Liefde, relaties en gezin
De brief van mijn vader
Hoofdstuk 1
De brief van mijn vader
De brief lag onder de polis van de uitvaartverzekering. Een witte envelop, dichtgeplakt met een strook tape. Mijn naam stond erop in de hoekige letters die ik meteen herkende.
Noor.
Geen lieve Noor. Geen kus. Zelfs op een envelop hield mijn vader afstand.
Ik zat op de vloer van zijn werkkamer in Amersfoort. Het was de zaterdag na zijn begrafenis. Buiten trok iemand een kliko over de stoep. Beneden zette mijn man Joris koffie. Onze dochter Mila was bij zijn ouders.
Ik sneed de envelop open met de sleutel van mijn vaders huis.
‘Je moeder is niet weggegaan omdat ze niet meer van je hield.’
Meer las ik eerst niet.
Mijn vader was achtenzestig geworden. Een hartstilstand, midden in de Albert Heijn. Volgens de medewerker die mij belde, had hij nog een mandje in zijn hand gehad. Melk, brood, mandarijnen. Dingen die je koopt als je ervan uitgaat dat je thuiskomt.
Ik las de eerste zin opnieuw. Daarna de volgende.
‘Ik heb haar gevraagd weg te gaan. Later heb ik ervoor gezorgd dat ze niet terug kon komen. Haar brieven heb ik achtergehouden. Ik heb jou iets anders verteld.’
Mijn handen begonnen te zweten. Ik legde het papier neer, met de tekst naar beneden.
Ik was twaalf toen mijn moeder verdween. Op een dinsdag kwam ik uit school en stond haar fiets niet in de gang. Haar blauwe jas was weg. De kast aan haar kant van het bed hing open.
Mijn vader zat aan de keukentafel.
‘Mama wil een ander leven,’ had hij gezegd.
Ik had gevraagd of ik mee mocht.
‘Nee, Noor. Juist niet.’
Die woorden had ik zesentwintig jaar bij me gedragen. Bij schoolfeesten. Bij mijn eerste vriendje. Toen ik trouwde. Toen Mila geboren werd en ik bang was dat ik haar op een dag ineens niet meer zou willen.
Joris verscheen in de deuropening met twee mokken.
‘Wat heb je daar?’
Ik gaf hem de brief. Hij zette de koffie op het bureau en las staand. Halverwege keek hij naar mij. Daarna las hij verder.
‘Wist jij dit?’ vroeg ik.
‘Nee.’
‘Echt niet?’
Hij knielde naast me. ‘Noor. Nee.’
Ik trok de brief uit zijn hand. Er waren drie bladzijden. Mijn vader schreef dat mijn moeder jarenlang contact had gezocht. Dat hij haar bij school had weggestuurd. Dat hij tegen mij had gezegd dat ze niet belde, terwijl hij soms zelf de telefoon uit het stopcontact trok.
Op de tweede bladzijde stond: ‘Ik vond dat jij bij mij hoorde. Ik wilde niet ook nog jou verliezen.’
‘Ook nog,’ zei ik hardop. ‘Alsof zij een jas had meegenomen.’
Joris zei niets.
Onderaan de laatste bladzijde stond een naam en een adres.
Ria van Dijk. Een straat in Zwolle.
Mijn moeder heette Ria. Van Dijk was haar meisjesnaam. Ik had die naam sinds mijn twaalfde bijna niet meer gebruikt. Bij ons thuis was ze later alleen nog “je moeder”. Meestal uitgesproken met een zucht.
‘Vorig jaar heb ik laten uitzoeken waar ze woont,’ schreef hij. ‘Ik wilde haar vragen met mij te praten. Ik heb het niet gedaan. Ik weet niet of ze daar nog woont.’
Er zat een klein sleuteltje bij de brief. Volgens de laatste regels paste het op het metalen geldkistje onder in zijn kledingkast. Daarin lagen haar brieven.
Ik liep naar de slaapkamer. Joris bleef bij de deur staan terwijl ik het kistje op het bed zette.
Er lagen zeventien enveloppen in. Sommige waren open. Andere niet. Op de bovenste stond een datum van drie maanden na haar vertrek.
‘Mijn lieve Noor,’ las ik. ‘Ik was vrijdag bij het hek. Je droeg je groene regenjas. Ik wilde naar je toe, maar je vader stond naast je.’
Ik herinnerde me die jas. Ook die vrijdag. Mijn vader had mijn arm zo stevig vastgehouden dat ik had gezegd dat het pijn deed.
Hij had geantwoord dat ik niet zo moest trekken.
‘We hoeven vandaag niets te beslissen,’ zei Joris.
Ik keek naar de stapel enveloppen. Mijn moeder had mijn naam geschreven. Steeds opnieuw. Ik had haar handschrift niet eens meer herkend.
Beneden liep ik naar het aanrecht. Daar zette ik de koffie neer die ik ongemerkt had meegenomen.
‘Ik ga naar Zwolle,’ zei ik.
‘Wanneer?’
Ik pakte mijn jas van de kapstok waar vroeger de hare had gehangen.
‘Nu.’
Hoofdstuk 2
Voor haar deur
Joris reed. Ik had geprotesteerd, maar toen ik de autosleutel in het contact wilde steken, raakte ik drie keer het plastic ernaast. Hij had zijn hand uitgestoken. Ik had hem de sleutel gegeven.
Op de A28 hield ik het briefje met het adres op mijn knie. Ik had mijn moeder jarenlang niet gezocht. Dat had ik een bewuste keuze genoemd. Ze wist waar ik woonde, zei ik altijd. Zij was vertrokken. Zij moest terugkomen.
Nu schaamde ik me voor die stelligheid. Meteen daarna werd ik boos omdat zelfs dat er nog bij moest.
‘Misschien klopt het adres niet,’ zei Joris.
‘Dan zoeken we verder.’
‘En als ze niet wil praten?’
Ik draaide mijn hoofd naar het raam. ‘Dan zegt ze dat tenminste zelf.’
Het huis stond in een rustige straat in Zwolle-Zuid. Een rijtjeshuis met een kleine voortuin. Tegen de gevel stonden twee fietsen. Op de vensterbank lagen boeken naast een pot met een uitgedroogde plant.
Er was geen enkele reden waarom mijn moeder niet gewoon in zo’n huis zou wonen. Toch had ik iets anders verwacht. Een plek waaraan je kon zien dat iemand haar dochter kwijt was.
Joris parkeerde aan de overkant.
‘Wil je dat ik meeloop?’
‘Blijf maar hier.’
Ik bleef lang voor de voordeur staan. Door het raam hoorde ik een stofzuiger. Iemand was bezig met een gewone zaterdag. Ik drukte op de bel.
De stofzuiger stopte.
Een vrouw deed open. Grijs haar tot haar kin. Een bril aan een koordje. Ze droeg een donkerblauwe trui met een vlek op de mouw.
Ik herkende eerst haar mond.
‘Noor?’
Ik had niets hoeven zeggen.
Ze greep de deurpost vast. Haar adem kwam hoorbaar naar binnen. Ze zette een stap naar me toe en stopte toen.
‘Mag ik je aanraken?’ vroeg ze.
‘Nee.’
Het woord kwam hard naar buiten. Ze knikte meteen.
‘Goed. Natuurlijk.’
Ik hield de brief omhoog.
‘Hij is dood.’
Ze keek naar het papier, niet naar mijn gezicht.
‘Wanneer?’
‘Vorige week.’
‘O.’
Geen opluchting. Geen verdriet dat ik kon herkennen. Ze trok haar bril af en hield hem in haar vuist.
‘Wil je binnenkomen?’
In de gang rook het naar wasmiddel. Aan een haak hing een rode regenjas. Mijn ogen bleven eraan hangen.
De woonkamer was klein. Op tafel stonden een boterham en een glas melk. Naast de bank lag de stofzuigerslang. Er hingen foto’s aan de muur. Mijn moeder met een jonge man op een strand. Mijn moeder bij een diploma-uitreiking. Diezelfde man als kind, met een ontbrekende voortand.
‘Wie is dat?’ vroeg ik.
‘Daan. Mijn zoon.’
Ik keek naar haar.
‘Hoe oud?’
‘Vierentwintig.’
Ik rekende. Twee jaar na mijn vertrek uit haar leven was er een nieuw kind gekomen.
‘Dat ging snel.’
Ze kromp niet ineen. Dat maakte me nog bozer.
‘Ik begrijp dat je dat zegt,’ antwoordde ze. ‘Maar ik wil je geen haastig antwoord geven dat niet klopt.’
‘Begin dan met een langzaam antwoord.’
Ze ging niet zitten voordat ik zat. Ik koos de stoel bij het raam. Joris was zichtbaar in de auto. Hij keek niet naar het huis, maar naar zijn telefoon.
Mijn moeder las de brief. Haar lippen bewogen bij sommige zinnen. Op de tweede bladzijde legde ze haar hand plat op tafel.
‘Hij schrijft dat hij me gevraagd heeft weg te gaan,’ zei ze.
‘Ja.’
‘Hij heeft me die avond buitengezet. Mijn tas heeft hij achter me aan gegooid.’
Ik hoorde een brommer door de straat rijden. Daarna alleen de koelkast.
‘Waarom heb je mij niet meegenomen?’
‘Je was op school. Ik ben de volgende ochtend teruggegaan. Hij liet me niet binnen.’
‘En toen dacht je: laat maar?’
‘Nee.’
Ze stond op en pakte een map uit een kast. Er zaten brieven van een advocaat in. Kopieën. Afspraken. Een vergeelde notitie met mijn schooltijden.
‘Ik heb gevochten,’ zei ze. ‘Niet goed genoeg. Niet lang genoeg. Maar ik heb het geprobeerd.’
Ik duwde de map weg.
‘Dat is nog geen antwoord.’
Ze knikte. Haar handen lagen stil naast de map.
‘Dat weet ik.’
Hoofdstuk 3
Wat zij niet deed
Mijn moeder vroeg of ik thee wilde. Ik zei nee. Ze zette toch water op, voor zichzelf. Ik was opgelucht dat ze even iets anders deed dan naar me kijken.
‘Vertel het op volgorde,’ zei ik toen ze terugkwam. ‘Niet alleen de stukken waarin hij fout zat.’
Ze trok de stoel naar achteren en ging zitten.
Ze vertelde over geld. Mijn vader beheerde de rekening. Zij kreeg huishoudgeld. Als het op was, moest ze de bonnetjes laten zien. Ze vertelde over deuren waar hij voor ging staan. Over nachten waarin hij bleef praten tot ze toegaf dat een ruzie haar schuld was.
Ik kende delen daarvan. Alleen had ik ze anders opgeslagen.
Mijn moeder die huilde om niets. Mijn vader die rustig bleef. Mijn moeder die naar boven vluchtte. Mijn vader die tegen mij zei dat zij slecht tegen kritiek kon.
‘Hij heeft me twee keer geslagen,’ zei ze. ‘Maar daarbuiten was ik ook bang.’
Ik keek naar de map. ‘Dat heb ik nooit gezien.’
‘Nee.’
Ze zei niet dat ik beter had moeten kijken.
Na haar vertrek sliep ze bij een collega. Daarna huurde ze een kamer in Deventer. Ze vond een advocaat via het Juridisch Loket. Er kwamen afspraken over contact. Mijn vader zei dat ik ziek was. Dat ik niet wilde. Dat mijn moeder me van streek maakte.
‘Ik wilde wel,’ zei ik.
‘Dat weet ik nu.’
‘Toen ook. Je had dat toen moeten weten.’
Ze boog haar hoofd.
In de map zat een verslag van een gemiste afspraak. Ik moest op woensdagmiddag naar haar toe. Mijn vader had mij meegenomen naar de dierentuin. Ik herinnerde me die dag. Ik had een knuffel gekregen uit de souvenirwinkel.
Ik liet het papier vallen.
‘Hij zei dat je niet was komen opdagen.’
Mijn moeder kneep haar handen in elkaar. Ze bleef wachten tot ik weer opkeek.
Na een jaar raakte ze haar werk kwijt. Ze sliep nauwelijks. Een huisarts verwees haar door. Een paar weken verbleef ze op een crisisafdeling. In die periode stopten de afspraken met de advocaat.
‘En daarna?’ vroeg ik.
‘Daarna werd ik beter. Langzaam.’
‘Maar je kwam niet.’
‘Ik schreef. Ik belde soms.’
‘Brieven zijn geen moeder.’
‘Nee.’
Dat eenvoudige antwoord ergerde me. Ik wilde dat ze zichzelf verdedigde. Dan kon ik harder worden. Dan hoefde ik niet te zien dat ze het met me eens was.
Ze ontmoette Paul toen ze in Deventer woonde. Hij werkte bij een fietsenzaak. Daan was niet gepland. Paul en zij gingen uit elkaar toen Daan zes was. Ze hadden nog steeds normaal contact.
‘Je kon dus wel een kind opvoeden.’
‘Ja.’
‘Behalve mij.’
Haar gezicht vertrok. Ze veegde met haar duim onder haar oog.
‘Bij Daan hoefde ik niet langs je vader. Dat maakte alles anders. Maar dat maakt mijn keuzes tegenover jou niet goed.’
Ze vertelde dat ze minder was gaan schrijven toen ik zestien werd. De laatste brief was van kort na mijn achttiende verjaardag. Ze had gehoopt dat ik zelf zou komen zoeken. Later had ze die hoop gebruikt om niets meer te hoeven doen.
‘Dat was laf,’ zei ze. ‘En ik schaamde me. Hoe langer ik wachtte, hoe groter het werd.’
Ik stond op. Mijn benen waren stijf.
‘Ik ben achtendertig. Je hebt twintig jaar gehad waarin hij niets meer over mij te zeggen had.’
‘Ja.’
‘Ik had je nodig toen Mila geboren werd.’
Ze keek op. ‘Je hebt een dochter?’
Daar ging ik alsnog huilen. Niet rustig. Ik kreeg geen hele zin meer uit mijn mond. Mijn moeder schoof de doos tissues naar me toe. Ze bleef van me af.
Na een tijdje liep ik naar buiten om Joris te halen. Hij stapte meteen uit.
‘Gaat het?’ vroeg hij.
‘Nee. Maar ik wil nog niet weg.’
Hij liep met mij naar binnen. Mijn moeder gaf hem een hand. Ze vroeg hoe oud Mila was.
‘Tien,’ zei ik.
Ze knikte alsof ze dat getal moest onthouden voor een toets.
Toen we later vertrokken, gaf ze me haar telefoonnummer. Ze schreef het op een kassabon.
‘Ik zal niet zomaar bellen,’ zei ze.
Ik vouwde de bon dubbel.
‘Dat moet je juist niet beloven,’ zei ik. ‘Dat heb je al te lang niet gedaan.’
Hoofdstuk 4
Thuis blijft het niet stil
Maandag lag er een stapel schone was op ons bed. Joris stond sokken te koppelen toen ik de slaapkamer binnenkwam. Ik had die dag drie keer dezelfde mail gelezen op mijn werk. Daarna had ik me ziek gemeld.
‘Heeft ze gebeld?’ vroeg hij.
‘Een bericht gestuurd.’
Mijn moeder had geschreven dat ze blij was dat ik gekomen was. Daarna: ‘Dat klinkt verkeerd. Ik weet dat het voor jou niet blij was. Je hoeft niet te antwoorden.’
Ik had mijn telefoon omgedraaid.
Joris hield twee verschillende sokken omhoog. ‘Die zijn ook nooit compleet.’
Ik werd ineens woedend.
‘Kun je daar nu echt over beginnen?’
Hij keek naar de sokken. Legde ze neer.
‘Ik probeer gewoon de was te doen.’
‘Ja. Lekker gewoon.’
Hij haalde adem. ‘Ik weet niet wat je van me nodig hebt als je het niet zegt.’
‘Dat ik niet alles hoef uit te leggen.’
‘Ik kan dit niet raden, Noor.’
Beneden sloeg de voordeur dicht. Mila was thuis van haar vriendin. We stopten allebei met praten. Dat deden we vaker. Tot die middag had ik dat verstandig gevonden.
Tijdens het eten vroeg Mila of opa haar laatste tekening nog had gezien. Het was een paard met veel te lange benen. Hij had hem op de koelkast gehangen.
‘Ja,’ zei ik. ‘Hij vond hem mooi.’
‘Kunnen we hem terughalen?’
Mijn keel trok dicht. Ik had die ochtend gedacht dat ik alles in zijn huis weg wilde gooien.
‘Natuurlijk,’ zei Joris.
Mila keek van hem naar mij.
‘Hebben jullie ruzie?’
‘Nee,’ zei ik meteen.
Joris legde zijn vork neer.
‘We waren het net niet eens. Mama heeft iets moeilijks ontdekt over vroeger.’
Ik schopte onder tafel tegen zijn voet. Niet hard, maar duidelijk. Hij keek me aan en liet zich niet corrigeren.
‘Over oma?’ vroeg Mila.
Ik had haar verteld dat mijn moeder niet bij ons wilde wonen. Niet dat ze dood was. Wel dat we geen contact hadden. Toen Mila kleiner was, had ze gevraagd of die oma ook niet van kinderen hield.
Ik had gezegd dat sommige mensen beter zonder gezin konden leven.
‘Ja,’ zei ik. ‘Ik heb oma zaterdag gezien.’
Mila liet haar vork zakken.
‘Waarom mocht ik niet mee?’
‘Omdat ik eerst zelf met haar moest praten.’
‘Komt ze hier?’
‘Dat weet ik nog niet.’
Ze dacht even na. ‘Is ze aardig?’
‘Ze was aardig tegen mij. Maar er zijn ook dingen waar ik verdrietig en boos over ben.’
Mila knikte. Daarna vroeg ze of er nog yoghurt was. Ik had verwacht dat haar wereld even stil zou staan. De hare hoefde dat niet.
Die avond vertelde Joris dat hij zich zorgen maakte. Niet alleen sinds de brief.
‘Als jij bang bent dat iemand afstand neemt, ga je alles regelen,’ zei hij. ‘Wie waar is. Wanneer ik thuiskom. Waarom ik niet meteen antwoord.’
‘Dus dit gaat nu over jou?’
‘Het gaat over ons.’
Ik stond bij de vaatwasser met een bord in mijn hand.
Hij herinnerde me aan de avond waarop zijn trein uit Utrecht vertraging had. Ik had negen keer gebeld. Toen hij thuiskwam, was ik boos geweest in plaats van opgelucht.
‘Ik dacht dat er iets gebeurd was.’
‘Dat geloof ik. Maar daarna moest ik bewijzen dat ik niet tegen je loog.’
Ik zette het bord te hard in het rek.
‘Je vindt me net mijn vader.’
‘Dat zeg ik niet. Ik zeg dat ik zo niet wil blijven leven.’
Het werd stil. Voor het eerst die week was ik niet alleen boos op iemand die zich niet meer kon verdedigen.
‘Ga je weg?’ vroeg ik.
‘Ik wil bij je blijven. Maar ik wil dat we hulp zoeken.’
Ik ging aan tafel zitten. Joris bleef staan tot ik de stoel naast me naar achteren schoof.
De volgende ochtend belde ik de huisarts. Ik zei eerst dat mijn vader overleden was. Daarna dat ik iets had ontdekt wat alles ingewikkeld maakte. Pas bij de derde zin vertelde ik dat ik thuis mensen pijn deed die niets fout hadden gedaan.
De assistente maakte een afspraak.
Na het gesprek stuurde ik mijn moeder één bericht.
‘Ik wil de map nog eens bekijken. Volgende week. Zonder haast.’
Hoofdstuk 5
De andere zoon
De tweede keer ging ik met de trein naar Zwolle. Joris bood aan mee te gaan. Ik zei dat ik het alleen wilde proberen. Hij vroeg hoe laat ik ongeveer thuis zou zijn. Ik hoorde geen controle in die vraag. Hij wilde weten of hij voor mij moest koken.
Mijn moeder haalde me op bij het station. Ze zwaaide voorzichtig toen ze me zag. Ik stak mijn hand op.
In de auto vertelde ze dat Daan wist dat ik was langsgekomen.
‘Weet hij van mij?’ vroeg ik.
‘Al sinds hij klein was.’
‘Wat heb je verteld?’
‘Dat ik een dochter had die bij haar vader woonde. Later meer. Niet alles. Niet genoeg.’
Ik keek naar haar handen op het stuur.
‘Wil hij me zien?’
‘Ja. Maar jij beslist.’
Bij haar thuis lag de map klaar. Daarnaast een schoenendoos. Er zaten foto’s in van mij als kind. Ik op een camping in Drenthe. Ik met een oranje zwemdiploma. Mijn moeder achter mij, met beide handen op mijn schouders.
Ik bekeek die foto lang. Ik herinnerde me de natte haren in mijn nek. De zak patat na afloop. Niet haar handen.
We namen de documenten door. Sommige dingen werden duidelijker. Andere niet. Er was een tijdelijke regeling afgesproken. Daarna discussie over begeleiding. Er waren gemiste afspraken, brieven tussen advocaten en kosten die mijn moeder niet meer betaalde.
Nergens stond één besluit dat de volgende twintig jaar verklaarde.
‘Ik had opnieuw naar een advocaat moeten gaan,’ zei ze.
‘Ja.’
‘Ook toen jij achttien werd.’
‘Ja.’
Ze liet die antwoorden staan.
Rond één uur vroeg ik of Daan kon komen. Mijn moeder pakte haar telefoon, legde hem neer en vroeg eerst of ik het zeker wist.
‘Voor een uur,’ zei ik. ‘Niet meteen een hele familiedag.’
Daan kwam op de fiets. Hij was lang en droeg een werkbroek met verfspatten. Bij de deur keek hij naar mij en lachte kort, van de zenuwen.
‘Hoi. Ik ben dus Daan.’
‘Noor.’
‘Ja. Dat wist ik.’
We moesten allebei lachen. Het hielp precies drie seconden.
Mijn moeder ging brood halen, hoewel er brood in de keuken lag. Daan keek haar na.
‘Ze doet erg haar best om niet te veel haar best te doen,’ zei hij.
‘Dat zie ik.’
Hij ging tegenover me zitten. Hij had dezelfde lichte ogen als ik. Verder leek hij vooral op zichzelf.
‘Ik weet niet wat ik moet vragen,’ zei hij.
‘Ik ook niet.’
Hij werkte als schilder. Hij woonde samen met zijn vriend in een appartement in Assendorp. Hij hield niet van voetbal. Dat vertelde hij omdat hij had bedacht dat mensen daar vaak mee begonnen.
Ik vertelde over Joris en Mila. Over mijn werk op de administratie van een groothandel. Gewone dingen. Ik merkte hoe graag ik die even wilde blijven bespreken.
Toen zag ik de foto van zijn diploma weer.
‘Was ze er altijd?’ vroeg ik.
Daan volgde mijn blik.
‘Meestal wel.’
Ik knikte te snel.
Hij boog voorover. ‘Ik ga niet zeggen dat ze perfect was.’
‘Dat hoeft ook niet.’
‘Maar ik ga ook niet doen alsof ik een slechte jeugd had.’
Ik keek naar hem. Hij hield mijn blik vast. Niet uitdagend. Wel duidelijk.
‘Dat vraag ik niet,’ zei ik. Daarna: ‘Ik weet alleen nog niet hoe ik het moet horen.’
Hij knikte. We bleven even zitten zonder iets te zeggen.
Toen mijn moeder terugkwam, hadden we het over haar oude auto. Daan vertelde dat de achterklep ooit was opengevlogen bij een rotonde. Zij corrigeerde hem: hij had hem niet goed dichtgedaan.
Ik voelde opnieuw die jaloezie. Hun gedeelde herinneringen. Hun gemakkelijke tegenspraak. Ik legde mijn handen onder mijn benen en bleef zitten.
Voor mijn vertrek vroeg mijn moeder of ze Mila ooit zou mogen ontmoeten.
‘Misschien,’ zei ik. ‘Maar niet om iets met mij in te halen.’
Ze keek naar de tafel.
‘Nee. Dat begrijp ik.’
Buiten gaf Daan me zijn nummer.
‘Je hoeft niet via mam te gaan,’ zei hij.
In de trein zette ik zijn naam in mijn telefoon. Daarna stuurde ik Joris dat ik de trein van vier over vier had.
‘Fijn,’ schreef hij. ‘Ik maak pasta. Hoe was het?’
Ik typte: ‘Goed.’
Ik wiste het.
‘Moeilijk. Maar ik ben blij dat ik gegaan ben.’
Hoofdstuk 6
Zijn stoel
Het huis van mijn vader moest leeg. De huur liep nog een maand door. Ik had dat telefoontje naar de woningcorporatie steeds uitgesteld. Alsof zijn meubels konden wachten tot ik wist wat ik van hem moest vinden.
Mijn tante Els kwam helpen. Zij was zijn jongere zus. Ze stond op zaterdagochtend voor de deur met vuilniszakken en gevulde koeken.
‘Daar hield hij zo van,’ zei ze.
Ik liet haar binnen.
Joris nam de schuur. Els ging naar de keuken. Ik bleef in de woonkamer staan bij de stoel waarin mijn vader iedere avond zat. Op de armleuning zat een donkere plek van zijn hand.
Hij had in die stoel Mila voorgelezen. Slecht, vond zij. Hij sloeg stemmen over en las te snel. Toch kroop ze steeds weer naast hem.
Ik wilde die herinnering niet verliezen. Ik wilde hem ook niet gebruiken om de rest kleiner te maken.
Tijdens de koffie legde ik zijn brief op tafel.
Els pakte haar bril. Ze las langzaam. Toen ze klaar was, streek ze het papier glad.
‘Je vader had het niet makkelijk,’ zei ze.
‘Dat vroeg ik niet.’
Ze keek op.
‘Wist jij dat hij haar brieven achterhield?’
Els schoof haar kopje weg.
‘Niet van de brieven.’
‘Wat wist je wel?’
Ze vertelde dat mijn moeder haar twee keer had gebeld. De eerste keer kort na het vertrek. De tweede keer een paar jaar later. Ze had gevraagd of Els een kaart aan mij wilde geven.
‘Heb je dat gedaan?’
‘Ik heb hem aan je vader gegeven.’
Ik hoorde Joris in de gang. Hij bleef buiten de kamer.
‘Ze vroeg of jij hem aan mij wilde geven.’
‘Ik wilde me niet tussen je ouders zetten.’
Ik schoof mijn stoel achteruit.
‘Maar je koos wel.’
Els huilde. Ik had haar zelden zien huilen. Vroeger zou ik meteen excuses hebben gemaakt voor mijn toon. Nu wachtte ik.
‘Ja,’ zei ze uiteindelijk. ‘Dat heb ik gedaan.’
Ze vertelde dat mijn vader boos werd als iemand over mijn moeder begon. Dat zij bang was het contact met hem te verliezen. Ze had gedacht dat er twee kanten aan het verhaal zaten.
‘Die waren er ook,’ zei ik. ‘Alleen kreeg ik er maar één.’
Els vroeg of ze iets kon doen.
‘Niet meer uitleggen waarom hij zo was. Niet tegen mij. En niet tegen Mila.’
Ze knikte. Na de koffie pakte ze verder in. We praatten over servies en kringloopwinkels. Het voelde vreemd dat je na zo’n gesprek nog moest beslissen waar zes soepkommen heen gingen.
Ik nam weinig mee. Een ovenschaal. Foto’s. Het houten krukje dat mijn vader voor Mila had gemaakt. De tekening haalde ik van de koelkast. De brieven gingen in mijn tas.
Zijn brief stopte ik apart.
Een week later besprak ik hem met de praktijkondersteuner van de huisarts. Het was mijn derde gesprek. Ik had vooral willen begrijpen waarom mijn vader dit had gedaan. Zij vroeg wat ik nu zelf nodig had.
‘Dat hij antwoord geeft,’ zei ik.
‘Dat kan hij niet meer.’
‘Dat weet ik ook wel.’
Ze knikte. ‘En toch zit je op dat antwoord te wachten.’
Thuis schreef ik hem een brief. Geen nette versie. Ik schreef dat hij mijn boterhammen had gesmeerd en mijn moeder had weggehouden. Dat ik hem miste en niet wist waar ik met dat gemis naartoe moest.
Ik schreef ook dat zijn bekentenis mij werk had gegeven dat hij zelf niet had durven doen.
Daarna stopte ik de brief bij de zijne. Ik verbrandde niets. Ik voelde me niet ineens beter. Wel sliep ik die nacht vijf uur achter elkaar.
Joris en ik begonnen aan gesprekken bij een relatietherapeut. Bij de eerste afspraak wilde ik alles vertellen over mijn vader. Joris wilde vertellen hoe het was als ik hem niet geloofde.
Ik liet hem uitpraten. Dat kostte me moeite.
Later, in de auto, zei ik dat het me speet van die negen telefoontjes.
‘Niet omdat je nu weet waar het vandaan komt,’ zei hij.
‘Nee. Omdat jij het moest opvangen.’
Hij pakte mijn hand toen we voor het rode licht stonden.
Het was geen bewijs dat alles goed zou komen. Het was wel voor het eerst in weken dat ik zijn hand gewoon kon vasthouden.
Hoofdstuk 7
Zondag om twee uur
Mila ontmoette mijn moeder in april. Vier maanden na de brief. We spraken af in een café bij Park Randenbroek, niet bij ons thuis. Een uur. Daarna zouden we wandelen als iedereen dat wilde.
Ik had Mila verteld dat opa dingen over oma had gezegd die niet waar waren. Dat oma had geprobeerd contact te krijgen, maar later zelf ook te weinig had gedaan.
‘Dus opa loog?’ had ze gevraagd.
‘Ja.’
‘Ook tegen mij?’
‘Over dit deel van zijn leven wel.’
Ze had naar het houten krukje bij de boekenkast gekeken.
‘Mag ik hem dan nog missen?’
Ik trok haar tegen me aan.
‘Ja. Dat mag.’
Ik was blij dat zij de vraag stelde. Zelf had ik hem nog niet hardop durven stellen.
In het café zat mijn moeder al aan een tafel. Ze stond op toen we binnenkwamen. Er lag geen cadeau klaar. Daar hadden we het over gehad. Mila hoefde niet met spullen overtuigd te worden.
‘Hoi Mila,’ zei ze. ‘Ik ben Ria.’
‘Ik weet het.’
Mila ging zitten en trok haar jas uit. Joris bestelde drinken. Ik keek naar mijn moeders handen. Ze friemelde aan het papieren randje van haar suikerzakje.
‘Mama zegt dat je mijn oma bent,’ zei Mila.
‘Dat klopt.’
‘Moet ik je ook zo noemen?’
‘Nee. Ria is goed.’
Mila knikte. Daarna vroeg ze of Ria katten had.
Het eerste kwartier ging over dieren. Mijn moeder had geen kat, omdat ze vaak op de hond van een buurvrouw paste. Mila vond dat geen overtuigende reden. Ze kende iemand met twee katten en drie honden.
Ik dronk mijn koffie en voelde hoe mijn schouders iets zakten.
Toen Mila met Joris naar de wc liep, boog mijn moeder zich naar mij toe.
‘Dank je,’ zei ze.
Ik keek haar aan.
‘Maak het niet te groot.’
‘Goed.’
Ze ging weer recht zitten. Ik waardeerde dat meer dan een lange uitleg.
We wandelden twintig minuten door het park. Mila liep een stuk voor ons uit met Joris. Mijn moeder vroeg of ik het goed vond als ze volgende maand weer kwam.
‘Ik wil eerst kijken hoe dit voor Mila is.’
‘Natuurlijk.’
Bij het afscheid omhelsde Mila haar niet. Ze zwaaide. Mijn moeder zwaaide terug. Ik raakte heel even haar arm aan voordat we ieder onze kant op gingen.
In de auto zei Mila dat Ria aardig was. Daarna vroeg ze of we pannenkoeken konden eten.
Het gewone leven bleef zich ermee bemoeien. Daar was ik dankbaar voor.
Het ging daarna niet netjes vooruit. Soms zag ik mijn moeder twee keer in een maand. Soms antwoordde ik een week niet op een bericht. Toen ze me op een dag “mijn meisje” noemde, vroeg ik haar daarmee te stoppen.
‘Je kent dat meisje nauwelijks,’ zei ik.
Ze schrok. De volgende dag belde ze. Niet om te vragen of ik nog boos was. Ze zei dat ze het begreep en dat ze voortaan Noor zou zeggen.
Daan kwam in de zomer met zijn vriend barbecueën. Hij liet een schaal vallen op ons terras. Mila verklaarde hem meteen het onhandigste familielid. Hij maakte een diepe buiging. Ik lachte zonder eerst te bedenken wat ik daarbij hoorde te voelen.
Met Els bleef het contact voorzichtig. Ze stuurde me later een oude foto van mijn moeder die ze nog had gevonden. Achterop schreef ze alleen waar en wanneer die was gemaakt. Geen verdediging van mijn vader. Dat hielp.
Zijn brief ligt nu in een grijze map. Niet naast mijn bed. Ik lees hem soms, maar steeds minder vaak. Mijn eigen brief zit erachter.
Ik mis hem op onverwachte momenten. Als een lamp knippert en ik hem wil vragen welk onderdeel ik nodig heb. Als Mila een rapport krijgt. Daarna herinner ik me weer wat hij deed. Beide blijven bestaan. Ik hoef niet meer op dezelfde avond te beslissen welk gevoel gelijk heeft.
Afgelopen week belde mijn moeder. Ik was aardappels aan het schillen. Mila zat aan tafel en Joris zocht zijn fietssleutel.
‘Zondag?’ vroeg ze. ‘Twee uur?’
Ik keek op de kalender. Geen afspraak. Geen reden om haast te maken. Ook geen reden om haar buiten te houden.
‘Ja,’ zei ik. ‘Kom maar hier.’
‘Zal ik iets meenemen?’
‘Broodjes. Vier is genoeg.’
Ik legde mijn telefoon neer en pakte het mesje weer op. Joris vond zijn sleutel in zijn jas. Mila vroeg wie er zondag kwam.
‘Ria,’ zei ik.
‘Oké.’
Ze schoof haar schrift naar me toe. Ik moest een som nakijken. Dat deed ik eerst.