Naar de inhoud
Terug naar het boek

Psychische gezondheid

De fles in de keukenkast

Dit boek gaat over psychische klachten. Zoek hulp als het onderwerp je raakt.

Hoofdstuk 1

De fles in de keukenkast

Mijn dochter vond de fles toen ze hagelslag zocht.

‘Sinds wanneer staat wijn naast het ontbijt?’

Ik stond met mijn rug naar haar toe. Het brood sprong uit de rooster. Ik schrok zo hard dat mijn mes op de tegels viel.

‘Dat is voor de saus.’

Lotte draaide de fles om. Wodka. Geen wijn. Ze was dertien, geen kleuter.

‘Welke saus?’

‘Zet nou maar terug.’

Mijn stem klonk harder dan ik wilde. Ze zette de fles naast mijn bord. Daarna pakte ze haar fietssleutel. Haar boterham bleef liggen.

‘Ik eet op school.’

De voordeur sloeg niet dicht. Dat was erger. Ze trok hem voorzichtig achter zich aan, alsof er iemand ziek lag.

Ik heet Noor van Dijk. Ik was achtendertig en woonde met Lotte in een huurhuis in Amersfoort, vlak bij station Schothorst. Drie dagen per week werkte ik achter de balie van een bibliotheek. Ik kon mensen helpen met zoekgeraakte boeken, kapotte wachtwoorden en formulieren die niemand begreep. Mijn eigen post schoof ik onder de fruitschaal.

De fles stond daar sinds november. Het was inmiddels maart.

Eerst dronk ik alleen op vrijdag. Daarna ook op dinsdag, omdat woensdag mijn vrije dag was. Vervolgens maakte de dag niet meer uit. Ik dronk om het lawaai in mijn hoofd zachter te krijgen. Gedachten over geld. Over fouten op mijn werk. Over Lotte, die ik vast beschadigde zonder het te merken. Over mijn moeder, die twee jaar eerder was overleden en die ik tijdens haar laatste opname niet iedere dag had bezocht.

Overdag hield ik mijn handen bezig. ’s Nachts begon alles opnieuw.

Die ochtend had ik de fles willen wegzetten voordat Lotte beneden kwam. Ik had de tijd verkeerd ingeschat. Dat gebeurde steeds vaker.

Mijn telefoon trilde naast de broodrooster. Bas, mijn teamleider.

Waar blijf je? Je zou openen.

Ik keek naar de klok. Negen over negen.

Mijn dienst begon om half negen.

Ik typte dat mijn fietsband lek was. Daarna trok ik mijn jas aan over mijn slaapshirt. Bij de kapstok merkte ik het pas. Ik bleef staan met één arm in mijn mouw.

Mijn hart sloeg snel. De gang leek smaller te worden. Ik kon de voordeur zien, maar er niet naartoe lopen. Mijn vingers tintelden. Ik dacht dat ik zou flauwvallen en dat Lotte mij na school zou vinden.

Ik ging op de onderste traptrede zitten.

Bas belde. Ik liet hem bellen.

Na de vierde keer nam ik op.

‘Noor?’

‘Ik ben ziek.’

‘Dat hoor ik. Ben je alleen?’

Ik wilde zeggen dat hij zich er niet mee moest bemoeien. In plaats daarvan begon ik te huilen. Zonder aanloop. Met geluiden die ik niet herkende.

Bas zei weinig. Hij vroeg of ik de deur op slot had. Of ik iemand kon bellen. Of ik mijn huisarts wilde spreken.

‘Het gaat zo wel weer.’

‘Misschien. Maar nu gaat het niet.’

Hij zou de opening regelen. Ik moest hem later laten weten of ik iemand had bereikt. Geen uitleg. Geen verslag. Alleen een bericht.

Na het gesprek liep ik naar de keuken. De fles stond nog naast mijn bord. Ik pakte hem vast en voelde direct opluchting. Alleen het gewicht al. Dat maakte me bang.

Ik zette hem terug.

Daarna belde ik mijn zus Eva. Zij woonde in Leusden en nam meestal pas na drie pogingen op. Nu hoorde ik haar meteen.

‘Wat is er?’

‘Kun je komen?’

‘Is er iets met Lotte?’

‘Met mij.’

Er viel een stilte.

‘Ik ben er over twintig minuten.’

Ik wilde opruimen voordat ze kwam. De fles weg. De ongeopende enveloppen weg. Het beschimmelde bakje achter in de koelkast weg. Ik kwam niet verder dan het aanrecht afnemen. Steeds dezelfde plek.

Eva trof me daar aan, met een nat doekje in mijn hand.

Ze keek naar de fles. Toen naar mij.

‘Hoe lang?’

‘Het valt mee.’

Ze trok een stoel naar achteren, maar ging niet zitten.

‘Noor. Hoe lang?’

Ik begon over slecht slapen. Over drukte. Over mijn moeder. Ik hoorde mezelf zinnen maken waarin het belangrijkste ontbrak.

Eva wachtte.

Uiteindelijk zei ik: ‘Gisteren hoopte ik dat ik niet wakker zou worden.’

Ze keek niet weg. Ze pakte mijn telefoon van tafel.

‘Dan bellen we nu de huisarts.’

Hoofdstuk 2

Niet alleen naar huis

In de wachtkamer zat een man met een doosje eieren op schoot. Ik bleef ernaar kijken. Tien bruine eieren, vastgezet met een elastiek. Hij kon blijkbaar een afspraak bij de dokter combineren met boodschappen. Voor mij was mijn jas dichtritsen al een onderneming geweest.

Eva zat naast me. Ze had mijn telefoon in haar tas. Op mijn verzoek. Ik was bang dat Bas zou bellen of Lotte zou vragen waar de kaas lag.

Huisarts Meijer haalde ons zelf op.

‘Wil je je zus erbij houden?’

Ik knikte.

Hij vroeg wat er gebeurd was. Ik vertelde over de gang. Mijn hart. Mijn handen. Ik probeerde het gesprek daar te houden. Een lichamelijke storing leek me overzichtelijker.

Eva zei niets, maar ik voelde haar naast me zitten.

‘Ik drink ook te veel,’ zei ik.

‘Hoeveel is te veel?’

Ik noemde eerst minder dan ik dronk. Daarna keek ik naar mijn schoenen en verbeterde mezelf. Meijer vroeg wanneer ik voor het laatst gedronken had. Of ik eerder had geprobeerd te stoppen. Of ik dan ging zweten, trillen of andere klachten kreeg.

‘Soms trillen mijn handen. Ik dacht dat het spanning was.’

‘Dat kan meerdere oorzaken hebben. We moeten het drinken zorgvuldig beoordelen. Niet op eigen houtje abrupt stoppen als je lichaam eraan gewend is.’

Hij stelde concrete vragen. Geen preek. Daardoor kon ik minder makkelijk ontsnappen.

Toen vroeg hij of ik aan de dood dacht.

‘Niet echt.’

Eva verschoof op haar stoel.

‘Wel,’ zei ik. ‘Maar ik heb niets gedaan.’

‘Heb je plannen gemaakt om jezelf iets aan te doen?’

‘Nee.’

‘Ben je bang dat dat vandaag kan veranderen?’

Ik wilde automatisch nee zeggen. Mijn mond stond al klaar.

‘Ik weet het niet.’

Meijer schoof zijn toetsenbord opzij. Hij legde uit dat hij de crisisdienst wilde raadplegen. Samen konden ze beoordelen welke hulp ik nu nodig had. Het betekende niet vanzelf dat ik opgenomen moest worden.

Dat laatste had hij goed geraden. Ik zag al een afgesloten deur voor me. Lotte die bij haar vader hoorde dat haar moeder weg was. Mensen die over mij praatten terwijl ik niets mocht zeggen.

‘Mag ik nog wel voor mijn dochter zorgen?’

‘We gaan kijken hoe jullie allebei veilig kunnen zijn. Hulp vragen maakt je niet automatisch een slechte ouder.’

Ik begon weer te huilen. Dit keer stil.

Twee uur later zat ik in een andere kamer tegenover verpleegkundige Samira. Ze had mijn woorden op papier, maar vroeg ze opnieuw. Ik werd daar eerst boos om.

‘Moet ik alles blijven herhalen?’

‘Vandaag helaas een deel wel. Ik wil het van jou horen.’

Ze vroeg niet of ik beloofde nooit iets te doen. Ze vroeg wie er bij me kon blijven. Wat een slechte avond erger maakte. Wie ik werkelijk zou bellen, niet wie ik sociaal wenselijk op een lijstje zette.

‘Eva,’ zei ik.

‘En als Eva niet opneemt?’

Daar had ik geen antwoord op.

We maakten een plan. Eva zou voorlopig bij mij slapen. Ik kreeg een afspraak voor de volgende dag en nummers voor hulp buiten kantooruren. Bij direct gevaar moesten we 112 bellen. Meijer zou met verslavingszorg overleggen over veilig minderen of stoppen en de begeleiding daarbij.

‘Je hoeft dit niet zelf uit te zoeken,’ zei Samira. ‘Maar we hebben wel eerlijke informatie nodig.’

Dat klonk moeilijker dan alle formulieren samen.

Op de parkeerplaats belde ik Jeroen, de vader van Lotte. We waren vijf jaar uit elkaar. Onze gesprekken gingen meestal over gymkleren en vakantieweken.

‘Kun je Lotte een paar nachten bij je nemen?’

‘Waarom?’

‘Ik ben niet goed. Psychisch. En ik drink te veel.’

Hij zweeg zo lang dat ik dacht dat de verbinding weg was.

‘Heeft ze dat gezien?’

‘Ja.’

‘Verdomme, Noor.’

Ik klemde mijn vingers om de rand van mijn jaszak.

‘Ik weet het.’

Hij haalde adem.

‘Ik haal haar op. Maar we gaan hier nog over praten.’

Thuis stopte ik Lottes kleren in haar sporttas. Ik wist niet welke trui ze wilde. Ik kende haar favoriete ontbijt, haar rooster, de naam van het meisje met wie ze ruzie had. Toch stond ik hulpeloos voor haar kast.

Toen ze thuiskwam, keek ze eerst naar Eva.

‘Ga je dood?’ vroeg ze.

Ik ging op haar bed zitten, niet te dicht bij haar.

‘Ik krijg hulp omdat het niet goed gaat. Papa zorgt nu een paar dagen voor je.’

‘Dat vroeg ik niet.’

Ik slikte.

‘Ik ben nu veilig. En ik blijf hier niet alleen.’

Hoofdstuk 3

De uren zonder haar

De eerste avond zonder Lotte zette ik drie borden op tafel. Eva wees naar het lege bord. Ik zette het terug in de kast en werd kwaad omdat de borden niet netjes op elkaar stonden.

‘Laat mij maar,’ zei Eva.

‘Ik kan nog wel een bord opruimen.’

Ze liet haar handen zakken.

We aten pasta uit diepe kommen. Ik proefde vooral zout. Om zeven uur keek ik naar de klok. Om zeven over zeven opnieuw.

Normaal begon rond die tijd het onderhandelen. Eerst de afwas. Dan mocht ik drinken. Of eerst controleren of Lotte huiswerk had. Of alleen vandaag, omdat vandaag uitzonderlijk zwaar was.

Nu zat mijn zus tegenover me. Er lag een afsprakenblad op tafel. De fles was niet meer in de keukenkast. Met mijn toestemming had Eva de alcohol uit huis gehaald, nadat we met de arts hadden besproken hoe het stoppen begeleid zou worden.

Dat gaf geen rust. Ik wist ineens precies welke winkels nog open waren.

De volgende ochtend gingen we naar een verpleegkundige van de verslavingszorg in Amersfoort. Hij heette Daan en droeg schoenen met felgroene veters. Hij controleerde mijn lichamelijke toestand en besprak met de arts welke begeleiding nodig was. Er kwamen dagelijkse contactmomenten voor de eerste dagen. Eva bleef. Bij bepaalde klachten moesten we direct bellen.

Ik vond het vernederend dat iemand moest uitleggen wanneer ik medische hulp nodig had. Tegelijk was ik opgelucht dat ik niet zelf hoefde te gokken.

‘Ben ik nu alcoholist?’ vroeg ik.

Daan keek op van zijn aantekeningen.

‘Helpt dat woord jou vandaag?’

‘Ik wil weten hoe erg het is.’

‘Erg genoeg om serieus te nemen. Dat weten we al.’

Ik had gehoopt op een meetlat. Iets waarop ik nog net aan de goede kant stond.

De dagen erna sliep ik slecht. Mijn lijf werd gecontroleerd. Mijn hoofd bleef zoeken naar een uitweg. Ik liep door het huis en zag overal werk dat ik niet aankon. Kruimels onder de tafel. Een los stopcontact. Een brief van de zorgverzekeraar.

Eva stelde voor samen de post te openen.

‘Niet vandaag.’

‘Wanneer dan?’

‘Je bent mijn moeder niet.’

Ze legde de envelop neer.

‘Nee. En ik kan hier ook niet onbeperkt blijven.’

Ik hoorde alleen het laatste. In mijn hoofd werd het meteen: zelfs zij wil weg.

Ik liep naar boven en sloeg de slaapkamerdeur dicht. Daarna schaamde ik me. Die schaamte maakte dat ik niet terug durfde.

Na een halfuur klopte Eva.

‘Ik ga morgenmiddag naar huis om te werken. ’s Avonds kom ik terug. Dat bedoelde ik.’

Ik zat op de vloer naast mijn bed.

‘Ik hoor steeds iets anders dan mensen zeggen.’

‘Vraag het dan. Ik kan niet iedere zin zo maken dat jij er niets pijnlijks in vindt.’

Dat was hard. Het was ook waar.

Op donderdag belde Lotte vanuit Jeroens woonkamer. Achter haar hoorde ik zijn nieuwe partner, Kim, een lade dichtdoen.

‘Mijn blauwe vest ligt nog bij jou.’

‘Ik kan het brengen.’

‘Papa haalt het wel.’

Ik beet op de binnenkant van mijn wang.

‘Hoe was school?’

‘Goed.’

‘En die toets?’

‘Ook.’

We hadden niets meer. Ik wilde haar vragen of ze me miste. Ik deed het niet. Zij hoefde mij niet op te beuren.

Na het gesprek belde ik Samira via het afgesproken nummer. Ik vertelde dat ik weer dacht dat iedereen beter af was zonder mij. Ze vroeg door. Ik vertelde ook dat ik geen plan had en niet alleen was.

‘Wat gebeurde er vlak voordat die gedachte kwam?’

‘Mijn dochter wilde haar vest.’

Hardop hoorde ik hoe klein dat klonk. Samira maakte het niet klein. We spraken af wat ik die avond nodig had en wanneer ik opnieuw moest bellen.

Later zette Eva thee naast me.

‘Wil je televisie?’

‘Nee.’

‘Praten?’

‘Ook niet.’

Ze pakte een boek en ging in de andere stoel zitten.

Voor het eerst die week hoefde ik niet uit te leggen waarom ik niets kon. We zaten daar tot halfelf. Ik dronk koude thee. Eva sloeg bladzijden om.

De volgende ochtend maakte ik zelf een afspraak voor het vervolg bij de praktijkondersteuner. Ik schreef hem in mijn agenda, inclusief het adres, hoewel ik de weg kende.

Daarna stuurde ik Bas één bericht: ik ben nog ziek, maar er is hulp.

Ik bleef naar het scherm kijken tot hij antwoordde.

Dank je. Zorg eerst daarvoor.

Hoofdstuk 4

De stoel bij het raam

Drie weken later zat ik bij praktijkondersteuner Marieke. Haar kamer keek uit op een parkeerplaats. Tijdens ons eerste gesprek telde ik hoeveel automobilisten achteruit inparkeerden. Alles was beter dan haar aankijken.

Ze vroeg hoe een gewone dag eruitzag.

‘Ik sta op. Ik doe wat nodig is.’

‘Wat is dat precies?’

Ik haatte die vraag inmiddels. Precies betekende dat ik niet kon verdwijnen achter woorden als druk en moe.

Ik vertelde dat douchen soms pas om drie uur lukte. Dat ik berichten las maar niet beantwoordde. Dat ik in de supermarkt ineens vergat waarom ik daar was. Dat ik geen plezier voelde als Lotte een goed cijfer haalde, alleen opluchting dat er niet nog iets misging.

‘Dus ik ben ook nog ondankbaar.’

‘Dat is jouw conclusie. Niet de mijne.’

Samen met Meijer was vastgesteld dat ik depressieve klachten had, met veel angst. Het drinken had die problemen niet opgelost en op verschillende manieren erger gemaakt. Er kwam een verwijzing voor verdere behandeling. Daar zat wachttijd op. Tot die tijd sprak ik Marieke, bleef verslavingszorg betrokken en hield de huisarts contact.

Ik had op één verklaring gehoopt. Eén probleem met één behandeling. In plaats daarvan kreeg ik een agenda vol afspraken en een hoofd dat nog steeds om vier uur ’s nachts aanging.

Meijer besprak ook medicatie met me. Wat die mogelijk kon doen. Welke nadelen en bijwerkingen er konden zijn. Wanneer we zouden evalueren. Ik stelde dezelfde vraag drie keer.

‘Word ik dan iemand anders?’

Hij antwoordde drie keer zonder ongeduldig te worden.

Ik koos ervoor het te proberen. Niet omdat ik ineens vertrouwen had. Omdat niets doen me inmiddels ook bang maakte.

Lotte kwam weer een middag thuis. Jeroen bracht haar op zaterdag. Hij bleef in de gang staan met zijn autosleutel in zijn hand.

‘Ze slaapt voorlopig bij ons.’

‘Dat weet ik.’

‘En geen drank als ze hier is.’

‘Ook niet als ze er niet is.’

Hij keek me aan. Ik wilde dat hij me geloofde. Ik vond tegelijk dat hij daar nog geen reden voor had.

Lotte liep langs ons naar binnen.

We zouden pannenkoeken bakken. Vroeger vond ze dat leuk. Nu zat ze op het aanrecht met haar telefoon terwijl ik beslag klopte.

‘Je hoeft niet zo gezellig te doen,’ zei ze.

Mijn arm stopte.

‘Hoe bedoel je?’

‘Alsof het een kinderfeestje is.’

Ik zette de kom neer.

‘Ik weet niet goed hoe ik normaal moet doen.’

Ze legde haar telefoon met het scherm naar beneden.

‘Was je dronken toen je mijn presentatie vergat?’

De presentatie. Februari. Ze had over de Waddenzee verteld. Ouders mochten komen. Ik had gezegd dat mijn dienst was uitgelopen.

‘Ik had de avond ervoor gedronken. Veel. Ik was niet goed wakker geworden.’

Ze knikte langzaam.

‘Dus je werk was niet uitgelopen.’

‘Nee. Ik heb gelogen.’

Ik wilde meteen vertellen hoe beroerd ik me voelde. Hoe moeilijk alles was geweest. Ik hield mijn mond.

‘Ik heb bij de deur gewacht,’ zei ze.

Ik zag haar daar staan. Dat beeld kwam harder binnen dan ieder verwijt van Jeroen.

‘Het spijt me.’

Ze pakte haar telefoon weer op.

We aten twee aangebrande pannenkoeken. Daarna keek zij een serie en maakte ik de keuken schoon. Het was geen fijne middag. Toch bleef ze tot vijf uur.

Bij Marieke vertelde ik dat ik het had verpest.

‘Omdat ze boos was?’

‘Ze wilde nauwelijks praten.’

‘Ze heeft je iets verteld wat ze al weken bij zich droeg.’

Ik draaide de papieren zakdoek tussen mijn vingers tot hij scheurde.

Een week later had ik mijn eerste groepsgesprek bij verslavingszorg. Ik koos de stoel naast het raam, dicht bij de deur. Een man tegenover me heette Henk. Hij droeg een net overhemd en kneep voortdurend in een fietshandschoen.

‘Ik dacht altijd dat ik pas hulp nodig had als ik alles kwijt was,’ zei hij.

Ik keek op.

Toen ik aan de beurt was, vertelde ik over de fles tussen het ontbijt.

Niemand lachte. Niemand zei dat het bij hem veel erger was geweest.

Na afloop trok ik buiten mijn jas dicht. Henk stond zijn fiets los te maken.

‘Volgende week weer?’ vroeg hij.

Ik keek naar de bushalte.

‘Ja,’ zei ik. ‘Denk het wel.’

Hoofdstuk 5

Donderdag om vijf uur

Het ging zeven weken beter voordat ik weer dronk.

Beter betekende niet goed. Ik sliep vaker een paar uur achter elkaar. Ik at ontbijt. Lotte kwam twee middagen per week en was één nacht blijven slapen. Ik had met de bedrijfsarts gesproken over een voorzichtige terugkeer naar mijn werk. Bas stuurde geen hartjes of opgewekte spreuken. Hij stuurde het rooster en schreef dat we rustig zouden kijken wat haalbaar was.

Ik begon te denken dat iedereen overdreven bezorgd was geweest.

Die donderdag ging ik voor het eerst twee uur naar de bibliotheek. Geen baliedienst. Alleen teruggebrachte boeken sorteren met collega Fatima.

‘Fijn dat je er bent,’ zei ze.

Daarna gaf ze me een kar. Ik was haar dankbaar dat ze niet fluisterde.

Het eerste uur ging goed. Ik kende de codes nog. Ik wist waar de streekromans stonden. Mijn handen deden iets bruikbaars.

Toen vroeg een bezoeker of ik hem met een overheidsformulier kon helpen.

‘Ik haal even mijn collega,’ zei ik.

‘U hielp me vorige keer ook.’

Het was geen verwijt. Toch voelde ik mijn nek warm worden. Fatima nam het over. Ik zette een boek verkeerd terug en kon daarna niet meer onthouden welke plank ik had gecontroleerd.

Om twaalf uur ging ik naar huis. Ik glimlachte bij de uitgang. Buiten begon ik te trillen.

Thuis lag een rekening op de mat. Niet onverwacht. Wel hoger dan ik had onthouden. Ik schoof hem onder de fruitschaal. Toen zag ik wat ik deed en trok hem er weer onderuit.

Jeroen belde om drie uur. Lotte wilde dat weekend bij hem blijven. Er logeerde een vriendin in de buurt.

‘Prima,’ zei ik.

‘Weet je het zeker?’

‘Natuurlijk. Ze mag toch gewoon plannen hebben?’

Ik verbrak het gesprek te snel.

Om vier uur miste ik de oproep van Daan. Ik zag zijn naam op het scherm en legde mijn telefoon omgekeerd neer. Ik wilde niet vertellen dat twee uur boeken sorteren me had gesloopt.

Om vijf uur stond ik in de supermarkt. Ik had melk nodig. Dat was waar. Het was niet de hele waarheid.

Ik liep langs de drank en bleef staan.

Er volgde geen groot besluit. Geen dramatische gedachte. Ik legde een fles in mijn mandje en zette de melk ernaast.

Thuis schonk ik in voordat ik mijn jas uitdeed.

De eerste slokken brachten de rust waarop ik had gerekend. Dat is het lastige om eerlijk te vertellen. Het werkte even. Juist daarom had ik het zo vaak gedaan.

Daarna kwamen de schaamte en de haast. Ik moest de fles verbergen. Mijn adem verbergen. De tijd verbergen waarin ik niet reageerde.

Lotte belde om kwart over acht.

‘Mam, waar ligt mijn oplader?’

‘In die la. Naast de bank.’

‘Welke la?’

Ik antwoordde te langzaam.

‘Heb je gedronken?’

Ik keek naar mijn glas.

‘Ja.’

Ze zei niets.

‘Maar jij hoeft daar nu niets mee,’ zei ik snel. ‘Ik bel iemand.’

‘Je zei dat je gestopt was.’

‘Dat was ook zo.’

Het klonk als een truc. Misschien was het dat deels ook. Ik wilde het verschil uitleggen tussen al die weken en deze avond. Voor haar stond er weer een liegende moeder aan de telefoon.

‘Ik geef papa,’ zei ze.

Jeroen vroeg of ik alleen was. Ik zei ja. Hij vroeg wie ik ging bellen.

‘Eva.’

‘Doe dat nu. Ik bel je over tien minuten terug.’

Eva kwam niet meteen. Ze zat bij een ouderavond in Leusden.

‘Ik kan over een uur komen. Kun je tot die tijd iemand van je hulpverlening spreken?’

Mijn eerste reactie was woede. Daarna keek ik naar het afsprakenblad op de koelkast.

Ik belde het nummer dat we voor moeilijke avonden hadden afgesproken. Ik vertelde wat ik gedronken had, hoe ik me voelde en dat de gedachte aan niet meer wakker willen worden terug was. Er werd opnieuw met mij beoordeeld wat nodig was. Ik bleef niet alleen die nacht.

De volgende ochtend belde ik zelf Daan.

‘Ik heb alles verprutst.’

‘Je hebt gisteren gedronken,’ zei hij. ‘Laten we daarmee beginnen.’

We liepen de dag na. Niet alleen de supermarkt. Ook mijn werk. De rekening. Het telefoontje dat ik niet had opgenomen.

Hij vroeg waar ik eerder hulp had kunnen vragen.

Ik wist minstens drie momenten.

Dat was pijnlijker dan pech hebben. Het betekende ook dat er iets te veranderen viel.

Hoofdstuk 6

Geen geheime afspraken

Jeroen wilde een gesprek zonder Lotte. We spraken af in een koffiezaak bij station Amersfoort Centraal. Ik was tien minuten te vroeg en koos een tafel waar ik de ingang kon zien.

Hij bestelde koffie. Ik thee. Dat detail voelde belachelijk belangrijk.

‘Ik wil niet dat zij gaat controleren of jij gedronken hebt,’ zei hij.

‘Ik ook niet.’

‘Maar ze doet het wel. Ze ruikt aan je jas als je haar knuffelt.’

Ik keek naar het zakje suiker naast mijn glas.

‘Dat wist ik niet.’

‘Ze vraagt of ik mijn telefoon aanhoud als ze bij jou is.’

Mijn eerste impuls was mezelf verdedigen. Ik had hulp. Ik deed mijn best. Ik had niet iedere avond gedronken. Allemaal waar. Allemaal naast het punt.

‘Wat heeft ze nodig?’ vroeg ik.

‘Duidelijkheid. En geen beloftes die je niet kunt waarmaken.’

We maakten afspraken die we later met Lotte zouden bespreken. Haar vader bleef voorlopig haar vaste slaapadres. Bezoek bij mij bouwden we rustig op. Als ik had gedronken of niet goed genoeg was om voor haar te zorgen, zei ik dat zelf tegen Jeroen. Niet via haar. Zij hoefde geen geheimen te bewaren en mocht altijd weg willen.

‘Ik wil haar niet kwijt,’ zei ik.

‘Dan moeten we zorgen dat ze hier niet verantwoordelijk voor wordt.’

Ik was boos toen ik naar huis fietste. Niet omdat hij ongelijk had. Juist daarom.

In de groep vertelde ik dat iedereen mij behandelde alsof ik onbetrouwbaar was.

Henk keek naar zijn fietshandschoen.

‘Ik was ook onbetrouwbaar geworden,’ zei hij. ‘Dat vond ik iets anders dan een onbetrouwbaar mens zijn.’

Ik schreef die zin niet op. Ik vond hem irritant. Twee dagen later begreep ik wat hij bedoelde.

Eva kwam die zondag langs. Ze legde haar huissleutel op tafel.

‘Die houd ik graag voor noodgevallen. Maar ik ga niet iedere avond vragen hoe het gaat.’

Mijn maag trok samen.

‘Ben je er klaar mee?’

‘Met jou? Nee. Met nachtdiensten naast mijn werk? Ja.’

We keken elkaar aan.

‘Ik ben je zus,’ zei ze. ‘Ik wil ook weer over mijn eigen leven kunnen praten.’

Ik wist nauwelijks hoe het met haar ging. Haar zoon had een onderzoek in het ziekenhuis gehad. Ik had niet eens naar de uitslag gevraagd.

‘Vertel,’ zei ik.

Ze aarzelde, alsof ze moest controleren of ik het meende. Daarna vertelde ze twintig minuten. Ik luisterde. Soms dwaalden mijn gedachten af naar mezelf. Dan bracht ik ze terug.

Mijn behandeling begon een maand later bij een psycholoog in de stad. Ze heette Aïcha. We werkten aan mijn depressie, mijn angst en de manier waarop ik steeds alles probeerde te verbergen tot het onhoudbaar werd. Verslavingszorg bleef daarnaast betrokken. Met mijn toestemming stemden de behandelaren af.

Aïcha liet me een recente situatie uitschrijven. Wat er gebeurde. Wat ik dacht. Wat ik voelde. Wat ik vervolgens deed.

‘Dit weet ik allemaal al,’ zei ik.

‘Weten is niet hetzelfde als het op tijd herkennen.’

Daar had ik weinig tegenin te brengen.

We oefenden met kleine dingen. Een bericht beantwoorden zonder er tien minuten aan te schaven. Een rekening openen zodra hij kwam. Tegen Bas zeggen dat twee uur werken voorlopig genoeg was, ook als ik me die ochtend goed voelde.

Dat laatste voelde als luiheid.

De bedrijfsarts hielp een opbouwplan maken. Bas vroeg welke taken haalbaar waren. Ik vertelde hem niet alles over mijn behandeling. Dat hoefde ook niet. Ik vertelde wat hij nodig had om mijn werk te regelen.

Op een dinsdag vergat ik een stapel reserveringen. Fatima vond ze.

‘Die moeten nog,’ zei ze.

Mijn hart begon te bonzen. Ik wilde een excuus verzinnen.

‘Ik ben ze vergeten,’ zei ik. ‘Ik doe ze nu.’

Ze knikte en liep verder.

Dat was alles.

Die avond kwam Lotte eten. Gewone aardappels, sperziebonen en een vegetarische burger die aan de pan bleef plakken.

‘Mag de ketchup?’ vroeg ze.

Ik gaf de fles door.

Na het eten vroeg ik hoe het voor haar was om hier te zijn.

‘Soms fijn. Soms let ik steeds op je.’

‘Dat snap ik.’

‘Je zegt steeds dat ik dat niet hoef. Maar daarmee stopt het niet.’

‘Nee,’ zei ik. ‘Dat begrijp ik nu.’

Ik ruimde de borden af. Zij bleef aan tafel zitten en begon over een jongen uit haar klas.

Hoofdstuk 7

Een gewone sleutel

In september bleef Lotte weer een heel weekend. Niet omdat een behandelaar een stempel had gezet. We hadden het langzaam opgebouwd. Een avond. Een nacht. Nog een nacht. Ze had zelf gezegd dat ze het wilde proberen.

Vrijdag legde ze haar fietssleutel in het schaaltje bij de deur.

‘Ik ga morgen met Zoë naar de stad.’

‘Hoe laat?’

Ze zuchtte.

Die zucht stelde me gerust. Ik was weer even een moeder die lastige vragen stelde, niet alleen iemand om voorzichtig mee te zijn.

Ik werkte inmiddels drie ochtenden per week. Minder dan vroeger. Mijn loon was nog hetzelfde, maar ik wist dat langdurig ziek zijn ook financiële gevolgen kon krijgen. Samen met iemand van het wijkteam had ik mijn administratie uitgezocht. Er stonden betalingsafspraken in mijn agenda. De fruitschaal stond nu op een andere plek, maar dat was geen behandeling. Ik kon ook ergens anders post verstoppen. Daarom bleef ik de enveloppen openen.

Ik had sinds die donderdag niet meer gedronken. Vier maanden. Ik vertelde het zonder het woord voorgoed. Dat woord maakte me onrustig. Ik wilde niet iedere dag een belofte voor de rest van mijn leven moeten verdedigen.

Het verlangen was niet verdwenen. Soms kwam het heel precies. Om vijf uur. Na een moeilijke werkdag. Wanneer ik mezelf had vergeleken met een andere moeder die moeiteloos leek te leven.

Dan at ik iets, belde iemand of liep een afgesproken rondje. Niet als wondermiddel. Soms bleef ik de hele wandeling boos. Maar ik kwam thuis zonder onderweg drank te kopen. Dat was op zulke dagen genoeg.

Mijn somberheid was ook niet weg. Aïcha en ik keken regelmatig wat hielp en wat niet. De medicatie werd met de huisarts geëvalueerd. Ik sliep beter, maar had nog ochtenden waarop ik wakker werd met het gevoel dat ik iets verschrikkelijks vergeten was.

Het verschil was dat ik dat gevoel niet altijd meer als bewijs behandelde.

Zaterdagochtend bakte Lotte een ei. Ze zette het vuur te hoog. Ik zei er iets van. Zij zei dat ze het heus wel kon.

Even later rook de keuken naar verbrand vet.

‘Niks zeggen,’ zei ze.

Ik deed een raam open.

Terwijl ze at, zocht ik in de keukenkast naar een nieuw pak koffie. Achter de bloem lag een flessendop. Blauw plastic. Ik wist meteen waarvan.

Ik bleef ermee in mijn hand staan.

Lotte zag het.

‘Lag die daar nog?’

‘Blijkbaar.’

Mijn mond werd droog. Het verbaasde me hoe snel mijn lichaam reageerde. Vier maanden afspraken, gesprekken en niet drinken. Eén dop en ik wist weer precies hoe die eerste slokken hadden gevoeld.

‘Gaat het?’ vroeg ze.

Daar was het weer. Haar aandacht verschoof van haar ontbijt naar mijn gezicht.

‘Ik schrik ervan,’ zei ik. ‘Ik gooi hem weg. En als het blijft hangen, bel ik iemand van mijn lijst.’

Ze keek naar mijn telefoon op tafel.

‘Niet mij,’ zei ik.

‘Dat snap ik.’

Ze klonk scherp. Ik liet het zo. Niet ieder gesprek hoefde netjes te eindigen.

Ik gooide de dop in de afvalbak. Daarna schonk ik koffie in. Mijn hand trilde een beetje. Ik vertelde mezelf niet dat dat niets voorstelde.

Toen Lotte naar de stad was, belde ik Eva.

‘Ik heb geen crisis,’ zei ik. ‘Maar wel een rotmoment.’

‘Ik sta bij de bakker. Kun je vijf minuten wachten?’

‘Ja.’

En dat kon ik ook.

Ze belde terug terwijl ik de keukenkast leegmaakte. Ik vertelde over de dop. Zij vertelde dat haar fiets weer een lekke band had. Het ene gespreksonderwerp hoefde het andere niet uit te sluiten.

Na de lunch ging ik naar buiten. Bij station Schothorst stond ik voor de spoorbomen te wachten. Een jongen naast me tikte met zijn schoen tegen zijn voorwiel. Een trein reed voorbij. Ik voelde de wind tegen mijn jas.

Ik was niet ineens gelukkig. Ik had nog steeds een dochter die mij niet helemaal vertrouwde. Een zus die moe was geweest van mijn problemen. Werk dat ik voorzichtig moest opbouwen. Ik moest dingen herstellen waarvoor geen snelle zin bestond.

Maar die middag hoefde ik niets te verbergen.

Toen ik thuiskwam, lag er een bericht van Lotte.

Zoë blijft eten. Mag dat?

Ik keek in de koelkast. Er waren vier eieren, een halve komkommer en restjes rijst.

Ja, typte ik. Dan moet jij wel even langs de winkel.

Ze stuurde een boodschappenmandje terug.

Ik legde mijn telefoon neer en schoof de post van die ochtend naar me toe. Eén envelop. Mijn naam stond er duidelijk op.

Ik maakte hem open.