Verlies en rouw
De verjaardag zonder jou
Gaat over overlijden en rouw.
Hoofdstuk 1
De taart in de koelkast
De wekker ging om zes uur. Precies zoals elke doordeweekse dag. Ik sloeg met mijn vlakke hand op het knopje, bleef een minuut op mijn rug liggen en staarde naar het plafond. Buiten begon het al licht te worden. Een merel floot op het dak van de schuur. Een doodgewone donderdag in Amersfoort.
Maar het was geen gewone dag. Het was 14 juni.
Vandaag had Bram eenendertig moeten worden.
Ik stapte uit bed, liep op blote voeten naar de keuken en deed de koelkast open om melk te pakken voor de koffie. Op de middelste plank stond de witte doos van de HEMA. Gisteren gekocht, om vijf voor half zes, vlak voor sluitingstijd. Ik had in de rij gestaan tussen moeders met zeurende kleuters en een man in een vies schilderspak. Zonder na te denken had ik tegen het meisje achter de balie gezegd: 'Doe maar een appeltaart. Met slagroom.'
Nu keek ik naar die kartonnen doos. Waarom had ik hem gekocht? Er kwam niemand. Mijn ouders waren al tien jaar dood, gestorven kort na elkaar, en Bram en ik hadden na die tijd alleen elkaar gehad. Bram hield van appeltaart. Niet van die chique taarten van de banketbakker, maar van die zware, kleffe punten van de HEMA. Hij at ze met zijn vingers, zonder bordje, terwijl de kruimels op zijn trui vielen. 'Dennis,' zei hij dan met volle mond, 'dit is het enige fatsoenlijke eten dat ze in dit land maken.'
Ik deed de koelkastdeur dicht. Mijn hand trilde een beetje. Niet opvallend, gewoon die lichte bibber in mijn vingers die ik sinds november had. Ik ben Dennis van Dijk. Ik ben zevenendertig jaar en ik werk als eerste monteur bij een universele garage op bedrijventerrein De Isselt. Ik ben gewend om dingen te repareren. Een versleten koppeling, een lekke koppakking, een remklauw die vastzit: geef me twee uur en een doppenset en ik los het voor je op. Alles aan een auto is logisch. Als een motor niet start, is er een aanwijsbare reden. Er is geen magie, er is geen toeval. Er is alleen oorzaak en gevolg.
Maar aan dit gat in mijn leven viel niets te repareren.
Ik dronk mijn koffie zwart, zette het lege mokje in de gootsteen en trok mijn werkkleren aan. Een donkerblauwe overall met het logo van de garage op mijn borst. Het gaf houvast. Zolang ik die overall aan had, was ik monteur Dennis. Dan was ik de man die moeren aandraaide met precies het juiste koppel, die ruitensproeiervloeistof bijvulde en die wist hoe je een distributieriem verving zonder dat de boel in de soep liep.
In de gang keek ik even naar de spiegel. Mijn haar zat warrig, er zaten donkere kringen onder mijn ogen. Ik leek op onze vader. Bram had altijd op onze moeder geleken, met die brutale lach van hem en die wilde krullen die nooit deden wat hij wilde. Bram was kok geweest in een eetcafé aan de Kamp. Hij leefde van fooien, peuken en halve liters bier. Hij kwam altijd geld tekort, vergat zijn rekeningen te betalen en belde me minstens één keer per maand omdat zijn oude barrel van een scooter het weer eens niet deed.
'Dennis, kun je even kijken? Hij ploft als ik gas geef.'
Ik zuchtte dan, vloekte een keer binnensmonds, maar reed erheen. Omdat hij mijn kleine broertje was. Omdat ik hem beloofd had op hem te passen toen ma haar ogen voor het laatst dichtdeed in het Meander Medisch Centrum.
'Pas een beetje op hem, Den,' had ze gefluisterd. Haar hand was zo koud geweest. 'Hij is zo'n losbol.'
'Komt goed, ma,' had ik gezegd.
Die belofte stond als een brandmerk in mijn geheugen geschreven. Elke keer als ik in de spiegel keek, zag ik het. Vandaag extra scherp. Vandaag was het zijn verjaardag, en de koelkast was koud, en het huis was leeg.
Hoofdstuk 2
Vrijdagavond in november
De herinnering kwam niet in vlagen. Ze zat er altijd, als een harde steen achter mijn borstbeen, maar als ik eraan dacht, werd de lucht om me heen opeens dunner.
Het was 17 november geweest. Een kille, natte vrijdagavond. Ik zat op de bank met een bord macaroni op schoot. Op televisie speelde het Nederlands elftal een oefenwedstrijd die nergens om ging. Buiten kletterde de regen tegen het raam alsof er emmers leeggegooid werden over de straat. De wind trok aan de dakgoten.
Om kwart voor elf ging mijn telefoon. Op het scherm zag ik Brams naam oplichten.
Ik nam op met een zucht. 'Ja, Bram?'
Zijn stem klonk luid en wankel. Op de achtergrond hoorde ik cafégeluiden: harde muziek, het getik van poolballen, schreeuwende mensen. 'Den! Gozer. Ben je wakker?'
'Natuurlijk ben ik wakker. Wat is er?'
'Luister... ik sta in Bunschoten. Bij De Zwaan.' Hij slikte hoorbaar, zijn woorden gleden een beetje over elkaar heen. 'Mijn scooter... die teringbak start weer niet. Ik heb getrapt tot mijn been eraf valt. Geen kick. Helemaal dood.'
'Heb je weer water in de ontsteking?' vroeg ik kortaf.
'Weet ik veel, man. Het regent pijpenstelen. Mijn jas is zeiknat. Kun je me niet even oppikken met je Golf? Scooter achterin gooien? Dan drinken we thuis nog eentje.'
Ik keek naar de televisie. Ik was kapot. Ik had die dag van zeven uur 's ochtends tot zes uur 's avonds op de betonnen vloer van de werkplaats gestaan. Mijn rug deed zeer, mijn vingers zaten vol schrammen van een nare klus aan een oude Peugeot. Ik had mijn schoenen al uit, de verwarming stond hoog, ik had een koud biertje in mijn hand.
'Bram,' zei ik, en mijn stem klonk harder dan nodig was. 'Het is bijna elf uur. Het is noodweer buiten. Waarom ga je met dit weer op die kutscooter naar Bunschoten?'
'Gezelligheid toch? Kom op Den, het is een kwartiertje rijden voor jou.'
'Nee,' zei ik. 'Nee, Bram. Ik ben je privéchauffeur niet. Hoe vaak heb ik gezegd dat je die bougiedop fatsoenlijk moest afsluiten? Ik heb je twee weken geleden nog gezegd dat je dat ding moest laten staan als het regende.'
'Den, schiet op, ik bevries hier zowat.'
'Dan vraag je maar aan iemand in de kroeg of je kunt meerijden. Of je pakt de bus. Er rijdt vast nog een streekbus.'
'Die bus gaat niet meer, man. Die is net weg.'
'Dan bel je een taxi.'
'Ik heb geen geld voor een taxi! Dat weet je toch?' Zijn stem sloeg over. Hij werd kwaad, zoals hij altijd werd als hij zijn zin niet kreeg. 'Weet je wat, laat maar zitten. Bekijk het lekker met je macaroni en je warme bank. Ik loop wel.'
'Loop dan,' zei ik. 'Je bent dertig jaar, Bram. Word eens een keer volwassen.'
Ik drukte hem weg.
Niet rustig ophangen. Nee, ik ramde met mijn duim op het rode rondje op mijn scherm. Mijn hart klopte in mijn keel van ergernis. Ik legde de telefoon op de salontafel, nam een slok van mijn bier en keek weer naar de tv. Maar de wedstrijd boeide me niet meer. Tien minuten lang zat ik te malen. Moest ik toch gaan? Nee, hield ik mezelf voor. Hij moest het maar eens leren. Bram dacht altijd dat Dennis het wel opknapte. Dennis met zijn gereedschap, Dennis met zijn spaargeld, Dennis met zijn verstandige leventje.
Om half een ging de deurbel.
Niet de telefoon, maar de deurbel. Twee keer kort achter elkaar. Een dringend, hol geluid in de gang.
Toen ik de voordeur opendeed, stonden er twee politieagenten onder de galerij. Een man en een vrouw. Hun gele vesten glommen van de regen. Ze keken me aan met die blik die agenten alleen hebben als ze een heel specifiek protocol moeten volgen.
'Dennis van Dijk?' vroeg de mannelijke agent.
'Ja,' zei ik. Mijn stem klonk plotseling heel klein.
'Mogen we even binnenkomen?'
Ze hoefden niets meer te zeggen. Op dat ene moment, in die tochtige deuropening, wist ik het al. De grond onder mijn werkschoenen zakte weg. Bram was toch op die stomme scooter gestapt. Hij had hem op de een of andere manier aan de praat gekregen. Op de N199, de provinciale weg tussen Bunschoten en Amersfoort, had zijn koplamp het begeven. Pikdonker. Stromende regen. Een bestelbus van een bakkerij had hem van achteren geraakt. De bestuurder had hem nooit gezien.
Op slag dood, zeiden ze.
'Word eens een keer volwassen.' Dat waren de laatste woorden die hij van mij had gehoord.
Hoofdstuk 3
De geur van remmenreiniger
De werkplaats rook naar wat het altijd rook: verbrande olie, oud ijzer en remmenreiniger. Het was een scherpe, chemische lucht die me normaal gesproken rustig maakte. Hier wist ik wat ik deed. Hier had ik de controle.
'Mogge Den,' riep Henk, de eigenaar van de garage. Hij stond achter de balie met een stapel werkorders in zijn handen. Henk was een brede kerel van in de vijftig, met grijs gemillimeterd haar en eelt op zijn knokkels. Hij kende me al vanaf mijn zestiende, toen ik als stagiair binnenkwam.
'Mogge,' zei ik. Ik hing mijn jas aan het haakje in de kantine en trok mijn werkschoenen aan.
Henk keek me even na. Hij hield zijn mond, maar ik zag het aan zijn ogen. Hij wist welke datum het was. Toen Bram overleed, had Henk me twee weken naar huis gestuurd. 'Blijf maar weg, jongen,' had hij gezegd. 'Neem je tijd.' Maar na vijf dagen zat ik de muren van mijn flat op te vreten en stond ik weer in de werkplaats. Ik moest iets met mijn handen doen. Als mijn handen stilstonden, begon mijn hoofd te draaien.
'Die grijze Ford Focus op brug twee,' zei Henk, terwijl hij een formulier op mijn gereedschapskar legde. 'Nieuwe remblokken voor, grote beurt. Klant wil hem om twaalf uur weer ophalen.'
'Komt goed,' zei ik.
Ik liep naar brug twee, drukte op de knop en keek toe hoe de Ford langzaam omhoog zoemde. De hydrauliek gierde zacht. Ik pakte de luchtsleutel van de haak. *Klak-klak-klak-klak.* Binnen dertig seconden lagen de wielmoeren in een plastic bakje en trok ik het linker voorwiel eraf. De remschijf was diep ingesleten. Metaal op metaal. Mensen reden veel te lang door met versleten spullen. Ze wachtten tot het begon te piepen, tot het begon te schuren, tot het bijna te laat was. Pas als de boel kapotging, kwamen ze naar mij.
'Hé Dennis,' klonk het achter me.
Het was Mo, de jongste monteur. Hij was tweeëntwintig, vol energie, altijd bezig met zijn telefoon. Hij hield een papieren bekertje koffie naar me uit. 'Hier. Zwart, toch?'
'Dank je,' zei ik. Ik pakte het bekertje aan.
Mo bleef een beetje ongemakkelijk naast de brug staan. Hij wiebelde op zijn hielen. 'Eh... alles goed vandaag?'
Dat was de vraag. Iedereen stelde hem, en niemand wilde het echte antwoord horen. Wat moest ik zeggen? *Nee Mo, het gaat niet goed. Vandaag zou mijn broertje eenendertig zijn geworden, maar hij ligt op begraafplaats Rusthof omdat ik te beroerd was om twintig minuten in de regen te rijden.* Dat zei je niet. Dat stopte je weg achter je kiezen.
'Z'n gangetje,' zei ik. 'Druk zat.'
'Mooi zo,' zei Mo, zichtbaar opgelucht dat hij van de haak was. 'Als je hulp nodig hebt met die uitlaat van die Renault straks, roep je maar.'
'Is goed.'
Ik zette het bekertje koffie op de rand van de gereedschapskist en pakte de ratel. Ik zette kracht op de bout van de remklauw. De bout zat muurvast, vastgeroest door zout en modder. Ik zette nog meer kracht. Mijn spieren spanden zich aan, mijn tanden klemden op elkaar. *Komaan.* De ratel schoot los. Mijn knokkels smakten keihard tegen de stalen veerpoot.
'Godverdomme!' brulde ik door de werkplaats.
Het metaal galmde. De hele loods viel stil. Zelfs de radio, die zachtjes Sky Radio stond te spelen, leek even weg te vallen. Mo keek geschrokken op vanonder een motorkap aan de andere kant. Henk stak zijn hoofd om de hoek van het magazijn.
Ik stond daar met mijn bebloede hand. Het vel lag van mijn middelste knokkels af. Het bloed drupte langzaam op de grijze betonvloer, precies naast een zwarte olievlek. Mijn ademhaling ging snel en schor. De pijn in mijn hand was fel en branderig, maar het stelde niets voor vergeleken bij de woede die plotseling als kokend water door mijn lijf spoelde. Woede op die verroeste bout. Woede op die Ford. Woede op de regen in november. En vooral: woede op mezelf.
'Dennis,' zei Henk kalm. Hij kwam met een schone poetslap aangelopen. 'Laat eens zien.'
'Het is niks,' snauwde ik. 'Ik schoot uit.'
'Geef hier die hand.' Henk pakte mijn pols vast. Zijn greep was stevig, niet boos, maar dwingend. Hij drukte de doek tegen de wond. 'Ga naar de kantine. Even uitspoelen onder de kraan. Pleister erop.'
'Ik moet die Ford afmaken.'
'Ik maak die Ford af,' zei Henk. Hij keek me recht in mijn ogen aan. Zijn blik was veel te zacht voor een garagehouder. 'Ga naar binnen, Den. Even zitten. Alsjeblieft.'
Ik trok mijn hand niet terug. Ik kon niet meer. Ik knikte alleen maar, draaide me om en liep met hangende schouders naar de tl-verlichte kantine.
Hoofdstuk 4
De doos in de berging
Om vier uur stuurde Henk me naar huis. 'Het is goed geweest voor vandaag,' zei hij kort. Ik had niet geprotesteerd. Mijn hand zat in een verbandje en kloppend protesteerde mijn lijf tegen elke beweging.
Thuis deed ik de voordeur achter me dicht en draaide hem op het nachtslot. Het geluid van de schoot die in het kozijn viel, klonk definitief. Ik was weer alleen met de stilte. In de gang hing nog steeds Brams oude legerjas aan de kapstok. Ik had hem daar neergehangen toen we zijn flatje leegruimden. Niemand droeg die jas, maar ik kon het niet over mijn hart verkrijgen om hem in een kledingbak van het Leger des Heils te gooien. Als je je neus in de kraag duwde, rook je nog steeds zware Van Nelle en goedkope wasverzachter.
Ik liep naar het kleine kamertje aan de achterkant van het appartement. Vroeger was dit mijn rommelhok, de plek waar ik oude autobanden, lege verfblikken en de kerstspullen bewaarde. Nu stonden er vier grote verhuisdozen op elkaar gestapeld. Met zwarte stift had ik erop geschreven: *BRAM - DIVERSEN*.
Ik ging op mijn knieën op het linoleum zitten en trok de bovenste doos open. Het karton scheurde een beetje.
Bovenop lagen wat schoolschriften van vroeger, met ezelsoren en tekeningetjes van vlammen en doodskoppen in de kantlijnen. Bram kon niet stilzitten op school. Hij had de mavo net niet afgemaakt, daarna twee jaar koksopleiding gedaan, overal ruzie gemaakt en uiteindelijk zijn papieren gehaald via een avondcursus. Daaronder lagen zijn kookmessen, netjes opgerold in een zwart canvas etui. Hij was zuinig op die messen. Ze waren vlijmscherp; elke zondagavond sleep hij ze op een wetsteen terwijl hij naar hardrock luisterde.
Ik stak mijn hand dieper in de doos en stuitte op iets houts.
Ik trok het eruit. Het was een houten kistje, gemaakt van vurenhout. Het deksel zat een beetje scheef en aan de zijkanten zaten druppels opgedroogde houtlijm. Het rook naar vers gezaagd hout en boenwas.
Ik wist meteen wat dit was. Bram was hier in de herfst aan begonnen. Hij had het me een keer trots laten zien op zijn telefoon: 'Kijk Den, ik maak een doppendoos voor je. Helemaal op maat voor die fijne Engelse maten van je. Scheelt je weer zoeken in die chaos van je gereedschapskar.'
Ik had destijds gelachen en gezegd dat hout veel te slap was voor zwaar gereedschap. 'Laat dat maar aan de professionals over, Bram,' had ik gezegd. Zo denigrerend, zo belerend. Zoals ik altijd deed, omdat ik dacht dat ik het beter wist.
In de bovenkant van het deksel stonden letters gekrast. Niet netjes met een guts, maar met een schroevendraaier of een spijker. *D. v. D. - Voor de beste sleutelaar van Amersfoort.* Het was niet af. Het hout was maar half geschuurd; de rechterhoek voelde nog ruw en splinterig aan onder mijn duim.
Hij was er nog mee bezig geweest. Misschien wel in die laatste week van november. Terwijl ik me ergerde aan zijn telefoontjes, zat hij aan zijn keukentafel met een stuk schuurpapier voor mij te knutselen.
Daar, op de vloer van dat tochtige kamertje, knapte er iets in me. De tranen die ik zeven maanden lang had binnengehouden—achter mijn kaken, achter de geur van olie en remmenreiniger—kwamen er in één keer uit. Het was geen net, stil huilen. Het was een lelijk, rauw geluid dat uit mijn borstkas werd gerukt. Ik boog voorover tot mijn voorhoofd het ruwe hout van het deksel raakte. Mijn schouders schudden zo hard dat mijn bezeerde hand bonkte van de pijn.
'Het spijt me,' zei ik tegen het hout. De woorden klonken hol in de lege kamer. 'Het spijt me zo, Brammetje. Het spijt me.'
Maar het hout gaf geen antwoord. Er was alleen het stof dat opdwarrelde in het fletse middaglicht en het tikken van de cv-ketel op de overloop. Ik had hem laten staan. Voor een warme bank en een bord koude macaroni had ik mijn eigen broer in het donker laten sterven.
Hoofdstuk 5
De bocht bij de N199
Tegen half negen begon de schemering te vallen. De lucht boven de stad kleurde dof paars en grijs. Ik kon niet meer in het huis blijven. De muren kwamen op me af, de geur van Brams jas in de gang leek steeds sterker te worden, en die taart in de koelkast voelde als een tikkende tijdbom.
Ik pakte mijn autosleutels van het haakje, liep de trap af naar de parkeerplaats en stapte in mijn oude Golf. Ik startte de motor. De viercilinder sloeg direct aan, regelmatig en betrouwbaar. Ik zette de radio uit. Geen muziek vanavond. Alleen het geruis van de banden op het asfalt.
Ik reed de stad uit. Langs de Eem, voorbij de flats van Schothorst, richting de provinciale weg. Mijn handen hielden het stuur vast op kwart over negen, precies zoals het hoort. Mijn vingers waren wit van de spanning.
De N199. De Amersfoortseweg. Een kaarsrechte strook zwart asfalt met aan weerszijden diepe sloten en populieren die strak in het gelid stonden. Overdag was het hier een drukte van jewelste met forenzen en vrachtverkeer naar de polder. Nu reden er maar een paar auto's. Af en toe passeerde me een tegenligger, wiens koplampen kort door mijn voorruit priemden en me verblindden.
Net voorbij de afslag naar Bunschoten zette ik de auto op de vluchtstrook. Alarmlichten aan. *Tik-tak, tik-tak.* De oranje gloed weerkaatste ritmisch in de vangrail.
Ik stapte uit. De avondlucht was klam en rook naar gemaaid gras en slootwater. Een zachte bries streek door de toppen van de bomen. Het ruiste als de zee. Ik liep langs de kant van de weg, stap voor stap, door het hoge onkruid in de berm. Mijn schoenen werden kletsnat van de dauw.
Na vijftig meter zag ik het. Half verscholen tussen het fluitekruid en de brandnetels stond een klein houten kruisje. Onbehandeld vurenhout, in elkaar gezet met twee spijkers. Het hout was in de afgelopen wintermaanden al helemaal grijs en verweerd geraakt. Aan de voet van het kruis lag een glazen potje waarin ooit een theelichtje had gebrand. Het lontje was verzopen in een laagje geel regenwater. Een verwelkt bosje tulpen lag ernaast, vergaan tot zwarte, slijmerige steeltjes.
Hier was het gebeurd. Precies hier.
Ik keek naar het asfalt. Er was niets meer te zien. Geen remsporen, geen witte kalklijnen van de verkeersongevallendienst, geen glassplinters meer. De regen en duizenden autobanden hadden alles weggespoeld. Het leven raasde hier gewoon door met tachtig kilometer per uur, alsof er op deze vierkante meter nooit een jonge vent van dertig van zijn scooter was gebeukt.
Ik ging door mijn knieën. Het gras prikte door mijn spijkerbroek heen.
'Waarom ben je toch gaan rijden, idioot?' fluisterde ik. De woede was weg; er was alleen nog maar een diepe, bodemloze leegte over. 'Je had gewoon moeten wachten. Je had naar binnen moeten gaan, je had me nog tien keer moeten bellen. Ik had uiteindelijk echt wel gekomen. Dat weet je toch?'
Maar ik wist dat het niet waar was. Bram was trots geweest. Net zo koppig als ik. Toen ik zei dat hij volwassen moest worden, had ik hem precies geraakt waar het pijn deed. Hij wilde bewijzen dat hij me niet nodig had. Hij wilde laten zien dat hij zijn eigen boontjes kon doppen, zelfs met een sputterende scooter in een herfststorm.
Een vrachtwagen denderde voorbij. De luchtverplaatsing rukte aan mijn jas en deed me wankelen. De koplampen verlichtten het kruisje voor een fractie van een seconde felgeel, en daarna was het weer donker.
Ik voelde de kou door mijn kleren trekken. De gedachte kwam in me op—plotseling en helder—hoe makkelijk het zou zijn om gewoon te blijven staan als er weer een vrachtwagen aankwam. Eén stap naar links. Geen slapeloze nachten meer. Geen schuldgevoel meer dat als maagzuur in mijn keel brandde. Geen lege verjaardagen meer.
Ik keek naar het zwarte asfalt. Mijn hart bonsde traag en zwaar. *Zou hij me dat vergeven?*
Nee. Bram zou me een idioot vinden. Bram hield van het leven, zelfs toen het een puinhoop was. Hij hield van koude pils, van harde gitaren, van flauwe grappen en van die kleffe appeltaart. Zelfs toen hij vloekend op die scooter stapte, deed hij dat om naar huis te gaan. Om door te gaan.
Ik deed een stap naar achteren, weg van de rijbaan. Terug naar de berm. Ik pakte het glazen potje op, gooide het vieze water eruit in het gras en zette het weer netjes recht voor het kruisje neer.
'Gefeliciteerd, pik,' zei ik zacht. Ik draaide me om en liep terug naar de auto.
Hoofdstuk 6
Licht in het havenkwartier
Ik reed niet meteen terug naar de flat. Ik kon het niet. Ik reed Amersfoort weer binnen en liet de Golf uitrollen op het parkeerterrein bij de Nieuwe Stad, het oude fabrieksterrein bij de Eem. Vroeger stonden hier deProdentfabriek en oude pakhuizen. Tegenwoordig zaten er hippe koffietentjes, creatieve bedrijfjes en een stadsstrand. Bram had hier een tijdje gewerkt als hulpkok in een van de strandtenten.
Het was inmiddels over tienen. De meeste zaken waren dicht, maar bij een café aan het water brandde nog licht. Buiten op de betonnen kade stonden een paar houten banken. Er zat bijna niemand, op één figuur na die met opgetrokken knieën over het donkere water van de Eem staarde.
Toen ik dichterbij kwam, herkende ik het silhouet. De leren jas, het korte rode haar, de zilveren ringetjes in haar oren.
Maya.
Maya was Brams vriendin geweest. Nou ja, vriendin—het was altijd aan en uit, een stormachtige toestand die niemand van de buitenkant echt begreep. Ze woonden niet samen, ze maakten ruzie, ze huilden, en dan zaten ze weer lachend op een terras alsof er niets aan de hand was. Na de begrafenis had ik haar maar één keer gesproken. Ze had me stijf vastgehouden bij het graf, zonder een woord te zeggen, en was daarna verdwenen in de menigte.
Ik twijfelde of ik moest omdraaien. Maar mijn schoenen schraapten over het grind en ze keek om.
Haar ogen waren groot en donker in het schijnsel van de lantaarnpaal. Ze schrok niet. Ze knikte alleen maar langzaam. 'Dennis.'
'Hoi Maya,' zei ik. Mijn handen zaten diep in mijn jaszakken gestoken. 'Zit je hier zomaar?'
'Het is zijn verjaardag,' zei ze eenvoudig. Ze wees naar de lege plek op de houten bank naast haar. 'Ga zitten als je wilt. Ik bijt niet.'
Ik ging zitten. Het hout voelde koud aan door mijn spijkerbroek. Tussen ons in stond een half leeggedronken flesje speciaalbier. Op het zwarte water dreef een leeg plastic bekertje langzaam met de stroom mee richting het Eemplein.
'Ik dacht dat ik de enige was die vandaag rondspookte,' zei ik na een tijdje.
Maya snoof zachtjes. Een bitter lachje. 'Ben je gek. Ik zit hier al vanaf acht uur. We zaten hier vorig jaar ook. Hij had een doos bier meegenomen die hij ergens achterover had gedrukt en we hebben tot vier uur 's nachts stenen in het water gegooid.' Ze keek me van opzij aan. 'Je ziet er beroerd uit, Den.'
'Bedankt. Jij ziet er ook niet uit alsof je een modellenwedstrijd gaat winnen.'
Dat brak het ijs een beetje. Ze glimlachte flauwtjes en bood me het flesje aan. Ik nam een slok. Het bier was bitter en lauw, maar het brandde lekker in mijn keel.
'Ik ben bij de N199 geweest,' zei ik zomaar. Ik wist niet waarom ik het vertelde. Ik had het aan niemand durven vertellen, zelfs niet aan Henk.
Maya werd stil. Ze staarde weer naar het water. 'Daar ga ik niet meer heen. Die plek is dood. Hier leefde hij tenminste.'
'Ik heb hem laten barsten die avond, Maya,' zei ik. Mijn stem brak op het woord *barsten*. Daar zat het. De bekentenis die al maanden als een kogel in mijn keel zat. 'Hij belde me. Om kwart voor elf. Hij vroeg of ik hem kwam halen. En ik zei nee. Ik zei dat hij het zelf maar moest uitzoeken. Als ik gewoon in mijn auto was gestapt, had hij hier nu gezeten.'
Maya draaide haar hoofd langzaam naar me toe. Ze keek me niet boos aan. Ze keek me ook niet meewarig aan. Haar blik was bijna streng.
'Weet je wat hij die avond tegen mij zei, vlak voor hij wegging uit de kroeg?' vroeg ze.
Ik schudde mijn hoofd.
'Hij belde me vanuit die kutkroeg in Bunschoten,' zei ze. 'Hij zei: "Den is boos op me. En hij heeft gelijk ook. Ik ben weer een waardeloze eikel geweest." Dat zei hij, Dennis. Woord voor woord.'
De adem stokte in mijn keel.
'Bram wist dondersgoed wat hij deed,' ging Maya verder, en haar stem werd feller. 'Hij nam die scooter omdat hij zich schaamde. Omdat hij wéér bij zijn grote broer had moeten aankloppen en wéér het deksel op zijn neus had gekregen. Niet omdat jij gemeen was, maar omdat hij wist dat hij zijn eigen leven aan het verkloten was. Denk je nou echt dat jij god bent, Dennis? Denk je dat jij alles kunt regelen voor iedereen?'
'Ik had hem beloofd aan ma...' begon ik.
'Schei toch uit over je moeder,' onderbrak ze me fel. 'Je moeder is dood. Bram was dertig. Hij maakte zijn eigen keuzes. Hij nam die scooter met drank op en zonder licht in de stromende regen. Dat was zíjn stomme, fatale fout. Niet die van jou.'
Ze pakte mijn hand. De bezeerde hand met het verbandje. Ze kneep erin, zo hard dat het pijn deed, maar ik trok hem niet terug.
'Hij hield van je, Den,' zei ze zachter. 'Hij keek tegen je op. Hij zei altijd: "Als ik later groot ben, wil ik worden zoals Dennis. Die heeft tenminste alles op de rit." Hou eens op met jezelf de schuld geven van zijn domheid. Daar wordt hij echt niet levend van.'
Ik zei niets. De tranen brandden achter mijn ogen, maar ik huilde niet. Voor het eerst in zeven maanden voelde de steen achter mijn borstbeen niet zwaarder, maar brokkelde er een heel klein stukje vanaf. Het loste niet op, het werd niet ineens licht, maar de scherpe randen sleten een beetje af.
We bleven nog een halfuur zitten op die koude houten bank. We dronken het lauwe bier op. We zeiden bijna niets meer. Alleen het klotsen van het water tegen de kademuur en het verre geruis van een trein die over de spoorbrug denderde vulden de stilte.
Hoofdstuk 7
Een vorkje op tafel
Het was bijna middernacht toen ik de voordeur van mijn flat weer opendeed. Het huis rook nog steeds hetzelfde, maar de stilte voelde minder vijandig dan vanochtend. Minder als een aanklacht, meer als gewoon... leegte. Een lege ruimte die ik zelf weer moest gaan vullen.
Ik liep naar de keuken. De witte HEMA-doos stond nog steeds op de middelste plank van de koelkast. Ik haalde hem eruit en zette hem op het aanrecht.
Ik maakte het kartonnen deksel open. De geur van kaneel, zoete appels en roomboter kwam me tegemoet. De taart was nog helemaal gaaf. Een perfect rond rooster van deeg over de bruine stukjes appel, bestrooid met een beetje poedersuiker. Er zat een klein kartonnetje met slagroom bij.
Ik pakte een groot koksmes uit de la. Een van mijn eigen messen, niet zo scherp als die van Bram, maar scherp genoeg. Ik sneed de taart precies doormidden. Daarna sneed ik een flinke punt af. Geen netjes, bescheiden stukje zoals je dat op een verjaardag bij een tante krijgt, maar een flinke homp, zoals Bram hem altijd afsneed.
Ik pakte twee bordjes uit het kastje. Oude, witte bordjes met een blauw randje die we nog van thuis hadden meegenomen toen het ouderlijk huis werd leeggemaakt. Op elk bordje legde ik een punt taart. Een flinke toef slagroom ernaast.
Ik zette de twee bordjes op de eettafel tegenover elkaar. Twee vorkjes ernaast.
Ik ging op mijn vaste stoel zitten. De stoel tegenover me bleef leeg. De houten leuning glom in het warme licht van de hanglamp boven de tafel.
'Alsjeblieft,' zei ik hardop. 'Honderd procent HEMA. Zoals je wilde.'
Er klonk geen gelach. Geen stem die zei dat ik een krent was omdat ik geen bier had ingeschonken. Er gebeurde helemaal niets. Buiten reed een auto door de straat, de koplampen gleden over het plafond van de woonkamer en verdwenen weer in het donker.
Ik pakte mijn vorkje. Ik stak het in de punt van de taart en nam een hap. De korst was knapperig aan de randen, een beetje zacht aan de onderkant. De smaak was precies zoals ik me herinnerde van vroeger, toen we nog klein waren en op zaterdagochtend met ma door de stad liepen en altijd eindigden op de bovenverdieping van het warenhuis voor een beker chocolademelk en een punt taart.
Ik at langzaam. Kauwen, slikken. Het was gek, maar het smaakte me. Ik had sinds gisteravond niets meer gegeten, realiseerde ik me nu pas. Mijn maag knorde zachtjes.
Toen mijn bordje leeg was, schoof ik het van me af. Ik keek naar het bordje aan de overkant van de tafel. De punt taart stond er onaangeroerd bij. De slagroom begon al een heel klein beetje in te zakken bij de randjes.
Ik wist dat dit gevoel nooit helemaal weg zou gaan. De monteur in mij wilde dat een probleem werd opgelost, dat het dashboardlampje uitging en de auto weer reed alsof er nooit iets was gebeurd. Maar zo werkte dit niet. Rouw was geen kapotte dynamo die je verving door een gereviseerd exemplaar van de sloop. Rouw was een deuk in het chassis. De auto kon nog wel rijden, hij reed misschien zelfs nog jarenlang en bracht je waar je wezen moest, maar als je goed keek, zag je altijd waar het metaal gekreukt was geweest.
En dat schuldgevoel? Misschien zou dat ook nooit helemaal verdwijnen. Misschien zou ik elke keer als het hard regende in november even denken aan die telefoon die op de salontafel lag. Maar Maya had gelijk gehad. Ik had Bram niet vermoord. Ik had alleen 'nee' gezegd op een moment dat hij 'ja' had gewild. Dat was hard, misschien was het zelfs oneerlijk geweest, maar het maakte me geen beul.
Ik stond op, pakte het bordje van Bram en zette het terug op het aanrecht. Ik deed er een stukje aluminiumfolie overheen en zette het terug in de koelkast. Voor morgen bij de koffie in de garage. Henk hield ook wel van appeltaart.
Ik liep naar het kleine achterkamertje. Het houten kistje stond nog op de grond. Ik pakte het voorzichtig op, nam het mee naar de woonkamer en zette het op de dressoir, recht onder de foto van onze ouders. Morgen zou ik schuurpapier meenemen van de werkplaats. Korrel 120, en daarna korrel 240 om het glad te maken. Ik zou het hout schuren tot die splinterige hoek verdwenen was, precies zoals Bram het bedoeld had. En daarna zou ik mijn Engelse doppen erin leggen.
Ik liep naar het raam en keek naar buiten. De klok van de Onze-Lieve-Vrouwetoren sloeg twaalf zware slagen in de verte. De echo dreef over de daken van Amersfoort.
14 juni was voorbij. Bram was geen eenendertig geworden. Hij zou altijd dertig blijven.
Ik deed het licht boven de eettafel uit. 'Slaap lekker, broertje,' zei ik in het halfdonker.
En voor het eerst in zeven maanden voelde het niet alsof ik loog toen ik daarna mijn bed in stapte en mijn ogen dichtdeed.