Naar de inhoud
Terug naar het boek

Ziekte en gezondheid

De migraine die mijn agenda bepaalt

Bevat beschrijvingen van ziekte en behandeling.

Hoofdstuk 1

De lege stoel

Om kwart over twee verdwijnt het gezicht van mijn dochter.

Niet helemaal. Haar linkeroog blijft zichtbaar. Haar mond ook. Maar daartussen zit een vlek, alsof iemand met een natte duim over een foto heeft geveegd. Ik knipper. Het helpt niet.

‘Mama, je kijkt gek.’

Noor staat voor me in de gang. Ze draagt een zwarte broek en een witte blouse. Over drie kwartier begint haar eerste solo met het schoolkoor. Ze heeft weken geoefend. Zelfs tijdens het tandenpoetsen hoorde ik de melodie door de badkamerdeur.

‘Er zit iets in mijn oog,’ zeg ik.

Het is een leugen. Ik herken die vlek.

Ik heet Marit van Dijk. Ik ben negenendertig, woon in Amersfoort en werk als projectplanner bij een installatiebedrijf in Nijkerk. Ik plan monteurs, hoogwerkers en opleveringen. Ik weet welke bestelbus donderdag naar Zwolle moet. Alleen over mijn eigen donderdag kan ik niets met zekerheid zeggen.

Aan de rand van de vlek verschijnen scherpe lichtjes.

Mijn man Joris komt de trap af. Hij ziet mijn gezicht en blijft halverwege staan.

‘Nu?’

Ik knik.

Noor kijkt van hem naar mij. Haar schouders zakken. Dat doet meer pijn dan mijn hoofd, dat nog nauwelijks pijn doet.

‘Je kunt toch achterin zitten?’ vraagt ze. ‘Bij de deur?’

‘Misschien.’

Joris schudt zijn hoofd. Niet streng. Wel beslist.

‘Marit.’

Ik trek mijn jas aan. Mijn rechterhand vindt het armsgat niet meteen. Buiten staat onze auto klaar. Er ligt een bos gele tulpen op de achterbank, voor na het optreden. Ik heb ze vanochtend gekocht. Toen voelde ik me goed. Toen dacht ik dat het deze keer zou lukken.

Bij de voordeur komt de misselijkheid.

Ik buig voorover en slik. Mijn mond loopt vol speeksel. Noor doet een stap achteruit. Ze kent dit ook. Een kind van tien hoort niet te weten waar de emmer staat die haar moeder het prettigst vindt.

‘Ga maar,’ zeg ik.

‘Je zei dat je zou komen.’

‘Ik weet het.’

‘Je belooft het altijd.’

Joris legt een hand op haar schouder. Ze trekt zich los. Daarna pakt ze zelf de bloemen van de achterbank.

Ik blijf in de deuropening staan tot ze de straat uit zijn. Het zonlicht op een geparkeerde bestelbus snijdt door mijn ogen. Binnen neem ik de medicatie die mijn huisarts heeft voorgeschreven. Ik noteer het tijdstip op mijn telefoon. Daarna leg ik hem met het scherm naar beneden.

Boven trek ik de gordijnen dicht.

De pijn begint rechts, achter mijn oog. Binnen een halfuur klopt mijn hele slaap mee met mijn hartslag. Als ik mijn hoofd optil, wordt de druk erger. Ik lig op mijn zij. De emmer staat naast het bed. Vanuit een tuin hoor ik een hogedrukspuit.

Ik zou kunnen huilen. Maar ik weet dat snikken mijn hoofd laat bonzen.

Om vier uur trilt mijn telefoon. Een filmpje van Joris. Ik durf niet te kijken. Het scherm is te fel. Het geluid zal te hard zijn. Ik leg mijn hand op de telefoon tot hij stil is.

Een uur later hoor ik de voordeur.

Noor komt niet boven.

Joris zet een glas water neer. Hij ruikt naar koffie en de koude lucht buiten.

‘Ze deed het goed,’ fluistert hij.

‘Heeft ze naar mijn stoel gekeken?’

Hij antwoordt niet meteen.

Dat is genoeg.

Tegen acht uur kan ik een beschuit eten. Noor zit beneden op de bank, nog in haar witte blouse. De tulpen staan scheef in een vaas. Ik ga naast haar zitten, met een kussen tegen mijn buik.

‘Het spijt me,’ zeg ik.

Ze trekt aan een los draadje van haar mouw.

‘Papa heeft gefilmd.’

‘Ik ga kijken. Echt.’

‘Hoeft niet nu.’

Haar stem klinkt vlak. Geen boosheid meer. Dat vind ik erger.

Die avond open ik mijn agenda. Drie afgezegde afspraken deze maand. Een verjaardag. Een overleg. Haar optreden. Daarnaast staan dagen waarop ik wel ging, maar achteraf nauwelijks weet wat er gebeurde.

Ik pak een schrift uit de keukenla. Op de eerste bladzijde schrijf ik de datum, de duur en mijn medicijnen. Dan schrijf ik: Noor gemist.

Ik staar naar die twee woorden.

De volgende ochtend bel ik de huisarts. Niet tussen twee werktelefoontjes door. Niet met de mededeling dat het eigenlijk wel gaat.

‘Ik wil een dubbele afspraak,’ zeg ik. ‘Ik red het zo niet meer.’

Hoofdstuk 2

De telling

Huisarts De Vries schuift haar toetsenbord opzij. Dat kleine gebaar maakt me zenuwachtig. Nu moet ik praten zonder dat haar getik de stiltes opvult.

‘Hoe vaak heb je hoofdpijn?’ vraagt ze.

‘Een paar keer per maand migraine.’

‘En hoofdpijn die je geen migraine noemt?’

Ik kijk naar mijn schrift. Tussen de aanvallen staan losse woorden. Druk. Nek. Wazig. Paracetamol. Vroeg naar bed.

‘Vaker,’ zeg ik.

We tellen samen. In de afgelopen vier weken kom ik op zeventien dagen met hoofdpijn. Niet zeventien dagen in een donkere kamer. Soms werkte ik gewoon. Soms kookte ik, haalde Noor op en hing de was op. Maar de pijn was er wel.

‘Dat had ik niet zo gezien,’ zeg ik.

‘Daarom vraag ik het.’

Ze vraagt naar de lichtvlekken. Hoe ze beginnen. Hoe lang ze duren. Of ik ooit krachtsverlies heb. Of de klachten veranderd zijn. Daarna onderzoekt ze me. Mijn bloeddruk. Mijn ogen. Mijn kracht en evenwicht.

Ik vertel over het optreden. Halverwege breekt mijn stem.

‘Het gaat niet alleen om pijn,’ zeg ik. ‘Ik ben voortdurend aan het rekenen. Kan ik zaterdag naar mijn moeder? Mag ik vrijdag moe zijn? Wat als het in de auto begint?’

De Vries knikt.

‘En hoeveel dagen gebruik je medicijnen tegen hoofdpijn?’

Ik voel mijn rug verstijven.

‘Niet te veel.’

‘Dat bedoel ik niet als verwijt.’

We tellen opnieuw. Sommige dagen nam ik iets voordat de pijn echt begon. Uit angst voor een vergadering. Of omdat ik dacht dat een lichte hoofdpijn anders zeker een aanval zou worden.

Ze legt uit dat vaak gebruik van aanvalsmedicatie hoofdpijn kan onderhouden. Dat risico verschilt per middel. We maken een overzicht. Ze wil dat ik niets op eigen houtje drastisch verander.

‘Je hoeft dit niet alleen uit te zoeken,’ zegt ze.

Ik krijg een verwijzing naar de neuroloog en een duidelijker plan voor mijn aanvallen. Ook schrijft ze op bij welke nieuwe of plotselinge klachten ik direct hulp moet zoeken. Ik stop het papier in mijn tas, naast een verfrommeld boodschappenlijstje.

Buiten bel ik Joris.

‘Zeventien dagen,’ zeg ik.

‘Deze maand?’

‘Ja.’

Hij is even stil.

‘Dat klinkt helaas wel bekend.’

Ik word boos. Niet omdat hij ongelijk heeft.

‘Waarom heb je dan niets gezegd?’

‘Ik heb het gezegd, Marit. Jij zei steeds dat het druk was.’

Aan de overkant van de straat tilt een bezorger een doos uit zijn bus. Ik kijk naar zijn gewone bewegingen. Bukken, tillen, lopen. Ik ben ineens jaloers op iemand van wie ik niets weet.

Op kantoor wacht een andere telling. Mijn teamleider, Erik, heeft mijn verzuim erbij gepakt.

‘We moeten kunnen bouwen op de planning,’ zegt hij.

Zijn deur staat open. Op de gang lacht iemand. Ik wil opstaan en vertrekken.

‘Dat weet ik.’

‘Vorige week stond Frank voor een dichte bouwplaats in Utrecht.’

Dat was mijn fout. Ik had een gewijzigde toegangstijd niet doorgestuurd. De ochtend ervoor had ik overgegeven. Daarna was ik toch ingelogd, omdat thuisblijven me zwak leek.

‘Ik had me ziek moeten melden,’ zeg ik.

Erik leunt achterover.

‘Dus je kon eigenlijk niet werken?’

‘Nee.’

Het woord blijft tussen ons liggen.

Ik verwacht een waarschuwing. In plaats daarvan vraagt hij wat ik nodig heb. Ik weet het niet. Minder licht? Minder haast? Een ander hoofd?

‘Een gesprek met de bedrijfsarts,’ zeg ik uiteindelijk.

Hij schrijft het op.

Die avond zit ik met mijn schrift aan de keukentafel. Noor maakt een werkstuk over zeehonden. Ze knipt een foto uit en schuift de schaar naar me toe.

‘Moet je weer huiswerk van de dokter?’

‘Een beetje.’

‘Krijg je dan een cijfer?’

‘Hopelijk niet.’

Ze glimlacht. Voor het eerst sinds haar optreden voelt het even normaal.

Ik noteer slaap, hoofdpijn en medicatie. Na tien minuten wil ik ook koffie, kaas, regen en schermtijd toevoegen. Misschien kan ik de schuldige vinden. Misschien is er één fout die ik steeds maak.

Joris leest over mijn schouder.

‘Je kunt niet je hele dag in vakjes stoppen.’

‘Ik moet toch iets doen?’

‘Ja. Maar je hoeft jezelf niet te verhoren.’

Ik leg mijn pen neer. Het schrift moet informatie geven. Geen bewijs leveren dat ik deze ziekte zelf veroorzaak.

Dat onderscheid begrijp ik die avond. Me eraan houden blijkt een stuk moeilijker.

Hoofdstuk 3

De afrit

Zes weken later begint het op de A28.

Ik ben onderweg naar een bouwbespreking in Zwolle. Het is kwart over acht. Voor me rijdt een vrachtwagen met blauwe zeilen. Op de radio bespreekt iemand de huizenprijzen. Dan valt een deel van het kenteken voor me weg.

Mijn handen trekken strak om het stuur.

Niet hier.

Ik zet de radio uit. Rechts staat een bord voor een parkeerplaats. Ik kan de letters nog lezen. Ik ga rustig naar de rechterbaan en volg de afslag. Bij de eerste vrije plek zet ik de auto stil. Motor uit. Handrem. Sleutel op mijn schoot.

Pas dan begin ik te trillen.

Ik bel mijn collega Samira.

‘Ik sta langs de snelweg. Ik krijg een aanval.’

‘Ben je veilig geparkeerd?’

‘Ja.’

‘Blijf staan. Ik bel Erik. Waar ben je precies?’

Ik lees de locatie van mijn telefoon voor. De lichtvlek schuift door de letters. Het kost drie pogingen.

Samira praat rustig. Ze biedt aan me op te halen met een collega. Eén van hen kan mijn auto meenemen. Ik protesteer. Het is te ver. Ze hebben werk.

‘Jij ook,’ zegt ze. ‘Alleen nu even niet.’

Ik leg mijn stoel iets achterover. Naast me stopt een busje. Twee mannen stappen uit met bekers koffie. Een portier slaat dicht. Het geluid schiet door mijn hoofd.

Ik neem mijn voorgeschreven aanvalsmedicatie volgens het afgesproken plan. Daarna stuur ik Joris een bericht. Geen heel verhaal. Alleen waar ik sta en dat er hulp komt.

Hij belt meteen.

‘Moet ik komen?’

‘Samira komt.’

‘Goed dat je gestopt bent.’

Ik druk mijn hand tegen mijn ogen.

‘Ik had bijna doorgereden. Ik dacht: nog één afrit.’

‘Maar dat heb je niet gedaan.’

Wanneer Samira aankomt, zit ik met een plastic zak op mijn schoot. Ik heb nog niet overgegeven. Dat voelt op dat moment als een prestatie.

Ze opent mijn portier.

‘Geen uitleg nodig,’ zegt ze.

Ze draagt mijn tas naar haar auto. Haar collega Ben neemt mijn sleutels aan. Niemand zucht. Niemand kijkt op zijn horloge. Daardoor kan ik ineens niet meer stoppen met huilen.

Een week later zit ik tegenover neuroloog Bakker in het Meander Medisch Centrum. Mijn schrift ligt open tussen ons in. Hij vraagt uitgebreid naar het patroon, de aura en de invloed op mijn leven. Ik vertel over de parkeerplaats. Ook over de dagen erna, waarop mijn hoofd niet meer hard pijn deed maar ik nog traag en uitgeput was.

‘Alsof alles een seconde later binnenkomt,’ zeg ik.

Hij herkent de beschrijving.

Op basis van mijn verhaal en het onderzoek past het beeld bij migraine met aura. Mijn langdurige, hoge aantal hoofdpijndagen past inmiddels bij chronische migraine. Hij legt uit wat dat betekent. Niet dat elke dag hetzelfde is. Ook niet dat het altijd zo zal blijven.

‘Moet er geen scan komen?’ vraag ik.

‘Wat hoop je dat een scan ons vertelt?’

‘Dat er niets gevaarlijks zit. Of juist iets dat u kunt weghalen.’

Hij neemt de vraag serieus. Hij legt uit waarom er op dat moment geen aanwijzingen zijn die beeldvorming nodig maken. Ook bespreken we opnieuw welke afwijkende klachten wél direct beoordeeld moeten worden.

Daarna praten we over een preventieve behandeling. Over mogelijke bijwerkingen. Over hoe lang een middel de tijd moet krijgen voordat we kunnen beoordelen of het helpt.

‘Dus ik neem iets en wacht?’

‘We spreken een proefperiode en een evaluatie af. Wachten zonder plan gaan we niet doen.’

Dat stelt me meer gerust dan een belofte had gedaan.

Op de terugweg rijdt Joris. We stoppen bij een supermarkt. Ik blijf in de auto terwijl hij brood haalt. Voor de ingang staat een vrouw driftig naar haar fietsband te kijken. Ik zou graag alleen een lekke band hebben.

Thuis vraagt Noor of de dokter mijn hoofd kan maken.

‘Hij gaat helpen om minder aanvallen te krijgen,’ zeg ik.

‘Hoeveel minder?’

‘Dat weten we nog niet.’

Ze denkt na.

‘Kun je dan wel naar mijn verjaardag?’

Haar verjaardag is pas over twee maanden.

Ik wil meteen ja zeggen. Het woord ligt al klaar.

‘Ik wil er heel graag bij zijn,’ antwoord ik. ‘En we zorgen dat je feest doorgaat, ook als ik moet liggen.’

Ze kijkt teleurgesteld. Ik houd mijn mond. Deze keer probeer ik haar niet gerust te stellen met iets wat ik niet kan waarmaken.

Hoofdstuk 4

Alles afzeggen

Het eerste preventieve middel geeft me koude handen en een moeheid die ik niet ken. Niet de moeheid na een aanval. Deze zit er al wanneer ik wakker word.

Ik neem de trap alsof ik iets zwaars draag. In de supermarkt blijf ik voor het zuivelschap staan. Yoghurt of kwark. Ik kom er niet uit.

Na overleg wordt de behandeling aangepast. We kijken het een tijd aan. Er is geen duidelijke winst die de bijwerkingen voor mij goedmaakt. Samen met de behandelaar bouw ik het middel weer af.

Ik voel me mislukt.

‘Het middel past niet goed bij jou,’ zegt de verpleegkundige aan de telefoon.

‘Ja, dat begrijp ik.’

Maar ik begrijp het pas later. Op dat moment hoor ik vooral dat ook deze poging niet lukt.

Mijn vriendin Eline komt op een woensdag langs. Ze woont in Utrecht en heeft soep meegenomen in een pan met een deuk. Ze zet hem op het fornuis en begint zonder te vragen de vaatwasser uit te ruimen.

‘Laat maar,’ zeg ik.

‘Ik sta nu toch.’

Ik ga aan tafel zitten. Er ligt een uitnodiging voor haar veertigste verjaardag. Een restaurant aan de Oudegracht. Daarna dansen.

‘Ik denk dat ik niet kom,’ zeg ik.

Ze zet twee mokken neer.

‘Omdat je nu klachten hebt?’

‘Omdat ik ze dan kan krijgen.’

‘Dat kan toch iedere dag?’

Ik hoor kritiek, ook al zegt ze het zacht.

‘Precies.’

Eline gaat tegenover me zitten.

‘Je hebt de afgelopen drie keer afgezegd. Ik mis je.’

‘Denk je dat ik dit leuk vind?’

‘Nee. Dat zeg ik niet.’

‘Je zegt het wel alsof ik gewoon niet genoeg moeite doe.’

Ze zwijgt. Daarna schuift ze haar stoel naar achteren.

‘Ik heb je soep gebracht, Marit. Geen beoordeling.’

Ik kijk naar de deuk in de pan. Mijn ogen branden.

‘Sorry.’

Ze blijft. We eten soep zonder veel te praten. Als ze weggaat, zegt ze dat ik ook alleen voor het eten mag komen. Of voor een halfuur. Ze wil me zien, niet controleren hoelang ik het volhoud.

Toch zet ik die avond een streep door haar feest.

Daarna door een museumbezoek. En een zaterdag waarop ik met Noor naar Rotterdam zou gaan. Als ik niets afspreek, hoef ik niets af te zeggen. Dat lijkt een bruikbaar systeem.

Binnen twee weken bestaat mijn agenda uit werk, doktersafspraken en lege vakken.

Mijn hoofd wordt er niet betrouwbaar van.

Op een lege zondag krijg ik een zware aanval. Ik lig boven terwijl beneden een hele dag voorbijgaat. Niemand verwacht iets van me. Ik heb vroeg gegeten, genoeg gedronken en goed geslapen. Toch lig ik hier.

De volgende ochtend ben ik woedend. Ik sla een keukenkastje dicht. Een glas valt op de tegels.

Joris verschijnt in de deuropening.

‘Niet lopen. Je hebt blote voeten.’

Ik blijf tussen de scherven staan.

‘Ik doe alles goed,’ zeg ik.

Hij haalt de stoffer en blik. Dat maakt me nog bozer. Ik wil dat hij iets zegt waarmee dit ophoudt.

‘Ik doe alles goed,’ herhaal ik.

‘Ik weet het.’

We weten allebei dat het niet letterlijk waar is. Ik sla soms een maaltijd over. Ik werk soms te lang. Maar ik bedoel iets anders. Ik wil dat zorgvuldig leven genoeg is om mijn leven terug te krijgen.

Joris veegt het glas op.

‘Ik kan niet steeds raden wat je nodig hebt,’ zegt hij. ‘Soms wil je stilte. Soms ben je boos omdat ik niets vraag.’

Ik ga zitten.

‘Ik weet het zelf niet altijd.’

‘Zeg dat dan.’

Via de huisarts spreek ik later met de praktijkondersteuner. Niet omdat mijn migraine ingebeeld zou zijn. Wel omdat ik inmiddels bang ben voor iedere afspraak en ieder vreemd gevoel in mijn lichaam.

Ze vraagt wat ik doe op een goede dag.

‘Inhalen.’

‘Wat allemaal?’

Ik noem werk, wassen, koken, berichten beantwoorden, leuke moeder zijn.

‘En wanneer rust je?’

‘Als ik weer ziek ben.’

Ik hoor mezelf praten.

We maken geen schema dat migraine moet voorkomen. We zoeken naar een dag die ook draaglijk is als ik niet alles afkrijg. Minder inhalen. Eerder stoppen. Niet ieder leeg uur vullen met achterstallig leven.

Die avond stuur ik Eline een bericht. Of ik alsnog bij het eten mag aansluiten, als het die dag lukt.

Haar antwoord komt meteen.

Ik zet een stoel voor je neer.

Hoofdstuk 5

Nieuwe afspraken

De bedrijfsarts vraagt niet wanneer ik weer helemaal beter ben.

Ze vraagt welke taken ik kan doen zonder voortdurend over mijn grens te gaan. Ik heb een lijst meegenomen. Spoedtelefoontjes. Dagplanning. Lange bouwvergaderingen. Uren achter twee felle schermen. Achter bijna alles staat een vraagteken.

‘Er zijn ook dingen die goed gaan,’ zeg ik snel.

‘Daar ben ik benieuwd naar.’

Ik vertel dat ik nauwkeurig ben als ik ongestoord kan werken. Dat ik ingewikkelde projecten kan overzien. Dat collega’s me bellen omdat ik weet waar knelpunten zitten.

Het voelt ongemakkelijk om dat hardop te zeggen. Alsof ik solliciteer naar mijn eigen baan.

We bespreken tijdelijk aangepaste uren, vaste pauzes en minder spoedwerk. Ook een werkplek waar het licht regelbaar is. Geen wonderoplossingen. Wel omstandigheden waarin ik minder hoef te forceren.

Met Erik spreek ik daarna af dat Samira mijn planning kan overnemen zonder eerst mijn hele mailbox uit te pluizen. Daarvoor moeten mijn notities duidelijker. Niet alleen wanneer ik ziek ben. Altijd.

‘Dat is eigenlijk voor iedereen beter,’ zegt hij.

Ik knik. Toch schaam ik me als ik mijn stoel van het grote kantooreiland naar een rustige kamer rol.

Ben steekt zijn hoofd om de deur.

‘Eigen kantoor. Slim geregeld.’

Hij grijnst. Ik niet.

‘Ik heb liever jouw hoofd.’

Zijn grijns verdwijnt.

‘Sorry. Flauwe grap.’

‘Ja.’

Mijn hart bonst. Normaal zou ik lachen om hem op zijn gemak te stellen. Nu laat ik de stilte bestaan. Later brengt hij een bureaulamp waarvan ik de sterkte kan aanpassen. Hij zet hem neer zonder toespraak.

Thuis voeren we ook een overleg. Met limonade, omdat Noor anders weigert het een gezinsvergadering te noemen.

Joris legt een vel papier op tafel.

‘Wat doen we als mama migraine krijgt?’

‘Niet schreeuwen,’ zegt Noor.

‘Je mag gewoon leven,’ zeg ik meteen. ‘Je hoeft niet de hele middag op je tenen te lopen.’

We spreken af dat ik duidelijk zeg wanneer ik moet gaan liggen. Joris regelt dan het praktische deel, of we vragen mijn zus Sanne om hulp. Noor hoeft niet steeds boven te komen kijken. Ze hoeft me ook geen eten te brengen.

‘Mag het wel?’ vraagt ze.

‘Natuurlijk. Maar het is niet jouw taak.’

Daarna maakt ze zelf een regel: we vertellen het haar meteen als een plan verandert. Niet pas wanneer ze haar schoenen al aanheeft.

Die schrijven we bovenaan.

Bij de neuroloog bespreken we een volgende preventieve behandeling. Ik wil weten wat ik kan verwachten en wanneer ik moet bellen. We kiezen samen een optie. Opnieuw volgt een periode van rustig beoordelen. Mijn schrift blijft erbij, maar ik noteer minder. Hoofdpijndagen. Aanvallen. Medicatie. Bijwerkingen. Wat ik wel en niet kon.

Na enkele weken lijkt er ruimte te komen. Ik heb nog aanvallen. Soms ook heftige. Maar er zitten meer bruikbare dagen tussen.

Ik durf het nauwelijks te zeggen.

‘Misschien is het toeval,’ zeg ik tegen Joris.

‘Misschien. Je hoeft het vandaag niet te beslissen.’

Op een donderdag kom ik thuis zonder meteen naar de bank te willen. Noor zit in de tuin. Haar fiets ligt ondersteboven. De ketting is eraf.

‘Papa zou helpen als hij thuis is.’

Ik zet mijn tas neer.

‘Geef eens een oude doek.’

Tien minuten later hebben we zwarte vingers. De ketting zit weer op het tandwiel. Noor draait de trappers rond. Ze kijkt naar me alsof ik iets onverwachts heb gedaan.

‘Zullen we een stukje fietsen?’

Ik controleer automatisch mijn hoofd. Geen vlek. Geen druk. Wel wat spanning in mijn nek. Dat kan van alles zijn.

‘Tot aan de Eem,’ zeg ik. ‘Niet meteen een wereldreis.’

We fietsen langs de Koppelpoort. Bij het water stappen we af. Noor vertelt over een jongen uit haar klas die tijdens gym een broek scheurde. Ze moet zo lachen dat het verhaal drie keer opnieuw begint.

Ik luister.

Later krijg ik toch hoofdpijn. Geen zware aanval, wel genoeg om vroeg te gaan liggen. Even denk ik dat het fietsen een fout was.

Dan zie ik mijn vieze nagelranden.

Ik weet niet waardoor deze hoofdpijn kwam. Ik weet wel dat ik die middag met mijn dochter aan het water zat. Ik schrijf beide dingen op.

Hoofdstuk 6

Het reserveplan

Voor Noors verjaardag huren we geen zaal. We doen geen zwembad. Geen indoorhal vol piepende kinderen en knipperende lampen. Zij kiest een speurtocht door de wijk, met friet na afloop.

‘Maar geen kinderachtige opdrachten,’ zegt ze.

Ze wordt elf. Dat vraagt kennelijk om een streng toezicht op kinderachtigheid.

Joris maakt de route. Sanne komt helpen. Ik bestel de taart en regel de aanwijzingen. In de onderste keukenla ligt een map met alles erin. Namen, telefoonnummers, allergieën, de code van het cijferslot voor de schatkist.

Een reserveplan. Ik vind het tegelijk verstandig en vernederend.

Twee dagen voor het feest word ik wakker met zware armen en een stijve nek. Tijdens het ontbijt gaap ik steeds. Ik ken die signalen, maar ze betekenen niet altijd dat er een aanval volgt.

Toch begint het rekenen.

Als het vandaag komt, ben ik zaterdag misschien beter. Als het morgen komt, misschien niet. Kan ik iets nemen om het voor te zijn? Ik pak mijn behandelplan erbij en houd me daaraan. Daarna leg ik mijn telefoon weg. Nog drie keer zoeken op internet gaat me geen zekerheid geven.

Vrijdagmiddag gaat het mis.

Ik ben glazuur van een beslagkom aan het spoelen als de kraan vreemd schittert. Binnen minuten schuift de bekende vlek door mijn zicht.

‘Joris.’

Hij zit in de woonkamer te werken. Aan mijn stem heeft hij genoeg.

‘Ik pak de map.’

‘Dat hoeft nu toch nog niet?’

‘Nee. Maar dan weet jij dat het geregeld is.’

Ik ga naar boven. Beneden hoor ik hem Sanne bellen. Hij praat gewoon hardop. Hij zegt niet dat alles verschrikkelijk is. Hij zegt dat ze morgen iets eerder moet komen.

De aanval trekt zich niets aan van onze voorbereiding. Ik geef over. De pijn blijft lang scherp. Ik gebruik mijn medicijnen volgens afspraak en probeer kleine slokjes te drinken. Wanneer de nacht voorbij is, ben ik uitgeput.

Om acht uur staat Noor bij de slaapkamerdeur.

Ze draagt een haarband met kleine glimmende sterren. Die heeft ze gisteren al klaargelegd.

‘Gefeliciteerd, lieverd,’ fluister ik.

Ze komt naast het bed staan.

‘Kun je beneden komen?’

‘Nu niet.’

Haar mond trekt strak.

Ik wacht op boosheid. Op de woorden die ik al weken vrees.

‘Tante Sanne weet de code toch?’ vraagt ze.

‘Ja.’

‘Goed. Papa vergeet altijd zulke dingen.’

Ze buigt voorover en knuffelt me voorzichtig. Daarna loopt ze naar beneden. Ik hoor haar vragen of ze de taart al mag zien.

Ik lig naar het plafond te kijken. Ik ben opgelucht dat ze verdergaat. Meteen daarna ben ik verdrietig dat het zonder mij kan.

Dat is niet fraai. Het is wel waar.

Rond elf uur komen haar vriendinnen. Stemmen vullen de gang. Iemand rent de trap op, maar Noor roept dat haar moeder slaapt. Dan gaat de voordeur dicht. De speurtocht begint.

Ik slaap bijna twee uur.

Als ik wakker word, is de ergste pijn gezakt. Mijn hoofd voelt beurs. Ik was mijn gezicht en trek schone kleren aan. Onderaan de trap blijf ik even staan om te voelen of het gaat.

Sanne staat in de keuken met een schaal komkommerschijfjes.

‘Je hoeft niks,’ zegt ze.

‘Kan ik hier zitten?’

Ze schuift een stoel naar de rustige kant van de tafel.

Wanneer de kinderen terugkomen, zit ik er. Niet met ballonnen. Niet met een camera voor mijn gezicht. Gewoon op een stoel, met een glas water.

Noor ziet me als eerste.

‘We hebben de kist gevonden.’

‘Was de code moeilijk genoeg?’

‘Te makkelijk.’

Ze legt een munt van chocolade voor me neer.

Ik blijf twintig minuten. Ik hoor wie bij welke opdracht vals speelde. Ik zie Noor haar kaarsjes uitblazen. Daarna ga ik weer naar boven voordat mijn hoofd harder begint te bonzen.

Die avond laat Joris foto's zien. Er is er één waarop ik half achter een schaal friet zit. Bleek. Mijn haar zit plat aan één kant. Noor staat naast me met haar hand op mijn schouder.

‘Die wil ik,’ zeg ik.

Later komt ze bij me liggen.

‘Was je verjaardag goed?’ vraag ik.

‘Ja.’

‘Ook met mij boven?’

Ze denkt even na.

‘Dat was stom. Maar de rest was goed.’

Ik kus haar haar. Ze hoeft het niet mooier te maken. Het was stom. En de rest was goed.

Hoofdstuk 7

Ruimte in potlood

Een jaar na het gemiste optreden zit ik opnieuw in een schoolzaal. Deze keer ken ik de uitgang. Ik heb een plek aan het gangpad gekozen. Joris zit naast me. Mijn jas ligt op mijn schoot.

Noor staat achter het gordijn.

Mijn hoofd is rustig. Dat heb ik sinds het ontbijt al vaak gecontroleerd. Te vaak. Ik leg mijn handen plat op mijn jas en kijk naar het lege podium.

‘Je hoeft niet steeds te meten,’ fluistert Joris.

‘Ik weet het.’

‘Zal ik mijn hand erop leggen?’

Ik knik. Hij legt zijn hand over de mijne.

Het is niet zo dat de migraine verdwenen is. De behandeling heeft het patroon gunstiger gemaakt, al blijven de maanden wisselen. Met mijn neuroloog en de hoofdpijnverpleegkundige kijk ik regelmatig of het plan nog past. Er zijn minder hoofdpijndagen dan in die eerste telling. Ik heb vaker dagen waarop ik niet bezig ben met mijn hoofd.

Maar afgelopen dinsdag lag ik nog in het donker. Ik miste een etentje met Samira. Woensdag werkte ik niet. Donderdag was ik traag en maakte ik een fout in een bestelling, die ik gelukkig op tijd zag.

Ik kan er geen nette stijgende lijn van maken.

Op mijn werk zijn de afspraken inmiddels gewoon geworden. Samira en ik dragen onze planning dagelijks kort over. Erik vraagt wat haalbaar is, niet of ik er alweer tegen kan. Soms is er gedoe. Soms is er te weinig bezetting en voel ik de druk om toch door te gaan.

Dan helpt geen mooie gedachte. Dan moet ik zeggen dat het niet lukt. Ook als iemand teleurgesteld kijkt.

Ik werk iets minder uren dan vroeger. Dat kost geld. We hebben uitgerekend wat het betekent voor vakanties en sparen. Ik vond dat gesprek erger dan veel doktersafspraken. Toch slaap ik beter sinds ik niet meer elke goede dag gebruik om slechte dagen terug te betalen.

Eline zie ik meestal overdag. We wandelen, of eten ergens waar we elkaar kunnen verstaan. Soms gaan we wel naar iets drukks. Niet omdat ik wil bewijzen dat ik het kan. Omdat ik er zin in heb.

Haar verjaardag heb ik destijds een uur meegemaakt. Ik at brood, luisterde naar een verhaal over haar nieuwe buurman en ging naar huis voordat het dansen begon. Ze stuurde later een foto van mijn lege bord.

Goed dat je er was, stond erbij.

In de schoolzaal gaat het licht uit. Mijn buik trekt samen. Niet van misselijkheid. Van spanning.

Het gordijn schuift open.

Noor zoekt de zaal af. Als ze me ziet, tilt ze heel even haar kin op. Geen groot gebaar. Ik steek mijn duim op, laag boven mijn jas.

Dan begint ze te zingen.

Ik hoor de eerste woorden. Daarna de volgende. Ik denk niet aan vorig jaar. Niet aan hoe lang ik nog kan blijven. Ik luister tot het lied afgelopen is.

Bij het applaus houd ik mijn handen wat lager. Het geluid is hard, maar te verdragen. Noor lacht naar een meisje naast haar. Ze heeft mij alweer even niet nodig.

Na afloop staan we buiten op het schoolplein. Het heeft geregend. Joris haalt de fietsen terwijl Noor vertelt dat iemand achter het gordijn een kruk omstootte.

‘Hoorde je dat?’

‘Nee.’

‘Ik dacht dat iedereen het hoorde.’

Ze pakt mijn arm.

‘Fijn dat je er was.’

‘Dat vond ik ook.’

Ik voeg geen belofte toe over de volgende keer.

Thuis leggen we haar programmaboekje op tafel. Naast mijn agenda. Morgen staat er een controle bij de tandarts. Vrijdag werk. Zaterdag willen we met z'n drieën naar de markt. De meeste afspraken schrijf ik in potlood. Niet omdat ze onbelangrijk zijn. Omdat veranderen geen doorgekrast bewijsstuk hoeft achter te laten.

Achter in de agenda zit nog de eerste bladzijde uit mijn schrift. Zeventien dagen. De lijst medicijnen. De twee woorden over Noor.

Ik heb hem niet bewaard om mezelf streng toe te spreken. Ik wil weten waar ik vandaan kom. Hoeveel moeite het kostte om eerlijk te tellen. Om hulp te vragen voordat ik instortte. Om mijn dochter geen zekerheid te geven die ik niet had.

Voor ik naar bed ga, zet ik een wekker. Ik leg mijn spullen klaar voor morgen. Zoals altijd.

Dan vraagt Joris vanuit de woonkamer of ik nog even bij hem kom zitten.

Ik voel kort hoe het met mijn hoofd is. Rustig genoeg.

Ik doe de agenda dicht en ga naar hem toe.