Naar de inhoud
Terug naar het boek

Verlies en rouw

De laatste keer dat ik je zag

Gaat over overlijden en rouw.

Hoofdstuk 1

Dinsdagavond

Mijn naam is Mark Visser. Ik ben negenendertig jaar, woon in Zwolle en werk als storingsmonteur bij een groot installatiebedrijf. Ik ben gewend om problemen op te lossen. Als een ketel lekt, zoek ik het lek. Als een pomp tikt, vervang ik het onderdeel. Alles heeft een logische oorzaak en een duidelijke oplossing. Dat dacht ik tenminste altijd. Tot die dinsdagavond in november, drie jaar geleden.

Het regende hard. Zo’n koude, striemende regen die tegen de ruiten slaat. Ik zat op de bank met een bord macaroni op schoot. Mijn werkdag had elf uur geduurd. Ik had in kruipruimtes gelegen, in de tocht gestaan op een nieuwbouwproject in Stadshagen en ik wilde maar één ding: stilte. Voetbal op televisie, een biertje, en daarna naar bed.

Om kwart over acht ging de deurbel. Niet één keer, maar drie keer kort achter elkaar. Ongeduldig.

Ik zette mijn bord op de salontafel, liep op sokken naar de gang en deed de voordeur open. Daar stond Luuk. Mijn jongere broer. Zesentwintig jaar oud, met zijn donkere haar kletsnat tegen zijn voorhoofd geplakt. Hij droeg zijn oude leren jas, die veel te wijd om zijn schouders hing omdat hij de laatste maanden weer flink was afgevallen. Hij rook naar natte tabak en regen.

‘Hé Mark,’ zei hij. Zijn stem klonk schor. Zijn ogen schoten langs me heen, de warme gang in. ‘Wat doe jij hier?’ vroeg ik. Niet vriendelijk. Ik wist namelijk hoe dit ging als Luuk zomaar voor de deur stond. ‘Mag ik binnenkomen? Even maar. Het giet van de lucht.’

Ik bleef in de deuropening staan, met mijn hand tegen de deurpost. Ik maakte de doorgang bewust niet vrij. ‘Anouk ligt al te slapen, die heeft morgen vroege dienst. Wat is er aan de hand, Luuk?’

Hij wreef over zijn kin. Zijn hand trilde een beetje. ‘Ik heb een probleem met de huurbaas. Als ik voor morgenochtend niet driehonderd euro overmaak, zet hij me eruit. Echt waar, Mark. Hij stond vanmiddag aan de deur. Met twee van die kasten van kerels.’

Ik voelde de vermoeidheid in mijn nek omslaan in woede. Een vertrouwde, hete woede. Het was de vierde keer in een halfjaar tijd. Eerst was het een reparatie aan zijn scooter, toen een openstaande zorgpremie, toen een lening die hij zogenaamd per ongeluk was vergeten. Elke keer beloofde hij beterschap. Elke keer zou hij een vaste baan zoeken. En elke keer trapte ik erin, omdat hij mijn broertje was. Omdat mijn moeder voor haar dood had gezegd: pas een beetje op hem, Mark.

‘Nee,’ zei ik. Luuk keek me aan alsof ik hem had geslagen. ‘Mark, alsjeblieft. Driehonderd euro maar. Ik geef het je volgende week terug. Ik heb gesolliciteerd bij het distributiecentrum. Ik kan daar maandag beginnen.’ ‘Je liegt,’ zei ik koud. ‘Je liegt elke keer als je je bek opendoet. Ik ben er klaar mee, Luuk. Ik ben een monteur, geen pinautomaat.’ ‘Laat me dan tenminste binnen om even op te drogen!’ Zijn stem sloeg over. Hij zette een stap naar voren, richting de drempel.

Ik duwde met mijn vlakke hand tegen zijn borst. Niet hard, maar wel hard genoeg om hem tegen te houden. ‘Je gaat nu naar huis. Zoek het zelf maar eens uit. Word eens een keer volwassen.’ ‘Je laat me gewoon stikken!’ schreeuwde hij. De buurman aan de overkant schoof de vitrage opzij. ‘Rij jezelf maar lekker te pletter als je zo nodig kapot wilt,’ beet ik hem toe. ‘Maar val mij er niet meer mee lastig.’

Ik trok de deur dicht. Met een harde klap viel hij in het slot. Ik draaide de sleutel om. Twee keer. Klik, klak.

Ik bleef in het donker van de gang staan luisteren. Mijn hart bonkte in mijn keel. Buiten hoorde ik het geluid van de oude Volkswagen Polo van Luuk. De startmotor die twee keer haperde, daarna het aanslaan van de motor. Een dot gas. Banden die slipten over de natte klinkers van de straat. En daarna werd het stil.

Ik liep terug naar de woonkamer, pakte mijn bord macaroni en nam een hap. Het eten was koud geworden. Ik smaakte niks meer. Ik zette het bord weg en dacht: morgen belt hij wel weer om sorry te zeggen. Zo ging het altijd.

Hoofdstuk 2

Twee agenten in de gang

Het telefoontje kwam niet. In plaats daarvan ging de deurbel opnieuw, om kwart over vier in de ochtend. Dit keer geen driftig gerinkel, maar twee zware, afgemeten slagen op het hout van de voordeur.

Ik schrok wakker uit een onrustige slaap. De wekkerradio gaf 04:17 aan in felle rode cijfers. Mijn vriendin Anouk draaide zich om en mompelde iets onverstaanbaars. Ik stapte uit bed, trok een joggingbroek aan en liep de trap af. De treden kraakten onder mijn voeten. De gang was koud. Door het matte glas naast de voordeur zag ik blauwe schitteringen. Twee blauwe lichten die ritmisch over de muren van de straat flitsten.

Toen ik de deur opendeed, stonden er twee agenten op de stoep. Een man en een vrouw. Ze droegen gele fluoriserende jassen met reflecterende strepen die glommen van de motregen. De man hield zijn handen gevouwen voor zijn koppel. De vrouw had haar pet af.

‘Meneer Visser? Mark Visser?’ vroeg de mannelijke agent. Zijn stem was gedempt, zoals mensen praten in een kerk of een ziekenhuis. ‘Ja,’ zei ik. Mijn mond was droog. ‘Wat is er?’ ‘Mogen we even binnenkomen?’ ‘Wat is er gebeurd? Is het Luuk?’

De agenten keken elkaar even aan. Die ene blik was genoeg. De vloer leek onder mijn voeten weg te zakken, alsof de fundering van het huis plotseling oploste in drijfzand. Ik deed een stap achteruit en wees werktuiglijk naar de woonkamer. Ze liepen naar binnen, hun zware kisten lieten natte afdrukken achter op het laminaat. Niemand trok zijn schoenen uit. Ik vroeg het ook niet.

We gingen niet zitten. We bleven staan bij de eettafel.

‘Rond twee uur vannacht heeft er een ernstig eenzijdig ongeval plaatsgevonden op de N337, ter hoogte van Wijhe,’ begon de vrouwelijke agent. Ze sprak rustig, duidelijk, zonder omhaal. ‘De auto is met hoge snelheid van de weg geraakt en tegen een boom tot stilstand gekomen.’ ‘Hoe is het met hem?’ vroeg ik. Mijn stem klonk vreemd, heel dun en hoog. ‘Het spijt ons verschrikkelijk, meneer Visser. Uw broer is ter plekke aan zijn verwondingen overleden. Hij was op slag dood.’

Ik hoorde de woorden wel, maar ze betekenden niks. Op slag dood. Eenzijdig ongeval. N337. Het waren losse begrippen uit een politierapport op het nieuws, niet iets wat over mijn broertje ging. Luuk had zes uur geleden nog voor me gestaan. Ik had zijn borstkas gevoeld toen ik hem tegenhield. Zijn natte jas. De geur van zijn peuken.

‘Dat kan niet,’ zei ik. Ik schudde mijn hoofd. ‘Hij was hier net nog. Hij wilde geld lenen. Hij had gewoon moeten gaan slapen.’ ‘Heeft u familie die we kunnen bellen?’ vroeg de mannelijke agent zacht. ‘Nee. Onze ouders zijn dood. Er is verder niemand. Alleen ik.’

Anouk kwam de kamer binnen in haar ochtendjas. Ze zag de agenten, zag mijn gezicht en sloeg haar handen voor haar mond. Ze begon te huilen voordat iemand iets had gezegd. Ik huilde niet. Ik kon het niet. Er zat een zware, ijzeren klem om mijn borstkas die verhinderde dat ik ademhaalde, laat staan dat ik kon huilen.

De agenten vroegen of ik meeging naar het mortuarium van het Isala ziekenhuis voor de formele identificatie. Ze boden aan om me te rijden. Ik wilde niet in een politieauto zitten. ‘Ik rij zelf wel,’ zei ik.

Anouk reed. Ik zat op de bijrijdersstoel en staarde door de voorruit naar de ruitenwissers die heen en weer gingen. Piep, veeg. Piep, veeg. Bij elke slag van de wisser hoorde ik mijn eigen stem in mijn hoofd, luid en helder, alsof ik het net pas had uitgesproken:

*Rij jezelf maar lekker te pletter als je zo nodig kapot wilt.*

In het ziekenhuis brachten ze me naar een kille, witte ruimte in de kelder. De lucht rook naar schoonmaakmiddel en metaal. Luuk lag op een verrijdbaar bed onder een wit laken dat tot aan zijn kin was opgetrokken. Zijn gezicht was bleek, bijna grijs, met een diepe snee over zijn linkerwang die met zwarte draad provisorisch was gehecht. Zijn haar was gewassen en gekamd. Zo netjes had hij er in jaren niet uitgezien.

Ik boog me over hem heen. Ik wilde zijn hand pakken, maar toen ik zijn vingers aanraakte, waren ze ijskoud en stijf. Als hout. ‘Luuk,’ fluisterde ik. ‘Sta nou even op, man.’ Hij gaf geen antwoord. Hij lag daar gewoon, volkomen stil. En het enige wat ik kon denken was: ik heb dit gedaan. Ik heb hem de nacht in gestuurd.

Hoofdstuk 3

Vuilniszakken en herinneringen

Drie dagen na het ongeluk stond ik in het huurappartement van Luuk. Een tweekamerflatje op de derde verdieping in Diezerpoort. De politie had de sleutels aan mij overgedragen. De verhuurder had me diezelfde ochtend al gebeld: het contract liep tot het einde van de maand, en de woning moest leeg en bezemchoon worden opgeleverd.

‘Gecondoleerd natuurlijk,’ had de man aan de telefoon gezegd, ‘maar ik heb een wachtlijst van mensen die woonruimte zoeken.’

Ik had rollen dikke, zwarte puinzakken meegenomen en een paar verhuisdozen van de bouwmarkt. Anouk had aangeboden om mee te gaan, maar ik had geweigerd. Ik wilde hier alleen zijn. Ik wilde de puinhoop zien die mijn broer had achtergelaten, zonder dat iemand me aankeek met meelevende ogen.

De flat rook naar oud frituurvet, vocht en goedkope wiet. Op de salontafel stonden drie lege pizzadozen en een asbak die overliep van de peuken. Op de vloer lag een stapel ongeopende post. Witte enveloppen met blauwe randen. Aanmaningen van het incassobureau. Een brief van de zorgverzekering. Een brief van het CJIB: een boete voor te hard rijden op de ringweg.

Ik trapte tegen een lege bierfles. Het glas kletterde tegen de plint.

‘Klootzak,’ mompelde ik door mijn tanden. ‘Waarom kon je je leven nou nooit eens op orde krijgen?’

Ik begon met de woonkamer. Ik gooide alles wat waardeloos was in de vuilniszakken. Oude tijdschriften, lege verpakkingen, kapotte opladers, versleten T-shirts met gaten onder de oksels. Het was verbijsterend hoe weinig tastbaars een mens van zesentwintig kon bezitten. Zijn hele leven paste in zes vuilniszakken en twee dozen.

Toen kwam ik bij zijn slaapkamer. Het bed was onopgemaakt. Het dekbedovertrek was gewassen, maar het rook naar hem. Naar zijn goedkope deodorant. Ik trok het dekbed van het matras en wilde het in een zak proppen, maar liet mijn armen zakken. Ik ging op de rand van het kale matras zitten en keek om me heen.

Op het nachtkastje stond één enkel voorwerp: een klein houten kistje dat nog van onze vader was geweest. Ik schoof het dekseltje open. Er zat geen geld in. Geen pasjes, geen wiet. Er lag een horloge in. Een eenvoudig Seiko-horloge met een leren bandje. Het glas zat vol diepe krassen en het bandje was versleten.

Ik herkende het meteen.

Ik had dat horloge aan Luuk gegeven toen hij zestien werd en slaagde voor zijn vmbo. We hadden die middag samen vlaai gegeten aan de keukentafel van onze moeder. Luuk was zo trots geweest. Hij had het horloge omgedaan en tegen iedereen gezegd: ‘Van mijn broer gekregen. Omdat ik het kan.’

Onder het horloge lag een opgevouwen foto. Een foto van ons tweeën op het strand van Ameland, dertig jaar geleden. We stonden in een veel te grote zwembroek met schepjes in onze handen, grijnzend tegen de zon in. Mijn arm lag over zijn schouder. Ik beschermde hem tegen de wind.

Ik klemde het kistje tegen mijn borst. De houten randen drukten scherp in mijn handpalm, maar ik liet niet los. De tranen die in het ziekenhuis niet wilden komen, brandden nu achter mijn ogen. Ze kwamen niet naar buiten als een rustige stroom, maar als een verstikkende golf die mijn adem afsneed.

Hij had dit bewaard. Tussen alle schulden, alle ellende, alle mislukkingen door had hij dit bewaard naast zijn bed. Hij keek er elke avond naar voor hij ging slapen.

En wat had ik gedaan toen hij bij mij aanklopte? Ik had hem op de stoep laten staan. Ik had gezegd dat hij een leugenaar was. Ik had geroepen dat hij zichzelf maar te pletter moest rijden.

Ik pakte een zwarte viltstift en schreef op de eerste verhuisdoos: *Persoonlijk - bewaren*. Mijn handen trilden zo erg dat de letters scheef over het karton liepen. De rest van het huis voelde als een plaats delict waar ik de enige dader was.

Hoofdstuk 4

De echo in mijn hoofd

De uitvaart was klein. Luuk had weinig vrienden overgehouden in zijn laatste jaren. De vrienden die hij had, waren het soort jongens dat na de ceremonie schichtig buiten op het plein bleef hangen om een sigaret te roken en daarna snel verdween. Mijn oom en tante uit Enschede waren er, en een paar collega’s van mijn werk die vonden dat ze moesten komen om hun gezicht te laten zien.

In de aula speelde muziek die Luuk vroeger draaide: akoestische gitaarmuziek, een beetje rauw en melancholisch. Ik zat op de eerste rij naast Anouk. Mijn pak zat te strak om mijn schouders; ik had het al vier jaar niet gedragen. Mijn blik was vastgezogen aan de houten kist in het midden van de ruimte. Een eenvoudige kist van licht eikenhout. Geen bloemenzee, alleen een bescheiden krans van witte rozen die Anouk had besteld.

De uitvaartleider vroeg of ik iets wilde zeggen. Ik schudde mijn hoofd. Ik kon het spreekgestoelte niet eens zien zonder misselijk te worden. Wat had ik moeten zeggen?

*Beste mensen, hier ligt Luuk. Ik heb hem vermoord met elf woorden.*

Na afloop stonden we in de koffiekamer. Er waren slappe koffie en cake met een hard randje. Mijn oom Henk legde een zware hand op mijn schouder. Hij rook naar pepermunt en aftershave.

‘Het is vreselijk, Mark,’ zei hij, terwijl hij bezorgd naar me keek. ‘Maar je moet jezelf niks kwalijk nemen. Luuk was altijd al een losgeslagen projectiel. Hij koos zijn eigen pad. Je hebt jarenlang voor hem gezorgd, meer dan wie dan ook had gedaan.’

Ik knikte mechanisch. ‘Dank je, oom Henk.’

‘Echt waar, jongen,’ ging hij verder. ‘Soms kun je iemand gewoon niet redden. Het zat in hem. Die onrust. Dat had je niet kunnen veranderen.’

Ik wilde schreeuwen. Ik wilde het koffiekopje tegen de marmeren vloer smijten tot het in duizend scherven uiteenspatte. Ik wilde Henk bij zijn revers grijpen en in zijn gezicht spugen: *Hou je bek. Je weet helemaal niks. Je weet niet wat ik gezegd heb. Je weet niet dat ik hem letterlijk heb opgedragen om dood te gaan.*

In plaats daarvan dronk ik mijn koffie op. Ik slikte de bittere smaak door.

De weken daarna veranderde mijn leven in een waas. Ik ging weer aan het werk, want stilzitten maakte me gek. Maar mijn werk werd een automatisme. Ik reed van melding naar melding in mijn witte servicewagen. Ik verving printplaten, ontluchtte radiatoren en vulde expansievaten bij, maar ik was er niet echt. Mijn lichaam was aanwezig, mijn hoofd zat vast in die dinsdagavond.

De echo stopte nooit. Als ik ’s ochtends onder de douche stond: *Rij jezelf maar lekker te pletter.* Als ik bij het stoplicht stond te wachten: *Rij jezelf maar lekker te pletter.* Als Anouk vroeg wat we moesten eten: *Rij jezelf maar lekker te pletter.*

Ik sliep nauwelijks meer. Drie, misschien vier uur per nacht. Zodra ik mijn ogen sloot, zag ik Luuks ogen weer voor me. Die vochtige, donkere ogen in het licht van mijn buitenlamp. De manier waarop hij zijn schouders optrok tegen de regen. De verbijstering in zijn blik toen ik weigerde hem binnen te laten.

Anouk probeerde met me te praten. Ze zette thee, ging naast me zitten op de bank en pakte mijn hand vast. ‘Mark, praat alsjeblieft met me. Je bent er wel, maar je bent er niet. Je eet amper, je drinkt elke avond vier van die zware bieren in de schuur. Zo ga je eraan onderdoor.’ ‘Er is niks te bepraten,’ zei ik kortaf, terwijl ik mijn hand wegtrok. ‘Je voelt je schuldig, dat zie ik toch?’ ‘Ik voel me niet schuldig,’ loog ik kil. ‘Ik ben gewoon moe. Laat me even met rust, Anouk.’

Ze keek me aan met tranen in haar ogen, stond op en liep weg. Ik liet haar gaan. Ik verdiende haar steun niet. Ik verdiende helemaal niks.

Hoofdstuk 5

Het dieptepunt aan de IJssel

Het gebeurde op een donderdagmiddag eind januari, twee maanden na het ongeluk. Het vroor dat het kraakte. Ik was op het dak van een kantoorpand in het centrum van Deventer om een industriële luchtbehandelingskast te repareren. De wind sneed over het grind van het platte dak.

Mijn vingers waren gevoelloos door de kou, ondanks mijn werkhandschoenen. Ik was bezig met de bedrading van een driefasensysteem. 400 volt. Levensgevaarlijk als je de spanning er niet af haalt. Ik had de hoofdschakelaar omgezet, maar ik had niet gemeten of er nog restspanning op stond. Een basisregel. De allereerste les die je leert op de vakschool: altijd meten voor je aanraakt.

Mijn hoofd was er niet bij. Ik dacht aan de koplampen van Luuks Polo. Zag hij de boom aankomen? Had hij op het laatste moment nog geremd? Of had hij het stuur bewust losgelaten omdat hij dacht dat niemand om hem gaf?

Er klonk een knal, gevolgd door een blauwe lichtflits en de geur van verbrand plastic. De steekvlam schroeide langs mijn rechterhand. Ik werd een halve meter naar achteren geworpen en belandde met mijn rug op het ijskoude grind. Mijn hart sloeg op hol, een harde, onregelmatige roffel in mijn keel. De zekering van het hele gebouw was eruit geknald. De ventilatoren vielen met een langzaam zuchtend geluid stil.

Ik keek naar mijn hand. De handschoen was zwartgeblakerd, maar mijn huid was heel gebleven. Een centimeter naar links en ik had de volle laag gekregen.

Ik bleef op mijn rug liggen. Ik keek omhoog naar de grijze, loodzware winterlucht. Mijn adem wolkte wit voor mijn mond. Waarom was ik niet blijven hangen aan die draad? Waarom lag ik hier nog, terwijl Luuk onder twee meter zand lag op de begraafplaats aan de Meppelerstraatweg?

Mijn chef kwam diezelfde middag nog naar de klus. Hij zag mijn lijkbleke gezicht, zag de verschroeide schakelkast en pakte mijn gereedschapskist af. ‘Je gaat naar huis, Mark,’ zei hij. Niet boos, maar bezorgd. ‘Je bent er met je kop niet bij. Je bent een gevaar voor jezelf en voor anderen. Ik wil je de komende twee weken niet zien op de zaak. Ga naar de dokter. Regel hulp.’

Ik stapte in mijn bus, maar ik reed niet naar huis. Ik kon het huis niet verdragen. Ik kon de bezorgde blik van Anouk niet aan.

Ik reed naar de IJssel. Ik parkeerde de bus op de parkeerplaats bij de uiterwaarden net buiten de stad en stapte uit. De wind waaide woest over het open water. Het water was donker, bijna zwart, met witte schuimkoppen. Ik liep over het bevroren gras naar de waterkant, tot het water tegen de neuzen van mijn werkschoenen klotste.

Mijn telefoon trilde in mijn zak. Anouk. Ik nam niet op. Ik drukte het gesprek weg en stopte het ding terug.

Ik keek naar de stroming. De IJssel stroomt snel, verraderlijk snel. Eén stap naar voren, de diepte in, en de kou zou mijn adem binnen een paar seconden afsnijden. Dan zou het ophouden. Het suizen in mijn oren, die verschrikkelijke zin die dag en nacht op repeat stond in mijn brein. Dan zou ik Luuk misschien weer zien. Dan kon ik zeggen dat het me speet.

Ik zette een halve stap naar voren. Het ijskoude water liep over de rand van mijn linkerschoen. De schok van de kou trok door mijn enkel naar boven.

En toen, midden in die vrieskou, gebeurde er iets raars. Ik voelde geen drang om te springen, maar een plotselinge, verlammende paniek. Mijn knieën gaven mee. Ik zakte door mijn benen op het drassige, bevroren riet. Ik begon te trillen. Niet van de kou, maar van pure doodsangst.

Ik wilde helemaal niet dood. Ik wilde dat de pijn stopte. Dat was iets heel anders.

Ik begon te kokhalzen, voorovergebogen over de modder, tot er alleen nog gal uitkwam. Ik sloeg met mijn vuist op de harde grond tot mijn knokkels bloedden. ‘Klootzak,’ snikte ik in de wind. ‘Waarom heb je me dit aangedaan? Waarom heb je me met die kutwoorden achtergelaten?’

Voor het eerst sinds die dinsdagavond huilde ik. Ik schreeuwde het uit over het lege water, tegen de wind in, tot mijn stem oversloeg en er alleen nog een hees piepen overbleef. Niemand hoorde het. Alleen de meeuwen boven de rivier.

Hoofdstuk 6

Het oude mobieltje

Toen ik die avond thuiskwam, was ik doornat en ijskoud. Anouk zat aan de keukentafel met een kop thee. Ze keek op toen de voordeur openging. Ze zag mijn bebloede knokkels, mijn doorweekte broekspijpen en mijn verwilderde blik. Ze vroeg niks. Ze stond op, zette een pan soep op het vuur en legde een droge handdoek over mijn schouders.

‘Ik heb Luuk naar de dood gewenst,’ zei ik. Mijn stem was hees. De woorden vielen zwaar tussen ons op de keukenvloer.

Anouk bleef stil staan bij het fornuis. Ze draaide zich langzaam om. ‘Wat zeg je?’ ‘De avond dat hij stierf. Hij stond hier. Hij vroeg om geld. Ik werd kwaad. Ik heb hem weggeduwd en gezegd dat hij zichzelf maar te pletter moest rijden. Dat waren letterlijk mijn laatste woorden tegen hem. Drie uur later reed hij tegen die boom.’

Ik boog mijn hoofd en wachtte op het oordeel. Ik verwachtte afschuw in haar ogen. Afkeer.

Anouk liep naar me toe. Ze ging voor me staan, pakte mijn hoofd tussen haar warme handen en dwong me om haar aan te kijken. Haar ogen stonden vol mededogen, en dat deed meer pijn dan een klap in mijn gezicht. ‘Oh, Mark,’ fluisterde ze. ‘Denk je nou echt dat hij door jóú tegen die boom is gereden?’ ‘Ik heb het gezegd, Anouk! Het waren mijn woorden!’ ‘Het waren woorden van een broer die er doorheen zat,’ zei ze resoluut. ‘Je bent geen tovenaar, Mark. Woorden doden geen mensen. Gladde wegen, slechte banden en te veel alcohol doden mensen.’

De volgende dag durfde ik eindelijk de doos te openen die ik in Luuks flat apart had gezet. Bovenop lag het kistje met het horloge. Daaronder lag zijn oude mobiele telefoon. Een goedkope smartphone met een gebarsten scherm. De batterij was natuurlijk al maanden leeg.

Ik zocht in de rommella naar een oude micro-usb-kabel en legde het toestel aan de lader. Na een kwartier lichtte het scherm op. Er zat geen pincode op; Luuk deed nooit aan wachtwoorden.

Mijn vingers beefden toen ik naar zijn berichten ging. Ik scrolde door de lijst. Berichten van mij, waarin ik hem wees op afspraken. Berichten van vage kennissen. En toen zag ik het laatste gesprek, gedateerd op de nacht van het ongeluk. Tijdstip: 01:42.

Het was een bericht aan een zekere Bram. Een van die jongens die vroeger met hem rondhingen in de wijk.

Ik klikte het open.

*‘Mark wil me niet helpen,’* had Luuk getypt. *‘Groot gelijk heeft ie ook. Ik ben een teringzooi. Ik heb alles weer verneukt man. Ik moet het nu zelf oplossen.’*

Bram had geantwoord om 01:48: *‘Kom hierheen dan, pilsje pakken.’*

Luuk had om 01:51 teruggestuurd: *‘Nee man. Ik ga naar huis. Ik ga slapen. Morgen opnieuw proberen.’*

Dat was zijn allerlaatste bericht. Negen minuten voor de melding bij de meldkamer binnenkwam.

Ik las de regels opnieuw. En opnieuw. De letters dansten voor mijn ogen.

*Groot gelijk heeft ie ook. Morgen opnieuw proberen.*

Hij was niet met opzet tegen die boom gereden. Hij had geen einde aan zijn leven willen maken uit wanhoop over wat ik had gezegd. Hij was niet boos op mij geweest. Hij begreep het. Hij was op weg naar huis gegaan om te slapen, om de volgende dag opnieuw te beginnen.

De politie had in het rapport geschreven dat er sporen van aquaplaning waren gevonden in de bocht bij Wijhe. Een diepe plas water op het asfalt, versleten banden, te hard gereden. Een stom, banaal, tragisch ongeluk.

Ik legde de telefoon op tafel. De klem om mijn borstkas sprong niet meteen open. Het schuldgevoel verdween niet plotseling als sneeuw voor de zon. Maar er kwam een barst in het pantser van lood dat ik om me heen had gebouwd. Een klein kiertje waar weer een beetje lucht doorheen kon.

Hoofdstuk 7

Wat overblijft

We zijn nu drie jaar verder. Het is weer november.

Ik werk weer volop bij het installatiebedrijf. De eerste maanden na mijn instorting deed ik alleen simpele klusjes in de werkplaats, onder toezicht van collega’s die wisten wat er speelde. Langzaam bouwde ik het weer op. Nu rij ik weer gewoon in mijn servicewagen door heel Overijssel. Maar ik werk geen elf uur meer op een dag. Als het vijf uur is, ruim ik mijn gereedschap op en rij ik naar huis. Naar Anouk. En naar onze dochter van zes maanden, die we Mara hebben genoemd.

Het schuldgevoel is niet weg. Ik geloof niet dat zoiets ooit helemaal weggaat. Mensen die zeggen dat rouw slijt, snappen het niet. Het slijt niet zoals een steen in een rivier. Het verandert alleen van vorm. Het is niet meer die vlijmscherpe dolk die elke minuut van de dag in mijn zij prikt. Het is een doffe plek geworden. Een oud litteken dat opspeelt als het koud en regenachtig weer is.

Soms sta ik in de gang en kijk ik naar de voordeur. Ik zie de klink, het houtwerk, de drempel. Dan herinner ik me weer precies hoe het klonk toen de deur in het slot viel. *Klik, klak.* De echo van die elf woorden is zachter geworden, maar hij is er nog steeds. Ik zou alles wat ik bezit geven om die laatste twee minuten terug te draaien. Om de deur wijd open te gooien, Luuk bij zijn natte schouder te pakken en te zeggen: kom binnen, idioot. Trek die natte jas uit. We lossen het morgen wel op.

Maar het leven heeft geen achteruitversnelling. Een ketel kun je resetten met een rode knop. Een verleden niet.

Vanochtend ben ik vroeg opgestaan. Anouk en de kleine sliepen nog. Ik trok mijn jas aan en reed naar de Meppelerstraatweg. De begraafplaats lag er stil bij onder een deken van herfstbladeren. De eikenbomen lieten hun laatste geelbruine blad vallen op de graven.

Ik liep naar het graf van Luuk. Een eenvoudig graf, bedekt met grijze kiezels en een liggende steen met zijn naam en twee jaartallen. 1995 – 2021. Zo bizar weinig tijd tussen die twee getallen.

Ik bukte me en veegde een paar natte bladeren van de steen. Uit mijn jaszak haalde ik het Seiko-horloge. Ik had er een nieuw batterijtje in laten zetten bij de juwelier in de Diezerstraat. Het tikte weer. Een klein, rustig, regelmatig geluidje in de stilte van de ochtend. *Tik, tik, tik.*

Ik legde het horloge op de koude steen, naast zijn naam.

‘Hé Luuk,’ zei ik zachtjes. Mijn adem wolkte op in de frisse ochtendkucht.

Er kwam geen antwoord, natuurlijk niet. Alleen het ruisen van de wind door de toppen van de bomen. Maar voor het eerst voelde de stilte niet vijandig. Niet veroordelend.

‘Het spijt me van die dinsdag,’ zei ik tegen de steen. ‘Ik was moe. Ik was stom. Maar ik hield van je. Dat weet je wel, toch?’

Ik bleef nog een paar minuten staan, met mijn handen diep in mijn jaszakken. Ik dacht aan de foto op Ameland. Aan het jongetje met het schepje en de brede grijns. Dat is het beeld dat ik wil onthouden. Niet die laatste blik in de regen bij de voordeur, hoe hardnekkig die herinnering zich ook blijft opdringen. Ik wil de jongen herinneren die trots zijn horloge liet zien aan de keukentafel.

Ik draaide me om en liep over het grindpad terug naar de uitgang. Bij het hek keek ik nog één keer om. Het horloge lag op de steen en tikte door. Tijd die doorging, ook al stond die van hem stil.

Ik stapte in de auto, startte de motor en reed naar huis. Naar het licht in de keuken, waar Anouk koffie zette en Mara in haar kinderstoel kraaide. Het leven wacht niet tot je klaar bent met rouwen. Je moet het meenemen. De pijn, de herinnering en de liefde, allemaal in dezelfde tas.