Naar de inhoud
Terug naar het boek

Ziekte en gezondheid

De uitslag die alles bepaalde

Bevat beschrijvingen van ziekte en behandeling.

Hoofdstuk 1

De tegelvloer en de rode plas

Mijn naam is Dennis van Dijk. Ik ben drieënveertig jaar en ik woon in Hengelo. Als je me twee jaar geleden had gevraagd wie ik was, had ik gezegd: een doener. Ik werk al sinds mijn zeventiende als tegelzetter. Eerst bij een baas, later voor mezelf. Mijn handen zijn ruw, mijn knieën versleten en mijn rug zeurt altijd wel een beetje. Dat hoort erbij als je hele dagen op betonnen vloeren kruipt met pakken tegels van dertig kilo in je armen. Je klaagt niet, je neemt twee paracetamol en je smeert nog een meter lijm.

Het begon in een nieuwbouwwijk in Enschede. Het was begin oktober. Buiten regende het hard en binnen rook het naar nat cement en tocht. Ik was bezig met een badkamer op de eerste verdieping. Prachtige grote platen van zestig bij honderdtwintig centimeter. Zwaar werk. Rond het middaguur voelde ik een felle steek in mijn rechterflank. Geen gewone spierpijn. Het leek alsof iemand met een botte schroevendraaier tussen mijn ribben en mijn heup wrikte. Ik zette mijn knieën op de vloer en liet het lijmspaan vallen.

'Rustig aan, ouwe,' zei mijn hulpje Kevin, een jongen van twintig die net bij me werkte. 'Schiet het er weer in?'

'Verkeerde beweging,' loog ik. Ik beet op mijn tanden tot de steek wegzakte naar een doffe, kloppende druk. 'Haal even een bakkie pleur beneden.'

Toen Kevin wegliep, hees ik mezelf omhoog aan de rand van het bad. Ik moest plassen. Buiten stond een vieze blauwe Dixi naast de steiger. Ik strompelde naar beneden, de regen in. Binnen in dat plastic hok stonk het naar chemisch spoelmiddel. Ik ritste mijn werkbroek open. Wat eruit kwam, was geen urine. Het was donkerrood. Zo donker als bessensap. Ik bleef roerloos staan kijken. Mijn hart sloeg een slag over en begon daarna te jagen in mijn keel.

Ik drukte de deur open en keek om me heen. Er liepen bouwvakkers met kruiwagens. De wereld draaide gewoon door, maar mijn benen voelden ineens slap als rubber. Ik veegde met de rug van mijn hand over mijn voorhoofd en voelde koud zweet. Kevin kwam aangelopen met twee kartonnen bekertjes koffie.

'Gaat het, chef? Je ziet zo wit als kalk.'

'Ik moet even naar huis,' zei ik schor. 'Ruim jij de spullen op? Ik trek het even niet.'

Kevin keek me met grote ogen aan. Ik ging namelijk nooit eerder naar huis. Zelfs niet toen ik ooit een tegelpunt in mijn scheenbeen kreeg en met vijf hechtingen dezelfde middag nog doorging. Nu smeet ik mijn werkhandschoenen in de bus en reed ik weg.

Thuis was het stil. Mijn vrouw Saskia was op haar werk bij de apotheek, onze dochter Lotte van veertien zat op school. Ik liep direct door naar de wc boven. Het licht was daar feller. Ik plaste opnieuw. Weer bloed. Helderrood nu, met kleine donkere sliertjes erin. Geen twijfel mogelijk. Dit kwam niet van zwaar tillen. Dit kwam van diep binnenin.

Ik ging op de rand van het bed zitten en staarde naar mijn werkschoenen vol grijs stof. Mijn telefoon lag in mijn hand. Ik toetste het nummer van de huisartsenpraktijk. Mijn stem trilde toen de assistente opnam.

'Huisartsenpraktijk De Brink, goedemiddag.'

'Met Dennis van Dijk. Ik plas bloed. Puur bloed.'

Het bleef een seconde stil aan de andere kant. De gewone zakelijke toon verdween meteen uit haar stem. 'Kunt u over twintig minuten hier zijn, meneer Van Dijk? Neem meteen een potje urine mee als dat lukt.'

Twintig minuten. Normaal moet je drie dagen wachten voor een afspraak als je last hebt van je knie of een vreemde moedervlek. Als een dokter zegt dat je over twintig minuten moet komen, weet je dat er iets goed mis is. Ik waste mijn handen, trok schone kleren aan en liet de vuile werkbroek op de badkamervloer liggen. Voor het eerst in mijn leven was ik echt bang.

Hoofdstuk 2

De tunnel van het ziekenhuis

Huisarts Jansen voelde aan mijn buik. Zijn vingers waren koud. Hij drukte diep in mijn rechterzij, net onder mijn ribben. Ik kromp ineen van de pijn.

'Doet dat zeer?' vroeg hij.

'Behoorlijk,' zei ik met samengeknepen tanden.

Hij keek naar het glazen potje op zijn bureau. De vloeistof had de kleur van verdunde kersensiroop. Hij schudde zachtjes met zijn hoofd en tikte iets in op zijn computer. Het getik van het toetsenbord klonk keihard in de kleine spreekkamer. Ik wilde dat hij grapte. Ik wilde dat hij zei: Dennis, je hebt gewoon een flinke blaasontsteking, neem deze pillen en over een week tegel je weer.

'Ik stuur je vandaag nog door naar de spoedeisende hulp voor een echo,' zei hij zonder me aan te kijken. Daarna draaide hij zijn stoel pas bij. 'Dit moeten we direct laten bekijken. Het kan een grote niersteen zijn. Maar gezien de hoeveelheid bloed en die weerstand die ik voel in je zij, wil ik geen risico nemen.'

'Weerstand?' vroeg ik. Mijn mond was droog.

'Er zit daar iets wat er niet hoort te zitten,' zei hij nuchter. 'Ga naar huis, haal Saskia op en rijd naar het ziekenhuis. Ze verwachten jullie.'

Een uur later zaten we in de wachtkamer van de radiologie in Ziekenhuis Groep Twente. Saskia hield mijn hand vast. Haar vingers waren ijskoud, nog kouder dan die van de dokter. Ze probeerde te glimlachen, maar haar ogen stonden strak. Ze werkt zelf in de zorg, ze ziet dagelijks recepten voor zware medicijnen voorbijkomen. Zij wist waarschijnlijk al meer dan ik.

'Het is vast een ontsteking, Den,' zei ze zachtjes. 'Of een steen. Mijn vader had ooit een niersteen. Die ging kapot van de pijn en plaste ook bloed.'

'Ik hoop het,' zei ik. Maar diep vanbinnen wist ik dat het geen steen was. Een niersteen geeft krampen waarbij je over de grond rolt van ellende. Dit was een trage, zware druk. Alsof er een vuist in mijn buik zat die langzaam dichtkneep.

Een jonge vrouw in een wit uniform riep mijn naam. 'Meneer Van Dijk?'

Ik stond op. De gangen roken naar chloor en warm linoleum. In de onderzoekskamer moest ik mijn shirt omhoog doen en mijn broek een stukje laten zakken. De gel die ze op mijn buik spoot was ijskoud. De echolap gleed over mijn huid. Het apparaat maakte zachte piepgeluiden. Op het scherm zag ik grijze en zwarte vlekken die voor mij nergens op leken. Sneeuw op een oude beeldbuis.

De echolaborante werd stil. In het begin had ze nog gevraagd of we makkelijk een parkeerplek konden vinden, maar nu zweeg ze. Haar blik zat vastgeplakt aan het scherm. Ze drukte de sonde stevig in mijn zij, bewoog hem millimeter voor millimeter en klikte een paar keer om een beeld vast te zetten. Ze mat iets op tussen twee kruisjes.

'Ziet u iets?' vroeg ik.

'De radioloog moet er even naar kijken,' zei ze ontwijkend. 'Ik haal hem er zo bij.'

Dat is de zin die iedereen vreest. Als de laborant de arts erbij moet halen, weet je dat ze iets hebben gevonden dat niet klopt. De radioloog, een kale man met een vermoeid gezicht, kwam binnen, knikte kort naar mij en pakte de sonde over. Hij keek dertig seconden naar het scherm, zette weer een kruisje en legde het apparaat weg.

'Meneer Van Dijk, we zien een flinke afwijking op uw rechternier,' zei de man direct. Geen omwegen. Geen suikerlaagje. 'Een vaste massa. We moeten meteen een CT-scan met contrastvloeistof maken om te zien hoe groot het is en hoe het er precies uitziet.'

'Een massa?' vroeg Saskia vanaf de stoel in de hoek. Haar stem brak.

'Een gezwel,' zei de arts. 'We gaan nu de scan regelen. Blijft u hier even zitten.'

Toen hij de deur achter zich dichttrok, keek ik naar Saskia. De tl-buis boven ons gonsde zachtjes. Ik zag de tranen over haar wangen lopen. Ik stak mijn hand uit, maar ik kon niets zeggen. Het voelde alsof de grond onder mijn voeten was opengesperd en ik in een diep, zwart gat viel zonder bodem.

Hoofdstuk 3

Het vonnis in kamer 3.12

De contrastvloeistof in de CT-scan voelde alsof er kokend water door mijn aderen werd gepompt. Een warme golf trok van mijn keel naar mijn liezen, alsof ik in mijn broek plaste. Twintig minuten later zaten we voor kamer 3.12 op de afdeling Urologie. De gang was breed en leeg. Er hingen posters over prostaatcontroles en stoppen met roken. Aan de overkant zat een oudere man zachtjes te slapen met zijn mond open.

Ik keek naar mijn horloge. Kwart over vier. Rond deze tijd had ik normaal gesproken mijn gereedschap schoongemaakt en Kevin afgezet bij zijn flat. Nu zat ik hier met een ziekenhuisbandje om mijn pols. Het plastic schuurde tegen mijn huid.

De deur ging open. Dokter Visser, een tengere uroloog van een jaar of vijftig met een strakke bril, stak zijn hand uit. 'Komt u verder, meneer en mevrouw Van Dijk.'

Zijn bureau lag vol mappen, maar op zijn computerscherm stond een dwarsdoorsnede van een menselijk lichaam. Mijn lichaam. Ik herkende mijn wervelkolom, wit en scherp. Daarnaast twee bonen. De linkerboon was strak en grijs. De rechterboon zag eruit alsof er een rotte aardappel aan vast was gegroeid. Een grillige, donkere bol die veel groter leek dan het orgaan zelf.

We gingen zitten. Dokter Visser vouwde zijn handen in elkaar op het bureau. 'Ik ga er niet omheen draaien. De CT-scan bevestigt wat we op de echo zagen. Er zit een tumor in uw rechternier. Hij is fors. Acht centimeter in doorsnee.'

Acht centimeter. Ik maakte met mijn duim en wijsvinger een schatting in mijn schoot. Dat was de grootte van een flinke sinaasappel. Hoe kon zoiets in mijn lijf groeien zonder dat ik het wist? Zonder dat ik kotsmisselijk was geworden of krom had gelegen van de pijn?

'Kanker?' vroeg ik. Het woord klonk vreemd uit mijn eigen mond. Alsof het over iemand anders ging.

'Ja,' zei Visser rustig. 'Niercelcarcinoom. Gezien het beeld op de scan is het met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kwaadaardig. We zien gelukkig op het eerste oog geen grote uitzaaiingen in de lever of de longen, maar de tumor zit dicht tegen de grote holle ader aan. Dat maakt het link.'

Saskia pakte mijn arm zo hard vast dat haar nagels door mijn spijkerjasje prikten. 'Wat betekent dat, dokter? Kan het eruit?'

'Dat is het plan,' knikte Visser. 'We moeten de hele rechternier verwijderen. Een radicale nefrectomie. Samen met het vetweefsel eromheen en eventuele verdachte lymfeklieren. U bent jong en verder sterk. Dat is uw grootste voordeel. Maar het is een zware operatie.'

'En daarna?' vroeg ik. 'Chemo? Bestraling?'

'Nierkanker reageert over het algemeen slecht op traditionele chemotherapie,' legde hij uit. 'Als we alles kunnen wegsnijden en de snijranden zijn schoon, hoeft er daarna vaak geen nabehandeling te volgen. Dan is het een kwestie van heel scherp controleren. Maar eerst moet dat ding eruit. Volgende week donderdag hebben we plek op het operatieprogramma.'

De rest van het gesprek ging langs me heen. Ik hoorde woorden als 'bloedverlies', 'intensive care' en 'herstelperiode', maar het drong niet door. Ik keek naar die rotte aardappel op het scherm. Dat ding zat in mij. Het vrat stiekem aan me terwijl ik badkamers aan het betegelen was. Het voelde als verraad van mijn eigen lijf.

Toen we naar de parkeerplaats liepen, was het al donker. De koude herfstwind sloeg in ons gezicht. We stapten in de auto. Ik deed de gordel om, startte de motor, maar zette hem niet in de versnelling. Ik legde mijn voorhoofd op het stuur en begon te janken. Geen nette tranen, maar hard, lelijk snikken dat uit het diepst van mijn maag kwam. Saskia sloeg haar armen om mijn schouders en hield me vast. We stonden daar een half uur op een tochtig parkeerdek in Hengelo, terwijl de ruiten langzaam besloegen.

Hoofdstuk 4

Het mes erin

De week tot aan de operatie was een waas van telefoontjes, ziekenhuisbezoeken en geforceerde nuchterheid. We vertelden het Lotte op vrijdagavond aan de keukentafel. Ik wilde niet liegen. Ik zei dat papa een zieke nier had en dat de dokters die eruit gingen halen. Ze huilde niet meteen. Ze werd stil, staarde naar haar bord macaroni en vroeg toen: 'Ga je dood?'

'Nee,' zei ik, en ik hoopte met elke vezel in mijn lijf dat ik geen leugen vertelde. 'Ze halen het weg.'

Op donderdagochtend om zes uur meldde ik me op afdeling B3. Een verpleegkundige met een vriendelijk gezicht gaf me zo'n ziekenhuishemd met open achterkant en een paar papieren wegwerpslipjes. Mijn eigen kleren moesten in een kluisje. Daar ging mijn spijkerbroek, mijn portemonnee, mijn trouwring. Binnen tien minuten was ik geen tegelzetter meer, geen vader, geen man van het huis. Ik was een patiënt op sokken.

Om half acht werd ik naar de voorbereidingsruimte gereden. Het plafond flitste in strepen voorbij: witte platen, felle tl-buizen, noodverlichtingsbordjes. In de holding was het koud. Er piepten monitors. Mensen in groene pakken liepen af en aan met mutsjes over hun haar. Iemand prikte een infuus in de rug van mijn hand. De naald brandde.

'Meneer Van Dijk?' Een man met een vriendelijke stem en donkere ogen boog zich over me heen. 'Ik ben dokter Bakker, de anesthesist. We gaan zo beginnen. Hebt u nog vragen?'

'Zorg dat ik wakker word,' zei ik. Ik probeerde het als een grap te laten klinken, maar het mislukte volkomen.

'Dat is mijn enige taak vandaag,' glimlachte hij. 'We gaan goed voor u zorgen.'

Ze reden me de operatiekamer in. Het leek wel een ruimteschip. Grote ronde lampen boven de tafel, tafels vol glimmend staal, slangen die uit de vloer kwamen. Ik moest overstappen van mijn bed naar de smalle, harde operatietafel. Mijn rug plakte tegen het koude kussentje. Iemand plakte plakkers op mijn borst, een manchet om mijn arm begon strak op te pompen.

'U krijgt nu wat rustgevends via het infuus,' zei een stem naast me.

Ik voelde een koude vloeistof in mijn arm stromen. Meteen daarna werd mijn hoofd zwaar, alsof ik een halve fles jenever in één teug had leeggedronken. De lampen boven me begonnen te tollen. Er werd een plastic kapje over mijn neus en mond geplaatst. Het rook naar zoet rubber.

'Denk aan iets moois, Dennis,' zei de stem.

Ik dacht aan Lotte die vorig jaar in zee sprong bij Ameland, hoe ze gilde van de kou en lachte naar de meeuwen. Toen viel het doek. Zwart.

Toen ik weer bij kennis kwam, bestond de wereld alleen uit pijn. Een scheurende, brandende pijn aan de rechterkant van mijn buik, alsof er een gloeiende staaf ijzer in was achtergelaten. Ik probeerde te ademen, maar elke zucht sneed door mijn middenrif.

'Rustig maar, meneer Van Dijk. De operatie is klaar.'

Ik deed mijn ogen met moeite open. Alles was wazig. Ik lag op de uitslaapkamer. Naast me stond een verpleegkundige die aan een infuuspomp draaide. Er zat een slang in mijn neus die kriebelde, een blaaskatheter tussen mijn benen die brandde, en uit mijn zij stak een dikke plastic drain vol donker vocht.

'Is het... weg?' bracht ik kreunend uit.

'Dokter Visser is tevreden,' zei ze zacht. 'De hele nier is eruit gehaald. U heeft het heel goed gedaan. Ik geef u nu extra morfine.'

Ik voelde een warme deken over me heen vallen. De scherpe randjes van de pijn doofden langzaam uit tot een zware, doffe dreun. Mijn ogen vielen weer dicht. Het gezwel was eruit. Maar ik had geen idee dat het zwaarste gevecht nu pas ging beginnen.

Hoofdstuk 5

De zwarte week

De eerste twee dagen na de operatie leken beheersbaar. De morfinepomp deed zijn werk. Ik drukte op het knopje als het te erg werd en dreef dan weg in een roes. Saskia zat urenlang naast mijn bed en las zachtjes voor uit de krant. Lotte kwam even langs, maar ze schrok zo van alle slangen en piepende machines dat ze al snel bleek wegtrok. Ik stuurde haar naar huis. Ik wilde niet dat ze haar vader zo zag.

Op zaterdagochtend ging het mis.

De zaalarts besloot dat de morfinepomp eraf kon. Ik moest over op gewone tabletten en ik moest uit bed. Mobiliseren, noemden ze dat. Twee fysiotherapeuten hielpen me overeind. Mijn benen voelden als pap, maar het ergste was de wond. De snede liep vanaf mijn navel helemaal schuin omhoog naar mijn rug. Vijfentwintig centimeter lang, dichtgeniet met metalen krammen. Bij elke stap leek het alsof die krammen door mijn vel scheurden.

Rond het middaguur begon ik te rillen. Niet zomaar koud hebben, maar klappertanden tot mijn kaken er zeer van deden. Mijn bed schudde ervan. Saskia legde drie extra dekens over me heen, maar het hielp niets. Binnen een uur schoot mijn temperatuur omhoog naar negenendertig en een halve graad.

'Zuster!' riep Saskia de gang op. 'Er klopt iets niet!'

Vanaf dat moment werd alles chaotisch. Mijn bloeddruk zakte in elkaar. Zusters renden af en aan met infuuszakken. Het alarm van de monitor ging constant af met een snerpend, eentonig gepiep. Ik zag de gezichten boven me vervagen tot bleke vlekken. Mijn buik zwol op als een ballon en deed ondraaglijk veel pijn. Ik kon niet meer praten, alleen nog maar zachtjes kreunen.

Er werd met spoed een nieuwe CT-scan gemaakt. Midden in de nacht. Het overstappen van het bed naar de scantafel was een marteling waarbij ik bijna het bewustzijn verloor van de pijn. De uitslag kwam snel: een nabloeding in het wondgebied en een beginnende infectie van het wondvocht dat zich had opgehoopt.

Dokter Visser kwam midden in de nacht aan mijn bed in spijkerbroek en een ziekenhuistrui. 'Dennis, we moeten een drain bijplaatsen en je krijgt zware antibiotica via het infuus. Als het bloeden niet stopt, moeten we je opnieuw openmaken.'

Opnieuw openmaken. De gedachte alleen al deed me bijna stikken in paniek. Ze brachten onder lokale verdoving een extra slang in mijn zij om het oude bloed en pus af te voeren. Ik beet in het kussen tot ik het schuimrubber proefde. Ik heb in die nacht gehuild als een klein kind. Ik was op. Mijn lichaam was leeg. Ik wilde gewoon slapen en nergens meer aan denken. Ik dacht aan opgeven. Het was de eerste keer in mijn leven dat ik dacht: laat maar zitten. Trek die stekkers er maar uit, ik trek dit niet meer.

Saskia week niet van mijn zijde. Ze hield mijn hand vast, waste mijn bezwete voorhoofd met een koud washandje en sprak me toe met een harde, wanhopige stem: 'Blijven ademen, Dennis. Niet opgeven. Lotte wacht op je. We gaan volgende zomer naar Spanje, hoor je me? Je blijft hier.'

Drie dagen lang balanceerde ik op het randje. De antibiotica sloegen langzaam aan. De koorts zakte naar achtendertig, toen naar zevenendertig. De slang in mijn zij voerde liters donker vocht af. Op dinsdagmiddag kwam dokter Visser weer langs. Hij zag er net zo moe uit als ik.

'Het bloeden is gestopt,' zei hij. Hij trok een krukje bij en ging zitten. 'En het weefselonderzoek van het lab is binnen.'

Ik hield mijn adem in. Dit was de uitslag waar alles om draaide. Als de snijranden niet schoon waren, of als er kankercellen in de bloedvaten zaten, was alles voor niets geweest.

'De tumor was een graad drie carcinoom,' zei Visser langzaam. 'Agressief. Maar de snijranden zijn vrij. Hij zat strak tegen het kapsel aan, maar hij is er in zijn geheel uitgekomen. Ook de verwijderde lymfeklieren zijn schoon.'

Ik keek hem aan. De woorden zweefden door de kamer. 'Schoon?' fluisterde ik.

'Schoon,' knikte hij. 'Je bent voor nu kankervrij, Dennis. Maar je lijf heeft een enorme optater gehad. Het echte herstel begint nu pas.'

Hoofdstuk 6

Schuifelend naar de brievenbus

Na veertien dagen mocht ik naar huis. De taxirit van het ziekenhuis naar onze straat voelde alsof we over een landingsbaan vol kraters reden. Elke drempel in Hengelo leek een martelwerktuig. Ik zat met samengeknepen billen en mijn handen strak om mijn buik geklemd op de achterbank.

Toen ik de voordeur binnenstapte, rook het huis naar bleekmiddel en bloemen. Mijn moeder had schoongemaakt, de hele eettafel stond vol kaarten van vrienden, collega-aannemers en buren. 'Beterschap kerel', 'Kop op', 'Je bent een vechter'. Ik kon er niet naar kijken. Ik voelde me geen vechter. Ik voelde me een zielig hoopje mens.

De eerste weken thuis waren zwaarder dan ik had gedacht. Mijn wereld was gekrompen tot de afstand tussen het bed en de bank. Ik kon mijn eigen sokken niet aantrekken. Als ik vooroverboog, voelde het alsof mijn buik in tweeën scheurde. Saskia moest me helpen met douchen. Ik stond naakt in de douchecabine terwijl mijn vrouw voorzichtig met een washandje over mijn rug wreef, mijn litteken ontwijkend. Het was een paarse, dikke ritssluiting die dwars over mijn zij liep. Ik schaamde me kapot. Ik was altijd de sterke geweest, degene die de zware kasten versleepte en het dak op klom om pannen recht te leggen. Nu kon ik nog geen pak melk uit de koelkast tillen zonder te zuchten.

'Niet zo somber kijken, Den,' zei Saskia op een middag toen ik weer eens naar buiten staarde vanuit de luie stoel. 'Je leeft nog. De kanker is weg.'

'Wat voor leven is dit dan?' snauwde ik. Het floepte eruit voor ik het kon tegenhouden. Meteen had ik spijt. Ze deed alles voor me, sliep nauwelijks, hield het huishouden draaiende en werkte parttime door. Haar ogen schoten vol vuur.

'Denk je dat het voor mij makkelijk is?' zei ze fel. 'Ik heb twee weken lang gedacht dat ik weduwe zou worden! Wees verdomme blij dat je hier zit te zeuren in plaats van dat ik bloemen op je graf moet leggen!'

Ze liep de keuken uit en smeet de deur achter zich dicht. Ik bleef alleen achter in de kamer. De stilte drukte op mijn oren. Ze had gelijk. Ik gedroeg me als een klein kind dat zijn zin niet kreeg. Mijn ego was geknakt omdat mijn sterke lichaam me in de steek had gelaten.

Die middag besloot ik dat het anders moest. Ik trok mijn schoenen aan – het kostte me tien minuten en liters zweet – en pakte mijn jas. Ik deed de voordeur open. De frisse novemberlucht sloeg in mijn longen. Het rook naar rottende bladeren en open haarden.

Ons pad naar de brievenbus is precies vijftien meter lang. Grind. Ik zette mijn eerste stap. De steentjes kraakten onder mijn zolen. Mijn buikspieren spanden zich aan en protesteerden meteen met een zeurende pijn. Stap voor stap. Schuifelend als een man van tachtig. Halverwege bleef ik even staan om adem te halen. Buurman Berendsen stond zijn auto te wassen aan de overkant. Hij zwaaide kort, respectvol, maar kwam niet naar me toe. Dat vond ik fijn. Geen medelijden.

Ik haalde de brievenbus. Ik leunde even tegen het groene metalen hekwerk en ademde diep in. Mijn hart klopte in mijn keel, maar ik stond er wel. Op eigen kracht.

Toen ging het tuinhek open. Lotte kwam terug van school op haar fiets. Ze zette haar fiets tegen de heg en keek me verbaasd aan.

'Wat doe jij hier buiten, pap?'

'Post halen,' zei ik hijgend. Er zat trouwens helemaal geen post in de bus.

Ze keek naar de lege brievenbus, toen naar mij, en haar mondhoeken krulden omhoog. Ze pakte mijn arm. Niet om me te ondersteunen, maar gewoon, zoals ze vroeger deed als we naar de stad liepen.

'Kom,' zei ze. 'Dan lopen we samen weer naar binnen. Stap voor stap, ouwe.'

Voor het eerst in twee maanden voelde ik geen brok in mijn keel van angst, maar van iets anders. Hoop, misschien. Of gewoon de simpele wil om door te gaan.

Hoofdstuk 7

De scan van zes maanden

Het is mei. Zes maanden na de operatie. De bomen in Twente staan volop in het blad en de zon schijnt op de motorkap van mijn bus. Ik zit weer op de parkeerplaats van het ziekenhuis. Dezelfde parkeerplaats als die donkere middag in oktober. Alleen zit ik er nu alleen in.

Ik heb vanochtend mijn eerste controle-scan gehad. Een CT-scan van mijn buik en longen om te zien of de kanker ergens opnieuw is opgedoken. Ze noemen dat in het ziekenhuis een routinecontrole, maar voor een patiënt bestaat er geen routine. De week voorafgaand aan deze scan sliep ik nauwelijks. Elk pijntje in mijn lijf – een steek in mijn schouder, een kramp in mijn kuit – voelde meteen weer als een doodvonnis. 'Scanxiety' noemen lotgenoten dat op internet. Een mooi woord voor pure doodsangst die je keel dichtsnoert zodra de envelop met de afspraak op de mat valt.

Ik stap uit en loop naar binnen. Mijn pas is steviger dan een half jaar geleden. Ik loop niet meer krom. Mijn buikspieren zijn nog steeds niet wat ze waren en zwaar tillen zit er voorlopig niet in, maar ik werk weer drie ochtenden per week. Niet meer slopen en zware tegels leggen. Kevin doet het zware tilwerk, ik doe het meetwerk, de offertes en het fijne tegelwerk op ooghoogte. Het bedrijf draait door, in een lagere versnelling. Mijn inkomen is gehalveerd, maar het kan me opvallend weinig schelen. Vroeger maakte ik me druk om een klant die te laat betaalde of een tegel die scheef zat. Nu denk ik: het waait wel over.

Ik meld me weer bij kamer 3.12. Dokter Visser roept me binnen vijf minuten binnen. Hij ziet er minder gestrest uit dan in de winter.

'Ga zitten, Dennis. Hoe voel je je?'

'Spannend,' zeg ik eerlijk. 'Mijn hart zit in mijn keel.'

Hij draait zijn computerscherm naar me toe. De dwarsdoorsnede verschijnt weer. Waar vroeger die grote, zwarte aardappel zat aan de rechterkant, zit nu een leegte. Een littekenweefselveldje ingebed in buikvet. De linkerboon – mijn overgebleven nier – is duidelijk groter geworden.

'Kijk,' wijst hij aan met de punt van een balpen. 'De overgebleven nier heeft het werk keurig overgenomen. Je bloedwaarden zijn uitstekend, je nierfunctie zit op tachtig procent van normaal. Dat is meer dan genoeg om honderd mee te worden.'

'En de scan?' vraag ik. Mijn stem klinkt strakker dan ik wil.

'Geen spoor van terugkeer,' zegt hij helder. 'Geen verdachte plekjes in het operatiegebied, schone lymfeklieren, schone longen. De scan is helemaal schoon, Dennis.'

Ik blaas mijn adem uit. Pas op dat moment merk ik hoe strak mijn schouders stonden. Het voelt alsof er een loden harnas van me afglijdt.

'En nu?' vraag ik.

'Over zes maanden weer een echo en bloedonderzoek,' zegt Visser terwijl hij me een hand geeft. 'En over een jaar weer een scan. Zo doen we dat vijf jaar lang. Maar voor vandaag: ga naar huis. Vier het met je gezin. Drink een biertje. Je hebt het verdiend.'

Buiten loop ik naar mijn bus. De lucht is felblauw. Ik stap in, draai het raam open en start de motor. Ik bel Saskia. Ze neemt na één overgang op.

'En?' vraagt ze met ingehouden adem.

'Helemaal schoon, Sas,' zeg ik.

Ik hoor haar aan de andere kant van de lijn zachtjes snikken van opluchting. 'Godzijdank,' fluistert ze. 'Kom naar huis, Den.'

'Ik kom eraan.'

Voordat ik wegrijd, kijk ik in de achteruitkijkspiegel. Ik zie een man van drieënveertig met wat meer grijze haren bij zijn slapen dan vorig jaar. Onder mijn T-shirt zit een litteken van vijfentwintig centimeter dat er de rest van mijn leven zal zitten. Mijn lijf is niet meer onoverwinnelijk. Ik heb maar één nier en ik moet elke zes maanden door die medische molen om te horen of ik mag blijven leven.

Maar ik leef. Vandaag leef ik. Ik zet de radio aan, schakel naar zijn twee en stuur de bus de snelweg op, naar huis.