Naar de inhoud
Terug naar het boek

Ziekte en gezondheid

De beroerte op mijn verjaardag

Bevat beschrijvingen van ziekte en behandeling.

Hoofdstuk 1

De vork

Op mijn tweeënvijftigste verjaardag viel mijn vork op de grond. Ik wilde hem oprapen, maar mijn rechterhand bleef op tafel liggen. Mijn vingers lagen naast de taart alsof ze van iemand anders waren.

‘Bas,’ zei ik.

Tenminste, dat probeerde ik. Er kwam een klank uit mijn mond die nergens op leek.

Mijn man stond bij het aanrecht. Hij sneed een tweede punt citroentaart af. Buiten reed een vuilniswagen door onze straat in Rotterdam-Overschie. Het was dinsdagochtend, kwart over tien. Ik had vrij genomen. Onze dochter Noor kwam later lunchen.

‘Wat zeg je, Marieke?’

Ik keek naar mijn hand. Bewegen, dacht ik. Gewoon optillen.

Er gebeurde niets.

Bas legde het mes neer.

‘Kijk me eens aan.’

Ik wilde zeggen dat hij niet zo bezorgd moest kijken. Dat er waarschijnlijk een zenuw klem zat. Mijn mond deed iets anders. Mijn wang voelde dik, hoewel ik er niets tegenaan voelde drukken.

Bas kwam naast me staan. Hij hurkte. Zijn gezicht veranderde.

‘Kun je lachen?’

Ik vond het een idiote vraag. Ik was jarig. Er stond taart. Natuurlijk kon ik lachen.

Maar hij pakte zijn telefoon.

‘Mijn vrouw kan niet goed praten. Haar mond hangt scheef. Haar arm doet niets.’

Nu hoorde ik het woord dat ik zelf nog niet had gedacht.

Beroerte.

Ik wilde opstaan. Dat was mijn eerste echte fout. Mijn rechterbeen zakte weg en Bas greep me onder mijn oksels. Hij kreeg me half terug op de stoel. Mijn knie stootte tegen de tafelpoot.

‘Blijf zitten. Alsjeblieft.’

Hij zette zijn telefoon op luidspreker. Een vrouw vroeg wanneer het was begonnen.

Bas keek naar de klok.

‘Net. Twee minuten geleden praatte ze nog normaal.’

Ik had gezegd dat hij de taart scheef sneed. Dat waren mijn laatste gewone woorden geweest. Een opmerking over taart.

De vrouw aan de telefoon stelde korte vragen. Bas antwoordde. Ik zat erbij en hoorde mijn leven veranderen in gegevens. Tweeënvijftig jaar. Bij bewustzijn. Ademhaling normaal. Geen bloedverdunners. Geen eerdere beroerte.

Ik wilde hem vertellen dat ik bang was. Het woord zat klaar in mijn hoofd. Mijn mond kon er niet bij.

De voordeur stond nog op het nachtslot. Bas rende naar de gang en kwam meteen terug. Hij knielde naast me. Er zat citroenvulling op zijn duim.

‘Ik blijf hier.’

Ik keek naar die gele veeg. Dat kon ik wel. Kijken naar iets kleins.

De ambulance kwam snel. Hoe snel weet ik niet. Later zei Bas dat het acht minuten waren geweest. Voor mij bestond die tijd uit zijn hand op mijn knie en de klok boven de keukendeur.

Een ambulanceverpleegkundige stelde zich voor als Farid. Hij ging voor me zitten.

‘Marieke, ik ga u een paar dingen vragen. U hoeft niet te forceren.’

Hij vroeg mijn naam. Ik wist hem. Marieke van Dongen. Ik had hem duizenden keren gezegd. Aan de telefoon op mijn werk. Bij de huisarts. Bij het afhalen van pakketjes.

Nu kwam alleen de eerste letter.

Hij liet me mijn armen optillen. Links ging omhoog. Rechts niet. Hij controleerde mijn bloedsuiker. Zijn collega maakte ruimte in de gang.

‘We gaan naar het Erasmus MC,’ zei Farid. ‘We denken aan een beroerte. Er moet snel een scan worden gemaakt.’

Bas pakte mijn jas.

‘Geen tijd voor,’ zei zijn collega, niet onvriendelijk.

Op de brancard zag ik de slinger boven het raam. Noor had hem de avond ervoor opgehangen. Twee gouden cijfers. Vijf en twee.

Bij de voordeur stond onze buurvrouw, Ria. Ze had een vuilniszak in haar hand. Ze zei niets. Daar was ik haar dankbaar voor.

In de ambulance probeerde ik mijn telefoon aan te wijzen. Bas begreep me niet.

Noor, dacht ik. Bel Noor.

Ik maakte een geluid. Boos nu. Harder.

Farid boog zich naar me toe.

‘Wilt u iemand laten bellen?’

Ik knikte. Bas zei de naam van onze dochter. Ik knikte opnieuw.

De deuren gingen dicht. Er klonk een sirene.

Pas toen begon ik te huilen. Niet netjes. Mijn gezicht werkte maar half mee. Farid veegde mijn wang af met een gaasje en bleef uitleggen wat hij deed.

Hoofdstuk 2

Tijd op de klok

In het ziekenhuis reden we langs lampen die telkens boven mijn hoofd verschenen en verdwenen. Iemand vroeg opnieuw hoe laat het was begonnen. Bas gaf het tijdstip. Ik hoorde hem ook mijn naam spellen.

Een arts kwam naast de brancard lopen.

‘Ik ben dokter Smit, neuroloog. We gaan kijken of een bloedvat verstopt is of dat er een bloeding zit.’

Hij sprak tegen mij. Niet over mij heen. Dat merkte ik meteen.

Op de onderzoekskamer knipte een verpleegkundige mijn blouse open. Mijn verjaardagsblouse. Donkerblauw, met knoopjes die ik de avond ervoor nog had gecontroleerd. Ik wilde protesteren. Het lukte niet.

Er gingen plakkers op mijn borst. Een band kneep om mijn bovenarm. Iemand prikte een infuus. De arts liet me plaatjes zien en vroeg wat erop stond.

Een sleutel.

Een stoel.

Ik herkende ze. Maar tussen herkennen en zeggen zat iets wat niet meer werkte.

Bij de scan moest ik stil blijven liggen. Er werd contrastvloeistof toegediend. Een warme golf trok door mijn lichaam. Een stem waarschuwde dat dit kon gebeuren. Ik had willen vragen of Bas er nog was.

Even later zag ik hem weer. Zijn bril was beslagen. Hij had mijn tas bij zich, maar geen jas. Aan zijn voeten zat een spat taart op zijn schoen.

Dokter Smit wees op een scherm dat ik niet goed kon zien.

‘Er zit een afsluiting in een groot bloedvat aan de linkerkant van uw hersenen. Daarom hebt u rechts krachtsverlies en moeite met spreken.’

Hij legde uit dat ze een medicijn wilden geven om het stolsel op te lossen. Daarnaast wilden ze proberen het stolsel via een slangetje in een bloedvat te verwijderen. Er waren risico’s, waaronder een bloeding. Wachten kon ook veel schade geven.

Ik begreep niet elke zin. Wel genoeg om te weten dat ik niet naar huis ging.

‘Kunt u aangeven of u mij begrijpt?’ vroeg hij.

Ik knikte.

Bas pakte mijn linkerhand. Hij vroeg één keer of de behandeling echt nodig was.

‘Ja,’ zei de arts. ‘We willen zo snel mogelijk beginnen.’

Daarna volgden mensen, vragen en deuren. Mijn broek ging uit. Er werd een plek bij mijn lies klaargemaakt. Iemand vertelde steeds wat er zou gebeuren. Van de ingreep zelf herinner ik me losse stukken. Een groen laken. Een stem vlak bij mijn oor. Het verzoek niet te bewegen.

Toen ik weer duidelijker besefte waar ik lag, was er een klok tegenover mijn bed. Bijna vier uur.

Mijn verjaardag was verdergegaan zonder mij.

Een verpleegkundige heette Sanne. Ze controleerde mijn pupillen. Ze vroeg of ik mijn rechterbeen kon bewegen. Er kwam een kleine beweging onder de deken.

‘Goed. Niet forceren.’

Ik wilde weten of ik beter werd. Ik wilde weten of dit voor altijd was. Uit mijn mond kwam iets dat op ‘water’ leek.

Sanne schudde haar hoofd.

‘Eerst moeten we controleren of slikken veilig gaat. Uw mond mag ik wel vochtig maken.’

Ik werd kwaad. Ze hadden een slang in mijn bloedvat mogen schuiven, maar een slok water mocht niet. Ik sloeg met mijn linkerhand op het matras.

Ze bleef staan.

‘Ik snap dat dit rot is. Maar drinken kan nu verkeerd terechtkomen.’

Ze kwam terug met spullen om mijn mond te verzorgen. Ze deed het rustig. Daardoor schaamde ik me om mijn woede.

Noor kwam om vijf uur. Ze droeg haar jas nog en hield een boeket tulpen vast. Niemand had haar verteld wat ze met de bloemen moest doen.

‘Hé mam.’

Ze keek eerst naar mijn gezicht en daarna naar de monitor. Vervolgens weer naar mijn gezicht.

Ik wilde haar geruststellen. Dat hoorde bij mij. Ik regelde de dingen. Ik wist wanneer haar fietsverzekering afliep en waar haar diploma lag.

Nu huilde ik toen ze mijn hand pakte.

‘Je hoeft niks te zeggen,’ zei ze.

Maar ik wilde juist iets zeggen.

Die avond vertelde de arts dat het gelukt was het bloedvat weer te openen. Dat was gunstig. Hoeveel ik zou herstellen, kon hij nog niet zeggen. De komende tijd moest dat duidelijker worden.

Bas vroeg of ik weer zou kunnen werken.

‘Dat weten we nu niet.’

Lopen?

‘Ook dat moeten we volgen.’

Praten?

Dezelfde voorzichtigheid.

Toen ze weg waren, keek ik naar mijn rechterhand. Mijn trouwring zat aan mijn linkerhand. Dat vond ik ineens belangrijk. Er was tenminste iets gebleven waar ik het kon voelen.

Op de gang lachte iemand. Een gewone, korte lach. Ik draaide mijn hoofd naar de muur.

Hoofdstuk 3

Een sok aantrekken

De volgende ochtend kwam er iets terug in mijn vingers. Geen bruikbare beweging. Meer een trilling toen ik mijn hand probeerde te sluiten. Ik keek er zo lang naar dat Sanne vroeg of ik pijn had.

‘Nee,’ zei ik.

Het woord kwam duidelijk uit mijn mond.

We keken elkaar aan.

‘Dat verstond ik goed,’ zei ze.

Ik probeerde meteen meer. Mijn naam. Bas. Naar huis. Het werd een warboel. Sanne wachtte tot ik stopte.

‘Eén ding tegelijk.’

Ik haatte die zin al voordat de dag voorbij was.

De slikbeoordeling leverde afspraken op over eten en drinken. Ik kon weer kleine hoeveelheden nemen zoals de logopedist had voorgedaan. Het eerste ontbijt kostte bijna een uur. Mijn brood lag op een antislipmat. De verpleegkundige zette alles links van me neer.

Toen ze wegliep, wilde ik zelf het dekseltje van een bakje jam trekken. Het bakje schoot weg. De jam belandde op mijn deken.

Ik drukte niet op de bel.

Tien minuten later vond een verzorgende me met rode vingers en een servet dat aan mijn hand plakte.

‘U had best mogen bellen.’

Dat wist ik. Daar ging het niet om.

Op de vierde dag kwam fysiotherapeut Jeroen met een brede band en een stoel. Hij wilde me laten staan. Ik had al twee dagen geroepen dat ik wilde lopen. Nu hij er was, werd mijn mond droog.

‘Voeten onder uw knieën. Buig een beetje voorover.’

Mijn rechtervoet stond scheef. Hij zette hem recht. Ik keek naar de vloer alsof die ineens veel lager lag.

We telden samen tot drie. Ik duwde me omhoog met links. Rechts kwam achteraan.

Ik stond.

Niet zelfstandig. Niet stabiel. Maar ik stond.

Toen mijn knie begon te knikken, bracht Jeroen me terug naar de stoel.

‘Dat was genoeg.’

Ik wilde nog een keer. Hij keek naar mijn gezicht.

‘U bent helemaal op.’

Dat was waar. Mijn shirt was nat van het zweet. Ik had misschien twintig seconden gestaan.

Na het ziekenhuis ging ik naar een revalidatieafdeling in Rotterdam. Bas reed achter de rolstoeltaxi aan. Ik keek onderweg naar fietsers, bouwkranen en een man die met twee honden bij een stoplicht stond. Niemand leek te weten hoeveel moeite een rechtervoet kon kosten.

Mijn kamergenoot heette Els. Ze was vierenzestig en herstelde ook van een beroerte. Ze kon beter lopen dan ik, maar vergat steeds welke dag het was.

‘Ze gaan je hier leren sokken aantrekken,’ zei ze.

Ik dacht dat ze een grap maakte.

De volgende ochtend kwam ergotherapeut Anouk met een sok.

Ze liet zien hoe ik zittend mijn been kon ondersteunen en de stof met één hand kon hanteren. We probeerden een hulpmiddel. De sok bleef dubbel zitten bij mijn hiel.

Ik gooide hem op de grond.

‘Kut,’ zei ik.

Het kwam perfect verstaanbaar uit mijn mond.

Els begon te lachen. Ik ook. Daarna huilde ik, wat op dat moment bijna hetzelfde klonk.

De logopedist, Lotte, legde uit dat mijn taalprobleem afasie heette. Mijn begrip was beter dan mijn spreken, maar ook lange zinnen konden me uitputten. Ze gaf me een schrift. Woorden, tekeningen en gebaren mochten allemaal meedoen.

Op de eerste bladzijde schreef ik met links: MARIEKE.

De letters leken van een kind. Het was toch mijn naam.

Tijdens het bezoek zei Bas steeds wat ik bedoelde voordat ik klaar was.

‘Ze wil dat raam dicht.’

‘Ze vraagt naar Noor.’

‘Ze vindt het eten vies.’

Soms had hij gelijk. Soms niet. Op vrijdag sloeg ik het schrift dicht.

‘Wacht,’ zei ik.

Hij keek op.

‘Wacht. Ik.’

Lotte, die bij het gesprek zat, knikte naar hem.

‘Geef haar tijd. En controleer of uw invulling klopt.’

Bas werd rood. Later zei hij dat hij alleen wilde helpen.

Ik pakte zijn hand. Dat wilde ik ook zeggen, dat ik het wist. Maar ik wilde daarnaast zeggen dat zijn hulp me soms kleiner maakte. Die tweede zin lukte nog niet.

Er kwamen onderzoeken naar de oorzaak van het infarct. Bij hartritmecontrole werd boezemfibrilleren gevonden. De arts besprak medicatie om de kans op nieuwe stolsels te verkleinen. Ook mijn bloeddruk bleek te hoog.

‘Ik voelde me niet ziek,’ zei ik langzaam.

‘Dat hoeft ook niet,’ antwoordde hij.

Die avond vroeg Els wat ik voor mijn verjaardag had gekregen.

‘Boek,’ zei ik. ‘Schoenen.’

Ze knikte alsof het een heel gewoon gesprek was.

Voor het slapen trok ik zelf mijn sok uit. Aantrekken lukte nog niet. Ik legde hem op de stoel voor morgen.

Hoofdstuk 4

Weer thuis

Zeven weken na mijn verjaardag kwam ik thuis. Ik liep met een stok en kon korte gesprekken voeren. Als ik moe werd, verdwenen woorden. Mijn rechterhand kon een handdoek vasthouden, maar geen knoop sluiten. Iedereen noemde dat vooruitgang.

Dat was het ook.

Toch huilde ik in de auto toen we onze straat inreden.

Bas parkeerde voor de deur. Ria kwam naar buiten, zag mijn gezicht en hield haar begroeting kort.

‘Fijn dat je er bent. Ik heb soep. Die staat straks bij jullie.’

Geen omhelzing waar ik mijn evenwicht bij verloor. Geen vragen. Alleen soep.

In de gang stond een stoel om mijn schoenen uit te doen. Er lag geen mat meer. De losse kleedjes waren weggehaald. Op de trap zat een extra leuning. In de badkamer stond een douchestoel.

Ons huis was herkenbaar en toch verbouwd rond mijn gebreken.

‘Goed zo?’ vroeg Bas.

Ik zei ja. Hij had er hard voor gewerkt.

De verjaardagsslinger was weg. Daar was ik blij om. Toen ik later een klein stukje plakband op het raam zag, begon ik alsnog te huilen.

De eerste middag wilde ik koffie maken. Bas stond meteen naast me.

‘Ik doe het wel.’

‘Ik kan.’

Ik kon het gedeeltelijk. Het kopje pakken. De machine aanzetten. Het kopje onder de uitloop schuiven. Maar met mijn stok in mijn linkerhand kon ik de koffie niet veilig naar de tafel dragen.

Bas pakte het kopje zonder iets te zeggen.

‘Vraag,’ zei ik.

‘Wat?’

‘Eerst. Vragen.’

Hij zette het terug. Er viel koffie op het aanrecht.

‘Mag ik je koffie naar de tafel brengen?’

Hij zei het te nadrukkelijk. Ik hoorde zijn irritatie. Hij hoorde de mijne.

‘Ja.’

We dronken zwijgend.

In de revalidatie had mijn dag een rooster gehad. Thuis kon ik kiezen. Dat bleek geen vrijheid, maar werk. Douchen of ontbijten? Eerst de oefeningen of eerst de post? Kon ik daarna nog bezoek aan?

Op donderdag kwamen mijn zus Karin en haar man. Ze namen bloemen mee en praatten tegelijk. Over parkeren. Over mijn gezicht, dat alweer veel beter stond. Over een kennis die na een beroerte een marathon had gelopen.

Ik zat op de bank en voelde de woorden om me heen steeds harder worden.

‘Koffie?’ vroeg Bas vanuit de keuken.

Karin vertelde verder. Haar man vroeg of ik alweer zelfstandig naar de wc kon.

Ik stond op.

Mijn voet bleef achter de tafelpoot hangen. Bas ving me nog net op. De vaas viel om. Water liep over de tijdschriften.

‘Rustig nou,’ zei Karin.

Daar knapte iets.

‘Weg,’ zei ik.

Ze keek naar Bas.

‘Ze is moe,’ zei hij.

‘Weg,’ herhaalde ik.

Ze vertrokken beledigd. Later belde Karin. Bas nam op. Ik hoorde hem zeggen dat bezoek voortaan korter moest. Eén gesprek tegelijk. En geen onverwachte afspraken.

Ik lag boven en schaamde me. Tegelijk was ik opgelucht.

De vermoeidheid voelde niet als vroeger na een drukke werkdag. Slapen maakte het niet altijd beter. Soms kon ik ’s ochtends douchen en ontbijten en was ik daarna al leeg. Dan lag ik met dichte gordijnen terwijl ergens een buurman zijn schutting schuurde.

Ik werd ook bang. Iedere tinteling in mijn hand joeg me schrik aan. Iedere keer dat ik een woord kwijt was, keek ik naar de klok.

De verpleegkundige had uitgelegd dat we bij plotselinge nieuwe uitval direct 112 moesten bellen, ook als die weer verdween. Dat gaf houvast. Maar niet elke angst paste in die duidelijke afspraak.

Op een nacht maakte ik Bas wakker omdat mijn rechterbeen vreemd voelde. Hij deed het licht aan. We keken samen. Er was geen nieuwe verandering; ik had het been verkrampt onder me liggen. Toch sliep ik niet meer.

De volgende ochtend zei hij: ‘Ik kan niet iedere nacht controleren of je nog dezelfde bent.’

Het klonk hard. Zijn ogen waren rood.

‘Ik ook niet,’ zei ik.

Die week vroegen we hulp bij de revalidatiearts. Niet voor een extra oefening. Voor de angst en voor ons samen. Ik vond dat moeilijker dan leren lopen.

Aan het einde van die week maakte ik opnieuw koffie. Anouk had thuis met me bekeken hoe ik dingen veiliger kon verplaatsen. Ik schoof het kopje in kleine stappen over het aanrecht naar de tafel die we dichterbij hadden gezet.

Bas bleef zitten.

‘Ook een?’ vroeg ik.

Hij knikte. Deze keer dronken we niet zwijgend.

Hoofdstuk 5

Mijn oude stoel

Vier maanden na de beroerte ging ik voor het eerst terug naar mijn werk. Ik was transportplanner bij een groothandel in Spaanse Polder. Zeventien jaar had ik chauffeurs gebeld, ritten aangepast en boze klanten uitgelegd waarom hun bestelling later kwam.

Ik kende kentekens uit mijn hoofd. Ik kon tegelijk luisteren, typen en iemand bij de deur een antwoord geven. Daar was ik goed in. Dat was een deel van wie ik was.

Bas bracht me. Autorijden deed ik nog niet; daarvoor waren beoordeling en duidelijke afspraken nodig. Ik vond het vervelend dat hij voor de ingang wilde wachten.

‘Ik bel als ik klaar ben.’

‘Dat weet ik.’

‘Ga dan.’

Hij reed weg. Ik keek hem na tot zijn auto de hoek om was.

Mijn leidinggevende, Ahmed, stond bij de deur. Hij stak zijn hand uit, trok hem terug en gaf me toen een onhandige tik tegen mijn linkerarm.

‘Goed je te zien, Marieke.’

Op mijn bureau stond een plant. Mijn stoel was naar beneden gedraaid. De collega die mijn werk had overgenomen, was kleiner dan ik.

Het was maar een stoel. Toch voelde ik het in mijn buik.

We hadden afgesproken dat ik alleen koffie kwam drinken. Een halfuur. Geen werk. Ahmed had dat met de bedrijfsarts besproken en bleef het herhalen.

‘Vandaag hoef je niks te bewijzen.’

Maar zodra ik het planscherm zag, wilde ik weten waarom een vrachtwagen naar Gouda via een andere route stond ingepland.

‘Werkzaamheden,’ zei mijn collega Dennis.

Natuurlijk. Hij had eraan gedacht.

Een telefoon ging. Achter me begon een printer. Twee chauffeurs kwamen binnen en vroegen wie er jarig was, vanwege de cake die iemand had neergezet.

Mijn schouders trokken omhoog.

Ahmed zag het.

‘We gaan naar de kleine vergaderruimte.’

Ik zei dat het prima ging. Onderweg stootte ik met mijn rechtervoet tegen een stoel.

Na twintig minuten belde ik Bas.

Thuis sliep ik drie uur. Daarna kon ik mijn avondeten niet snijden. Mijn rechterhand was vermoeider dan normaal en mijn woorden kwamen nauwelijks. Ik had koffie gedronken met collega’s. Meer niet.

Die avond zei ik dat ik nooit meer terug zou kunnen.

Bas antwoordde niet meteen. Vroeger had hij gezegd dat het vast goed kwam. Hij had inmiddels geleerd dat ik daar woedend van kon worden.

‘Vandaag was te veel,’ zei hij.

De bedrijfsarts, mevrouw De Vries, onderzocht met mij wat wel mogelijk was. Geen telefoondiensten. Geen tijdsdruk. Eerst korte blokken, met rust ertussen. Ze vroeg ook hoe het de dag na een activiteit ging.

Dat vond ik een goede vraag. Anderen zagen meestal alleen het uur waarin ik me groot hield.

De eerste poging tot werkhervatting was thuis. Ik controleerde oude adressenlijsten. Een kwartier achter de computer. Daarna rust. Ik vond drie fouten en maakte er zelf twee.

Ik meldde ze allemaal.

Intussen liep het thuis niet vanzelf. Mijn inkomen was niet meer iets waar ik zonder nadenken op vertrouwde. Bas maakte een overzicht van onze vaste lasten. Ik zag een abonnement op een wandelblad en begon te huilen.

‘Dat kan gewoon blijven,’ zei hij.

‘Daarom niet.’

Ik kon niet uitleggen dat het blad iedere maand een versie van mij op de mat legde die er niet meer was.

De psycholoog van het revalidatieteam heette Hester. Ik vertelde haar dat ik ondankbaar was. Mijn been deed het beter. Mijn taal verbeterde. Ik leefde nog. Toch was ik vaak kwaad.

‘Waar bent u dan precies kwaad om?’ vroeg ze.

Ik noemde mijn hand. Het werk. Het douchen. Dat Bas altijd wist waar ik was. Dat Noor vroeg of het niet te druk voor me werd voordat ze iets leuks voorstelde.

Hester schreef niets op terwijl ik praatte.

‘Dat zijn echte verliezen,’ zei ze.

Ik wachtte op het woord “maar”. Het kwam niet.

Later ging ik naar een bijeenkomst voor mensen met niet-aangeboren hersenletsel. Naast me zat Peter, een voormalige elektricien uit Schiedam. Hij liep zonder stok en praatte vlot. Ik dacht meteen dat hij er beter aan toe was.

Toen vergat hij midden in een zin wat hij wilde zeggen. Hij sloeg met zijn vlakke hand op zijn knie.

‘Gisteren ook al. Bij de bakker.’

Niemand vulde zijn zin aan.

We wachtten.

Daar, in een zaaltje met slechte koffie, hoefde ik voor het eerst niet uit te leggen waarom wachten een vorm van hulp was.

Hoofdstuk 6

Acht treden

In november besloot ik dat ik alleen naar de bakker wilde. Niet omdat brood bijzonder was. Omdat ik genoeg had van afspraken waarvoor iemand me moest brengen, halen of begeleiden.

De bakker zat zeshonderd meter verderop. We hadden de route met de fysiotherapeut geoefend. Er was één lastige oversteek en een stuk stoep dat scheef lag door boomwortels. Ik kende de plekken waar ik kon rusten.

Bas keek naar de regen tegen het raam.

‘Vandaag?’

‘Vandaag niet,’ zei ik.

Hij keek verrast.

Vroeger had ik doorgezet om te bewijzen dat ik zelf besliste. Nu wilde ik brood halen, niet een discussie winnen.

Twee dagen later was het droog. Ik trok stevige schoenen aan en stopte mijn telefoon in een jaszak waar ik met links bij kon. In de andere zak zat een briefje met mijn naam, contactpersoon en een korte uitleg over mijn afasie.

Ik vond dat briefje vernederend toen Lotte het voorstelde. Nu vond ik het vooral handig.

Bij de oversteek wachtte ik twee keer op groen. De eerste keer stond er een groep scholieren naast me. Ze duwden en lachten. Ik liet ze gaan.

De tweede keer liep ik alleen.

In de winkel rook het naar warm deeg. Er stonden drie mensen voor me. Ik oefende mijn zin in mijn hoofd.

Een half volkoren, gesneden.

Toen ik aan de beurt was, zei ik: ‘Een halve vloer.’

De verkoopster wachtte.

‘Volkoren,’ zei ik.

‘Gesneden?’

‘Ja.’

Dat was alles. Geen ramp. Geen applaus. Ik betaalde en stopte het brood in mijn kleine rugzak. Buiten ging ik even op een bank zitten. Mijn hart bonsde harder van het bestellen dan van het lopen.

Thuis legde ik het brood op tafel.

Bas keek op van zijn laptop.

‘Lekker.’

Ik had hem eerder gevraagd niet bij alles te juichen. Hij hield zich eraan. Later zag ik hem glimlachen terwijl hij boter uit de koelkast pakte.

Niet iedere week bracht zoiets. Soms ging ik achteruit in wat ik op een dag aankon. Na een verkoudheid duurde het bijna twee weken voordat mijn ritme terug was. Een drukke verjaardag van een buurman kostte me een hele zondag.

Ook mijn stemming schoot soms alle kanten op. Ik kon huilen om een reclame en nauwelijks reageren als iemand iets ernstigs vertelde. Hester hielp me uitzoeken wat vermoeidheid deed, wat verdriet was en waar ik extra ondersteuning bij nodig had. Er kwam geen eenvoudige verklaring voor alles.

Noor vond me op een zaterdag in de keuken. Ik probeerde een wortel te schillen. Mijn rechterhand hield hem vast, maar niet stevig genoeg. Er lagen drie halve wortels op de grond.

‘Zal ik?’ vroeg ze.

‘Nee.’

Ze bleef bij de deur staan.

‘Ik weet nooit meer wat goed is,’ zei ze.

Ik legde de schiller neer.

‘Bij papa mag niks. Bij mij mag niks. Maar als we niks doen, denk ik dat je straks valt.’

Ze klonk niet als een kind. Ze klonk als iemand die al maanden op haar woorden lette.

We gingen aan tafel zitten. Ik vertelde dat ik haar hulp soms nodig had, maar ook ruimte. Dat ze niet elke keer mijn gezicht hoefde te controleren. Dat ik het zelf ook niet altijd wist.

‘Ik was bang dat je doodging,’ zei ze.

Ik knikte. Mijn eerste neiging was haar geruststellen. Toen zei ik de waarheid.

‘Ik ook.’

We lieten de wortels liggen.

In december wilde ik naar haar kamer in Delft. Ze woonde op de eerste verdieping, met acht steile treden naar een tussenbordes en daarna nog een trap. Bas had voorgesteld beneden in een café af te spreken.

Ik wilde zien waar ze sliep.

We planden het rustig. Geen boodschappen ervoor. Geen andere afspraken erna. Ik had met mijn fysiotherapeut besproken hoe ik de trap kon nemen en wanneer ik hulp moest vragen.

Bij de achtste trede rustte ik op het bordes. Noor stond boven me. Bas bleef onderaan, dichtbij maar zonder te duwen.

‘Gaat het?’ vroeg ze.

‘Even.’

Mijn rechterbeen trilde. Ik wachtte tot het minder werd.

Boven zag ik een wasrek, studieboeken en een beker met een afgebroken oor. Aan haar muur hing een foto van ons op het strand, van voor de beroerte.

Ik ging op haar bureaustoel zitten. Zij maakte thee.

Er was niets groots gebeurd. Ik wist nu hoe haar kamer rook. Naar wasmiddel, stof en de mandarijnen op haar vensterbank. Dat had ik beneden in het café gemist.

Hoofdstuk 7

Mijn volgende verjaardag

Een jaar na de beroerte werd ik drieënvijftig. Ik had overwogen mijn verjaardag over te slaan. Geen taart. Geen bezoek. Geen klok in de buurt die me kon vertellen hoe laat mijn arm het een jaar eerder had begeven.

Bas vroeg wat ik wilde.

‘Een gewone ochtend.’

‘Wat is dat?’

Daar moesten we allebei om lachen. We hadden er verschillende versies van gekend.

We besloten klein te vieren. Noor kwam lunchen. Ria bracht later een plant. Karin kwam in het weekend, alleen en voor een uur. Dat hadden we zonder ruzie kunnen afspreken. Onze verhouding was nog wat stroef, maar niet kapot.

Mijn leven was kleiner geworden in afstand en drukte. Niet alles daarin vond ik aanvaardbaar. Ik miste spontaan ergens naartoe gaan. Ik miste autorijden zonder eerst na te denken over wat mocht en kon. Ik miste de snelheid waarmee ik vroeger iets zei voordat een ander zijn vraag had afgemaakt.

Mijn rechterhand bleef onhandig. Bij kou trokken mijn vingers stijf. Mijn been sleepte als ik te moe was. Dan wist ik meestal dat ik eerder had moeten stoppen.

Met spreken ging het veel beter. Toch kon een simpel woord ineens ontbreken. Kurkentrekker. Factuur. Woensdag. Sommige mensen merkten nauwelijks iets. Die zeiden dat ik weer helemaal de oude was.

Ik verbeterde ze niet altijd. Daar had ik niet altijd energie voor.

Op mijn werk deed ik inmiddels drie ochtenden van twee uur administratieve controles. Geen spoedritten. Geen telefoons met drie wachtenden. Ik zat in een rustige kamer en gebruikte vaste lijsten. Ahmed had me gevraagd of ik het werk zinvol vond.

‘Niet zoals vroeger,’ had ik gezegd. ‘Wel zinvol.’

Dat was het eerlijkste antwoord.

De uitbreiding naar meer uren was een keer mislukt. Daarna hadden we teruggeschakeld. Het traject rond werk en inkomen was nog niet afgerond. Er lagen brieven in een map die Bas en ik samen op zaterdag bekeken. Niet tussen het koken door. Niet vlak voor het slapen.

Ook onze relatie was niet terug op het oude punt. Bas schrok nog steeds als ik iets liet vallen. Ik hoorde zijn stoel dan schuiven, waar hij ook zat. Soms riep ik meteen dat het alleen een lepel was.

We hadden geleerd om eerder te zeggen wanneer we genoeg hadden. Hij ging weer fietsen met zijn vrienden. Ik sprak af met Peter en twee anderen uit de lotgenotengroep. We praatten niet alleen over hersenen. Peter kon eindeloos mopperen over zijn voetbalclub. Daar genoten we allemaal van.

De ochtend van mijn verjaardag werd ik vroeg wakker. Bas sliep nog. Ik bleef liggen en luisterde naar zijn ademhaling. Daarna schoof ik mijn benen over de rand van het bed.

Mijn stok stond binnen handbereik. Ik pakte hem. Beneden deed ik het licht boven het aanrecht aan.

Om kwart over tien zaten we aan tafel.

Dezelfde tafel. Andere taart. Appeltaart, omdat ik die zelf had gekozen. Citroen hoefde nog niet.

Ik keek naar de klok. Bas zag het.

‘Wil je iets zeggen?’

Ik schudde mijn hoofd. Daarna bedacht ik me.

‘Ik ben nog bang.’

Hij legde zijn vork neer.

‘Ik ook soms.’

We maakten er geen groter gesprek van. Dat hoefde op dat moment niet.

Toen Noor binnenkwam, had ze een platte doos onder haar arm. Er zat een klein fotoboek in. Geen overzicht van mijn herstel. Geen foto’s van een ziekenhuisbed. Gewoon beelden van het afgelopen jaar. Haar kamer. Bas met een verbrande barbecueworst. Ria’s kat in onze wasmand. Ik bij de bakker, op een dag dat we samen waren gegaan.

Op de laatste bladzijde stond een foto van mijn hand op tafel. Mijn rechterhand. Ernaast lag een kaartspel.

‘Die avond won je,’ zei Noor.

‘Jullie waren slecht.’

Ze lachte. Ik hoefde niet naar woorden te zoeken.

Na de lunch gingen we een klein stuk langs de Schie lopen. Het waaide. Noor liep links van me, Bas rechts. Bij het bankje gaf ik aan dat ik wilde zitten. Niet omdat iemand het vroeg. Omdat ik voelde dat het tijd was.

Een fietser belde. Verderop sloeg een boot zacht tegen de kade. Bas haalde een flesje water uit zijn tas.

Ik dacht even aan de vrouw die een jaar eerder niet om water kon vragen. Ze was niet weg. Ik was haar ook nog.

Na tien minuten stond ik op. Ik moest me afzetten met mijn linkerhand. Mijn rechtervoet zette ik bewust goed neer.

‘Naar huis?’ vroeg Noor.

‘Ja,’ zei ik. ‘Er is nog taart.’