur. Ze heeft soep bij zich. Dat weet ik pas later. Eerst hoor ik alleen haar sleutelbos en daarna de bel.
‘Daan?’
Ik zit nog op de vloer. Mijn benen zijn stijf. De telefoon onder het kussen houdt eindelijk op met trillen.
‘Doe even open.’
Ik wil dat ze weggaat. Tegelijk wil ik dat ze blijft. Die twee wensen zijn even sterk.
Ze klopt niet harder. Ze zegt dat ze beneden op straat mijn fiets heeft gezien. Dat ze zich zorgen maakt. Dat ze hulp gaat inschakelen als ik niets laat horen.
‘Ik ben er,’ zeg ik.
‘Dat hoor ik. Kun je opendoen?’
Het slot draait moeilijk omdat ik de sleutel scheef vasthoud. Lotte kijkt langs me heen naar de donkere kamer.
‘Heb je gegeten?’
‘Geen honger.’
Ze zet haar tas neer. Ik verwacht een preek over frisse lucht. Over ritme. Over mijn gordijnen. In plaats daarvan vraagt ze:
‘Ben je veilig als ik straks wegga?’
Ik kijk naar haar werkschoenen. Er zit opgedroogde modder op de neuzen.
‘Ik weet het niet.’
Het zijn vier woorden. Daarna is de avond niet meer van mij alleen.
Lotte belt de huisartsenpost. Ze zit naast me en laat me zelf vertellen wat lukt. Ik zeg dat ik niet meer wil voelen wat ik voel. Dat ik bang ben voor de nacht. Dat ik geen concreet plan heb, maar mijn eigen gedachten niet vertrouw.
We worden teruggebeld. Later die avond spreken we twee mensen van de crisisdienst. Een verpleegkundige, Bas, en een arts. Ik wil weten of ze me gaan opsluiten.
‘We willen eerst begrijpen wat er aan de hand is,’ zegt Bas.
Hij praat niet langzaam. Daar ben ik blij om. Ik ben bang en uitgeput, niet dom.
Ze stellen directe vragen. Over slapen. Over alcohol. Over eerdere periodes. Over gedachten om mezelf iets aan te doen. Ook over Noor. Haar naam maakt me boos.
‘Ik weet echt wel dat ik een dochter heb.’
Bas knikt.
‘Ik noem haar niet om je een schuldgevoel te geven. Ik wil weten hoe jouw dagen eruitzien en wie belangrijk voor je zijn.’
Ik veeg met mijn mouw langs mijn gezicht. Mijn boosheid zakt, maar mijn schaamte niet.
Samen maken we afspraken voor de nacht. Ik ga met Lotte mee naar haar huis in Zuilen. Zij weet wie ze moet bellen als het onveiliger wordt. De volgende ochtend komt er contact met mijn huisarts. De arts bespreekt tijdelijke ondersteuning voor mijn slaap en hoe die gecontroleerd wordt. Niet als oplossing voor alles. Alleen omdat ik al te lang nauwelijks slaap.
In Lottes logeerkamer staat een hometrainer vol wasgoed. Ik lig onder een dekbed met kleine blauwe vierkanten. Uit de keuken hoor ik een kraan lopen. Daarna het slot van de achterdeur.
Ik slaap vier uur achter elkaar.
Wanneer ik wakker word, is de wanhoop er nog. Dat stelt me teleur. Alsof één goede nacht alles had moeten wissen.
De dagen daarna krijg ik vaker contact met hulpverleners. Mijn huisarts regelt een versnelde beoordeling binnen de ggz. Er volgen gesprekken, vragenlijsten en nog meer vragen. Ik vertel soms hetzelfde verhaal drie keer. Dat maakt me moe en achterdochtig. Wordt er eigenlijk geluisterd?
Bij het eerste gesprek met psycholoog Farah vraag ik het hardop.
‘Dat had beter afgestemd kunnen worden,’ zegt ze. ‘Wat heb je al verteld dat je niet opnieuw wilt uitleggen?’
Ik schuif mijn schrift naar haar toe. Lotte heeft de gebeurtenissen met me opgeschreven. De brug. Het ziekenhuis. De gesloten deur.
Farah leest. Daarna vraagt ze wat er vóór de brug gebeurde.
Ik wil over de boekjes beginnen. Maar ineens vertel ik over mijn vader. Hoe hij vroeger de slaapkamerdeur opentrok als ik op zondag nog lag te slapen.
Niet zo slap, jongen.
Mijn vader leeft nog. Hij woont in Houten en weet van niets.
‘Dat hoor ik nu zelf,’ zeg ik. ‘De hele dag.’
Farah schrijft niet meteen. Ze laat me uitpraten.
Op de terugweg koop ik twee broodjes bij de bakker. Eén voor Lotte. Eén voor mezelf. Het is de eerste aankoop in weken die niet voelt als een ingewikkelde beslissing.
Hoofdstuk 4
Wat ik verstopte
De rode envelop ligt tussen ons op Lottes keukentafel. Het is maandag. Ze heeft een vrije ochtend en een leesbril op die ik nog nooit eerder heb gezien.
‘Sinds wanneer heb jij die?’
‘Sinds letters kleiner worden. Maak nou maar open.’
Ik heb twee maanden huurachterstand. Niet omdat ik alles heb uitgegeven. Omdat mijn automatische betaling mislukte, ik de melding wegdrukte en daarna niet meer durfde te kijken. Er kwamen andere rekeningen bij. Ik wist ongeveer wat er speelde. Ik wilde het niet precies weten.
Lotte schuift mijn laptop naar me toe.
‘Inloggen.’
‘Je hoeft niet zo te praten.’
Ze zet haar bril af.
‘Hoe dan wel?’
Ik weet het niet. Alles klinkt als een verwijt wanneer ik bang ben.
We bellen de woningcorporatie. Ik zweet terwijl de medewerker mijn gegevens zoekt. Hij heet Kevin. Hij vraagt wat ik per maand kan betalen. Niet waarom ik zo onverantwoordelijk ben.
Er komt niet meteen een perfecte regeling. We moeten eerst een overzicht maken. Kevin noemt de mogelijkheid van hulp via het buurtteam. Ik schrijf het nummer op. Mijn handschrift loopt scheef over de pagina.
Die middag bespreek ik met Farah hoe ik informatie verstop. En hoe die informatie daarna groter wordt in mijn hoofd.
‘Wat levert niet kijken je op?’ vraagt ze.
‘Tien minuten rust.’
‘En daarna?’
‘Een hele dag angst.’
Na verdere gesprekken wordt duidelijk dat ik depressieve klachten heb, met ernstige spanning en paniekaanvallen. De diagnose lucht me op en maakt me tegelijk bang. Ik zoek die avond op internet naar herstelverhalen. Na tien minuten zit ik alleen nog verhalen te lezen van mensen die jarenlang vastlopen.
Ik sluit mijn laptop. Open hem weer. Sluit hem opnieuw.
Met de arts bespreek ik medicatie. Mogelijke voordelen. Bijwerkingen. Het feit dat effect tijd kan kosten. Ik kies ervoor het te proberen, naast de gesprekken. We plannen controles. De eerste dagen ben ik misselijk en hou ik elk gevoel in mijn lichaam in de gaten. Ik bel over de onrust in plaats van zelf iets te veranderen.
Farah geeft me geen lijst van twintig opdrachten. We beginnen klein. Opstaan rond een vaste tijd. Eten voordat ik koffie drink. Eén wandeling. Bijhouden wat er gebeurt tijdens paniek, zonder elk bonzend hart als een ramp te behandelen.
Ik vind het kinderachtig.
‘Ik draaide een complete productieplanning,’ zeg ik.
‘En vandaag is ontbijten lastig.’
Ze zegt het zonder spot. Daardoor kan ik het niet wegwuiven.
Twee weken later bezoek ik mijn vader. Lotte gaat mee. Hij staat in zijn schuur met een kapotte grasmaaier. Zijn handen zitten onder het vet.
‘Je zus zei dat je overspannen bent.’
‘Het is meer dan moe zijn.’
Hij veegt zijn vingers af aan een doek.
‘Vroeger gingen we gewoon door.’
Ik voel mijn kaak vastzetten. Lotte kijkt naar me, maar zegt niets.
‘Ik ging ook door,’ zeg ik. ‘Tot een vreemde een ambulance moest bellen.’
Mijn vader kijkt naar de grasmaaier.
‘Zo bedoel ik het niet.’
‘Zo hoor ik het wel.’
We drinken koffie aan zijn keukentafel. Hij stelt weinig vragen. Ik vertel ook niet alles. Er komt geen grote omhelzing. Bij het weggaan vraagt hij of mijn fiets nog op de brug staat.
‘Mo heeft hem opgehaald.’
‘Goed,’ zegt hij. ‘Anders had ik het gedaan.’
In de auto ben ik tegelijk kwaad en verdrietig.
‘Hij begrijpt het niet,’ zeg ik.
‘Nee,’ zegt Lotte. ‘Niet goed.’
Ze probeert hem niet mooier te maken. Dat helpt.
Thuis wacht een bericht van Erik. Hij wil weten wanneer ik weer inzetbaar ben. Ik begin een lange uitleg te typen. Over mijn vader, de medicatie, mijn slaap. Dan wis ik alles.
Ik schrijf dat mijn belastbaarheid met de bedrijfsarts wordt besproken.
Daarna leg ik de telefoon weg. Mijn hart gaat tekeer. Toch pak ik hem niet opnieuw.
Hoofdstuk 5
Noor wacht
Na zes weken mag Noor weer een middag bij mij zijn zonder dat Sanne blijft. We hebben het rustig opgebouwd. Eerst samen naar de speeltuin. Daarna een uur thuis. Nu haal ik haar zelf van school.
Ik ben om kwart over twee al klaar. School gaat om drie uur uit. Mijn sleutels liggen op tafel. Mijn jas hangt over een stoel. Er zit een appel in mijn tas, alsof ik een lange reis ga maken.
Dan gaat mijn telefoon.
Erik.
Ik neem op voordat ik erover nadenk.
Hij wil praten over mijn terugkeer. Niet kwaad, zegt hij. Gewoon praktisch. Er is tijdelijk iemand aangenomen. Klanten stellen vragen. Misschien kan ik volgende week beginnen met wat administratie.
‘Ik heb vrijdag de bedrijfsarts.’
‘Maar jij weet toch zelf wel wat lukt?’
Ik zeg niets. Ik kijk naar de klok. Twee uur zesendertig.
Hij praat door. Over de fout met de boekjes. Over dat iedereen het zwaar heeft. Over hoe fijn het zou zijn als ik even kwam kijken.
Wanneer het gesprek eindigt, zit ik op de grond naast de bank. Ik weet niet wanneer ik daar ben gaan zitten. Mijn armen voelen doof. Ik zie het patroon van het vloerkleed uitzonderlijk scherp.
De klok geeft drie uur acht aan.
Ik spring op. Zoek mijn sleutels op de verkeerde plek. Stoot een glas om. Mijn telefoon gaat opnieuw.
Sanne.
‘School belde. Waar ben je?’
‘Ik kom nu.’
‘Daan, waar bén je?’
‘Thuis. Het ging mis.’
Ze haalt Noor op. Ik hoor aan haar stem dat ze woedend is. Ze houdt zich in omdat ze nog op haar werk staat.
Wanneer ze later voor mijn deur verschijnt, is Noor niet bij haar.
‘Bij mijn buurvrouw,’ zegt ze. ‘Ik wilde eerst met jou praten.’
Ik begin meteen over Erik. Over de druk. Over mijn hart.
‘Stop,’ zegt Sanne. ‘Ik geloof dat je een aanval had. Maar Noor stond daar.’
Ik kijk naar het water op de vloer. Het glas ligt nog onder de tafel.
‘Ik weet het.’
‘Ze dacht dat je een ongeluk had gekregen.’
Dat komt harder binnen dan boosheid.
We zitten een tijd tegenover elkaar. Ik wil zeggen dat ze Noor dan maar bij me weg moet houden. Het is de snelste manier om van het gesprek af te komen. Als ik een waardeloze vader ben, hoeven we niets meer uit te zoeken.
Sanne schuift mijn sleutels naar het midden van de tafel.
‘Ik wil afspraken die werken. Geen beloften omdat jij je nu rot voelt.’
We spreken af dat ophalen voorlopig niet van mij alleen afhangt. Op dagen met Noor plan ik geen werkgesprekken. Als ik merk dat het niet gaat, bel ik vóór schooltijd. Lotte is bereid soms achtervang te zijn, maar niet altijd. Sanne wil haar buurvrouw vragen of die in noodgevallen kan helpen.
Ik haat hoeveel mensen hiervoor nodig zijn.
Die avond spreek ik Noor via beeldbellen. Ze houdt een knuffel tegen haar borst.
‘Was je mij vergeten?’
‘Nee. Ik dacht aan je. Maar ik werd heel bang en kon even niet goed handelen. Daardoor kwam ik niet. Dat was niet jouw schuld.’
‘Mama zei dat je hoofd ziek is.’
‘Er gaat iets niet goed met hoe ik me voel. Daar krijg ik hulp voor.’
‘Kun je dan wel spelletjes?’
‘Soms wel. En soms moet ik rusten.’
Ze knikt alsof dit voorlopig genoeg informatie is. Dan laat ze een losse tand zien.
Na het bellen leg ik mijn hoofd op tafel. Ik huil om wat ze heeft moeten voelen. Daarna bel ik Lotte. Niet pas als ik niets meer vertrouw. Meteen.
Bij Farah vertellen we de gebeurtenis stap voor stap na. Het opnemen. Het blijven luisteren. De signalen in mijn lijf. Niet om de fout uit te wissen. Om eerder te kunnen ingrijpen.
Vrijdag adviseert de bedrijfsarts nog geen werkhervatting. Eerst meer stabiliteit. Contact met Erik gaat voorlopig via één afgesproken moment.
Een week later komt Noor weer. Sanne brengt haar. We spelen kwartet aan de keukentafel.
Na twintig minuten zeg ik dat ik pauze nodig heb.
‘Oké,’ zegt Noor. ‘Maar je mag niet in mijn kaarten kijken.’
Hoofdstuk 6
Twee uur
Mijn eerste werkdag duurt twee uur. Toch ben ik om vijf uur wakker. Ik smeer twee boterhammen en pak ze in. Om halfzes controleer ik of ze nog in mijn tas zitten.
Buiten is het donker. Het is november. Sinds de ochtend op de brug zijn bijna vier maanden voorbij.
We hebben met de bedrijfsarts en Erik afspraken gemaakt. Twee ochtenden per week. Eenvoudige taken. Geen klanten, geen productiedeadlines. Na twee weken kijken we opnieuw. Ik heb het overzicht geprint omdat ik bang ben dat ik ter plekke overal mee instem.
Mo wacht bij de ingang van de drukkerij.
‘Koffie?’
‘Thee.’
Hij kijkt overdreven geschokt.
‘Dan is het echt serieus.’
Ik lach. Hij ook. Het is de eerste grap over mijn situatie die niet pijn doet.
Binnen ruikt het naar papier, lijm en warme machines. Mijn maag trekt samen. Achter in de hal klinkt de snijmachine. Ik ken dat geluid al elf jaar. Toch schrikt mijn hele lijf ervan.
Erik geeft me een hand. Hij kijkt snel naar mijn gezicht, alsof hij wil controleren of ik nog dezelfde ben.
‘Goed dat je er bent.’
Ik krijg een bureau in een kleine zijruimte. Ik moet oude klantmappen ordenen. Geen haast. Mo laat zien waar alles staat, hoewel ik het meeste weet.
Het eerste halfuur gaat goed. Ik zet namen recht. Verwijder dubbele documenten. Drink thee die koud wordt.
Dan klopt iemand op de deur.
‘Daan, kun jij even naar dit bestand kijken? Jij kent die klant.’
De vraag is klein. Mijn reactie niet. Meteen denk ik aan afleverdata, telefoontjes en de boekjes met de verkeerde omslag. Mijn borst spant aan.
‘Niet vandaag,’ zeg ik.
De collega aarzelt.
‘Het is maar vijf minuten.’
Ik pak het geprinte overzicht onder mijn toetsenbord vandaan. Dat hoeft niet. Toch doe ik het.
‘Ik doe nu geen productie.’
Hij trekt zijn schouders op en loopt weg.
Ik zit nog tien minuten met bonzende slapen. Niemand juicht omdat ik een grens heb gesteld. De fabriek draait gewoon door. Om elf uur trek ik mijn jas aan.
Erik kijkt op zijn horloge.
‘Alweer?’
Ik verstijf.
Dan zegt hij: ‘O ja. Twee uur. Tot donderdag.’
Op de fiets naar huis ben ik uitgeput. Ik zet hem neer bij een bankje langs het Merwedekanaal. Niet op de brug. Daar ben ik inmiddels wel weer overheen gefietst, eerst met Lotte. Ik had er geen bijzonder gevoel bij, behalve spanning en koude handen.
Thuis eet ik mijn boterhammen. Daarna lig ik drie kwartier op de bank zonder te slapen. Vroeger zou ik die ochtend mislukt noemen. Nu schrijf ik in mijn schrift: gegaan, nee gezegd, op tijd vertrokken.
Niet elke week gaat zo. Na een verhoging van mijn uren slaap ik opnieuw slechter. Ik word kortaf tegen Noor omdat ze met haar voet tegen de bank tikt. Ik zie de schrik in haar gezicht en bied mijn excuses aan.
De uren gaan weer omlaag. Ik baal zo erg dat ik de afspraak met Farah wil afzeggen.
Ik ga toch.
‘Ik dacht dat ik verder was,’ zeg ik.
We bekijken mijn week. Werk. Therapie. Noor. De administratie met het buurtteam. Een verjaardag waar ik uit beleefdheid drie uur bleef. Er blijkt weinig ruimte over.
Op haar advies probeer ik een lotgenotengroep in een buurthuis in Utrecht. Ik zit de eerste keer dicht bij de deur. Naast me zit Henk, een buschauffeur die al maanden niet rijdt. Tegenover me zit Yara, een student met een waterfles vol stickers.
Ik verwacht adviezen. Die komen nauwelijks. Henk vertelt dat hij na het boodschappen doen soms moet liggen. Yara vraagt of iemand ook bang is om beter te lijken dan hij zich voelt.
Ik steek mijn hand op. Dat hoeft helemaal niet.
Iedereen ziet het. Niemand lacht.
Als ik thuiskom, ligt er een kaart van mijn vader. Alleen: Wil je zondag soep komen eten? Je hoeft niet lang te blijven.
Ik zet hem rechtop op het aanrecht.
Hoofdstuk 7
Een gewone zaterdag
Tien maanden na de brug word ik op een zaterdag wakker voordat de wekker gaat. Mijn eerste gedachte is niet dat er iets mis is. Ik moet plassen. Daarna hoor ik Noor in de woonkamer rommelen.
Ze heeft twee boterhammen gemaakt. De pindakaas zit ook op het tafelblad.
‘Die zonder korst is voor mij,’ zegt ze.
Ik heb nog vierentwintig uur per week werk. Niet meer als degene die elk vastgelopen project moet overnemen. Ik beheer bestanden en controleer drukproeven, met duidelijke afspraken over aantallen en deadlines. Het verdient minder. Met het buurtteam heb ik mijn uitgaven aangepast. De huurachterstand is nog niet helemaal weg, maar elke betaling staat op papier.
Erik vindt sommige afspraken omslachtig. Dat zegt hij soms ook. Ik probeer hem niet meer te overtuigen dat mijn klachten echt zijn. Als iets niet werkt, bespreken we het met de bedrijfsarts. Soms is dat zakelijk. Soms ongemakkelijk. Ik kom daarna toch terug.
De medicatie gebruik ik nog. Over veranderingen beslis ik samen met mijn behandelaar. Met Farah spreek ik minder vaak. Het einde van de behandeling komt in zicht, al staat de datum nog niet vast. Ik vind dat spannender dan ik had verwacht.
Er zijn nog slechte dagen. Vorige maand stond ik bij de zelfscan in de supermarkt met yoghurt en wc-papier. Het apparaat piepte. Een medewerker kwam controleren. Mijn hart schoot omhoog. Ik wilde alles laten liggen.
Ik ben even opzij gaan staan. Daarna heb ik betaald. Buiten belde ik Lotte. Niet om gered te worden. Om te zeggen dat het rot was geweest.
Ze zat net te eten en vroeg of ze later mocht terugbellen.
‘Ja,’ zei ik.
Dat antwoord had ik een halfjaar eerder niet gekund.
Vandaag wil Noor naar de bibliotheek op het Neude. Ze heeft een boek gereserveerd over haaien. We pakken de bus. Bij de halte kijkt ze naar de donkere lucht.
‘Gaat het regenen?’
‘Waarschijnlijk.’
‘Je zei gisteren van niet.’
‘Ik had het fout.’
Ze accepteert dat met een zucht.
In de bibliotheek zoekt ze meteen de juiste kast. Ik blijf bij een tafel staan. Er lopen veel mensen. Een kind huilt. Iemand laat een metalen drinkfles vallen. Ik merk dat mijn schouders omhooggaan.
Ik zet mijn tas neer. Adem rustig uit. Kijk waar Noor is.
‘Ik zit hier,’ zeg ik wanneer ze omkijkt.
Ze steekt haar duim op.
Het gevoel zakt niet meteen. Ik hoef het ook niet te verbergen. Als Noor terugkomt, drinken we beneden iets. Ze vertelt dat sommige haaien voortdurend moeten zwemmen. Ik vraag welke. Ze zoekt het op in haar boek in plaats van iets te verzinnen.
Op weg naar de bus begint het hard te regenen. We schuilen onder een luifel. Een vrouw naast ons heeft een gele boodschappentas.
Heel even denk ik dat het Els is.
Ze draait zich om. Een ander gezicht. Andere stem. Ze moppert tegen haar telefoon dat ze haar paraplu in de trein heeft laten liggen.
Ik heb Els nooit teruggevonden. Ik weet niet eens haar achternaam. Soms zou ik haar willen vertellen dat ik nog leef. Dat ik werk. Dat mijn dochter naast me staat met een haaienboek onder haar jas.
Noor trekt aan mijn mouw.
‘Papa, onze bus.’
We rennen door de regen. Ik hijg wanneer we instappen. Mijn hart bonkt. Dit keer weet ik waarom.
Thuis hangt Noor haar sokken over de verwarming. Ik maak soep warm. Mijn vader komt later langs. Hij vraagt tegenwoordig hoe ik slaap. Daarna praat hij meestal over zijn auto. Meer kan hij nog niet goed, en soms ergert me dat. Ik vertel hem toch hoe het gaat.
Voor het eten kijk ik in mijn agenda. Maandag werken. Dinsdag een gesprek. Woensdag Noor ophalen. Achter die afspraak staat een telefoonnummer voor als het niet lukt. Ik hoop dat ik het niet nodig heb. Het mag er wel staan.
‘Papa,’ roept Noor vanuit de keuken. ‘De soep borrelt.’
Ik leg mijn telefoon neer en draai het vuur lager.
We dekken de tafel voor drie personen. Noor kiest de kommen. Ik haal lepels uit de la. Buiten regent het nog. Binnen is er genoeg te doen.