Psychische gezondheid
De pillen en ik
Dit boek gaat over psychische klachten. Zoek hulp als het onderwerp je raakt.
Hoofdstuk 1
Het perron
Op station Amersfoort Centraal wist ik ineens niet meer waar ik heen moest. Op mijn telefoon stond een bericht van mijn baas. Waar blijf je? Boven me hing het bord voor de trein naar Utrecht. Ik kende die route. Vijf dagen per week. Toch kon ik niet bedenken wat ik moest doen.
Ik heet Daan Vermeer. Ik was vierendertig. Ik werkte op de planning van een installatiebedrijf in Nieuwegein. Ik woonde alleen in een bovenwoning in het Soesterkwartier. Tot die ochtend had ik mijn problemen vooral omschreven als slecht slapen.
Mijn hart sloeg tegen mijn ribben. Ik voelde mijn vingers niet goed. De mensen op het perron kwamen te dichtbij. Een vrouw trok een rode koffer langs mijn schoenen. Het geluid van de wieltjes deed pijn aan mijn tanden.
Ik ging op een bank zitten. Mijn trein vertrok.
Een conducteur hurkte voor me.
‘Gaat het?’
‘Mijn hart.’
Hij vroeg of ik pijn had. Of ik kon ademhalen. Ik gaf antwoorden die elkaar tegenspraken. Hij bleef zitten en schakelde hulp in. Ik schaamde me voor mijn natte overhemd. Voor mijn tas tussen mijn knieën. Voor iedereen die keek en daarna snel ergens anders naar keek.
In de ambulance telde ik de gaatjes in een plaat boven mijn hoofd. Ik wilde iets vinden dat niet bewoog. De verpleegkundige vertelde wat ze deed voordat ze me aanraakte. Dat hielp meer dan haar vraag of ik veel stress had.
In het Meander Medisch Centrum werd ik onderzocht. Er kwam op dat moment geen aanwijzing voor een acuut hartprobleem uit. Een arts vroeg naar mijn slaap, mijn werk en mijn stemming.
‘Het kan een paniekaanval zijn geweest,’ zei ze. ‘Maar bespreek ook wat eraan voorafging met je huisarts.’
‘Ik ben niet iemand die in paniek raakt.’
Ze keek niet verbaasd.
‘Dat dacht je tot vandaag.’
Mijn zus Eva haalde me op. Ze had haar dochter naar de buurvrouw gebracht. In de auto zette ze de radio uit.
‘Hoe lang gaat het al slecht?’
‘Sinds vanochtend.’
Bij het stoplicht keek ze naar me.
‘Daan.’
Ik trok aan een los draadje van mijn mouw.
‘Een tijdje.’
Thuis stonden drie vuilniszakken bij de achterdeur. Er lag een geopend pak kaas op het aanrecht. Eva ruimde niets op. Ze ging tegenover me zitten en vroeg wanneer ik voor het laatst een hele nacht had geslapen.
Ik kon geen datum noemen.
De maanden ervoor had ik steeds meer fouten gemaakt. Monteurs naar het verkeerde adres gestuurd. Een spoedklus vergeten. Op kantoor hield ik mijn jas aan omdat ik rilde. Ik at boven de gootsteen. Soms bleef ik ’s avonds op de onderste traptrede zitten, nog met mijn sleutels in mijn hand. Naar boven gaan leek dan een opdracht met te veel stappen.
Tegen niemand had ik gezegd dat ik soms hoopte ziek te worden. Niet ernstig. Gewoon ziek genoeg om niets meer te hoeven uitleggen.
Eva belde mijn huisarts. Ik mocht die middag komen.
Dokter Smit had een fietshelm onder zijn bureau liggen. Daar bleef ik naar kijken toen hij vroeg of ik nog plezier had in dingen.
‘Jawel.’
‘Waarin?’
Ik hoorde een printer in de kamer ernaast.
‘Weet ik niet.’
Hij vroeg ook of ik gedachten had aan de dood. Ik zei dat ik mezelf niets wilde aandoen. Daarna zei ik dat niet wakker worden me soms wel rustig leek. Het kostte moeite om die tweede zin uit te spreken.
Hij schoof zijn toetsenbord weg. We maakten afspraken voor als die gedachten erger werden. Eva mocht blijven die avond. Hij regelde een gesprek met de praktijkondersteuner. We bespraken behandeling en medicatie. Geen snelle reparatie, zei hij. Wel mogelijke hulp bij klachten die mijn dagen inmiddels beheersten.
Ik vroeg naar bijwerkingen. Hij legde uit wat kon voorkomen, wanneer ik contact moest opnemen en hoe we zouden volgen wat er veranderde. Een deel hoorde ik. Een deel verdween meteen weer.
Bij de apotheek kreeg ik een doosje mee. Mijn naam stond op het etiket. Daan Vermeer. Alsof het daardoor pas echt over mij ging.
Die avond legde ik het op tafel.
‘Je hoeft niet te doen alsof je hier blij mee bent,’ zei Eva.
‘Wat als ik iemand anders word?’
‘Dan zeg je dat tegen de dokter.’
Ik draaide het doosje om. Las dezelfde regel drie keer.
De volgende ochtend nam ik mijn eerste tablet. Daarna bleef ik naast de kraan staan. Ik wachtte op iets groots.
De koelkast sloeg aan. Verder gebeurde er niets.
Hoofdstuk 2
De eerste weken
Op de vierde ochtend hing ik boven de wc. Ik hoefde niet over te geven, maar mijn maag leek dat nog niet besloten te hebben. Beneden trok mijn buurman zijn rolluik op. Dat deed hij altijd om zeven uur. Vroeger was ik dan al aangekleed. Nu zat ik op de badmat met mijn broek op mijn enkels.
Ik dacht aan het doosje in de keuken.
Dit kwam ervan. Ik had hulp gezocht en nu was ik misselijk, bang en wakker vanaf vier uur. Mijn kaak stond strak. Ik liep van het raam naar de koelkast en terug. Buiten stapten mensen op fietsen. Ik kon niet eens bedenken wat ik op brood wilde.
Eva belde tijdens haar lunchpauze.
‘Heb je gegeten?’
‘Het gaat slechter.’
‘Heb je de huisarts gebeld?’
‘Die heeft dit voorgeschreven.’
‘Daarom juist.’
Ik wilde dat ze zei dat ik gelijk had. Dat de pillen een fout waren. In plaats daarvan bleef ze aan de lijn terwijl ik de praktijk belde met mijn oude reservetelefoon.
Dokter Smit belde die middag terug. Hij vroeg nauwkeurig wat er veranderd was. Hoeveel ik sliep. Hoe sterk de onrust was. Of de gedachten aan niet meer wakker worden vaker kwamen.
‘Niet vaker. Wel harder als ik wakker lig.’
Hij nam dat serieus. We bespraken wat ik die avond zou doen en wie bereikbaar was. Hij maakte een eerdere controleafspraak. Ook zei hij dat ik bij duidelijke verslechtering niet op die afspraak moest wachten.
‘En niet zelf gaan schuiven met de medicatie,’ zei hij.
Ik vond het irritant dat hij dat nodig vond. Ik had het doosje al boven de vuilnisbak gehouden.
De eerste afspraak met praktijkondersteuner Lotte was op vrijdag. Ze had een klein kantoor aan de achterkant van de huisartsenpraktijk. Door het raam zag ik een man zijn bestelbus schoonmaken. Hij deed twintig minuten over één spiegel.
‘Wat moet er van jou vandaag?’ vroeg Lotte.
‘Beter worden.’
‘Dat is veel voor drie kwartier.’
Ik keek haar aan. Ze glimlachte niet. Dat beviel me.
We maakten mijn dag kleiner. Opstaan. Iets eten. Douchen als het lukte. Een korte wandeling. Niet omdat een wandeling mijn problemen zou oplossen. Wel omdat ik inmiddels soms tot drie uur in bed bleef en daarna niet meer wist waar de dag was gebleven.
Ze vroeg wat ik vroeger deed als ik spanning had.
‘Harder werken.’
‘En als dat niet hielp?’
‘Nog harder.’
Ze schreef iets op. Ik wilde weten wat. Ze draaide het papier naar me toe. Er stond: rust voelt als falen.
Daar werd ik boos van.
‘Dat klinkt nogal simpel.’
‘Klopt het niet?’
Ik keek weer naar de bestelbus.
Mijn baas Ron belde die middag. Hij zei dat ik rustig aan moest doen. Daarna vroeg hij waar het bestand met storingsdiensten stond. Ik opende mijn laptop. Binnen tien minuten zat ik drie planningsfouten te herstellen.
Toen Eva binnenkwam, huilde ik achter het scherm.
Ze deed de laptop niet dicht. Dat had me woedend gemaakt. Ze vroeg alleen:
‘Ben je aan het herstellen of aan het werk?’
‘Ze redden het niet zonder mij.’
‘Dat kunnen ze zelf uitzoeken.’
Samen schreef ik een bericht aan Ron. Dat ik voorlopig geen werkvragen kon beantwoorden. Ik verwijderde twee excuses voordat ik het verstuurde.
De dagen daarna hield ik in een schrift bij hoe ik sliep, wat ik voelde en wanneer de misselijkheid opkwam. Eerst gaf ik alles cijfers. Toen werd ik gespannen van de cijfers. Lotte stelde voor korte zinnen te gebruiken.
Brood gegeten. Gedoucht. Om elf uur weer naar bed.
Soms schreef ik alleen: rotdag.
Na een paar weken werd mijn maag rustiger. Mijn slaap bleef rommelig. Ik merkte nog geen grote verbetering en begon te twijfelen aan ieder gesprek. Misschien vertelde ik het verkeerd. Misschien was ik gewoon lui en had iedereen zich door mij laten misleiden.
Op een dinsdag liep ik naar de bakker aan de Noordewierweg. Voor me stond een vrouw die haar portemonnee niet kon vinden. Ik wachtte. Ik keek naar de krentenbollen. Pas buiten besefte ik dat ik niet de hele tijd naar de deur had gezocht.
Thuis schreef ik het op.
Bij de bakker geweest. Even nergens bang voor.
Ik durfde er geen conclusie aan te verbinden. Ik wilde het alleen niet vergeten.
Hoofdstuk 3
Minder lawaai
Het eerste wat terugkwam, was mijn ergernis over de muziek van de buurman. Wekenlang had ik die muziek nauwelijks opgemerkt. Nu hoorde ik op zaterdagochtend dezelfde bas door het plafond bonken en dacht ik: moet dit echt?
Ik klopte beneden aan.
Buurman Henk deed open in een T-shirt met een vis erop.
‘Kan het iets zachter?’ vroeg ik.
‘Natuurlijk. Ik dacht dat je weg was.’
‘Nee.’
‘Al een tijd niet gezien.’
‘Ik ben ziek.’
Hij wachtte. Ik ook.
‘Koffie?’ vroeg hij toen.
Ik zei nee. Boven was ik buiten adem. Toch voelde het anders dan op het station. Ik had iets gevraagd. Hij had geluisterd. Er was geen ruzie gekomen.
Rond die tijd begon er meer ruimte in mijn hoofd te komen. Niet elke ochtend. Niet de hele dag. Maar ik kon een krant lezen zonder na iedere alinea terug te moeten. Ik kookte pasta en proefde de saus. Ik belde Eva zonder eerst een reden te verzinnen.
Bij de controle vroeg dokter Smit wat beter ging en wat niet.
‘Ik ben minder bang.’
‘En je stemming?’
‘Minder diep. Nog niet goed.’
Er was ook iets waar ik pas over begon toen hij zijn stoel al iets naar achteren schoof.
‘Seks lukt niet zoals eerst.’
Hij schoof weer naar voren.
Ik vertelde het met mijn ogen op zijn bureau. Minder zin. Moeilijk klaarkomen. Alsof mijn lichaam net te laat reageerde. Hij zei dat seksuele bijwerkingen konden voorkomen en dat we die mochten meewegen. We spraken af het te blijven bespreken. Ik hoefde niet te kiezen tussen zwijgen en meteen stoppen.
Ik was opgelucht. En kwaad dat ik opgelucht was om zoiets gewoons.
Mijn ex-vriendin Noor kwam die zondag haar boormachine halen. Die lag al sinds onze breuk in mijn gangkast. We waren acht maanden uit elkaar. Zij woonde inmiddels in Utrecht, boven een fietsenzaak.
‘Je ziet er beter uit,’ zei ze.
‘Dat is vooral schoon haar.’
Ze lachte. Ik ook. Daarna werd het stil.
We dronken thee aan de keukentafel. Ik vertelde over de ambulance, de huisarts en de pillen. Noor draaide haar mok langzaam rond.
‘Ik wist dat het niet goed ging,’ zei ze. ‘Maar je zei steeds dat ik overal iets achter zocht.’
Ik wilde uitleggen hoe slecht ik toen sliep. Hoe druk het op het werk was. Ik hoorde mezelf al beginnen.
‘Dat was niet eerlijk tegen jou,’ zei ik in plaats daarvan.
Ze knikte. Het was geen verzoening. Ze nam haar boormachine mee. Bij de deur legde ze kort haar hand op mijn arm.
Daarna miste ik haar zo hard dat ik op de keukenvloer ging zitten. Ik was niet kapot van verdriet. Ik voelde verdriet. Dat onderscheid begreep ik pas later.
Bij Lotte bespraken we de maanden vóór mijn uitval. Mijn moeder was twee jaar eerder overleden. Ik had haar administratie gedaan, haar woning leeggehaald en de bedankkaarten verstuurd. Daarna was ik op maandag weer gaan werken.
‘Iedereen zei dat ik sterk was,’ vertelde ik.
‘Wat vond je daarvan?’
‘Handig. Dan vroegen ze niets meer.’
Lotte verwees me, samen met de huisarts, door voor verdere behandeling. Er was een wachtlijst. Tot er plek was, bleef ik bij haar komen. Ik vond wachten vernederend. Alsof ik eindelijk had toegegeven dat ik hulp nodig had en nu een nummertje moest trekken.
Intussen begon mijn herstel op gezond verstand te lijken. Dat maakte het verraderlijk. Op goede dagen dacht ik dat ik alles zelf had gedaan. Op slechte dagen dacht ik dat niets hielp.
Op een verjaardag van mijn neef in Nijkerk weigerde ik een biertje. Mijn oom vroeg waarom.
‘Ik gebruik medicijnen.’
‘Waarvoor?’
‘Depressieve klachten. En paniek.’
Hij prikte met een vorkje in een blok kaas.
‘Tegenwoordig krijgt iedereen wat.’
Ik zette mijn glas neer.
‘Ik ben niet iedereen.’
Eva keek naar me, maar zei niets. Buiten wachtte ze bij haar auto.
‘Goed gedaan,’ zei ze.
Ik haalde mijn schouders op. Mijn handen trilden nog.
Die nacht bleef zijn opmerking hangen. Het doosje stond naast mijn tandenborstel. Voor het eerst in weken voelde het niet als hulp, maar als bewijs dat ik iets niet alleen kon.
Ik draaide het etiket naar de muur.
Hoofdstuk 4
Zonder overleg
Ik stopte niet op een dramatische avond. Ik sloeg op een woensdag mijn tablet over omdat ik haast had. Tenminste, dat zei ik tegen mezelf. Ik had geen afspraak. Ik hoefde nergens heen.
De volgende ochtend keek ik naar het doosje en dacht: gisteren ging ook goed.
Ik wilde weten wie ik zonder die pillen was. Ik wilde weer zin hebben in seks. Ik wilde niet meer plannen rond controles en recepten. Boven alles wilde ik kunnen zeggen dat het voorbij was.
Ik belde de huisarts niet.
Een paar dagen later bewoog de supermarkt vreemd. Ik stond bij het koelschap in de Albert Heijn en draaide mijn hoofd naar een medewerker. Er schoot een kort, raar gevoel door me heen. Mijn evenwicht versprong. Ik greep de rand van het schap.
‘Meneer?’
‘Te snel opgestaan.’
Ik stond al tien minuten.
Thuis werd ik misselijk. Ik sliep slecht en droomde zo heftig dat ik wakker werd met mijn handen in vuisten. Bij iedere onverwachte deurbel schoot mijn hartslag omhoog. Ik zocht online naar verklaringen en vond er te veel. Terugval. Ontwenning. Blijvende schade. Aanstellers. Vergif.
Na een uur wist ik minder dan daarvoor en was ik zekerder dat het misging.
Eva kwam langs met boodschappen. Ik snauwde dat ze mijn moeder niet was.
Ze zette de tas neer.
‘Dat weet ik.’
Ik zag haar gezicht veranderen. Onze moeder stond ineens tussen ons in, zonder dat iemand haar naam had gezegd.
‘Ga maar,’ zei ik.
‘Wil je dat echt?’
‘Ja.’
Ze ging. Ik liet de boodschappen staan. Het ijs smolt in de tas.
Die avond lag ik op de bank met alle lampen uit. Ik dacht niet aan een concreet plan om mezelf iets aan te doen. Wel kwam steeds dezelfde zin terug: ik kan dit niet nog een keer.
Dat maakte me bang. Niet omdat die zin nieuw was. Omdat ik hem begon te geloven.
Ik belde Eva. Ze nam niet meteen op. Die paar seconden voelde ik in mijn buik.
‘Ik heb gelogen,’ zei ik toen ze antwoordde.
‘Waarover?’
‘De medicijnen. Ik ben gestopt.’
Ze zweeg even.
‘Ben je veilig?’
‘Ik weet niet goed wat je daarmee bedoelt.’
‘Ben je bang dat je jezelf iets aandoet?’
‘Ik wil het niet. Maar ik wil niet alleen zijn.’
Ze kwam terug. Onderweg had ze gezegd dat ik de huisartsenpost moest bellen en dat ze bij het gesprek zou helpen zodra ze er was. Ik vertelde de medewerker wat ik had genomen, wanneer ik was gestopt en welke klachten ik had. Ook vertelde ik over de gedachten op de bank.
Later die avond sprak ik een arts. Er werden directe afspraken gemaakt voor die nacht en voor contact met mijn eigen huisarts. Eva bleef. Ik sliep nauwelijks, maar ik hoefde niet meer te verbergen dat ik wakker was.
De volgende dag zat ik bij dokter Smit.
‘Ik heb het verpest,’ zei ik.
‘Je bent gestopt zonder overleg. Nu moeten we kijken wat er aan de hand is.’
Hij legde uit dat abrupt stoppen klachten kon geven. Sommige daarvan konden lijken op mijn eerdere angst en somberheid. Via één gesprek viel niet alles netjes uit elkaar te halen. We maakten een medisch plan en spraken af snel opnieuw te beoordelen hoe het ging.
‘Waarom heb je niet gebeld?’ vroeg hij.
‘Omdat ik dacht dat u nee zou zeggen.’
‘Dan hadden we over dat nee kunnen praten.’
Die zin bleef hangen. Ik had van hem iemand gemaakt die toestemming uitdeelde. Daardoor had ik alleen nog stiekem kunnen doen wat ik wilde.
De klachten werden niet dezelfde middag minder. Er volgden onrustige dagen. Ik hield me aan het afgesproken plan en belde wanneer we dat hadden afgesproken. Lotte hielp me een lijst te maken met vroege signalen. Minder slapen. Afspraken afzeggen. Doen alsof ik druk was terwijl ik niets uitvoerde.
Onder aan de lijst schreef ik: liegen over hoe het gaat.
Eva las mee.
‘Ik kan niet altijd raden wat je nodig hebt,’ zei ze.
‘Dat weet ik.’
‘En ik kan niet iedere nacht blijven.’
Ik wilde haar vragen of ze me zat was. Ik vroeg in plaats daarvan wie ik nog meer kon bellen.
We pakten allebei onze telefoon.
Hoofdstuk 5
De wachtkamer
In september kon ik terecht bij een psycholoog in Amersfoort. De wachtkamer had groene stoelen en een klok die een paar minuten achterliep. Ik wist dat omdat ik steeds op mijn telefoon keek. Tegenover me zat een man met werkschoenen. Hij had een plastic tas op schoot en hield de hengsels zo strak vast dat zijn knokkels wit waren.
Ik vroeg me af of ik er ook zo uitzag.
Mijn psycholoog heette Farah. Tijdens het eerste gesprek vroeg ze wat ik van behandeling verwachtte.
‘Dat ik weer normaal word.’
‘Wat deed je toen je nog normaal was?’
‘Werken. Sporten. Afspreken.’
‘En slapen?’
‘Niet veel.’
‘Je grenzen aangeven?’
Ik zuchtte.
‘Gaan we het daarover hebben?’
‘Waarschijnlijk wel.’
De gesprekken waren minder netjes dan ik had gehoopt. Ik wilde een verklaring die ik kon begrijpen en daarna een lijst met opdrachten. Farah vroeg naar gebeurtenissen die ik liever samenvatte. De avond dat mijn moeder belde en ik niet opnam omdat ik een planning af moest maken. De ruzies met Noor. De manier waarop ik mijn vader altijd vertelde dat alles goed ging.
Mijn moeder was die avond niet overleden. Dat gebeurde weken later in het ziekenhuis. Toch had ik van dat gemiste telefoontje een bewijsstuk gemaakt. Een goede zoon had opgenomen.
‘Zei je moeder dat?’ vroeg Farah.
‘Nee.’
‘Wie dan?’
Ik vond die vraag flauw. Daarna moest ik huilen.
We werkten ook praktisch. Ik onderzocht gedachten die ik automatisch geloofde. Dat één fout betekende dat ik onbetrouwbaar was. Dat iemand teleurstellen hetzelfde was als iemand kwijtraken. Ik oefende met situaties die ik uit angst vermeed, in stappen die we samen bespraken.
De trein hoorde daarbij.
De eerste keer kwam ik niet verder dan de stationshal. Ik kocht koffie die ik niet opdronk en ging naar huis. Ik noemde het een mislukking. Farah vroeg wat ik wél had gedaan. Ik vond dat kinderachtig, maar kwam de week erop terug.
Toen reed ik één halte met Eva naast me. Mijn rug was nat toen we uitstapten. Zij vroeg niet of ik zag dat er niets aan de hand was. Er was voor mij van alles aan de hand geweest.
‘Zullen we even zitten?’ vroeg ze.
Dat deden we.
Ondertussen besprak ik mijn medicatie en de aanhoudende bijwerkingen opnieuw met de huisarts. Later keek ook een psychiater mee. We wogen af wat het middel opleverde en wat het me kostte. Er kwam een zorgvuldig begeleide aanpassing, met controles. Ik hield geen wedstrijd meer met het etiket. Ik wilde een behandeling die vol te houden was.
Die verandering ging langzaam. Ik had opnieuw onzekere dagen. Niet ieder lichamelijk gevoel kon ik thuis betrouwbaar verklaren. Dat vond ik moeilijk. Ik leerde het te noteren en te bespreken zonder meteen zelf een besluit te nemen.
Via een herstelgroep in de wijk ontmoette ik Bram. Hij was achtenveertig en werkte vroeger als kok. Na de bijeenkomst bleven we buiten staan omdat het regende.
‘Ik schaam me dat ik dit nodig heb,’ zei ik.
‘De groep?’
‘Alles.’
Hij trok de rits van zijn jas omhoog.
‘Ja. Dat kost ook nog energie.’
Bram vertelde niet dat alles goed zou komen. Hij zei dat hij soms nog afspraken afzegde. Dat zijn behandeling hielp, maar hem niet van geldzorgen of een lastige verhuurder afhielp. Dat maakte hem geloofwaardig.
We begonnen op vrijdagen te wandelen langs de Eem. Soms praatten we over klachten. Soms over zijn dochter, die een elektrische gitaar wilde. Hij mocht van haar geen advies geven over muziek. Ik mocht van hem geen advies geven over vaderschap.
Op een ochtend sliepen we allebei slecht en waren we allebei chagrijnig. We liepen twintig minuten zonder iets te zeggen.
Bij de brug bleef Bram staan.
‘Koffie?’
‘Ja.’
In het café merkte ik dat ik niet had nagedacht over hoe gezond ik overkwam. Ik had geen verhaal voorbereid. Toen Bram vroeg hoe mijn week was, zei ik dat het wisselde.
Het was een kort antwoord. Het klopte precies.
Hoofdstuk 6
Weer naar binnen
De eerste dag terug op kantoor stond Ron bij de koffiemachine. Hij droeg hetzelfde blauwe overhemd als op de dag vóór mijn uitval. Dat kon natuurlijk niet zeker weten. Toch voelde het alsof hij zeven maanden had stilgestaan en ik degene was die uit een andere tijd kwam.
‘Fijn dat je er bent,’ zei hij.
‘Twee uur,’ zei ik meteen.
‘Weet ik.’
We hadden met de bedrijfsarts een opbouwplan gemaakt. Beperkte uren. Afgebakende taken. Geen storingsdienst. Geen werktelefoon thuis. Ik had zelf ingestemd en voelde me toch schuldig zodra ik mijn jas ophing.
Mijn oude bureau was bezet door Kevin. Hij stond op toen hij me zag.
‘Ik kan wel ergens anders gaan zitten.’
‘Nee. Laat maar.’
Dat meende ik half. Op mijn nieuwe plek ontbrak de la waarin ik altijd drop bewaarde. Zoiets kleins kon dus pijn doen. Het bedrijf had zonder mij gewerkt. Dat had ik nodig gehad. Ik vond het verschrikkelijk om te zien.
Mijn taak was het controleren van afgeronde werkbonnen. Geen spoed. Geen klanten aan de lijn. Na drie kwartier las ik dezelfde postcode steeds opnieuw. Ik ging naar het toilet en spoelde mijn handen met koud water.
In de spiegel zag ik iemand die er niet ziek uitzag.
Ik bleef de volle twee uur. Thuis trok ik mijn schoenen uit en sliep op de bank. Toen ik wakker werd, was het donker. Ik had vier gemiste oproepen van niemand. Ik had alleen gedacht dat mijn telefoon trilde.
De volgende dag zei ik tegen Lotte dat terugkeer onmogelijk was.
‘Was het te veel?’ vroeg ze.
‘Blijkbaar.’
‘Dan hebben we informatie.’
Ik wilde geen informatie. Ik wilde mijn salaris, mijn concentratie en het gemak waarmee anderen een werkdag leken door te komen.
De opbouw werd aangepast. Langzamer. Meer rust tussen de werkdagen. Ik oefende met vertrekken op de afgesproken tijd, ook als er nog iets openstond.
Dat ging mis op een donderdag.
Ron kwam naast mijn bureau staan met een klant die dreigde op te zeggen. Hij vroeg niet of ik het probleem wilde overnemen. Hij dacht hardop. Ik kende het systeem beter dan Kevin. Ik wist welke monteur beschikbaar was. Binnen een minuut had ik mijn jas weer uit.
Een uur later zat ik te trillen in mijn auto.
Ik sloeg met mijn hand op het stuur. Niet hard genoeg om iets te breken. Wel hard genoeg om ervan te schrikken.
Thuis schreef ik een lange boze mail aan Ron. Ik verstuurde hem niet. De volgende ochtend belde ik.
‘Gisteren ging het mis,’ zei ik.
‘Ik zag het. Het spijt me.’
Dat haalde de eerste helft van mijn betoog onderuit.
‘Ik had ook nee moeten zeggen.’
‘Daar hebben we afspraken voor. Ik moet me daar ook aan houden.’
We maakten de grenzen concreter. Verzoeken liepen voorlopig via één collega. Mijn eindtijd kwam zichtbaar in de agenda. Niet iedereen vond dat handig. Ik ook niet. Maar het werkte beter dan hopen dat ik op tijd zou merken dat ik over mijn grens ging.
In november had ik weer een paar donkere weken. De sterfdag van mijn moeder kwam eraan. Ik werd vroeg wakker. De trein voelde opnieuw benauwd. Mijn eerste gedachte was dat de behandeling had gefaald.
Ik vertelde het deze keer binnen drie dagen.
De huisarts en Farah keken met me naar het hele beeld. Werkbelasting. Rouw. Slaap. Medicatie. We pasten niet in paniek alles tegelijk aan. Ik nam tijdelijk minder hooi op mijn vork en hield de vervolgafspraken.
Op de sterfdag ging ik met mijn vader naar haar graf in Leusden. Hij had een borstel meegenomen voor de letters op de steen.
‘Eva zegt dat je weer wat werkt,’ zei hij.
‘Een beetje.’
‘Mooi.’
Hij boende zand uit de laatste letter van haar naam.
‘Ik ben nog niet beter, pap.’
Hij stopte.
‘Dat dacht ik ook niet.’
Ik had me voorbereid op advies. Op doorzetten. Op vroeger hadden we dat niet.
Hij vroeg of ik na afloop soep kwam eten.
In zijn keuken vertelde ik voor het eerst hoe bang ik op het perron was geweest. Hij luisterde en schonk onze kommen vol. Eén keer vroeg hij iets. Verder liet hij me uitpraten.
Hoofdstuk 7
Mijn eigen sleutel
Ruim een jaar na de ambulance stond ik weer op hetzelfde perron. Ik moest naar Utrecht voor een museumbezoek met Noor. We waren niet opnieuw samen. We hadden elkaar een paar keer gesproken en ontdekten dat koffie drinken mogelijk was zonder onze hele geschiedenis op tafel te leggen.
Ik was vroeg. Dat hielp meestal. Die ochtend gaf het me vooral tijd om naar de bank te kijken waar ik had gezeten.
Mijn hart ging sneller.
Ik voelde mijn voeten in mijn schoenen. Ik keek op het bord. De trein kwam over vier minuten. Ik hoefde niet te bewijzen dat ik niets voelde. Ik hoefde alleen te besluiten wat ik nu ging doen.
Een vrouw vroeg of dit de trein naar Utrecht was.
‘Ja,’ zei ik. ‘Die van negen over.’
Ze bedankte me en liep verder.
Ik bleef staan.
Mijn telefoon trilde. Noor vroeg of ik al onderweg was.
Bijna, schreef ik.
Dat was geen code voor: red me. Ook geen leugen om tijd te winnen. De trein kwam eraan.
Er waren nog steeds pillen in mijn badkamerkastje. Na de begeleide aanpassing was er een behandeling ontstaan die me beter paste. De bijwerkingen waren minder hinderlijk geworden, niet volledig verdwenen. Tijdens controles bleven we bespreken wat ik merkte en wat ik wilde.
Misschien zou ik ooit verder afbouwen. Misschien niet op korte termijn. Ik had geen datum meer waarop ik zonder medicatie een beter mens moest zijn. Als er iets veranderde, wilde ik het samen met mijn behandelaar doen. Niet omdat ik mezelf niets toevertrouwde. Omdat ik inmiddels wist hoe slecht ik beslissingen nam wanneer schaamte de leiding kreeg.
Ik werkte weer vier dagen, korter dan vroeger. Een deel van mijn oude taken had ik niet teruggenomen. Daardoor verdiende ik minder dan ik had gehoopt. Ik had mijn auto verkocht. Dat vond ik geen inspirerende stap. Ik miste hem als het regende en ik met boodschappen op de fiets zat.
Herstel had dingen opgeleverd. Het had ook duidelijk gemaakt dat ik niet alles terugkreeg zoals het was.
Farah en ik hadden de gesprekken afgebouwd. Er waren afspraken over wat ik kon doen als klachten terugkeerden. De lijst met vroege signalen hing niet meer op de koelkast, maar lag in een keukenla. Ik wist waar hij was. Eva wist het ook.
Zij vroeg niet meer dagelijks of ik gegeten had. Soms vroeg ze of ik haar dochter kon ophalen. De eerste keer voelde dat als een groter compliment dan alles wat iemand over mijn herstel had gezegd.
Ik zei niet altijd ja.
Eén keer moest Eva daardoor een afspraak verzetten. Ze klonk geïrriteerd. Ik hield de telefoon vast en wachtte op de bekende schuldgolf. Die kwam. Daarna zakte hij weer. Twee dagen later aten we samen patat. Ze was me niet kwijtgeraakt omdat ik een middag niet kon.
Met Bram liep ik nog steeds langs de Eem. Soms sloeg hij over. Dan vroeg ik of hij contact wilde of rust. Ik ging niet zelf invullen wat zijn stilte betekende. Dat probeerde ik tenminste.
In de trein naar Utrecht zat ik aan het gangpad. Bij het sluiten van de deuren trok mijn borst strak. Ik dacht even aan uitstappen. De deuren waren al dicht.
Ik bleef zitten.
Buiten schoven de gebouwen voorbij. Mijn spanning zakte niet meteen. Ik hoefde er geen overwinning van te maken. Ik pakte mijn telefoon en keek naar de foto die Eva had gestuurd. Mijn nichtje had haar voortand verloren. Op de foto wees ze trots naar het gat.
Ik stuurde terug dat ze nu extra gevaarlijk kon fluiten.
Bij Utrecht Centraal stond Noor onder het grote bord.
‘Hoe was de reis?’ vroeg ze.
‘Spannend.’
‘Wil je eerst ergens zitten?’
‘Nee. Lopen is goed.’
Die avond kwam ik thuis met pijnlijke voeten en een ansichtkaart uit het museum. In de gang lag een blauwe envelop. Mijn keuken was rommelig. Ik moest nog eten maken. Niets daarvan voelde als een teken dat alles weer misging.
Ik maakte een omelet. Daarna legde ik de spullen klaar voor de volgende ochtend. Broodtrommel. Sleutels. Het doosje met mijn naam erop.
Ik had nog steeds liever gehad dat ik dit allemaal niet nodig had gehad.
Maar ik keek niet meer weg van mijn naam.
Ik deed het licht in de keuken uit en ging naar boven. Morgen moest ik om tien uur beginnen. Als ik goed sliep, ging ik op de fiets. Als ik slecht sliep, zou ik dat niet verzwijgen.
Voor die avond was er niets meer op te lossen.