Naar de inhoud
Terug naar het boek

Psychische gezondheid

De stem in mijn hoofd

Dit boek gaat over psychische klachten. Zoek hulp als het onderwerp je raakt.

Hoofdstuk 1

De moer die niet paste

Mijn naam is Dennis. Ik ben vierendertig jaar en ik woon in Zwolle, in een gewone tussenwoning in de wijk Holtenbroek. Als je me op straat tegenkomt, zie je een stevige vent in een donkerblauwe werkbroek met verf- en kitvlekken op de knieën. Ik werk al twaalf jaar als cv-monteur. Ik kan een leiding leggen met mijn ogen dicht. Ik weet precies hoeveel bar druk er op een ketel moet staan en hoe je een radiator ontlucht zonder dat het hele tapijt naar oud roestwater stinkt. Met mijn handen is er niks mis. Met mijn gereedschapskist ook niet. Maar in mijn hoofd zat iets wat alles kapotmaakte.

Het begon niet met een grote knal. Het sloop erin, zoals water dat heel langzaam door een poreuze voeg druppelt tot de hele muur vermolmd is. Op een dinsdagochtend in november stond ik in een smalle bijkeuken in Zwolle-Zuid. Buiten regende het hard. Binnen was het benauwd en rook het naar natte hond en waspoeder. Ik moest een expansievat vervangen bij een vriendelijke, wat oudere mevrouw. Een simpel klusje. Twintig minuten werk, koffie met een koekje erbij en weer door naar de volgende klant.

Ik zette mijn waterpomptang op de koperen koppeling. Mijn hand trilde een heel klein beetje. Niet omdat het zwaar was, maar omdat die stem er ineens weer was.

"Kijk je nou uit, kneus," zei de stem. "Je draait hem scheef. Straks breek je de leiding af en staat die hele bijkeuken blank. Je bakt er ook nooit wat van, hè?"

Ik haalde adem en slikte. De vrouw van het huis stond in de deuropening te kijken. Ze glimlachte vriendelijk en hield een mok koffie vast. Maar in mijn hoofd klonk het heel anders: Ze ziet dat je staat te knoeien. Ze denkt dat je een oplichter bent. Ze belt straks je baas en dan sta je voor paal.

"Lukt het, jongen?" vroeg de vrouw. Ze bedoelde het goed. Haar stem was zacht.

Ik knikte kort, zonder haar aan te kijken. "Ja hoor mevrouw. Even een hardnekkige moer loshalen."

Mijn eigen stem klonk vreemd, schor en afgeknepen. Het zweet brak me uit onder mijn pet. De moer zat muurvast. Ik zette meer kracht, maar mijn handen leken wel van nat karton. De tang schoot uit. IJzer kletterde tegen ijzer. De moer was beschadigd; de hoeken waren rond gedraaid door het uitschieten.

"Zie je wel," siste de stem meteen, hard en zelfverzekerd. "Je verpest het weer. Zoals altijd. Zelfs een simpele moer kun je niet aan. Wat doe je hier eigenlijk? Waarom ga je niet gewoon naar huis en kruip je onder je dekbed?"

Mijn hart sloeg wild in mijn borstkas. Ik voelde een zware, doffe druk achter mijn ogen. Een vertrouwd, verstikkend gevoel dat ik de laatste maanden bijna dagelijks had gevoeld, maar dat nu ineens als een vloedgolf over me heen sloeg. Het leek alsof de lucht uit de kleine bijkeuken werd gezogen.

"Ik pak even ander gereedschap uit de bus," zei ik tegen de mevrouw. Ik wachtte haar antwoord niet af. Ik liep met grote stappen door de gang naar de voordeur, stapte de regen in en trok de achterdeuren van mijn witte bestelbus open.

Daar stond ik. De koude regen sloeg tegen mijn wangen, maar ik koelde niet af. Ik leunde met mijn handen tegen de houten schappen vol koperwerk, knietjes en t-stukken. Mijn ademhaling ging veel te snel. Mijn spiegelbeeld in het kleine ruitje van de bus keek me aan: een man met donkere kringen onder zijn ogen, een bleek gezicht en hangende schouders.

"Niemand heeft iets aan jou," fluisterde het in me. "Je bent een last. Voor je baas, voor je klanten, voor Lisa."

Ik kneep mijn ogen dicht en klemde mijn kaken zo hard op elkaar dat mijn kiezen zeer deden. Ik wilde dat het stil werd. Gewoon stil. Niet dood, maar rustig. Ik wilde de knop kunnen vinden om dat kabaal in mijn kop uit te zetten. Maar er was geen knop. Er was alleen die koude, natte novemberdag, een klant die op haar verwarming wachtte en een bus vol gereedschap waarmee ik mezelf niet kon repareren.

Hoofdstuk 2

De borden op tafel

Mijn vriendin Lisa werkte op een basisschool. Ze stond voor groep vier en kwam meestal rond een uur of vijf thuis, vol verhalen over kinderen die veters niet konden strikken of ruzie maakten om een potlood. Vroeger luisterde ik daar graag naar. Ik vond het mooi hoe betrokken ze was. Maar de afgelopen maanden was haar stem een achtergrondgeluid geworden, alsof ze praatte achter een dikke laag dubbel glas.

Die avond na het incident met het expansievat zat ik aan onze keukentafel. Lisa had macaroni gekookt met van die blokjes ham en kaas erdoorheen. Een maaltijd die we al aten sinds we gingen samenwonen, zes jaar geleden. Normaal gesproken schepte ik twee keer op.

Nu zat ik alleen maar met mijn vork door de saus te roeren. De macaroni was lauw geworden. Er zat een vettig velletje op de bovenkant.

"Dennis?" vroeg Lisa. Ze legde haar vork neer.

Ik keek op van mijn bord. Ze keek me aan met grote, bezorgde ogen. Die blik kende ik inmiddels maar al te goed. Het was de blik van iemand die ziet dat er iets stuk is, maar niet weet waar de schroeven zitten.

"Ja?" zei ik.

"Je hebt amper drie happen op. Was het zo zwaar vandaag?"

Ik wilde zeggen: Het was niet zwaar, ik ben gewoon kapot. Ik wilde zeggen dat een simpele moer me vanmorgen bijna aan het janken had gebracht. Ik wilde vertellen dat ik op de terugweg op de ringweg even had gedacht: wat nou als ik het stuur gewoon naar rechts trek, tegen die betonnen vangrail aan? Niet om mezelf te pletter te rijden, maar gewoon om die bus stil te zetten. Om de tijd stil te zetten.

Maar de stem zat alweer tussen mijn gedachten en mijn lippen in. "Hou je mond," waarschuwde het. "Als je dit vertelt, schaamt ze zich kapot voor je. Welke vrouw wil nou een kerel die jankt om een cv-ketel? Ze pakt haar tassen. Ze is dertig, ze wil een gezin, een vent die sterk is. Geen wrak. Lach gewoon. Zeg dat je moe bent."

Ik haalde mijn schouders op en nam een hap macaroni. De pasta smaakte naar nat karton. Ik slikte het met moeite door.

"Gewoon druk op de zaak," zei ik. "Veel storingen. Iedereen zet de kachel aan nu het vriest. Ik ben gewoon een beetje gaar."

Lisa zuchtte zachtjes. Ze pakte de theedoek en wreef over een vlekje op het aanrechtblad. Ze deed dat altijd als ze zenuwachtig was.

"Dennis, dit zeg je al drie maanden. Iedere dag. Je lacht niet meer. Je praat niet meer met me. Als Frank belt om te darten, zeg je af. Je zit alleen maar voor je uit te staren op de bank. Het voelt alsof je hier helemaal niet meer bent."

Haar stem klonk niet boos, maar verdrietig. En dat was nog veel erger. Boosheid kon ik hebben. Tegen boosheid kon ik een muur optrekken. Verdriet brak dwars door me heen.

"Kijk wat je doet," zei de stem venijnig. "Je maakt haar ongelukkig. Ze verdient dit niet. Ze verdient iemand die haar vrolijk maakt, niet een zwarte wolk in de hoek van de kamer. Je zuigt alle energie uit dit huis."

"Ik doe mijn best, Lisa," zei ik zacht. De woorden klonken hol, zelfs in mijn eigen oren.

"Nee," zei ze, en er kwam een traan over haar wang. "Je doet je best om te doen alsof er niks is. En dat is iets heel anders. Ik kan dit zo niet blijven doen, Dennis. Ik ben eenzaam, terwijl jij een meter van me vandaan zit."

Ze stond op, pakte haar bord en zette het hard in de gootsteen. Ze liep de gang in en ik hoorde de deur van de slaapkamer boven dichtvallen. Niet met een klap, maar zachtjes, alsof ze alle hoop al had opgegeven.

Ik bleef zitten. De klok aan de muur tikte genadeloos door. Elke seconde voelde als een kleine slag tegen mijn slaap. De stem in mijn hoofd lachte bijna.

"Goed gedaan, jongen. Iedereen weggejaagd. Dat is veiliger, toch? Dan ziet tenminste niemand hoe leeg je vanbinnen bent."

Ik legde mijn vork neer. Ik had geen honger. Ik had nergens meer honger naar. Het enige wat ik voelde was een zware, loden deken die over mijn borst lag. Ademen kostte moeite. Ik wilde naar boven lopen, haar vastpakken en zeggen: help me alsjeblieft, want ik verzuip. Maar mijn benen zaten vast aan de vloer. Ik kon alleen maar blijven zitten tussen de koude resten van een avondeten dat al lang voorbij was.

Hoofdstuk 3

Het gewicht van de zondag

Zondagen waren vroeger mijn favoriete dagen. Uitslapen, met een warme beker koffie aan de keukentafel de krant doorbladeren, een beetje klussen in de schuur aan een oude brommer, of met Lisa een flink stuk wandelen door de uiterwaarden langs de IJssel. Uitwaaien, noemden we dat. De wind die door je haren sloeg, de geur van nat gras, een warme chocomel achteraf in een café in de binnenstad.

Nu was de zondag een monster. Een lege vlakte van vierentwintig uur waarin ik niks hoefde te doen, en waarin ik dus nergens voor kon vluchten. Op het werk had ik tenminste nog leidingen om vast te draaien, meters om af te lezen en routes om te rijden. Het was zwaar, maar het hield mijn handen bezig. Op zondag was er alleen maar het niets.

Het was halverwege december. Het was grijs buiten, een kille lucht die geen daglicht leek te willen geven. Lisa was om tien uur de deur uit gegaan. Ze ging naar haar zus in Kampen. Ze had me gevraagd om mee te gaan, maar de gedachte om aan een tafel te zitten met haar zwager en twee krijsende nichtjes maakte me fysiek misselijk. Ik had gezegd dat ik me niet lekker voelde, een beginnende griep. Ze had niet eens meer geprobeerd om me over te halen. Ze had alleen geknikt, haar sjaal omgedaan en de deur achter zich dichtgetrokken.

Toen ze weg was, ging ik op de bank liggen. Ik hield mijn kleren aan: een grijze joggingbroek en een oude trui. Ik deed de televisie aan, maar zette het geluid uit. Het flikkerende blauwe licht van een praatprogramma vulde de woonkamer.

Urenlang bewoog ik amper. De somberheid was geen droevig gevoel zoals wanneer iemand doodgaat. Het was veel tastbaarder. Het was een fysieke zwaartekracht. Het voelde letterlijk alsof mijn bloed was veranderd in dikke, zwarte modder. Mijn armen wogen vijftig kilo per stuk. Mijn hoofd was gevuld met nat zand.

Ik keek naar het plafond, naar een kleine vochtplek in de hoek die ik al twee jaar geleden had moeten witten.

"Kijk nou naar jezelf," zei de stem. Hij klonk bijna verveeld, alsof hij het zelf ook beu was om tegen me te praten, maar het toch niet kon laten. "Een man van vierendertig. Midden op de dag op de bank in je eigen vuil. Je stinkt naar oud zweet. Je vrienden zijn buiten aan het leven. Frank heeft net een nieuw huis gekocht. Tim rent marathons. En wat doe jij? Jij ligt te rotten."

Ik sloot mijn ogen. Ik probeerde aan iets leuks te denken. Aan onze vakantie in Frankrijk, vier jaar geleden. De zon op onze rug bij een meer, een stokbrood met kaas, Lisa die lachte tot ze buikpijn had. Maar de herinnering werkte niet. De kleuren waren eruit gewassen. Het leek op een foto van iemand anders. Ik voelde niks meer bij die herinneringen, behalve een scherp, pijnlijk gemis van de man die ik toen was.

Rond een uur of drie moest ik naar de wc. Alleen al het opstaan kostte me minuten. Ik schoof mijn voeten over het laminaat, zette mijn handen op mijn knieën en duwde mezelf omhoog. Mijn knieën kraakten. Ik liep naar de gang en zag mezelf in de passpiegel.

Ik schrok van wat ik zag. Mijn haar zat vet tegen mijn hoofd geplakt. Mijn baard was een rommelige stoppelbende van anderhalve week. Mijn schouders stonden zo ver naar voren gebogen alsof ik een zware koperen buis op mijn nek droeg. Maar het engste waren mijn ogen. Die stonden dood. Er zat geen vonk meer in, geen nieuwsgierigheid, geen wil om iets te doen.

"Waarom doe je de moeite nog?" vroeg de stem zacht, bijna zorgzaam dit keer, en dat maakte het juist zo gevaarlijk. "Het wordt toch niet meer beter. Je bent op. Het beste deel van je leven is geweest. Vanaf nu is het alleen nog maar bergabwaarts. Als je er niet meer bent, heeft Lisa verdriet, ja. Maar na een halfjaar ontmoet ze een echte vent. Iemand die lacht. Iemand die haar wat te bieden heeft. Je bent nu alleen maar een blok aan haar been."

Ik liep terug naar de bank en ging weer liggen. Precies in dezelfde houding als daarvoor. Ik trok de fleece deken over mijn hoofd. Onder de deken was het donker en warm, en rook het muf. Ik wilde daar blijven liggen tot alles voorbij was. Tot de winter voorbij was, tot de stem moe werd, tot ik gewoon kon oplossen in het schuimrubber van de bank.

Hoofdstuk 4

De kruipruimte

Het dieptepunt kwam op een ijskoude dinsdag in januari. De temperatuur was gedaald tot min vier. Mijn baas, Henk, had me naar een oude boerderij aan de rand van Dalfsen gestuurd. Een prachtig pand, maar de leidingen waren minstens vijftig jaar oud. De eigenaar zat zonder verwarming, midden in de vrieskou. Er zat ergens een lek onder de vloer, in de kruipruimte.

Toen ik aankwam, stapte ik uit de bus. De wind sneed dwars door mijn dikke werkjas heen. Mijn vingers waren binnen twee minuten stijf van de kou. De eigenaar, een norse man met laarzen aan, wees naar het luik in de hal. Onder een droogloopmat zat een houten plaat.

"Daar ergens naar achteren," zei hij kortaf. "Bij de achtergevel moet het zitten. Het ruikt er naar rotte eieren en het water staat er enkeldiep. Succes ermee."

Ik trok mijn rubberen waadpak aan, pakte mijn zaklamp en een tas met fittingen en een pijpensnijder. Ik haalde het luik weg. Een kille, vochtige walm van modder, rottend hout en koud water sloeg me tegemoet. Het gat was nauw. Heel nauw.

Ik liet me zakken. Het water stond inderdaad tot over mijn enkels, ijskoud door het dunne rubber van mijn laarzen heen. De ruimte tussen de modderige bodem en de betonnen balken van de vloer was amper zestig centimeter hoog. Ik kon niet eens op mijn knieën zitten; ik moest op mijn buik door de drek tijgeren.

Met de zaklamp tussen mijn tanden klemde ik mijn gereedschap vast en schoof ik mezelf naar voren. Mijn schouders raakten bij elke beweging de balken boven me. Het was pikkedonker, op die ene smalle lichtbundel na. Spinnenwebben plakten in mijn gezicht. Stof dwarrelde in mijn neus.

Na tien meter schuiven vond ik de leiding. Een oude dikwandige stalen buis, doorgeroest bij een bocht. Het water spoot er in een dunne, sissende straal uit. Ik moest de hoofdkraan dichtdraaien en de koppeling vervangen. Maar de moer was verroest en zat muurvast tegen de funderingsmuur aan.

Ik lag met mijn wang bijna in het ijskoude modderwater. Mijn handen waren gevoelloos van de kou. Ik zette de grote tang erop. Ik duwde. Geen beweging. Ik duwde nog harder. Mijn knokkels schraapten langs het ruwe beton. Pijn schoot door mijn hand, warm bloed mengde zich met het koude water.

En toen brak er iets. Niet de buis. Ik.

"Kijk waar je ligt," bulderde de stem in mijn hoofd, harder dan ooit tevoren. De stem vulde de hele kruipruimte, weerkaatste tegen de betonnen balken. "Je ligt in de modder als een beest. Dit is waar je hoort. In het donker, onder de grond. Je kunt die buis niet eens maken. Je bent een mislukking. Een waardeloze vent die niks kan en niks is. Blijf hier maar liggen. Laat ze die plaat er maar weer op leggen. Niemand mist je. Niemand."

De lucht werd plotseling gloeiend heet in mijn keel. Mijn borstkas trok krampachtig samen. Ik kon niet ademen. Ik kreeg geen zuurstof binnen. Het leek alsof de betonnen balken boven me naar beneden kwamen, alsof het huis me langzaam ging verpletteren.

Ik liet de tang vallen. Hij verdween met een doffe plons in de modder. De zaklamp gleed uit mijn mond en rolde weg; de lichtstraal wees nu naar een dode hoek vol schimmel. Ik lag in het halfdonker, opgesloten tussen modder en beton.

Paniek. Pure, blinde paniek.

Ik begon te hyperventileren. Mijn hele lichaam trilde zo hard dat mijn tanden op elkaar klapperden. Ik wilde schreeuwen, maar er kwam alleen een zielig, piepend geluid uit mijn keel. Ik sloeg met mijn vuist tegen de grond, weer en weer. Modder spatte in mijn gezicht, in mijn ogen, in mijn mond.

"Ik kan niet meer," hoorde ik mezelf janken. Ik zei het hardop. "Ik kan niet meer. Hou op. Alsjeblieft, hou gewoon op."

Ik lag daar minutenlang te snikken als een klein kind, met mijn gezicht in de drek. Dertig centimeter boven me woonden mensen die koffie dronken en tv keken, en ik lag onder hun voeten te creperen van de angst en de haat naar mezelf toe.

Dat was de bodem. Dieper kon ik niet zakken. Letterlijk en figuurlijk lag ik in de stront. En op dat moment, terwijl de kou door mijn kleren trok en mijn tranen mengden met modder, wist ik één ding met een ijzingwekkende helderheid: als ik nu niet om hulp vraag, kom ik hier nooit meer uit. Dan overleef ik de winter niet.

Hoofdstuk 5

Langs de dijk

Ik weet niet hoe ik uit die kruipruimte ben gekomen. Ik herinner me alleen nog dat ik op handen en voeten achteruit ben gekropen, als een dier dat vlucht voor vuur. Ik stootte mijn hoofd keihard tegen een dwarsbalk, maar ik voelde de pijn niet eens. Ik moest eruit. Naar het licht. Naar de lucht.

Toen ik door het luik naar boven klom, stond de eigenaar in de gang. Hij keek naar me met open mond. Ik moet eruit hebben gezien als een spook: modder over mijn hele gezicht, bloed aan mijn knokkels, mijn ogen wild en rood van het huilen.

"Meneer?" vroeg hij geschrokken. "Gaat het wel?"

Ik keek hem niet aan. Ik kon geen woord uitbrengen. Als ik mijn mond open zou doen, zou ik overgeven of weer beginnen te gillen. Ik trok het waadpak met grof geweld uit, schopte mijn laarzen uit bij de voordeur en liep op sokken naar mijn bus. Mijn gereedschap lag nog beneden in de modder. Het kon me niks schelen. De ketel kon ontploffen voor mijn part. De hele boerderij kon afbranden.

Ik startte de motor van de bus. De kachel begon koude lucht te blazen. Ik zette hem in zijn achteruit, trapte op het gas en scheurde het erf af, de grindstenen kletterden tegen de onderkant van de wagen.

Ik reed zonder plan. Niet naar huis, niet naar de zaak. Ik reed instinctief richting de rivier. Tien minuten later parkeerde ik de bus op een verlaten parkeerplaatsje langs de IJsseldijk, vlak bij Wijhe. Er stond niemand. Alleen het grauwe water van de IJssel dat traag voorbij stroomde tussen de kribben, en het dorre riet dat heen en weer boog in de gure oostenwind.

Ik zette de motor uit. De stilte sloeg meteen toe, zwaar en beklemmend.

Ik keek naar mijn handen op het stuur. Ze trilden nog steeds, onder het opgedroogde bloed en de zwarte aarde. De stem in mijn hoofd was er ook nog, maar hij klonk anders. Niet meer triomfantelijk. Eerder moe, alsof hij zichzelf ook had uitgeput met die enorme driftbui onder de vloer.

"En nu?" vroeg de stem. "Nu heb je je werk verlaten. Henk schopt je eruit. Iedereen weet nu dat je gek bent."

Voor het eerst in maanden werd ik niet bang van die gedachte. Ik werd kwaad. Een doffe, wanhopige woede die diep uit mijn buik omhoog kwam.

"Hou je bek," zei ik hardop tegen het dashboard. Mijn stem brak. "Hou gewoon je teringbek."

Ik pakte mijn telefoon uit het dashboardkastje. Mijn vingers waren stijf en lieten het toestel bijna vallen op de rubberen vloermat. Ik had drie gemiste oproepen van Henk. Die negeerde ik. Ik scrolde naar Lisa.

Ik drukte op haar naam. De telefoon ging over. Eén keer. Twee keer. Drie keer.

"Dennis?" Haar stem klonk bezorgd. Op de achtergrond hoorde ik het geroezemoes van haar klaslokaal, kinderen die lachten. Het was pauze.

Toen ik haar stem hoorde, stortte alles wat ik de afgelopen maanden zo krampachtig overeind had gehouden in elkaar. De dam brak. Ik begon te huilen. Niet zachtjes, niet beheerst, maar met rauwe, lelijke uithalen die mijn hele borstkas deden schudden.

"Dennis!" riep ze nu, echt bang. "Wat is er? Waar ben je? Ben je gewond?"

"Lisa," bracht ik eruit tussen twee snikken door. Mijn snot liep over mijn lippen. Ik veegde het weg met mijn bebloede hand. "Ik kan niet meer. Het gaat niet meer. Ik zit... ik zit in de bus langs de dijk."

"Wat is er gebeurd? Heb je een ongeluk gehad?"

"Nee," jankte ik. "Nee. In mijn kop, Lisa. Het stopt niet. Het stopt al maanden niet. Ik ben zo somber. Ik wil niet meer. Ik wil gewoon dat het ophoudt."

Aan de andere kant van de lijn viel het even stil. De kinderen op de achtergrond leken ineens heel ver weg. Toen hoorde ik haar ademhalen, heel rustig, alsof ze in één seconde besloot om de paniek opzij te zetten.

"Blijf waar je bent," zei ze. Haar stem trilde, maar klonk vaster dan ik in tijden had gehoord. "Blijf in de bus. Doe de deuren op slot. Ik vraag een collega om mijn klas over te nemen. Ik stap nu in de auto en ik kom naar je toe. Blijf zitten, Dennis. Alsjeblieft."

"Oké," fluisterde ik.

Ik hing op en liet de telefoon vallen. Ik leunde met mijn voorhoofd tegen het koude stuurwiel. Buiten joeg de wind over de rivier, maar binnen in de bus was het gevecht voorbij. Ik had me overgegeven. En hoe angstaanjagend dat ook was, het voelde ook, voor het allereerst sinds heel lange tijd, als een heel klein beetje rust.

Hoofdstuk 6

Aan de keukentafel

Lisa vond me binnen twintig minuten. Ze parkeerde haar rode Toyota achter mijn bestelbus, stapte uit zonder haar jas dicht te knopen en trok mijn portier open. Ze keek niet naar de modder op mijn kleren. Ze keek niet naar het bloed aan mijn handen. Ze stapte half in de cabine, sloeg haar armen om mijn nek en trok me tegen zich aan. Ik rook haar shampoo, die geur van kokos en appel, en ik begon opnieuw te janken. Mijn tranen maakten donkere plekken op haar lichte trui. Ze zei niks. Ze hield me alleen maar vast terwijl de wind langs het open portier naar binnen gierde.

Ze reed me naar huis in haar eigen auto. De bus liet ze staan langs de dijk; die haalden we later wel op. Thuis stuurde ze me direct naar de badkamer. Ze zette de douche aan, heet, en hielp me om die smerige kleren uit te trekken. Ik stond daar naakt onder de hete straal, terwijl het bruine water met modder en opgedroogd bloed langzaam door het putje spoelde. Ik voelde me leeg, als een leeggelopen ballon, maar de verstikkende druk op mijn borst was iets minder zwaar geworden.

Een uur later zaten we aan de keukentafel. Precies dezelfde plek waar we twee weken eerder nog zaten met die koude macaroni. Nu stond er twee grote mokken thee met honing tussen ons in. De stoom kringelde omhoog in het vroege middaglicht.

Ik keek naar mijn mok. Ik durfde haar nog steeds amper aan te kijken. De schaamte zat diep. Ik was een volwassen vent die op dinsdagmiddag door zijn vriendin van de dijk moest worden geplukt.

"Vertel het maar," zei Lisa zacht. Ze pakte mijn hand vast over het tafelblad. Haar vingers waren warm tegen mijn koude huid.

En ik vertelde het. Niet mooi, niet met wijze woorden, maar rauw en struikelend. Ik vertelde over de stem die me continu vertelde dat ik waardeloos was. Over het expansievat in Zwolle-Zuid. Over de angst dat ze me zou verlaten als ze wist hoe kapot ik was. Over die zondagen op de bank, waarop ik urenlang alleen maar wilde dat de aarde me zou opslokken. En over de kruipruimte vanmorgen, waar de muren op me afkwamen en ik dacht dat ik gek werd.

Lisa luisterde. Ze onderbrak me niet. Soms kneep ze even in mijn hand. Er liepen tranen over haar wangen, maar ze trok zich niet terug. Ze keek niet walgend. Ze keek alleen maar met een oneindig diepe compassie naar me.

"Dennis," zei ze toen ik eindelijk stilviel. Mijn keel deed pijn van het praten. "Waarom heb je dit zolang alleen gedragen?"

"Omdat ik dacht dat ik me aanstelde," zei ik eerlijk. "Ik dacht: je hebt een baan, een huis, een lieve vriendin. Waar zeik je over? Je bent gewoon lui. Je bent een watje."

"Je bent geen watje," zei ze ferm, en er klonk ineens weer wat van die juf-stem in door die ze op school gebruikte als een kind onrecht werd aangedaan. "Je bent ziek, Dennis. Als je je been breekt, zeg ik toch ook niet dat je door moet lopen omdat je een huis en een baan hebt? Dit zit in je hoofd, maar het is net zo echt."

Later die middag belde Lisa de zaak. Ze zette de telefoon op de luidspreker. Henk nam op, kortaf zoals altijd.

"Henk, met Lisa," zei ze rustig. "Dennis kan voorlopig niet werken. Hij is ingestort vanmorgen. Hij is ziek."

Ik hield mijn adem in. Ik verwachtte dat Henk zou gaan schreeuwen. Dat hij zou zeggen dat ik een slappeling was, dat die boerderij in Dalfsen afgemaakt moest worden en dat ik mijn spullen kon inleveren.

Het bleef stil aan de andere kant van de lijn. Je hoorde alleen het geritsel van papieren op Henks kantoor. Toen zuchtte Henk diep.

"Verdomme," zei hij, en zijn stem klonk ineens helemaal niet meer boos. Eerder verslagen. "Ik zag het al een tijdje aan hem, Lisa. Hij zag lijkbleek de laatste weken. Ik had eerder aan de rem moeten trekken. Zeg maar tegen die eigenwijze klootzak van je dat hij zich nergens zorgen over hoeft te maken. Ik stuur Frank wel naar die boerderij om zijn spullen op te halen. En laat hem naar de dokter gaan. Eerder hoeft hij hier zijn gezicht niet te laten zien."

Toen Henk ophing, zakte ik weer een stukje in elkaar. Niet van verdriet, maar van opluchting. De wereld was niet vergaan. Mijn baas had me niet ontslagen. Lisa had haar tassen niet gepakt. De stem had gelogen. Al die maanden, over alles.

Hoofdstuk 7

Een schroef per dag

Het is nu acht maanden later. Het is eind augustus. De zon schijnt op het asfalt van de Thomas a Kempisstraat in Zwolle. Ik loop met een gereedschapskist in mijn rechterhand naar een portiekwoning. Ik heb drie klussen vandaag. Niet acht, zoals vroeger, maar drie. Dat is de afspraak met Henk en de bedrijfsarts.

Er is geen wonder gebeurd. Ik ben niet op een ochtend wakker geworden als een herboren, altijd vrolijk mens. Zo werkt het niet, dat heeft de praktijkondersteuner bij de huisarts me wel duidelijk gemaakt in die lange, soms ontzettend vermoeiende gesprekken van het afgelopen halfjaar. Depressie is geen griepje dat na een week uitzieken weg is. Het is meer als een oude knieblessure: je kunt ermee leren lopen, je kunt weer aan het werk, maar als het koud en nat wordt, voel je het weer zeuren.

De stem is er nog steeds. Soms dagenlang niet, maar dan ineens steekt hij weer de kop op. Zoals vanmorgen, toen ik de wekker hoorde en de eerste stap uit bed zette.

"Waarom zou je gaan?" fluisterde het zachtjes. "Blijf lekker liggen. Je kunt die warmtepomp straks toch niet aansluiten. Veel te ingewikkeld voor jou."

Maar het verschil met vorig jaar is groot. Heel groot. Vorig jaar dacht ik dat die stem de waarheid sprak. Ik dacht dat die stem míj was. Nu weet ik beter. Die stem is een storing op de lijn. Het is ruis. Zoals een oude radio die net niet lekker op de zender staat afgesteld.

Ik stop even voor de portiekdeur en zet mijn gereedschapskist neer. Ik haal diep adem door mijn neus en blaas het langzaam uit door mijn mond. Een simpele oefening die ik heb geleerd. Het voelt soms nog steeds een beetje stom om te doen, maar het werkt wel. Het haalt de spanning van mijn schouders.

"Ik hoor je wel," zeg ik zachtjes in mezelf tegen de stem. "Maar ik ga toch naar binnen. Want ik weet dondersgoed hoe ik die pomp moet aansluiten."

Ik bel aan. De zoemer gaat en ik duw de deur open. Ik loop de betonnen trap op naar de tweede verdieping. Twee trappen op met een zware kist; mijn conditie is nog lang niet waar hij wezen moet, maar mijn benen voelen tenminste niet meer van lood.

Lisa en ik praten nu. Echt praten. Als ik een donkere dag heb – en die heb ik nog steeds, minstens één keer in de week – zeg ik het meteen als ik thuiskom. "De mist hangt er weer een beetje, Lies," zeg ik dan. En dan weet zij genoeg. Dan hoef ik geen vrolijke verhalen te verzinnen. Dan hoef ik me niet groot te houden. Soms eten we zwijgend, maar het is geen eenzame stilte meer. Het is een rustige stilte. We laten de storm gewoon even overwaaien.

Op het werk zijn ze ook veranderd. Mijn collega Frank, met wie ik vroeger alleen maar over voetbal en bier ouwehoerde, kwam twee maanden geleden ineens naar me toe bij het koffiezetapparaat. Hij keek schichtig om zich heen en vertelde me met gedempte stem dat zijn broer twee jaar geleden hetzelfde had meegemaakt. "Mooi klote is dat, hè Dennis?" zei hij. Meer niet. Maar het was genoeg. Ik hoefde me niet meer te verstoppen achter mijn werkkleding.

Ik stap de woning van de klant binnen. Een jong stel dat net een kindje heeft gekregen. De vader wijst me de weg naar de zolder waar de nieuwe pomp moet komen. Het is warm onder het dak, maar het raam staat open en er waait een fris briesje naar binnen.

Ik kniel neer op mijn kniebeschermers en leg mijn gereedschap netjes op een doek. Schroevendraaier, waterpas, striptang. Alles op zijn plek.

Ik pak een schroef en zet hem op het bitje van mijn accutol. Ik draai hem in de muurbeugel. Het geluid van de draaiende tol echoot door de lege zolderkamer. Vast. Muurvast.

Het leven is niet ineens fantastisch geworden. Ik ben niet plotseling dolgelukkig. Ik heb nog steeds dagen waarop ik mezelf naar het werk moet slepen, dagen waarop het bed veel veiliger voelt dan de straat. Maar ik lig niet meer in de modder onder de vloer. Ik sta hier, op zolder, in het licht. Eén schroef tegelijk. Meer hoef ik vandaag niet te doen.