Naar de inhoud
Terug naar het boek

Ziekte en gezondheid

De kleine overwinningen

Bevat beschrijvingen van ziekte en behandeling.

Hoofdstuk 1

De hamer

Mijn naam is Dennis Brouwer. Ik ben tweeënveertig jaar en woon in Amersfoort. Tot twee jaar geleden was ik timmerman. Ik bouwde dakkapellen, zette scheidingswanden en verving rotte kozijnen. Mijn handen waren mijn gereedschap. Als je twintig jaar lang met hout werkt, vertrouw je blind op je vingers. Je voelt splinters voordat ze bloeden. Je weet precies met hoeveel kracht je een spijker moet raken om hem met één klap in een balk te slaan.

Het begon op een dinsdag in november. We waren bezig met een uitbouw in Zeist. Het was koud, zo’n klamme kou die in je botten kruipt. Ik stond op een trap met mijn trouwe Estwing-hamer in mijn rechterhand. Ik wilde een regel vastzetten tegen het plafond. Ik haalde uit, sloeg mis, en ineens was de hamer weg. Hij viel met een harde klap op het beton beneden, vlak naast de voeten van mijn collega Ron.

'Kijk uit, man!' riep Ron. Hij keek omhoog en lachte nog. 'Heb je boter aan je vingers?'

Ik keek naar mijn hand. Mijn vingers stonden krom, maar ik voelde ze amper. Het was alsof er priklimonade door mijn vingertoppen stroomde. Duizenden kleine naaldjes. Ik dacht dat het door de tocht kwam. Ik klom van de trap af, raapte mijn hamer op en schudde mijn arm los tot het bloed er weer in leek te schieten. 'Koude klauwen,' zei ik tegen Ron. 'Even een bakkie doen.'

Maar het ging niet weg met warme koffie. De tintelingen bleven. Die avond zat ik thuis op de bank met Sandra en onze zoon Lars van tien. Ik wilde mijn glas water oppakken. Mijn hand trilde niet, maar mijn vingers sloten zich gewoon niet strak genoeg om het glas. Het gleed weg en kletterde op het laminaat. Scherven en water overal. Sandra keek me bezorgd aan. Lars begon meteen te dweilen met een theedoek.

'Wat is er toch met jou vandaag?' vroeg Sandra. Ze hurkte bij de scherven.

'Vermoeidheid,' zei ik koppig. 'We hebben drie dakkapellen in vier dagen geplaatst. Ik heb gewoon een zenuw klem zitten in mijn schouder. Komt door dat gesjouw met die balken.'

'Dennis, je laat nooit dingen vallen,' zei ze. Haar stem klonk niet boos, maar zacht. En die zachte toon maakte me juist bang.

De week erna werd het erger. Mijn rechtervoet begon achter te blijven. Alsof mijn werkschoen plotseling twee keer zo zwaar was geworden. Op de bouwplaats struikelde ik twee keer over een verlengsnoer dat er al de hele dag lag. Normaal stapte ik daar blind overheen. Nu bleef mijn neus haken achter het rubber. Ron zag het en zei niks, maar zijn blik sprak boekdelen. Een timmerman die zijn voeten niet kan optillen op een steiger, is een gevaar voor zichzelf en voor zijn maten.

Op vrijdagmiddag moesten we gipsplaten naar de eerste verdieping brengen. Ik pakte een plaat vast, tilde hem op mijn heup en zette mijn voet op de eerste trede van de trap. Mijn rechterknie knikte zomaar door. Er was geen pijn, geen kramp. De verbinding tussen mijn hersenen en mijn been leek gewoon even verbroken. Ik viel voorover op de trap. De gipsplaat brak in drie stukken met een dof, stoffig gekraak.

Ron rende naar me toe en trok me overeind. 'En nu kappen ermee,' zei hij streng. 'Je gaat naar huis. En maandag ga je naar de dokter. Je bent zo wit als een laken.'

Ik wilde protesteren. Ik wilde zeggen dat we de klus af moesten maken voor het weekend. Maar toen ik probeerde op te staan, voelde mijn rechterbeen aan als een zandzak. De angst sloeg als een ijskoude hand om mijn keel. Mijn lichaam was altijd een trouwe machine geweest. Als ik zei: til dat kozijn op, dan tilden we dat kozijn op. Nu gaf ik een commando en gebeurde er niks. Ik ging op de traptrede zitten tussen het witte gipsstof en liet mijn hoofd in mijn handen zakken. Voor het eerst in mijn volwassen leven was ik doodsbang voor mijn eigen lijf.

Hoofdstuk 2

Het witte kastje

De huisarts keek me niet lang aan voordat ze haar pen neerlegde. Ze liet me op mijn hakken en op mijn tenen lopen door haar spreekkamer. Op mijn tenen ging prima. Maar op mijn rechterhak zakte ik meteen weg. Ze pakte een klein hamertje en tikte op mijn knieën. Mijn linkerbeen schoot netjes naar voren. Mijn rechterbeen bewoog nauwelijks. Daarna streek ze met een stomp voorwerp onderlangs mijn voetzool. Haar gezicht veranderde. De vriendelijke glimlach verdween.

'Ik wil dat je naar de neuroloog gaat, Dennis,' zei ze. 'En wel deze week nog.'

'Is het een hernia?' vroeg ik. Ik hoopte op een hernia. Van een hernia wist ik wat het was. Mijn buurman had een hernia gehad. Twee maanden rust, fysiotherapie, desnoods een operatie en daarna weer door. Een hernia paste in mijn hoofd.

'Dat kan,' zei ze ontwijkend. 'Maar ik wil dat een specialist meekijkt. Ik bel nu het ziekenhuis voor een spoedplek.'

Het Meander Medisch Centrum rook naar schoonmaakmiddel en koude koffie. Sandra zat naast me in de wachtkamer van de poli neurologie. We hielden elkaars hand vast, iets wat we buiten de deur eigenlijk nooit deden. Niemand in die gang sprak met elkaar. Iedereen keek naar het bord met de kamernummers. Mensen met wandelstokken, mensen in rolstoelen, mensen die er aan de buitenkant net zo gewoon uitzagen als ik, maar allemaal dezelfde doffe blik in hun ogen hadden. De blik van wachten op slecht nieuws.

Dokter Visser was een man van begin veertig met een bril en opgestroopte hemdsmouwen. Hij deed dezelfde proefjes als de huisarts, maar dan nog veel meer. Hij kraste met een wattenstaafje over mijn buik. Hij liet me met mijn ogen dicht mijn wijsvinger op mijn neuspunt zetten. Links ging feilloos. Rechts prikte ik in mijn eigen wang.

'We gaan een MRI-scan maken van je hersenen en je ruggenmerg,' zei dokter Visser rustig. 'En we plannen een lumbaalpunctie in. Een ruggenprik.'

'Mijn hersenen?' herhaalde ik. Het woord klonk vreemd in mijn oren. 'Ik heb last van mijn poot en mijn vingers, dokter. Waarom moet u in mijn hoofd kijken?'

'Omdat de besturing daar zit,' antwoordde hij eerlijk. 'Als de kabel ergens onderweg hapert, moeten we kijken waar de storing begint.'

De MRI-scan was een verschrikking. Ik moest op een smalle plank gaan liggen. Ze schoven een soort plastic kooi over mijn hoofd. 'Stil blijven liggen, meneer Brouwer,' zei de laborant door een luidsprekertje. Daarna gleed ik een smalle, witte buis in. Het voelde alsof ik levend werd begraven in een tl-buis. Veertig minuten lang hoorde ik keiharde, ritmische dreunen. Alsof er tien man met sloophamers tegelijk op staalplaat stonden te rammen. Klonk-klonk-klonk, bzzzzzz, kedeng-kedeng. Ik kneep mijn ogen dicht en dacht aan Lars, aan ons tuintje, aan de geur van pas gezaagd vurenhout. Alles om maar niet te gillen.

Twee dagen later volgde de ruggenprik. Ik moest op de rand van een behandeltafel zitten met een bolle rug. Mijn kin op mijn borst. Sandra stond voor me en hield mijn schouders vast. 'Rustig ademen,' fluisterde ze. Ik voelde de ijskoude jodium op mijn onderrug. Daarna een prik van de verdoving. En toen een doffe, diepe druk die doordrong tot diep in mijn bekken. Geen scherpe pijn, maar een misselijkmakend, zeurend gevoel dat door mijn hele rug trok.

'Klaar,' zei de arts na wat een eeuwigheid leek. 'We vangen nu een paar druppels hersenvocht op. Blijf stil zitten.'

Ik hoorde het getik van glaswerk achter me. Sandra keek me aan. Haar ogen waren vochtig, maar ze beet op haar lip om sterk te blijven. Ik kneep zo hard in haar handen dat mijn knokkels wit zagen. Op dat moment besefte ik dat ons gewone leventje van klussen, voetbal kijken op zaterdag en sparen voor de zomervakantie voorbij was. Er was een scheur in de fundering gekomen.

Hoofdstuk 3

Het vonnis

Het duurde een week voor de uitslag er was. Die week leefde ik in een roes. Ik ging niet naar de bouw. Ik zat thuis op de bank en staarde naar de straat. Elke keer als de postbode voorbijliep of er een auto stopte, schoot mijn hartslag omhoog. Sandra probeerde normaal te doen voor Lars, maar de spanning hing in huis als een dikke rookwolk. Lars vroeg op woensdagavond ineens: 'Papa, ga je dood?'

Ik schrok me kapot. Ik trok hem tegen me aan en rook zijn haren, die roken naar zwembadwater van zijn zwemles. 'Nee jongen,' zei ik met een brok in mijn keel. 'Zeker niet. Papa heeft gewoon een beetje pech met zijn spieren. De dokter gaat het fixen.' Het was een leugen, want ik wist zelf helemaal niks.

Op vrijdagmiddag zaten we weer tegenover dokter Visser. Op zijn bureau lag een dik dossier. Op zijn computerscherm stonden zwart-witte doorsnedes van een schedel. Mijn schedel.

'Meneer Brouwer, we hebben de uitslagen,' begon hij. Hij draaide zijn scherm een kwartslag naar ons toe. Hij wees met de punt van een pen naar kleine, heldere witte vlekjes die verspreid lagen over de donkere hersenmassa. Het leek op sneeuw op een donkere weg.

'U heeft Multiple Sclerose,' zei dokter Visser. 'De relapsing-remitting vorm.'

De woorden vielen op het bureau als loden gewichten. Multiple Sclerose. MS. Ik kende het woord alleen van collectebussen en mensen in elektrische rolstoelen die met een joystick reden. Mensen die niks meer konden.

'Ik ga dus in een rolstoel terechtkomen,' zei ik direct. Mijn stem klonk rauw en boos.

'Nee, dat betekent het niet automatisch,' antwoordde Visser rustig. 'MS is tegenwoordig een heel andere ziekte dan dertig jaar geleden. Uw eigen afweersysteem valt de beschermlaag om uw zenuwen aan. Daardoor komen de signalen niet goed door. Die ontstekingen veroorzaken de witte vlekjes die u hier ziet. Maar we hebben medicijnen om de ziekte af te remmen.'

Sandra vroeg van alles over remmers, over bijwerkingen, over prognoses. Ze schreef mee in een klein notitieboekje dat ze uit haar tas had gehaald. Ik luisterde niet meer. Ik keek naar mijn rechterhand die slap op mijn spijkerbroek lag. Een verrader. Mijn eigen immuunsysteem vrat mijn eigen kabels op. Waarom? Wat had ik fout gedaan? Ik rookte niet, ik dronk amper, ik werkte hard, ik zorgde voor mijn gezin.

De rit naar huis was stil. Het regende zachtjes tegen de voorruit. De ruitenwissers maakten een monotoon, piepend geluid. Sandra legde haar hand op mijn been. Ik schoof hem weg. Ik wilde niet getroost worden. Ik wilde kapot slaan wat er kapot te slaan viel.

Thuis liep ik direct door naar mijn werkplaats achter in de tuin. Een houten schuurtje van vier bij vijf meter, vol gereedschap dat keurig aan haken aan de muur hing. Mijn cirkelzaag, mijn schaven, mijn kisten vol schroeven en bouten. Alles op maat, alles strak.

Ik pakte een balk vurenhout en klemde die in de bankschroef. Ik pakte mijn handzaag. Ik wilde zagen. Gewoon zagen, zoals ik al vijfentwintig jaar deed. Ik zette de zaag op het hout en trok hem naar me toe. De zaag hapte scheef in het hout. Ik duwde weer. Mijn rechterarm had geen kracht meer. Halverwege de haal blokkeerde het blad. Mijn vingers lieten de handgreep los. Mijn arm trilde hevig.

Ik probeerde de handgreep opnieuw beet te pakken, maar mijn vingers gehoorzaamden niet. Ze gleden langs het gelakte hout. Een golf van blinde woede spoelde door me heen. Ik schopte met mijn goede linkerbeen tegen de zware werkbank. De hele schuur dreunde. 'Klootzak!' schreeuwde ik naar niemand in het bijzonder. 'Kankerlijf!'

Ik sloeg met mijn vuist op de houten balk tot mijn knokkels open lagen en er bloed op het lichte vurenhout drupte. Toen zakte ik door mijn knieën. Ik ging op de met zaagsel bedekte betonvloer zitten, met mijn rug tegen de werkbank. En daar, tussen de geur van terpentine en houtkrullen, huilde ik tot ik geen adem meer overhad.

Hoofdstuk 4

De vloer

Drie maanden na de diagnose kwam de grote terugval. De artsen noemden het een 'schub'. Ik noemde het een sloopkogel. De medicijnen die ik kreeg via injecties hadden nog geen tijd gehad om hun werk te doen. Binnen vier dagen tijd verloor ik bijna alle controle over mijn onderlichaam.

Het dieptepunt kwam op een doordeweekse donderdag in februari. Sandra was naar haar werk op de administratie van een transportbedrijf. Lars zat op school. Ik was alleen thuis. Ik was al twee maanden ziek thuis. Mijn baas was meelevend, maar een timmerman die niet kan traplopen heb je niks aan op de bouw. Ik zat opgesloten in mijn eigen huis.

Om half elf wilde ik naar het toilet. Ik schoof mezelf naar de rand van het bed. Mijn benen voelden aan alsof ze waren volgegoten met vloeibaar lood. Mijn voeten sliepen permanent. Ik pakte de kruk die naast het bed stond en zette kracht. Mijn linkerbeen hield het, maar rechts weigerde dienst. Ik gleed uit over de gladde vloerbedekking van de overloop.

Ik viel niet hard, maar wel lomp. Ik klapte op mijn zij tegen de muur en schoof naar beneden. Daar lag ik. Half op de overloop, half bij het trapgat.

'Kom op Dennis,' zei ik hardop tegen mezelf. 'Opstaan. Handen onder je schouders, opdrukken.'

Ik zette mijn handen plat op de vloer. Maar mijn rechterhand had geen grip en mijn knieën gleden steeds weg. Elke keer als ik mezelf tien centimeter omhoog had gewerkt, schoot mijn arm weg en klapte ik weer plat op mijn buik. Na vijf pogingen was ik buiten adem. Het zweet gutste van mijn voorhoofd en prikte in mijn ogen.

Mijn telefoon lag beneden op het aanrecht. Ik kon niemand bellen.

Daar lag ik dan. Een vent van tweeënveertig, een meter vijfentachtig lang, altijd beresterk geweest. En nu lag ik op mijn buik op een stuk goedkoop tapijt, niet in staat om mezelf anderhalve meter naar de wc te slepen. De vernedering was zo intens dat het fysiek pijn deed. Ik voelde me geen man meer. Geen vader, geen echtgenoot, geen timmerman. Ik was een hoop nutteloos vlees geworden die in de weg lag.

Ik gaf het op. Ik legde mijn wang op het tapijt. Ik rook het stof en het wasmiddel waarmee Sandra de vloer had geboend. Vlak voor mijn neus zat een klein spinnetje in de hoek van de plint. Ik keek ernaar. Dat beestje van een halve millimeter had acht pootjes en bewoog soepel en moeiteloos over de muur. Ik had twee benen en kon nog geen meter vooruit.

Ik heb daar drie uur gelegen. Drie uur lang dacht ik na over de toekomst. Als dit mijn leven werd, hoefde het van mij niet meer. Ik wilde Sandra niet opzadelen met een kasplant. Ik wilde niet dat Lars zich later herinnerde dat zijn vader alleen maar op de bank lag te stinken en te klagen. Ik dacht aan de medicijnkast beneden. Ik dacht aan manieren om er een einde aan te maken. Het was geen paniekgedachte, het was een kille, logische berekening. Als je gereedschap onherstelbaar kapot is, gooi je het in de container. Dan bewaar je het niet uit nostalgie.

Om twee uur hoorde ik de voordeur opengaan. Sandra. Ze was eerder naar huis gekomen omdat ik mijn telefoon niet opnam.

'Dennis?' riep ze vanuit de gang. Haar voetstappen op de trap klonken haastig.

Toen ze boven kwam en me zag liggen, viel haar handtas met een doffe plof op de grond. Ze rende naar me toe en knielde naast me neer. 'God, Dennis! Wat is er gebeurd? Ben je gevallen? Heb je pijn?'

'Nee,' zei ik met mijn gezicht nog steeds half in het tapijt gedrukt. Mijn stem was dof. 'Ik lig hier gewoon te wachten tot het voorbij is.'

Ze pakte me vast bij mijn schouders en trok me voorzichtig op mijn rug. Haar ogen stonden vol tranen, maar haar kaken waren op elkaar geklemd. Ze zag de wanhoop in mijn ogen. Ze wist precies wat ik had gedacht toen ik daar lag.

'Niet doen,' zei ze streng, terwijl een traan over haar neusvleugel gleed. Ze pakte mijn gezicht tussen haar handen. Haar handen waren warm. 'Dennis, kijk me aan. Niet opgeven. We liggen hier nu even op de grond, oké? Maar we blijven hier niet liggen. Ik help je overeind. Elke keer als het moet. Hoor je me?'

Ik knikte langzaam. Ze sloeg mijn arm om haar nek. Samen, kreunend en schuifelend, kregen we me op de rand van het bed. We zaten daar naast elkaar, buiten adem, terwijl ze me vasthield alsof ik elk moment kon oplossen in de lucht.

Hoofdstuk 5

De Hoogstraat

In maart begon mijn traject in Revalidatiecentrum De Hoogstraat in Utrecht. Ik wilde eerst niet. Wat moesten die therapeuten met hun betweterige praatjes mij nou leren? Een beetje met een bal gooien en praten over je gevoelens? Maar Sandra had me geen keus gelaten. 'Je gaat,' had ze gezegd. 'Niet voor jezelf, dan maar voor Lars.'

De eerste ochtend werd ik opgewacht door Mark, een fysiotherapeut van een jaar of dertig met gymschoenen en een kort baardje. De oefenzaal rook naar rubbermatten en zweet. Er stonden hometrainers, loopbruggen en spiegels langs de wanden. Overal zag ik mensen vechten tegen hun haperende lichamen. Een jonge meid die na een ongeluk opnieuw leerde lopen. Een oudere man die na een beroerte probeerde een bal met twee handen vast te pakken.

'Nou Dennis,' zei Mark opgewekt. 'Laat eens zien wat je kan.'

'Niet veel,' zei ik nukkig. Ik leunde zwaar op mijn krukken.

'Mooi,' zei Mark. 'Dan hebben we tenminste wat te doen. Begin maar eens met de loopbrug. Krukken aan de kant. Handen aan de reling. Loop maar naar de overkant.'

Ik pakte de houten stangen beet. Het hout voelde glad aan, gelakt beukenhout. Mijn vingers kenden hout. Dat gaf me een klein beetje vertrouwen. Ik zette een stap met links. Goed. Toen rechts. Mijn voet sleepte over het linoleum. Mijn heup zwaaide naar buiten om de voet mee te krijgen. Een lelijke, houterige beweging.

'Stop,' zei Mark. 'Je compenseert te veel met je rug. Til je knie op. Focus op de heupbuiger.'

'Dat ding doet het niet,' beet ik hem toe. 'Heb je mijn dossier niet gelezen? De kabels zijn doorgebrand.'

Mark leunde op de reling en keek me recht aan. Hij werd niet boos, hij werd niet meelevend. Hij bleef gewoon zakelijk. 'Klopt. Je zenuwen zijn beschadigd. Maar je hersenen zijn niet dom, Dennis. Als de hoofdweg geblokkeerd is, moeten we een binnendoorweggetje asfalteren. Dat heet neuroplasticiteit. Maar dat weggetje komt er niet als jij boos op die stang blijft leunen. Nog een keer. Til die knie op.'

Die middag haatte ik Mark. Hij liet me stappen zetten tot mijn t-shirt doorweekt was van het zweet. Hij zette kegels neer waar ik omheen moest sturen. Hij liet me op een instabiel kussen balanceren tot mijn kuitspieren brandden van de verzuring. Mijn lichaam schudde van uitputting.

Daarna moest ik naar ergotherapie. Een kleine kamer met een tafel vol vreemde voorwerpen: dikke pennen, aangepaste vorken, houten puzzels. Ergotherapeute Anneke zette een bord neer met kleine houten pinnetjes die in gaatjes gestoken moesten worden.

'Fijne motoriek trainen,' zei ze vriendelijk.

Ik keek naar die stomme houten pinnetjes. Ik had complete daken geplaatst met een precisie van een millimeter. En nu zat ik hier als een kleuter pinnetjes in een bord te duwen. Mijn rechterhand weigerde mee te werken. De eerste drie pinnetjes vielen uit mijn vingers en rolden over de grond.

'Godverdomme,' mompelde ik.

'Rustig aan,' zei Anneke. 'Kijk naar je vingers. Kijk hoe je ze sluit. Gebruik je ogen om te compenseren wat je vingers niet voelen.'

Ik haalde diep adem. Ik keek naar mijn hand. Ik dwong mezelf niet te denken aan vroeger, niet te denken aan wat ik ooit kon. Ik keek alleen naar dat ene, stomme, cilindervormige beukenhouten pinnetje van twee centimeter lang. Ik stuurde mijn duim en wijsvinger erheen. Ik kneep toe. Ik voelde het hout nauwelijks, maar ik zag dat mijn vingers het klemden. Langzaam tilde ik mijn hand op. Mijn onderarm trilde licht. Ik bewoog hem naar het bord, mikte boven het gaatje en liet los.

Het pinnetje viel precies op zijn plek. Tik.

Het was een belachelijk klein geluidje. Een minuscuul stukje hout in een gaatje. Geen mens die er ooit van op zou kijken. Maar toen dat pinnetje erin viel, schoot er iets door me heen. Geen euforie, maar een vonk. Een millimeter winst op een dag vol verliezen. Ik keek op naar Anneke. Ze glimlachte niet betuttelend, ze knikte alleen maar kort.

'Nog één,' zei ik.

Hoofdstuk 6

Het schuurtje

Na vier maanden revalidatie liep ik weer zonder krukken binnenshuis. Buiten gebruikte ik nog een wandelstok voor de zekerheid, vooral als ik moe was en mijn rechtervoet begon te slepen. De MS was er nog steeds, die ging nooit meer weg. De medicijnen hielden de ontstekingen voorlopig rustig, maar de schade aan mijn zenuwen was deels blijvend. Mijn rechterkant bleef dof aanvoelen, alsof er een dikke werkhandschoen omheen zat.

Ik kon niet meer terug naar de bouw. De arbo-arts was duidelijk geweest: tillen op steigers, werken op ladders en hele dagen sjouwen was te gevaarlijk. Ik werd afgekeurd voor mijn oude functie. Dat deed pijn. Het voelde als een officieel stempel waarop stond: versleten.

Op een zaterdag in mei liep ik de tuin in. Het was een zachte lentedag. De vogels zongen in de berkenbomen van de buren. Ik liep naar het schuurtje achter in de tuin. De deur zat al maanden op slot. Er lag een dikke laag stof op het raampje.

Ik draaide de sleutel om en deed de deur open. De geur sloeg meteen naar binnen: lijnzaadolie, vurenhout en oud stof. Mijn gereedschap hing er nog precies zo bij als op de dag dat ik het vonnis kreeg. Ik voelde een steek in mijn maag, maar ik slikte hem weg.

'Nou,' zei ik hardop tegen de lege schuur. 'Eens kijken wat we nog waard zijn.'

Ik kon niet meer uren achter elkaar staan. Mijn onderrug en mijn benen begonnen na twintig minuten te protesteren. Dus moest de schuur aangepast worden. Ik had via Marktplaats een zware, verstelbare kruk met wieltjes op de kop getikt. Ik haalde een oude werkbank leeg en zaagde met mijn cirkelzaag – waarbij ik mezelf dwong heel langzaam en uiterst geconcentreerd te werken – een stuk van de poten af. Zodat ik er zittend aan kon werken.

Het kostte me drie dagen om de werkbank te verlagen. Vroeger deed ik zoiets in twee uur. Nu moest ik na elke handeling gaan zitten om uit te rusten. Mijn rechterhand verkrampte snel, waardoor ik geregeld pauze moest nemen om mijn vingers te masseren. Maar op dinsdagmiddag zat ik op mijn kruk aan mijn verlaagde werkbank. Mijn gereedschap binnen handbereik.

Lars kwam uit school en liep door naar de schuur. Hij bleef in de deuropening staan. Hij keek naar de verlaagde werkbank en toen naar mij.

'Wat ga je maken, pap?' vroeg hij voorzichtig.

'Heb jij nog een kist nodig voor je lego?' vroeg ik terug.

Zijn gezicht klaarde op. 'Een hele grote?'

'Een kist van eikenhout,' zei ik. 'Met zwaluwstaartverbindingen. Geen schroeven, gewoon ouderwets vakwerk.'

We begonnen diezelfde middag. Ik liet Lars het hout aftekenen met een potlood en een winkelhaak. Ik legde hem uit hoe je rekening houdt met de dikte van het zaagblad. Als mijn hand begon te trillen, legde ik de beitel even neer en liet ik hem het hout vasthouden. Ik leerde hem hoe je met de nerf mee moet schaven, hoe het hout gaat zingen als je schaaf goed scherp is en er flinterdunne krullen vanaf rollen.

Het kappen van de zwaluwstaarten was een gevecht. Vroeger zette ik mijn beitel op de lijn en gaf drie droge klappen met de houten hamer. Klaar. Nu moest ik de beitel met mijn linkerhand sturen en met rechts heel beheerst tikken. Twee keer schoot ik uit en beschadigde ik het hout. Ik voelde de oude frustratie opborrelen in mijn keel. De neiging om de hele zooi door het raam te keilen.

Ik keek naar Lars. Hij zat op een houten kratje geboeid te kijken naar het houtstof op zijn schoenen. 'Even ademhalen pap,' zei hij opeens wijs. 'Zoals die meneer van de fysio zei.'

Ik moest lachen. Een schorre, bevrijdende lach. De kleine wijsneus had gelijk. Ik legde de hamer neer, haalde diep adem door mijn neus en schudde mijn arm los. Daarna pakte ik het hout, schuurde het foutje voorzichtig weg en zette de beitel opnieuw op de lijn.

Het duurde drie weken voor de legokist af was. Maar toen hij in de bijenwas stond en glansde in het middaglicht, was hij perfect. De hoeken sloten naadloos op elkaar aan. Lars streek over het gladde hout.

'Mooi hè,' zei ik.

'Keihard,' zei Lars trots. 'Door ons gemaakt.'

Ik keek naar mijn hand. Die voelde nog steeds aan als verdoofd rubber. Maar die hand had wel mooi dit stuk hout gevormd. Niet meer zo snel als vroeger. Niet meer zo achteloos. Maar het stond er wel.

Hoofdstuk 7

De nieuwe maat

Ik ben nu vierenveertig. Twee jaar na die novemberochtend waarop ik mijn hamer liet vallen. Mijn leven ziet er totaal anders uit dan ik ooit had gedacht, maar het is niet het zwarte gat geworden waar ik op de vloer van de overloop zo bang voor was.

Ik werk weer, maar niet meer op de steiger. Ik werk twintig uur per week op het kantoor van een middelgroot aannemersbedrijf in Amersfoort. Ik maak werktekeningen en calculaties voor renovaties. Ik zit achter een computer met een speciale, ergonomische muis die ik met links bedien als mijn rechterhand moe wordt. De baas is tevreden. Hij heeft niks aan mijn benen, maar wel aan mijn twintig jaar praktijkervaring. Ik zie op een tekening binnen twee tellen of een draagbalk te krap bemeten is, iets wat jonge jongens die net van de opleiding komen vaak over het hoofd zien.

Eén middag in de week geef ik les op het praktijkonderwijs. Houtbewerking voor jongens en meiden die met hun handen willen werken. Ik sta voor de klas met mijn wandelstok binnen handbereik. Als ik moet voordoen hoe je een kozijn in verstek zaagt, neem ik de tijd. Ik vertel ze niet dat ik MS heb, maar ze zien wel dat ik mank loop en trager beweeg. Vreemd genoeg hebben die brutale pubers daar juist respect voor. Ze zien een vakman die zich niet laat kisten.

Genezen ben ik niet. Elke zes maanden lig ik een ochtend in het Meander voor een infuus met medicijnen die mijn immuunsysteem platleggen. Dan zit ik vier uur lang op een luie stoel terwijl er een zakje vloeistof in mijn arm druppelt. De dagen erna voel ik me alsof ik ben overreden door een vrachtwagen. Spierpijn, misselijkheid, loodzware vermoeidheid. Dan lig ik op de bank en doe ik niks.

Sandra en ik hebben moeten leren omgaan met de nieuwe Dennis. We maken nog steeds ruzie, net als vroeger. Soms over onbenullige dingen, soms over mijn grenzen. 'Je moet stoppen,' zegt ze dan als ik te lang in de schuur sta te rommelen. 'Je sleept weer met je poot.' Vroeger werd ik dan woedend. Nu weet ik dat het geen betutteling is, maar bezorgdheid. Ik knik dan, ruim mijn spullen op en ga naar binnen.

Vanavond hebben we vrienden te eten. Ik sta in de keuken en schil aardappels. Vroeger deed ik dat in een vloek en een zucht. Nu doe ik het met een aangepast dunschillermes met een dik handvat van zacht rubber. Het gaat langzaam. De schillen zijn wat dikker dan normaal. Maar de aardappels worden schoon.

Lars rent door de keuken naar de tuin. Hij is gegroeid, zijn benen worden lang en slungelig. Hij gooit een voetbal tegen de schuurdeur. 'Niet tegen het raam, Lars!' roep ik uit gewoonte.

In de woonkamer staat de eettafel. Die heb ik de afgelopen maanden gemaakt. Massief eikenhout, twee meter twintig lang, zwaar genoeg om een storm te doorstaan. Er zitten honderden uren werk in. Elke plank is met de hand geschaafd en geschuurd. Als je heel goed kijkt, zie je hier en daar een kleine onregelmatigheid. Een zaagsnede die een millimeter afwijkt van de perfecte lijn. Vroeger had ik die plank weggegooid. Nu heb ik hem laten zitten. Het hoort erbij. Het laat zien dat er aan gewerkt is, met moeite en volharding.

Ik veeg mijn handen af aan een theedoek en loop naar de eettafel. Ik leg mijn handpalm plat op het gelakte blad. Het hout voelt koel en stevig aan onder mijn doffe vingers. Ik voel de nerven, de noesten, de littekens in het eikenhout.

Ik heb de oorlog tegen de MS niet gewonnen. Die oorlog kun je niet winnen, want de vijand zit in mijn eigen bloed. Hij kan morgen toeslaan, over een maand, of pas over tien jaar. Ik weet niet hoe ik erbij zit als ik vijftig ben. Misschien zit ik dan toch in die rolstoel. Misschien kan ik mijn eigen veters dan niet meer strikken.

Maar vandaag kan ik het wel. Vandaag heb ik gewerkt. Vandaag heb ik hout bewerkt. Vandaag eet mijn gezin aan een tafel die ik met mijn eigen, gebroken handen heb gebouwd.

Het grote geluk zit niet in het winnen van de oorlog. Het zit in het vieren van de kleine overwinningen op een gewone zaterdagmiddag. Ik pak de schaal met aardappels op, loop met een rustige, ietwat slepende pas naar het fornuis en draai het gas open.