Psychische gezondheid
De angst om gek te worden
Dit boek gaat over psychische klachten. Zoek hulp als het onderwerp je raakt.
Hoofdstuk 1
Het piepje
Het begon bij kassa vier van de Albert Heijn aan de Amsterdamsestraatweg in Utrecht. Ik had yoghurt, vuilniszakken en een zak mandarijnen gekocht. De jongen achter de kassa trok de yoghurt langs de scanner. Het piepje klonk veel te hard.
Daarna hoorde ik mijn hart.
Niet gewoon snel. Het sloeg alsof iemand van binnen tegen mijn borstkas duwde. Mijn vingers werden koud. De winkel leek ineens ver weg, hoewel de kassajongen nog geen meter voor me zat.
‘Heeft u een bonuskaart?’
Ik keek naar zijn mond. Ik begreep de woorden, maar kon niets terugzeggen.
Achter me zuchtte iemand.
Mijn naam is Noor van Dijk. Ik was vierendertig, woonde alleen in Zuilen en werkte bij een drukkerij in Amersfoort. Tot die middag dacht ik dat ik mezelf behoorlijk goed kende. Ik vergat verjaardagen, fietste te hard en kon slecht tegen mensen die hun telefoon op luidspreker zetten. Ik was niet iemand die midden in een supermarkt ineens haar verstand verloor.
Toch was dat precies wat ik dacht dat er gebeurde.
Ik pakte mijn pinpas. Liet hem vallen. Toen ik bukte, schoof de vloer voor mijn gevoel schuin onder me weg.
‘Gaat het?’ vroeg de kassajongen.
‘Ja. Te weinig gegeten.’
De eerste leugen kwam zonder moeite.
Ik betaalde, liet mijn boodschappen staan en liep naar buiten. Bij de fietsenrekken probeerde ik diep adem te halen. Dat maakte het erger. Mijn lippen tintelden. Mijn handen trokken stijf.
Een vrouw in een rode regenjas bleef staan.
‘Zal ik iemand bellen?’
Ik schudde mijn hoofd. Ik wilde vooral dat ze wegging. Als ze bleef, zou ze zien wat er met mij gebeurde. Misschien zou ik gaan schreeuwen. Misschien zou ik mijn eigen naam vergeten.
Ik belde mijn zus Eva.
‘Kun je komen?’
‘Waar ben je?’
‘Bij de Albert Heijn.’
‘Welke?’
Ik wist het antwoord. Toch moest ik naar het bord boven de ingang kijken.
Eva was er binnen twintig minuten. Ze vond me naast een bak met uitgebloeide planten. Ik zat op mijn hurken. Mijn fiets stond nog op slot.
‘Heb je pijn?’ vroeg ze.
‘Ik weet het niet.’
‘Noor, kijk even naar me.’
Haar gezicht zag er vreemd uit. Niet veranderd, maar alsof ik naar een foto van haar keek. Ik wist dat zij mijn zus was. Ik voelde het niet.
Dat durfde ik niet te zeggen.
Ze belde de huisartsenpraktijk. Omdat de klachten nieuw waren en ik druk op mijn borst had, mochten we die middag komen. Eva reed. Ik bleef naar mijn handen kijken. Ik bewoog steeds mijn duim tegen mijn wijsvinger, om te controleren of ik dat nog zelf bepaalde.
Huisarts Meijer liet me vertellen. Ze onderzocht me en stelde vragen over pijn, slaap, koffie en eerdere klachten. Toen ze zei dat het waarschijnlijk een paniekaanval was, voelde ik geen opluchting.
‘Waarschijnlijk?’ vroeg ik.
‘Wat ik nu zie, past daarbij. Ik zie op dit moment geen aanwijzingen voor een acute lichamelijke oorzaak. Bij nieuwe of duidelijk andere klachten moet je opnieuw contact opnemen.’
‘Maar waarom zag alles er zo raar uit?’
‘Dat kan bij hevige angst gebeuren.’
Ik keek naar haar pennenbak. Daar zat een schaar in met paarse handvatten. Ik herinner me die schaar beter dan de rest van het gesprek.
Ze vroeg hoe het de laatste weken ging.
‘Druk,’ zei ik.
Mijn moeder was drie maanden eerder geopereerd. Op mijn werk waren twee mensen vertrokken. Ik sliep vijf uur per nacht en dronk koffie tot na het avondeten. Dat waren feiten. Ik zag geen verband. Iedereen had het toch druk?
Thuis zette Eva mijn boodschappen in de koelkast. De kassajongen had de tas voor haar bewaard.
‘Ik blijf eten,’ zei ze.
‘Hoeft niet.’
‘Dat vroeg ik niet.’
Ze maakte pasta. Ik kreeg drie happen weg. Intussen controleerde ik of ik de dagen van de week nog kon opnoemen. Maandag. Dinsdag. Woensdag. Bij donderdag begon ik opnieuw, omdat ik niet zeker wist of ik woensdag echt had gedacht.
Om tien uur ging Eva naar huis. Ik deed de deur dicht en bleef met mijn hand op de klink staan.
In de stilte hoorde ik de koelkast aanslaan.
Even dacht ik dat iemand mijn naam zei.
Ik trok de stekker eruit.
Daarna zat ik tot halfvier op de bank, met alle lampen aan. Op mijn telefoon zocht ik naar één zin: hoe merk je dat je gek wordt?
Hoofdstuk 2
Bewijs zoeken
De volgende ochtend belde mijn collega Bas om kwart over acht.
‘Je trein gemist?’
Ik zat op de badkamervloer. Voor me lag een nat washandje. Ik had geprobeerd mijn gezicht kouder te maken, alsof ik daarmee mijn hoofd kon terugzetten naar gisteren.
‘Buikgriep,’ zei ik.
‘Balen. Ik geef het door aan René.’
René was onze leidinggevende. Ik hoorde op de achtergrond de snijmachine starten. Dat vertrouwde geluid deed pijn. Daar draaide alles gewoon door. Hier durfde ik niet eens onder de douche, omdat ik bang was dat ik achter het gordijn iets zou horen.
Na het telefoontje ging ik voor de spiegel staan.
‘Ik ben Noor van Dijk. Ik woon in Utrecht. Het is dinsdag.’
Ik zei ook mijn geboortedatum. Daarna het adres van mijn moeder in Nieuwegein.
Alles klopte.
Vijf minuten later deed ik het opnieuw.
Op internet las ik over paniek, psychoses, hersentumoren en slaaptekort. Elk artikel gaf me een ander woord om bang voor te zijn. Bij een beschrijving van stemmen horen hield ik mijn adem in. Ik luisterde naar het trappenhuis. Er klonk een mannenstem.
Mijn maag trok samen.
Toen sloeg beneden een deur dicht. Mijn buurman Karim riep iemand gedag.
Ik voelde een paar seconden opluchting. Daarna dacht ik: maar wat als ik straks het verschil niet meer hoor?
Eva belde tijdens haar lunchpauze.
‘Heb je geslapen?’
‘Een beetje.’
‘Hoeveel?’
‘Twee uur.’
Ze bleef even stil.
‘Zal ik vanavond komen?’
‘Denk jij dat ik raar praat?’
‘Nee.’
‘Echt niet?’
‘Je klinkt bang.’
‘Maar niet verward?’
‘Nee, Noor.’
Ik stelde die vraag die dag nog zes keer. Met andere woorden. Via berichten. Tijdens een tweede telefoontje. Ik schaamde me telkens, maar de schaamte was minder erg dan de angst.
Woensdag liep ik naar de bakker op de hoek. Een afstand van tweehonderd meter. Ik had mijn telefoon opgeladen en Eva’s nummer bovenaan gezet. Bij de deur controleerde ik of ik mijn huissleutels had. Daarna nog eens.
In de rij werd de ruimte plat. Dat is de beste beschrijving die ik heb. De broodrekken, de mensen, de toonbank: alles stond nog op zijn plaats, maar ik voelde geen afstand meer.
Ik rende weg zonder iets te kopen.
Thuis zocht ik naar dat gevoel. Ik vond woorden als derealisatie en depersonalisatie. Het hielp dat er namen voor bestonden. Vervolgens las ik tot diep in de nacht verhalen van mensen bij wie het jaren duurde.
Ik onthield alleen die verhalen.
Donderdag belde huisarts Meijer zelf. We hadden afgesproken dat ze zou vragen hoe het ging.
‘Slechter,’ zei ik.
Dat woord kostte meer moeite dan alle leugens daarvoor.
Ik vertelde over de spiegel. Over het controleren. Over de koelkast. Ik wachtte op een verandering in haar stem.
Die kwam niet.
‘Ben je bang dat je de controle verliest, of heb je het gevoel dat dat al gebeurt?’ vroeg ze.
‘Ik weet steeds waar ik ben. Maar ik vertrouw het niet.’
Ze vroeg door. Ook naar sombere gedachten en mijn veiligheid. Ik schrok van die vragen, maar ze legde uit waarom ze ze stelde. Ik vertelde dat ik mezelf niets wilde aandoen. Ik wilde alleen dat mijn hoofd ophield mij bang te maken.
We maakten een nieuwe afspraak. Ze verwees me naar haar praktijkondersteuner en besprak verdere behandeling.
‘Je hoeft dit niet eerst erger te laten worden voordat je hulp mag krijgen,’ zei ze.
Na het gesprek stuurde ik René een bericht. Geen buikgriep. Psychische klachten. Ik kon voorlopig niet werken.
Ik staarde naar de vinkjes.
Zijn antwoord kwam snel. ‘Dank dat je het zegt. Zorg eerst dat je hulp krijgt. Morgen kort bellen?’
Ik huilde. Niet omdat alles ineens veilig was. Ik huilde omdat ik de buikgriep niet meer hoefde vol te houden.
Die avond kwam Eva. Ze vond naast mijn bord een lijst met controlevragen. Mijn naam. De datum. De minister-president. Vijf woorden die ik moest onthouden.
‘Wat is dit?’
‘Een test.’
‘Van de huisarts?’
Ik schudde mijn hoofd.
Ze ging tegenover me zitten.
‘En wanneer ben je geslaagd?’
Ik keek naar het papier. Bovenaan stonden al negen streepjes. Negen goede rondes.
‘Dat weet ik niet,’ zei ik.
Hoofdstuk 3
De lange nacht
Op zondagavond stond Eva met haar jas aan in mijn gang. Ze was bijna het hele weekend gebleven. Maandag moest ze vroeg naar het ziekenhuis waar ze als laborant werkte.
‘Bel als het echt niet gaat,’ zei ze.
‘Wat betekent echt?’
Ze wreef over haar voorhoofd.
‘Dat kan ik niet voor je bepalen.’
Ik hoorde verwijt, hoewel ze het rustig zei.
‘Laat maar,’ antwoordde ik.
‘Noor.’
‘Ga nou maar.’
Zodra ze weg was, kreeg ik spijt. Ik stuurde een hartje. Daarna vroeg ik of ze vond dat ik die middag anders had gekeken dan normaal.
Ze antwoordde niet meteen.
Ik liep door mijn huis. Van de keuken naar de slaapkamer. Terug naar de bank. De televisie stond aan zonder geluid. Ik had honger, maar het brood voelde droog in mijn mond. Om elf uur ging ik naar bed. Om elf over elf stond ik weer op.
Als ik mijn ogen sloot, kwamen er losse beelden. Een trap. Een hond. Een onbekend gezicht. Gewone rommel van een moe hoofd, wist ik later. Die nacht zag ik het als bewijs dat mijn gedachten niet meer van mij waren.
Ik probeerde wakker te blijven om controle te houden.
Rond twee uur hoorde ik buiten een scooter. Het geluid bleef in mijn oren hangen. Mijn hart versnelde. Ik ging rechtop zitten.
Daar was het weer. De afstand tot de kamer. Mijn handen die niet helemaal als mijn handen voelden.
Ik belde Eva.
Geen antwoord.
Nog een keer.
Toen belde ik de huisartsenpost.
‘Ik ben bang dat ik mijn verstand verlies,’ zei ik tegen de triagist.
Ze vroeg waar ik was, of ik alleen was en wat ik precies merkte. Ik praatte te snel. Ze vroeg me één vraag tegelijk te beantwoorden. Dat lukte.
Na overleg belde een arts terug. Hij nam de klachten door en vroeg ook of ik stemmen hoorde die anderen niet hoorden, of ik wist waar ik was en of ik mezelf veilig kon houden. Ik vertelde alles, ook wat ik beschamend vond.
‘Ik ben de hele tijd aan het luisteren of ik iets hoor,’ zei ik.
‘Dat klinkt uitputtend.’
Het was de eerste zin die precies klopte.
We bespraken wat ik die nacht kon doen en wanneer ik opnieuw moest bellen. Hij raadde aan iemand te vragen bij me te zijn en de volgende ochtend mijn eigen huisarts te spreken. Ik schreef de afspraken op, omdat ik mijn geheugen niet vertrouwde.
Daarna belde Eva terug.
‘Ik kom,’ zei ze.
Toen ze binnenkwam, begon ik meteen uit te leggen waarom dit anders was dan de vorige keer.
Ze trok haar schoenen uit.
‘Ik geloof dat het heel eng is. Maar ik kan vannacht niet bewijzen dat er niets gaat gebeuren.’
Ik werd kwaad.
‘Dus jij denkt ook dat het kan.’
‘Dat zeg ik niet.’
‘Je zei het wel.’
Ze ging aan de keukentafel zitten. Haar gezicht was bleek van vermoeidheid.
‘Ik weet niet meer wat ik moet antwoorden, Noor. Als ik nee zeg, vraag je het opnieuw. Als ik even nadenk, schrik je daarvan.’
Ik wilde iets scherps terugzeggen. Toen zag ik dat ze haar trui binnenstebuiten droeg. Ze was zo uit bed gestapt.
Ik ging tegenover haar zitten.
‘Sorry.’
‘Je hoeft geen sorry te zeggen voor de angst. Maar ik ben ook moe.’
We aten crackers met kaas. De boter was te hard. Eva scheurde een cracker doormidden toen ze probeerde hem te smeren. We keken naar de stukken op tafel.
Ik moest lachen. Een kort, vreemd geluid.
Meteen controleerde ik of dat lachen wel normaal was.
Eva zag mijn gezicht veranderen.
‘Wat gebeurde er net?’
Ik vertelde het.
‘Je mag ook gewoon een kapotte cracker grappig vinden,’ zei ze.
Ze sliep op de bank. Ik liet mijn slaapkamerdeur open. Tegen vijven viel ik in slaap.
De volgende ochtend zat ik weer bij Meijer. Eva was mee, maar bleef deze keer stil. Ik vertelde zelf hoe klein mijn dagen waren geworden. Hoe ik nergens meer kwam. Hoe ik zelfs bang was voor een seconde ontspanning.
Meijer schoof een doos tissues naar me toe.
‘We gaan niet alleen naar de aanvallen kijken,’ zei ze. ‘Ook naar alles wat je inmiddels doet om ze te voorkomen.’
Ik begreep nog niet waarom dat belangrijk was.
Ik dacht dat mijn controles het laatste waren wat me overeind hield.
Hoofdstuk 4
Niet controleren
De praktijkondersteuner heette Saskia. Ze had een kleine kamer boven de huisartsenpraktijk. Door het raam zag ik de fietsenstalling. Tijdens ons eerste gesprek telde ik drie keer de zwarte fietsen.
‘Waar kijk je naar?’ vroeg ze.
Ik vertelde het.
‘Wat geeft dat tellen je?’
‘Bewijs dat ik nog kan nadenken.’
‘Hoe lang werkt dat bewijs?’
Ik dacht aan de negen streepjes op mijn zelfgemaakte test.
‘Niet lang.’
Ze tekende een schema. Een gevoel in mijn lichaam. Mijn gedachte daarover. De angst. Het controleren. Even opluchting. Daarna opnieuw twijfel.
Het zag er irritant eenvoudig uit.
‘U denkt zeker dat ik gewoon moet stoppen met piekeren.’
‘Nee. Als dat zo eenvoudig was, zat je hier niet.’
Ze vroeg me een gewone ochtend te beschrijven. Niet in grote lijnen. Alles. Mijn ogen openen. Luisteren. Hartslag voelen. Mijn naam opzeggen. Mijn telefoon pakken. Zoeken. Eva berichten.
Toen ik klaar was, keek ze op de klok.
We hadden ruim twintig minuten nodig gehad voor mijn eerste kwartier.
Saskia begeleidde me terwijl ik wachtte op een psycholoog. We begonnen klein. Ontbijten voordat ik ging zoeken op mijn telefoon. Eén controle uitstellen. Buiten zitten zonder meteen te vluchten als de straat vreemd voelde.
Ik vond het kinderachtige opdrachten voor een probleem dat mijn hele leven had overgenomen.
Tot ik ze probeerde.
De eerste ochtend lag mijn telefoon in de keuken. Ik had hem daar zelf neergelegd. Toch voelde het alsof iemand hem had afgepakt. Ik at een halve boterham en liep daarna alsnog naar de zoekmachine.
Bij Saskia zei ik dat ik gefaald had.
‘Hoeveel minuten zat ertussen?’
‘Zeven.’
‘Vorige week?’
‘Geen.’
Ik vond haar nogal snel tevreden.
Zes weken na de eerste aanval kon ik terecht bij psycholoog Joris in een praktijk bij station Utrecht Vaartsche Rijn. De eerste keer bracht Eva me. Ik vroeg of ze in de wachtkamer wilde blijven. Joris vond dat voor die afspraak prima. We spraken af later te bekijken wat ik zelfstandig kon doen.
Hij stelde veel vragen. Over vroeger, werk, slapen en de angst zelf. Niet alleen over het moment bij de kassa. Ook over hoe ik altijd degene wilde zijn die niets nodig had.
Mijn moeder bellen na een late dienst. Extra werk aannemen. Eva helpen verhuizen terwijl ik koorts had. Ik vertelde het alsof het losse gebeurtenissen waren.
‘Wanneer zeg je dat iets te veel is?’ vroeg hij.
‘Als het niet meer lukt.’
‘En daarvoor?’
Daar had ik geen antwoord op.
Na de intake bespraken we een behandelplan met cognitieve gedragstherapie. We zouden onderzoeken wat ik vreesde en oefenen met situaties en sensaties die ik was gaan vermijden. Niet alles tegelijk. Niet zonder overleg.
‘Ik wil vooral zeker weten dat ik niet gek word,’ zei ik.
‘Ik kan zorgvuldig beoordelen wat er speelt. Maar absolute zekerheid geven, telkens opnieuw, helpt je waarschijnlijk maar heel even.’
Ik voelde me afgewezen.
Hij zag het.
‘We nemen je klachten serieus. Tegelijk wil ik je helpen leven zonder voortdurend een bewijs te hoeven verzamelen.’
Bij de tweede afspraak vertelde ik over een gedachte die ik nog voor iedereen verborgen had gehouden. Wat als ik in de trein ineens begon te schreeuwen?
‘Wil je dat doen?’ vroeg hij.
‘Nee. Daarom ben ik er bang voor.’
We bespraken het verschil tussen een ongewenste gedachte, een wens en een handeling. Het stelde me gerust. Daarna wilde ik dezelfde vraag nog eens stellen.
Ik hield mijn mond. Mijn vingers knepen in de rand van de stoel.
‘Wat merk je?’ vroeg Joris.
‘Dat ik het nog een keer wil horen.’
‘Kunnen we daar even bij blijven?’
Die minuut duurde belachelijk lang.
Mijn angst zakte niet netjes weg. Ik bleef onrustig. Toch gebeurde er ook iets anders. We praatten verder. Ik luisterde. De vraag bleef onbeantwoord en het gesprek ging door.
Na afloop liep ik naar het station. Eva was thuis gebleven. Op het perron voelde ik mijn benen trillen.
Ik kocht een thee bij de kiosk.
De beker lekte bij het deksel. Ik zocht een servet en miste bijna mijn trein.
Pas toen ik zat, merkte ik dat ik een halve minuut alleen met die lekkende beker bezig was geweest.
Ik maakte er bijna meteen weer een test van.
Deze keer liet ik mijn telefoon in mijn tas.
Hoofdstuk 5
De eerste trein
Mijn eerste echte oefenrit naar Amersfoort was op een woensdag. Ik hoefde nog niet te werken. Alleen heen, een kwartier zitten met Bas en terug. De bedrijfsarts had een rustige opbouw geadviseerd. René had gezegd dat ik niet even snel achter een machine hoefde te springen.
Ik geloofde hem pas toen hij het voor de tweede keer zei.
Op Utrecht Centraal stond ik twintig minuten te vroeg op het perron. Mijn handen waren nat. Ik keek naar de trap en berekende hoe snel ik boven kon zijn als ik weg moest.
Toen de trein binnenreed, wilde ik wachten op de volgende.
Dat was mijn vaste truc geworden. Nog één trein. Eerst even rustiger worden. Eerst zeker weten dat het kon.
Ik stapte in.
Een jongen met een enorme sporttas ging tegenover me zitten. Hij rook naar deodorant en warme friet. Bij het sluiten van de deuren kreeg ik een steek in mijn buik.
Nu kon ik er niet meer uit.
Mijn eerste neiging was Eva bellen. In plaats daarvan keek ik naar mijn kaartje met afspraken uit de behandeling. Niet als toverspreuk. Gewoon om te onthouden wat ik van plan was: de rit maken, minder controleren, niet wachten tot ik me perfect voelde.
Bij Bilthoven voelde het landschap onecht. De bomen bewogen langs het raam alsof iemand een film afdraaide.
Daar gaan we, dacht ik.
Ik wilde testen of ik de namen van alle stations nog wist. Ik begon al met Utrecht. Toen stopte ik.
De jongen tegenover me liet een frietje vallen. Hij keek ernaar, keek naar mij en trapte het onder zijn stoel.
‘Die telt niet meer,’ zei hij.
‘Lijkt me verstandig.’
Mijn stem klonk normaal. Ik probeerde dat niet verder te onderzoeken.
Bij Amersfoort stapte ik uit met knikkende knieën. Ik was niet rustig. Ik was er wel.
Bas wachtte bij de ingang van de drukkerij aan de rand van De Isselt. Hij droeg zijn oude blauwe werktrui. Er zat een nieuwe vlek op de buik.
‘Koffie?’ vroeg hij.
‘Liever thee.’
‘Jij?’
Hij trok een verbaasd gezicht. Toen herstelde hij zich.
‘Thee. Prima.’
Binnen rook het naar papier, inkt en de broodjes die iemand in het tostiapparaat had laten liggen. Ik wilde tegelijk huilen en naar huis.
René kwam even kijken.
‘Goed je te zien. Vandaag geen planningsoverleg.’
‘Hoe gaat het met die opdracht voor de school?’
‘Loopt.’
‘Want dat bestand had nog—’
‘Loopt,’ herhaalde hij.
Ik keek naar mijn thee. Het was vreemd om niet nodig te zijn. Nog vreemder was dat het me opluchtte.
Bas vertelde over een klant die duizend uitnodigingen had besteld met de verkeerde trouwdatum. Ik lachte op de juiste momenten. Intussen telde ik de minuten tot ik mocht vertrekken.
Na twaalf minuten zei ik dat ik naar huis wilde.
‘We hadden vijftien afgesproken,’ zei Bas voorzichtig.
Hij kende de oefening. Ik had hem zelf gevraagd me eraan te herinneren.
Ik haatte hem drie minuten lang.
Daarna gaf hij me mijn jas.
Thuis was ik uitgeput. Ik sliep twee uur en werd wakker met een bonzend hart. Meteen dacht ik dat de rit te veel was geweest. Dat ik mezelf beschadigd had door toch te gaan.
Bij Joris noemde ik het een slechte oefening.
‘Wat was het doel?’ vroeg hij.
‘De trein nemen en koffie drinken.’
‘Thee,’ verbeterde hij nadat ik hem aankeek.
‘Maar ik was de hele tijd bang.’
‘Dat klopt. En je deed wat je had afgesproken.’
Ik begon langzaam te begrijpen hoe streng mijn beoordeling was. Alleen een dag zonder angst telde. Al het andere noemde ik mislukt.
Toch ging de behandeling niet vanzelf. Het slapen bleef slecht. Na overleg met Meijer begon ik met een antidepressivum. We bespraken mogelijke bijwerkingen, het vertraagde effect en controleafspraken. De eerste weken was ik misselijk en soms onrustiger. Ik belde daarover. We hielden contact. Ik veranderde niet zelf mijn dosering.
Er kwam geen plotselinge ommekeer. Wel at ik na een tijdje vaker een hele maaltijd. Ik sliep soms zes uur achter elkaar. Mijn oefeningen bleven nodig.
Een week later ging ik opnieuw naar de drukkerij.
Bas vroeg niet hoe het met mijn hoofd ging.
‘Wil je zien wat de stagiair met de perforator heeft gedaan?’ vroeg hij.
Voor het eerst in weken wilde ik ergens blijven.
Hoofdstuk 6
Weer bij af
In november werkte ik drie ochtenden per week. Ik fietste weer naar de bakker. Eva kreeg minder berichten van me. Soms vergat ik zelfs mijn hartslag te voelen.
Toen belde mijn moeder.
Bij een controle was iets gevonden dat nader onderzocht moest worden. Ze zei het snel, tussen een verhaal over haar buurvrouw en de vraag of ik haar ovenschaal had.
‘Wat is iets?’ vroeg ik.
‘Dat weten ze nog niet.’
Ik ging naar Nieuwegein. Maakte soep. Schreef vragen op voor de specialist. Belde Eva. Regelde vervoer. Die avond deed ik ook nog twee wasjes en beantwoordde ik werkmail.
Ik herkende het patroon. Dat betekende niet dat ik stopte.
Twee nachten later sliep ik nauwelijks. Op mijn werk maakte ik een fout in een proefdruk. Een adresregel stond dubbel. Bas wees me erop.
‘Kun je die even aanpassen?’
Mijn gezicht werd heet.
Ik staarde naar het scherm. De letters leken los te staan van hun betekenis.
Daar was het.
Niet een beetje spanning. Het volle geweld. Mijn hart, mijn maag, de vreemde afstand tot alles. Ik schoof mijn stoel achteruit en liep naar het toilet.
In het hokje zei ik mijn naam op.
Daarna de datum.
Ik haalde mijn telefoon tevoorschijn en zocht naar concentratieproblemen als begin van een psychose. Binnen drie minuten zat ik weer midden in hetzelfde zoeken als maanden eerder.
Ik belde Eva.
‘Het is terug.’
‘Waar ben je?’
‘Werk.’
‘Weet Bas het?’
‘Ik heb alles verpest.’
Ze liet me uitpraten. Toen zei ze dat ik iemand daar moest vertellen wat er gebeurde. Niet omdat zij me kwijt wilde. Omdat ik niet alleen in een toilet hoefde te blijven zitten.
Bas stond in de gang toen ik naar buiten kwam.
‘Ik hoorde je niet meer,’ zei hij.
‘Ik heb paniek.’
Het was de eerste keer dat ik dat op mijn werk hardop zei terwijl het gebeurde.
Hij knikte naar de kantine.
‘Daar zitten?’
Ik wilde naar huis. René kwam erbij en vroeg wat ik nodig had. We besloten dat ik niet verder zou werken. Ik bleef nog even zitten tot ik kon nadenken over de terugreis. Bas liep mee naar de bushalte. Niemand maakte er een toespraak van.
Thuis trok ik de gordijnen dicht.
De schaamte was erger dan de vermoeidheid. Ik had mensen verteld dat het beter ging. Misschien had ik ze misleid. Misschien was de verbetering nooit echt geweest.
Ik stuurde Joris een bericht. Er was later die week een plek vrijgekomen.
Tijdens die afspraak schoof ik mijn tas hard op de grond.
‘Blijkbaar werkt het niet.’
‘Wat werkt er niet?’
‘Alles.’
Hij vroeg me niet positief te denken. We liepen de afgelopen dagen na. Het telefoontje van mijn moeder. Het overnemen van taken. De slechte nachten. De fout op het werk. Het controleren in het toilet.
‘Je bent teruggevallen in bekende reacties,’ zei hij. ‘Dat is niet hetzelfde als terug zijn bij het begin.’
‘Zo voelt het wel.’
‘Dat geloof ik.’
Hij vroeg wat er nu anders was dan in augustus.
Ik had Bas verteld wat er gebeurde. Ik had contact gezocht met mijn behandelaar. Ik wist welke controles ik opnieuw deed. Dat voelde niet indrukwekkend, maar het was waar.
Daarna belde ik mijn moeder.
‘Ik kan vrijdag niet mee naar het ziekenhuis,’ zei ik. ‘Eva kan met je mee.’
‘Ben je weer ziek?’
Ik kneep mijn ogen dicht.
‘Ik heb het moeilijk. En ik probeer niet opnieuw alles te doen.’
Ze zweeg. Ik hoorde haar een kopje neerzetten.
‘Ik wist niet dat het nog zo speelde,’ zei ze.
‘Ik vertel meestal alleen als het beter gaat.’
We praatten langer dan anders. Niet prettig de hele tijd. Ze begreep niet alles. Ik ook niet.
De uitslag van haar onderzoek bleek later minder ernstig dan we hadden gevreesd. Er waren controles nodig, geen nieuwe operatie. Mijn angst verdween niet meteen met dat nieuws.
Die zaterdag ging ik weer naar de bakker. Bij de deur wilde ik omkeren.
Ik bleef.
Voor me bestelde een man twaalf verschillende broodjes. Hij veranderde drie keer van gedachten.
Ik was bang en ongeduldig tegelijk.
Toen ik eindelijk aan de beurt was, wist ik nog precies wat ik wilde.
Hoofdstuk 7
Een gewone zaterdag
Bijna een jaar na de eerste aanval liep ik opnieuw de Albert Heijn aan de Amsterdamsestraatweg binnen. Ik kwam daar inmiddels vaker, maar meestal gebruikte ik de zelfscan. Die zaterdag stond er een lange rij. Kassa vier was vrij.
Ik legde yoghurt, koffie en afwasmiddel op de band.
De jongen achter de kassa herkende ik niet. Toch keek ik naar zijn handen toen hij de yoghurt pakte.
Piep.
Mijn buik spande aan.
Er kwam een gedachte: straks begint het weer.
Ik hoefde niet te doen alsof die gedachte me niets deed. Ik voelde mijn voeten onrustig worden. Ik wilde mijn telefoon pakken. Even een bericht sturen. Even controleren of Eva bereikbaar was.
‘Spaart u de zegels?’ vroeg de jongen.
‘Nee, dank je.’
Ik betaalde. De yoghurt ging onder in de tas en ik haalde hem er weer uit, omdat er een scheur in de beker zou komen als ik de fles erop zette.
Dat was alles.
Buiten bleef ik even bij mijn fiets staan. Niet om te testen hoe ik me voelde. Mijn sleutel zat onderin mijn jaszak, tussen een kassabon en een los knoopje.
Ik dacht aan die eerste middag. De plantenbak. Eva’s auto. De maanden waarin ik elk geluid onderzocht.
Ik had graag gewild dat ik kon zeggen dat die angst voorgoed weg was. Dat kan ik niet.
Soms word ik wakker en voelt mijn slaapkamer een paar tellen vreemd. Soms geeft een vergeten naam me een schok. Als ik slecht slaap, wil ik nog steeds zoeken naar verklaringen. Er zijn dagen waarop ik toegeef en twintig minuten lees voordat ik merk wat ik aan het doen ben.
Het verschil is niet dat ik nooit meer bang ben. Het verschil is dat ik niet meer elke keer mijn hele dag aan die angst geef.
Ik werk nu vier dagen, iets minder uren dan vroeger. Die keuze was niet eenvoudig. Ik mis het geld. Soms erger ik me als iemand het een luxe noemt. Ik heb met René en de bedrijfsarts uitgezocht wat haalbaar was. Misschien verandert dat later. Voorlopig werkt het.
Bas vraagt af en toe hoe het gaat. Dan probeer ik geen rapportcijfer te geven.
‘Slecht geslapen, maar vandaag lukt het,’ zeg ik bijvoorbeeld.
Of: ‘Ik zit weer veel in mijn hoofd. Kunnen we die extra klus morgen bespreken?’
Dat tweede blijft moeilijk.
Mijn gesprekken met Joris zijn minder frequent. We hebben opgeschreven welke signalen bij mij vaak voorafgaan aan een terugval. Slechter slapen. Alles overnemen. Minder eten. Meer controleren. Ook staat erop wie ik kan bellen en wanneer ik opnieuw professionele hulp moet vragen. De medicatie bespreek ik met Meijer. Ik hoef daar geen stoer besluit over te nemen.
Eva en ik hebben ook afspraken. Ik mag vertellen dat ik bang ben. Zij hoeft niet twintig keer te bevestigen dat ik normaal klink.
Soms vraagt ze: ‘Wil je dat ik luister, of wil je zekerheid?’
Dan zucht ik.
Meestal weet ik het antwoord zelf al.
Die middag kwam ze eten. We gingen daarna naar een kleine filmvertoning in een zaal aan de Oudegracht. Een jaar eerder had alleen het idee van een gesloten deur me uren beziggehouden.
Ik koos nog steeds liever een plek aan het gangpad. Eva zag het, maar zei niets. Tijdens de voorfilm voelde ik mijn hart bonzen. De zaal was warm. Achter ons kraakte iemand hard door een zak snoep.
Ik dacht even aan weggaan.
Toen begon de film. Ik miste de eerste minuten omdat ik met mezelf bezig was. Daarna hoorde ik een zin die belangrijk bleek. Ik boog naar Eva.
‘Wie is die vrouw?’ fluisterde ik.
‘Zijn zus.’
‘O.’
‘Je let weer geweldig op.’
Ik gaf haar een zacht duwtje met mijn elleboog.
Na afloop fietsten we door de stad. Bij de brug scheidden onze wegen. Eva moest richting Lombok. Ik naar Zuilen.
‘Red je het?’ vroeg ze.
Het was een gewone vraag. Over de route, de late avond, misschien ook een beetje over mij.
‘Ja,’ zei ik.
Thuis deed ik één lamp aan. Ik zette de boodschappen weg die nog in mijn fietstas zaten. De koelkast sloeg aan toen ik de deur dichtduwde.
Ik hoorde het geluid. Meer niet.
Daarna maakte ik brood voor de volgende ochtend. Twee boterhammen met kaas. Ik zocht een bakje met een passend deksel en legde mijn sleutels klaar.
Morgen zou ik met de trein gaan.