Ziekte en gezondheid
De pijn die niemand ziet
Bevat beschrijvingen van ziekte en behandeling.
Hoofdstuk 1
De steek in de kelder
Mijn naam is Marco Visser. Ik ben eenenveertig jaar oud en ik woon in Deventer, in een tussenwoning met een kleine tuin. Tot twee jaar geleden was ik servicemonteur. Ik werkte bij een bedrijf dat grote industriële koelinstallaties onderhoudt in distributiecentra en supermarkten. Mijn werk was fysiek en zwaar. Ik sjouwde met compressoren van zestig kilo, klom op wankele trappen en lag urenlang op koude betonvloeren met steeksleutels in mijn knuisten. Ik hield van dat werk. Ik had eelt op mijn handen, een rug van beton en ik was nooit ziek. Als iemand vroeg hoe het ging, zei ik altijd hetzelfde: 'Niet zeuren, gewoon doordouwen.'
Het begon op een dinsdagochtend in november. Het motregende en de lucht was grijs. Ik stond in de kelder van een grote supermarkt in Apeldoorn. Een oude koelinstallatie lekte freon. De ruimte rook naar olie, nat beton en roest. Ik tilde een zware stalen afdekplaat op om bij de hoofdkraan te kunnen. Geen bijzondere beweging. Ik had dat duizend keer gedaan. Mijn rug was recht, mijn knieën gebogen, precies zoals ze het op de veiligheidscursus leren.
Toen knapte er iets.
Het was geen kramp. Het was geen gewone spierpijn. Het voelde alsof iemand een roestige spijker onderin mijn wervelkolom sloeg, precies ter hoogte van mijn broekriem. De schok trok in een fractie van een seconde door naar mijn rechterheup, langs de achterkant van mijn dij, tot diep in mijn kuit. Ik liet de plaat vallen. Het staal kletterde met een doffe klap op het beton. Het geluid echode tegen de muren.
Ik zakte door mijn knieën. Mijn handen zochten steun tegen een vochtige bakstenen muur. De kou van de stenen trok door mijn werkhandschoenen, maar vanbinnen stond ik in brand.
'Even ademhalen, Visser,' zei ik hardop tegen mezelf. Mijn stem klonk raar en hees in de lege kelder. 'Gewoon even een verkeerde beweging. Even rekken.'
Ik bleef drie minuten op handen en knieën zitten op de vettige vloer. Mijn ademhaling ging snel en oppervlakkig. Elke keer als ik probeerde overeind te komen, schoot dezelfde vlam door mijn been. Het was alsof er prikkeldraad strak werd getrokken door mijn zenuwen. Uiteindelijk hees ik me omhoog aan een dikke koelleiding. Ik beet op mijn kiezen tot mijn kaken pijn deden. Ik werkte de klus niet af. Dat was me in vijftien jaar nog nooit overkomen. Ik ruimde mijn gereedschapskist half in, smeet de kist in de achterbak van mijn bus en reed naar huis. Onderweg moest ik mijn rechterbeen met mijn linkerhand optillen om het gaspedaal te bedienen. Het zweet liep over mijn rug.
Thuis lag Sanne op de bank een tijdschrift te lezen. Sanne is mijn vriendin, we zijn al twaalf jaar samen. Ze keek op toen ik binnenkwam. Ze zag meteen dat het mis was. Ik liep voorovergebogen, als een man van tachtig.
'Wat is er gebeurd?' vroeg ze. Ze legde haar tijdschrift weg en kwam overeind.
'Iets in mijn rug,' bromde ik. 'Verkeerd getild. Even rusten en een paar paracetamols, dan trekt het wel weg.'
Ik ging op bed liggen. Ik dacht echt dat het na een nacht slapen over zou zijn. Ik dacht aan een verrekte spier of een spitje. Mannen op de bouw hadden dat voortdurend. Een paar dagen rust, tijgerbalsem smeren en weer door. Maar toen de wekker de volgende ochtend om zes uur ging, kon ik mijn benen niet over de rand van het matras zwaaien. Mijn rechterbeen weigerde dienst. Het voelde zwaar, doof en tegelijkertijd gloeiend heet aan, alsof iemand kokend water over mijn huid had gegoten.
Sanne bracht me naar de huisarts. Ik moest leunen op haar schouder om de praktijk binnen te stromen. In de wachtkamer zaten moeders met snotterende peuters. Ik schaamde me kapot. Ik was Marco, de man die zonder morren machines van honderden kilo's versleepte. Nu kon ik niet eens rechtop zitten op een plastic stoel.
De huisarts liet me op de onderzoeksbank liggen. Hij tilde mijn been op. Bij dertig centimeter schreeuwde ik het uit. Een rauwe, ongecontroleerde kreet die door de gang van de praktijk galmde. De arts knikte bedachtzaam. 'Een acute hernia,' zei hij. 'Lumbaal. We schrijven rust voor, zware pijnstillers en een verwijzing voor fysiotherapie. Geef het zes weken. Bij tachtig procent van de mensen lost het lichaam dit zelf op.'
Zes weken, dacht ik. Dat overleef ik wel. Zes weken op de bank, een beetje televisie kijken, wat oefeningen doen en dan weer de bus in. Ik wist toen nog niet dat die zes weken het begin waren van een reis waar geen routekaart voor bestond.
Hoofdstuk 2
Schone foto's
Zes weken werden drie maanden. Drie maanden werden een halfjaar. De scherpe scheur onderin mijn rug veranderde langzaam, maar niet ten goede. De pijn zette zich vast. Het werd een constante, zoemende dreun in mijn onderrug, gecombineerd met vlijmscherpe steken in mijn kuit en voet. Het voelde alsof mijn rechterbeen permanent sliep, maar dan met speldenkussens die van binnenuit naar buiten prikten. Mijn tenen voelden aan als bevroren hout, terwijl mijn huid zo gevoelig werd dat de stof van een gewone spijkerbroek voelde als schuurpapier.
De fysiotherapeut gaf het na tien behandelingen op. 'Marco, elke keer als we mobiliseren, schiet je zenuw in de kramp,' zei hij terwijl hij zijn handen afdroogde aan een handdoek. 'Dit is niet goed. Je moet door de molen in het ziekenhuis.'
Ik kwam bij de neuroloog in het Deventer Ziekenhuis. Een keurige man met een randloze bril en een smetteloze witte jas. Hij liet me op mijn hielen lopen, wat mislukte omdat mijn rechtervoet domweg wegzakte. Hij tikte met een rubberen hamertje op mijn pezen en stuurde me door naar de MRI-scanner.
De scanner was een hel. Je moet twintig minuten doodstil liggen op een harde plank in een smalle buis die bonkt en ratelt als een op hol geslagen dieselmotor. Stilliggen op mijn rug was precies de houding waarin de pijn het hardst toesloeg. Ik kneep mijn ogen dicht en telde de seconden. Ik beet op de binnenkant van mijn wang tot ik bloed proefde, alleen om niet te bewegen.
Een week later zat ik weer tegenover de neuroloog. Sanne zat naast me en hield mijn hand vast. Haar vingers waren klam.
De arts keek naar zijn computerscherm. Hij klikte met zijn muis en draaide het scherm een kwartslag naar ons toe. Op het scherm zag ik grijze en witte vlakken: dwarsdoorsnedes van mijn ruggengraat.
'Kijk,' zei de neuroloog met een rustige stem. 'Hier zien we de tussenwervelschijven. L4, L5, S1. Er zit wel een heel klein bobbeltje, een lichte uitstulping bij L5-S1. Maar er is absoluut geen sprake van een zenuwbeknelling. Het wervelkanaal is wijd open. Er drukt niets op de wortel. De beelden zijn eigenlijk opvallend schoon voor een man van uw leeftijd die zwaar werk doet.'
Ik staarde naar het scherm. De woorden drongen niet meteen tot me door.
'Schoon?' vroeg ik. 'Wat bedoelt u met schoon?'
'Er is anatomisch geen verklaring voor de klachten die u omschrijft,' zei de arts. Hij vouwde zijn handen over elkaar op zijn bureau. 'De zenuw ligt vrij. Er is geen operatie-indicatie. Als ik hierin ga snijden, maak ik waarschijnlijk meer stuk dan heel.'
'Maar ik kan niet lopen,' zei ik. Mijn stem begon te trillen van frustratie. 'Ik slaap niet. Mijn been staat dag en nacht in de fik. Ik voel het toch?'
'Ik twijfel er niet aan dat u iets voelt, meneer Visser,' antwoordde hij diplomatiek. 'Maar we zien niets op de scan. Pijn is een complex signaal. Soms blijft het alarm afgaan terwijl de brand al geblust is. Ik kan u doorverwijzen naar de pijnpoli voor een injectie, maar chirurgisch kunnen we niets voor u doen.'
We liepen het ziekenhuis uit. De zon scheen fel op het parkeerdek. Het was een gewone woensdagmiddag. Mensen laadden boodschappentassen in hun kofferbakken, een fietser passeerde met een krat bier achterop. De wereld draaide gewoon door, en ik strompelde met een onzichtbare wond naar onze auto.
Dat was het moment dat de eenzaamheid begon. Als je je been breekt, krijg je wit gips. Mensen zien het. Ze houden de deur voor je open, ze vragen hoe het gaat, ze schrijven grappige teksten op het gips met een viltstift. Als je kanker hebt, zien mensen je bleke gezicht en de kringen onder je ogen. Ze schrikken, ze leven mee.
Maar ik zag er kerngezond uit. Ik had nog steeds brede schouders en een getraind lijf. Mijn haar zat goed. Mijn gezicht zag er normaal uit, afgezien van de vermoeidheid. Als ik de hond van de buren uitliet – een rondje van honderd meter waarbij ik me van lantaarnpaal naar lantaarnpaal sleepte – kwam ik bekenden tegen.
'Hé Marco!' riepen ze vrolijk over de heg. 'Wat zie je er goed uit, man! Goeie kleur op de wangen. Lekker vrij van je werk zeker?'
'Ja,' zei ik dan met een scheve glimlach die aanvoelde als een masker van klei. 'Heerlijk.'
Ik vertelde niemand dat die honderd meter lopen betekende dat ik daarna drie uur lang rillend van de pijn op bed moest liggen met een ijscompres tegen mijn bil. Niemand zag de stroomstoten. Niemand zag de wanhoop. Op papier was ik gezond. Mijn foto's waren schoon. En juist dat maakte me kapot. Ik begon aan mezelf te twijfelen. Was ik gek aan het worden? Was ik een aansteller? Beeldde ik het me in? De twijfel vrat me vanbinnen op, nog sneller dan de pijn zelf.
Hoofdstuk 3
De chemische mist
Toen de scans niets lieten zien, begon het grote experimenteren. Mijn huisarts wilde me helpen, dat geloof ik echt. Maar zijn enige gereedschap was een receptenblok.
Het begon met diclofenac en tramadol. Tramadol maakte me misselijk. Het voelde alsof mijn maag continu overhoop lag, en de pijn lachte erom. Het branden in mijn kuit bleef precies even hard aanwezig, alleen voelde ik me er nu kotsmisselijk bij.
Daarna kwam de zwaardere artillerie: oxycodon, gecombineerd met pregabaline voor de zenuwpijn, en amitriptyline voor de nacht.
Binnen twee weken veranderde mijn leven in een grauwe, chemische mist. Pregabaline deed iets vreemds met mijn hoofd. Mijn gedachten werden traag, alsof ik probeerde na te denken onder water. Woorden ontsnapten me. Ik zat aan de keukentafel tegenover Sanne en wilde vragen naar de boterhammen, maar ik kon het woord niet vinden. Ik wees naar het bord en stotterde. Mijn handen trilden lichtjes.
'Marco, neem je die pillen wel op tijd?' vroeg Sanne op een avond. Ze keek me bezorgd aan over de rand van haar theeglas.
'Ik neem precies wat er op het doosje staat,' zei ik kortaf. Mijn tong voelde dik aan in mijn mond.
'Je bent er niet meer bij,' zei ze zacht. Er klonk geen boosheid in haar stem, alleen een diepe, verslagen vermoeidheid. 'Je kijkt dwars door me heen. Je praat nauwelijks. Je zit alleen maar in die stoel voor je uit te staren.'
Ze had gelijk. De medicijnen namen de pijn niet weg; ze legden er een natte deken overheen. De vlammen doofden niet, maar de randen werden vager. In ruil daarvoor leverde ik mezelf in. Ik kon niet meer autorijden. Ik kon geen boek lezen, want na twee regels was ik kwijt wat er stond. Mijn darmen vielen stil door de oxycodon; ik had dagenlang buikkrampen die bijna net zo erg waren als de pijn in mijn rug.
Op mijn werk ging het mis. Mijn leidinggevende, Henk, belde me elke maandag om negen uur. In het begin was hij meelevend. 'Neem de tijd, Marco. Rust goed uit.' Na vier maanden werd zijn toon zakelijker. 'We moeten door met de planning, Marco. De arbo-arts vraagt wanneer je weer boventallig kunt beginnen. Een paar uurtjes koffiezetten op de werkplaats, gewoon voor het ritme.'
Ik probeerde het. Sanne zette me af bij het bedrijfspand op het industrieterrein. De geur van het magazijn – karton, houtpellets en machineolie – sneed door mijn ziel. Dat was mijn domein geweest. Nu liep ik schuifelend over de drempel, met een wandelstok die ik stiekem bij de thuiszorgwinkel had gehaald.
De jongens uit de werkplaats kwamen naar me toe. Jonge gasten die ik zelf had ingewerkt. Ze keken me ongemakkelijk aan. Ze wisten niet waar ze moesten kijken. Niet naar mijn stok, niet naar mijn stijve been.
'Hé chef,' zei Dave, een gozer van vierentwintig. 'Alles goed?'
'Gaat wel,' loog ik.
'Mooi klote man,' zei hij, en hij trapte tegen een lege europallet. 'Hopelijk ben je snel weer de oude. We missen je op de bus.'
Na anderhalf uur aan een bureau zitten, schoot er zo'n hevige kramp in mijn bilspier dat ik kokhalzend van de pijn naar de wc moest strompelen. Ik sloot mezelf op in het mindervalidentoilet, ging op de koude vloer liggen met mijn benen opgetrokken tegen de deur en huilde geruisloos. Mijn telefoon trilde in mijn zak. Een herinnering van de arbo-arts over re-integratiedoelen.
Ik besefte daar, op die openbare wc-vloer tussen de geur van bleekmiddel en toiletzeep, dat mijn oude lichaam dood was. Het lichaam dat kon tillen, rennen, klussen en neuken bestond niet meer. Er was een krakkemikkelig omhulsel voor in de plaats gekomen dat alleen nog maar pijn kon produceren. Ik slikte die middag twee extra oxycodons om de rit naar huis te overleven. De mist in mijn hoofd werd dikker, zwarter en kouder. Ik werd een toeschouwer in mijn eigen bestaan.
Hoofdstuk 4
Het zwarte gat
Het dieptepunt kwam in maart, op een donderdagnacht rond drie uur. Buiten woei een gure voorjaarsstorm. De regen kletterde tegen het slaapkamerraam.
Ik werd wakker door een pijnaanval die anders was dan alle vorige. Het was geen zeurende branderigheid, maar een explosie. Het voelde alsof mijn rechterbeen klem zat in een zware bankschroef die met elke hartslag een slag strakker werd aangedraaid. De pijn straalde uit naar mijn onderbuik en mijn lies. Ik kon niet liggen. Ik kon niet zitten. Ik kon niet staan.
Ik probeerde zachtjes uit bed te stappen om Sanne niet wakker te maken. Ze sliep eindelijk, na weken van halve nachten waarin ik lag te woelen en te kreunen. Maar toen mijn voet de vloerbedekking raakte, gaf mijn knie mee. Ik viel met een doffe klap op de grond.
Sanne schrok wakker. 'Marco? Waar ben je?'
'Blijf liggen,' gromde ik vanuit het donker. 'Niks aan de hand.'
Ik kroop op mijn ellebogen over de overloop naar de badkamer. Ik trok de deur achter me dicht en deed het felle tl-licht aan. Het witte licht sneed in mijn ogen. Ik hees mezelf omhoog aan de wastafel en keek in de spiegel.
De man die terugkeek was een vreemde. Mijn wangen waren ingevallen. Mijn ogen lagen diep in hun kassen, omringd door donkere, paarse kringen. Mijn baard was ongelijk gegroeid. Mijn schouders, ooit breed en recht, hingen naar voren. Ik zag eruit als een spook. Een hoopje ellende van eenenveertig jaar oud.
Ik trok het badkamerkastje open. Daar stonden de doosjes. Witte doosjes, zilveren doordrukstrips. Oxycodon, diazepam, pregabaline, zware paracetamols met codeïne. Een hele apotheek. Genoeg chemische troep om een volwassen paard te laten slapen.
Mijn hand reikte naar de doosjes. Mijn vingers trilden zo erg dat het karton ritselde.
'Als ik dit allemaal inneem,' fluisterde ik tegen de beslagen spiegel, 'is het stil. Gewoon stil.'
Het was geen dramatische gedachte. Het was geen schreeuw om aandacht. Het was pure, ijskoude logica. Ik was op. Mijn reserves waren leeg. Ik kostte Sanne haar jeugd, haar levensvreugde. Ik kostte mijn baas geld. Ik kostte de maatschappij uitkeringen. En het ergste was: er was geen uitzicht op verbetering. De artsen zagen niks. Er was geen tumor om weg te snijden, geen breuk om te spalken. Er was alleen maar dit: eindeloze, zinloze marteling.
Ik drukte drie pillen uit de strip. Toen nog drie. Ze lagen op mijn handpalm. Witte, ronde schijfjes. De uitweg.
Toen ging de deurklink naar beneden. Sanne duwde de deur open. Ze droeg haar oude grijze ochtendjas. Ze keek naar mij, naar mijn hand, naar de open kast.
Ze begon niet te schreeuwen. Ze raakte niet in paniek. Ze werd alleen maar doodsbleek. Ze deed twee stappen naar voren, pakte mijn hand en sloot haar vingers om de mijne. Heel langzaam trok ze mijn hand naar beneden.
'Niet doen, Marco,' zei ze. Haar stem brak op mijn naam. 'Alsjeblieft. Niet zo.'
'Ik kan niet meer, San,' huilde ik. De tranen kwamen zomaar, zonder waarschuwing. Grote, hete tranen die over mijn wangen lekten en op de koude badkamertegels vielen. Ik zakte door mijn benen. Sanne ging met me mee naar beneden. We zaten daar op de vloer, naast de toiletpot, in het kille tl-licht. Ik met mijn hoofd tegen haar borst gedrukt, zij met haar armen strak om mijn nek.
'Ik ben op,' snikte ik. 'Ik ben gewoon helemaal leeg.'
'Ik weet het,' fluisterde ze in mijn haar. 'Ik weet het, lieverd. Maar we gaan dit niet zo oplossen. Morgen gaan we opnieuw beginnen. We bellen een ander ziekenhuis. Een gespecialiseerde kliniek. We geven niet op. Maar jij moet me beloven dat je blijft.'
Ik keek naar de witte pillen die over de vloer waren gerold. Ze zagen er opeens niet meer uit als een uitweg, maar als vergif. Ik knikte, met mijn gezicht tegen haar ochtendjas gedrukt. 'Ik beloof het,' zei ik. Het was de moeilijkste belofte die ik ooit had gedaan.
Hoofdstuk 5
De pijnpoli
Drie weken na die nacht zat ik in de wachtruimte van het Pijncentrum in Zwolle. Geen gewone ziekenhuisafdeling, maar een plek waar alleen mensen kwamen die overal elders waren weggestuurd. De wachtkamer was een stille parade van chronische ellende. Mensen in rolstoelen, mensen met kussentjes onder hun stuitje, mensen die om de twee minuten moesten opstaan omdat zitten niet lukte. Niemand keek elkaar aan. Iedereen kende elkaars verhaal zonder een woord te wisselen.
Mijn afspraak was bij dokter Meijer, een anesthesioloog en pijnspecialist. Ze was een vrouw van een jaar of vijftig met kort grijs haar en een no-nonsense uitstraling. Ze droeg geen witte jas, maar een gewone blauwe blouse.
Ze las mijn dikke dossier niet diagonaal door; ze zat er twintig minuten lang zwijgend in te bladeren terwijl Sanne en ik toekeken. Daarna legde ze het dossier op haar bureau, keek me recht in de ogen en zei: 'Meneer Visser, ik ga u niet vertellen dat het tussen uw oren zit.'
Die simpele zin zorgde ervoor dat de brok in mijn keel meteen terugkwam.
'U heeft chronische neuropathische pijn,' legde ze uit, terwijl ze een tekening maakte op een kladblok. 'Uw oorspronkelijke letsel – waarschijnlijk toch een kleine zenuwbeschadiging tijdens dat tilincident – is misschien genezen. Maar uw zenuwstelsel is ontregeld geraakt. Zie het als een inbraakalarm waarvan de sensor kapot is. Er breekt niemand meer in, maar het alarm loeit dag en nacht op vol volume. Uw brein interpreteert elk signaal uit dat been nu als gevaar, als brand.'
'Kunt u het uitzetten?' vroeg ik hees.
Dokter Meijer schudde haar hoofd. Eerlijk. Zonder doekjes eromheen te winden. 'Nee. Ik kan het niet uitzetten. We hebben geen toverknop. En iedereen die u belooft dat u binnen drie maanden weer zware compressoren tilt, liegt tegen u.'
Het was een klap in mijn gezicht, maar tegelijkertijd voelde het als de eerste echte waarheid die ik in een jaar tijd hoorde. Geen vage hoop, geen loze beloftes.
'Wat we wel kunnen doen,' ging ze verder, 'is het volume van het alarm omlaag draaien. Van stand tien naar misschien stand zes of vijf. Dat doen we met een combinatie: gerichte zenuwbehandelingen, het afbouwen van die waardeloze opiaten die u nu slikt, en een revalidatietraject waarin u leert bewegen zonder angst.'
Twee weken later lag ik op een behandeltafel op de operatiekamer voor een proefblokkade. Mijn broek omlaag, mijn buik op een kussen. De geur van jodium vulde de kamer. Boven me hing een groot röntgenapparaat waarmee de arts de naald kon zien.
'U voelt nu een prikje,' zei dokter Meijer achter me.
De naald ging naar binnen. Diep in mijn onderrug, vlak bij de wortel van L5. Toen ze de vloeistof inspoot – een mengsel van verdoving en ontstekingsremmer – schoot er een felle, bekende schok door mijn kuit. Ik klemde mijn kaken op elkaar.
'En nu rustig blijven liggen,' zei de verpleegkundige die naast mijn hoofd stond en mijn hand vasthield.
Na twintig minuten mocht ik overeind komen. Ik zette mijn voeten op de linoleumvloer van de uitslaapkamer. Ik stond op.
Het was bizar. Het branden was niet weg, maar de scherpe spijker onderin mijn rug voelde botter. Alsof iemand de stroomsterkte met dertig procent had verlaagd. Ik kon mijn voet neerzetten zonder dat mijn knie direct knikte. Ik liep vijf stappen door de kamer. Gewone stappen. Hiel, teen, hiel, teen.
Ik keek naar Sanne, die op een stoel in de hoek zat. Ze sloeg haar hand voor haar mond.
'Het werkt een beetje,' fluisterde ik.
'Het is een tijdelijke verdoving, Marco,' waarschuwde dokter Meijer, die net binnenkwam met haar klembord. 'Dit houdt misschien een paar weken aan, misschien een paar maanden. Dit is geen genezing. Dit is een venster. Een klein raampje waarin de pijn minder schreeuwt, zodat we kunnen beginnen met bouwen. De echte arbeid begint nu pas. En die moet u zelf leveren.'
Ik knikte vastberaden. Voor het eerst in veertien maanden voelde ik geen wanhoop, maar strijdlust. Al was het maar een kier; er was een raampje opengezet.
Hoofdstuk 6
Het hek van tien meter
Het bouwen bleek zwaarder dan het sjouwen met koelmachines ooit was geweest.
De eerste stap was het afkicken van de oxycodon. Dokter Meijer was onverbiddelijk: die pillen losten niets op en maakten mijn zenuwstelsel op de lange termijn alleen maar gevoeliger voor pijn. Het afbouwschema duurde zes weken. Zes weken van pure hel. Ik zweette liters, rilde van de kou terwijl de verwarming op drieëntwintig graden stond, en mijn benen waren zo onrustig dat ik nachtenlang over de vloerbedekking van de woonkamer ijsbeerde. Mijn darmen protesteerden luidruchtig. De mist in mijn hoofd trok langzaam op, maar wat eronder vandaan kwam was rauw, ongefilterd en pijnlijk.
Toen begon de revalidatie bij een gespecialiseerd centrum in Enschede. Geen passieve massages of warme modderbaden meer. Het programma heette graded activity: leren bewegen op tijd, niet op geleide van pijn.
Mijn fysiotherapeut daar heette Karin. Een pezige vrouw met een stopwatch om haar nek en ogen die overal doorheen prikten.
Op de eerste dag zette ze me neer voor de uitgang van het centrum. Er lag een grindpad dat naar een groen hek liep. Afstand: precies tien meter.
'Loop naar het hek en terug,' zei Karin.
Ik keek naar het grind. Mijn rechterbeen protesteerde al bij het idee. 'Dat gaat steken,' zei ik nukkig.
'Dat weet ik,' zei Karin rustig. 'En toch loop je. Niet snel. Gewoon tien meter. Je brein moet leren dat bewegen niet betekent dat je weefsel kapotgaat. Pijn is een vals alarmsignaal. We gaan het alarm negeren.'
Ik zette mijn tanden op elkaar en liep. Stap voor stap. Het grind knarste onder mijn zolen. Halverwege schoot de vlam door mijn kuit. Mijn hele lijf schreeuwde: stop! Ga liggen! Trek je been op! Maar ik dwong mezelf door te lopen. Ik raakte het groene hek aan met mijn vingertoppen, draaide me om en liep terug.
Toen ik weer bij Karin stond, hijgde ik alsof ik een marathon had gelopen. Mijn hart bonkte in mijn keel.
'Goed,' zei ze, en ze noteerde iets op haar klembord. 'Morgen doen we twaalf meter.'
Zo ging het. Millimeter voor millimeter heroverde ik terrein op mijn eigen lichaam. Twaalf meter werd twintig meter. Twintig meter werd een rondje om het gebouw. Als de pijn oplaaide tot stand negen, mocht ik niet meer in paniek naar bed vluchten. Ik moest leren ademhalen. Buikademhaling, vier seconden in, zes seconden uit. Mijn spieren bewust ontspannen in plaats van ze krampachtig aan te spannen rond de pijn.
Het was een gevecht tegen mijn eigen overlevingsmechanisme. Alles in een mens is erop gebouwd om pijn te vermijden. Pijn betekent: trek je hand van de hete kachel. Maar bij chronische zenuwpijn is de kachel al lang koud, alleen de zenuw blijft 'heet!' schreeuwen. Ik moest leren op die hete kachel te leunen zonder weg te trekken.
Er waren dagen dat ik huilend op de hometrainer zat. Dagen dat ik Karin vervloekte, dat ik Sanne afsnauwde als ze vroeg hoe het ging. Maar na drie maanden merkte ik het eerste echte verschil.
Het was een zaterdagochtend in juni. Sanne was naar de markt. Ik stond in de keuken en keek naar de vuilniszak. Die zat vol. Vroeger pakte ik die zak zonder na te denken met één hand op. De afgelopen anderhalf jaar had Sanne hem altijd naar de container gedragen.
Ik boog door mijn knieën. Rechtte mijn rug. Pakte de zak met twee handen vast. Ik tilde hem op.
De steek kwam. Natuurlijk kwam hij. Maar hij vloerde me niet. Ik viel niet om. Ik liep naar de achterdeur, stapte de tuin in, liep de twintig meter over de terrastegels naar de grijze kliko, gooide de deksel open en liet de zak erin vallen.
Ik bleef bij de container staan. Mijn been brandde, maar mijn hoofd was helder. Ik had een vuilniszak weggebracht. Voor een buitenstaander stelt het niets voor. Voor mij voelde het alsof ik de Mount Everest had beklommen. Ik had het zelf gedaan. Zonder pillen, zonder hulp. Mijn lichaam was niet kapot; het was alleen zwaar gehavend. En we leefden nog.
Hoofdstuk 7
Wat overblijft
Twee jaar na die dinsdagochtend in de kelder in Apeldoorn zit ik aan een bureau in plaats van onder een koelcompressor.
Ik ben niet meer de servicemonteur die ik was. Mijn oude baan ben ik kwijtgeraakt; na twee jaar ziekte werd mijn contract ontbonden. Dat deed pijn. Mijn bus inleveren, mijn gereedschapskist leegmaken – het voelde alsof ik een deel van mijn identiteit bij het grofvuil zette. Maar mijn werkgever bood me een kans: twintig uur per week op de binnendienst, als werkvoorbereider en technisch planner.
Ik verdien minder. Ik zit achter twee beeldschermen en stuur nu de jonge gasten aan die vroeger mijn collega's waren. Ik plan hun routes, bestel de onderdelen en leg ze via de telefoon uit hoe ze een lastige storing kunnen oplossen. Mijn kennis van die machines zit nog steeds in mijn hoofd. Die is niet verdwenen door een kapotte zenuw.
Is de pijn weg?
Nee. Geen seconde.
Terwijl ik dit opschrijf, voel ik mijn rechterbeen. Het brandt. Alsof er een hete doek strak om mijn kuit is gewikkeld. Onderin mijn rug zit een stijve, zeurende plek die nooit helemaal verdwijnt. Als het koud en vochtig weer is, zoals vandaag, is het erger. Als ik te lang stilzit, gaat mijn voet tintelen. Als ik te veel loop, protesteert mijn heup.
Maar er is iets wezenlijks veranderd: de pijn regeert niet meer.
Ik zie het nu als een oude, ronkende koelkast die in de hoek van de kamer staat. In het begin maakte die koelkast zoveel herrie dat ik geen gesprek kon voeren, niet kon slapen, gek werd van de herrie. Nu bromt hij nog steeds op de achtergrond. Hij staat nooit uit. Maar ik heb geleerd de radio harder te zetten. Ik heb geleerd een gesprek te voeren terwijl dat kreng staat te zoemen.
Mijn leven is kleiner geworden, maar ook echter. Ik ga niet meer op stap tot vier uur 's nachts met een krat bier. Als we een verjaardag hebben, blijf ik twee uur en dan gaan we naar huis. Ik doseer mijn energie zorgvuldig, als een zuinige automobilist die naar zijn benzinemeter kijkt. Ik wandel elke ochtend een halfuur, weer of geen weer. Niet om fit te worden, maar om de zenuwen bezig te houden.
Sanne en ik hebben het overleefd. Dat is geen vanzelfsprekendheid; de helft van de stellen in de revalidatiegroep lag na een jaar uit elkaar. Pijn maakt je egoïstisch, prikkelbaar en onuitstaanbaar. Maar we hebben opnieuw leren praten. Eerlijk praten. Als ik een slechte dag heb, zeg ik niet meer: 'Niks aan de hand.' Ik zeg: 'Schat, het is vandaag een standje zeven. Ik kook niet, ik ga om acht uur liggen.' En zij begrijpt het.
Vorige week kwam ik Dave weer tegen bij de supermarkt. Hij laadde net zijn werkbus in met nieuwe koperen leidingen. Hij zag me lopen – nog steeds met een lichte hapering in mijn rechterpas, maar zonder stok, rechtop.
'Hé Marco!' riep hij. Hij veegde zijn handen af aan zijn werkbroek. 'Je loopt weer goed man! Helemaal genezen?'
Ik keek naar zijn bus, naar het gereedschap dat ik ooit met mijn ogen dicht kon hanteren. Even voelde ik die oude steek van jaloezie en gemis in mijn maag.
Toen glimlachte ik naar hem. Een echte glimlach deze keer, geen masker.
'Nee, Dave,' zei ik rustig. 'Niet genezen. Maar ik kan er verdomme goed mee lopen.'
Hij begreep er natuurlijk niks van. Hij knikte wat ongemakkelijk en wenste me een fijne dag. Ik liep door naar mijn auto. Mijn rug zeurde, mijn kuit gloeide. Ik stapte in, startte de motor en zette de radio aan. Het was goed zo. Ik leefde weer.