Naar de inhoud
Terug naar het boek

Identiteit en zelfacceptatie

De angst om afgewezen te worden

Hoofdstuk 1

De kameleon van Zuilen

Mijn naam is Dennis de Ridder. Ik ben vierendertig jaar en ik woon in Utrecht, in de wijk Zuilen. Ik werk als meubelmaker in een werkplaats aan de rand van de stad. Hout begrijp ik. Als je te veel druk zet op een beitel, splintert het hout. Als je te weinig schuurt, blijft het ruw. Hout liegt niet. Hout verandert niet van mening als je de kamer binnenkomt.

Mensen wel. Of beter gezegd: ik veranderde zodra er een mens in de buurt kwam. Jarenlang was ik een kameleon. Ik had geen eigen kleur. Ik nam de kleur aan van degene die voor me stond. Niet omdat ik gemeen was of vals wilde zijn. Ik deed het uit pure doodsangst. De angst dat iemand naar me zou kijken en zou denken: wat moet ik met die gozer? Weg ermee.

Het begon altijd in mijn lijf. Mijn keel werd kurkdroog. Mijn hart sloeg twee keer zo snel in mijn borstkas, alsof er een vogel in zat opgesloten. Mijn kaken spanden zich aan. Zodra iemand een vraag stelde, berekenden mijn hersenen binnen een fractie van een seconde wat het juiste antwoord was. Niet wat waar was. Maar wat de ander wilde horen. Wat ervoor zorgde dat de ander mij aardig zou vinden. Wat de minste kans op ruzie gaf.

Op een dinsdagmiddag in oktober stonden we met zijn vieren in de kantine van de werkplaats. Buiten kletterde de regen tegen de golfplaten van het dak. Binnen stonk het naar filterkoffie en zaagsel. Mijn baas, Bert, zat op een wankele kruk. Bert is een man van zestig met handen als kolenschoppen en een stem die overal doorheen dendert. Naast hem stonden mijn collega’s Arjan en Mo.

Bert smeet zijn krant op de plastic tafel. 'Moet je dit lezen,' zei hij. 'Die lui in de gemeenteraad willen de hele binnenstad afsluiten voor dieselbusjes. Ze zijn helemaal gek geworden. Al die linkse hobby’s kosten ons klauwen met geld. Vind je niet, Dennis?'

Daar was het. Die ijskoude steek in mijn maag.

Ik rijd zelf in een oude dieselbus van de zaak. Maar ik stem al jaren op een partij die juist minder uitstoot wil. Ik maak me zorgen om het klimaat. Ik zie hoe heet de zomers worden. Ik vind het eigenlijk een goed plan dat de binnenstad schoner wordt. Dat is wat ik dacht. Dat was mijn mening.

Bert keek me aan. Zijn wenkbrauwen stonden laag. Hij wachtte.

Ik voelde het zweet onder mijn oksels prikken. Mijn mond ging al open voor ik mezelf kon tegenhouden. 'Belachelijk,' zei ik. Mijn stem klonk iets te hoog. Ik lachte er kort achteraan, een laf lachje. 'Ze snappen echt niet hoe hard wij moeten werken om brood op de plank te krijgen. Gewoon pure pesterij van die ambtenaren.'

Bert knikte tevreden en nam een slok koffie. 'Precies wat ik zeg. Dennis snapt het tenminste.'

Arjan keek me vreemd aan. Twee weken eerder had ik nog buiten met Arjan staan roken. Toen had ik juist gezegd dat ik Utrecht zo vies en benauwd vond worden door al het verkeer. Arjan schudde zijn hoofd, zei niks en liep terug naar zijn werkbank.

Ik bleef achter bij het aanrecht. Ik waste mijn koffiemok af onder de lauwe kraan. Het water stroomde over mijn knokkels. Ik keek in de spiegel boven het fonteintje. Een gewoon gezicht. Donkerblond haar, een stoppelbaard, blauwe ogen. Maar achter die ogen zat helemaal niemand. Er stond een lege huls. Een man die alles zei wat nodig was om geen klap te krijgen, om niet buitengesloten te worden.

Toen ik naar huis fietste, tegen de wind in langs de Vecht, voelde ik me misselijk. De misselijkheid zat niet in mijn darmen, maar dieper. In mijn botten. Ik haatte mezelf. Ik walgde van de manier waarop ik knikte, lachte en boog voor iedereen. Alsof mijn eigen stem verboden was. Alsof ik pas mocht bestaan als een ander mij toestemming gaf.

Thuis wachtte Sanne. Sanne was al twee jaar mijn vriendin. Ze hield van me, zei ze. Maar hoe langer we samen waren, hoe meer ik me afvroeg van wie ze eigenlijk hield. Van mij? Of van de rol die ik speelde sinds de dag dat we elkaar ontmoetten in die kroeg aan de Oudegracht? Ik had nooit 'nee' tegen haar gezegd. Nooit. En vanavond zou die leugen als een betonnen muur bovenop me vallen.

Hoofdstuk 2

Ja zeggen, kapotgaan

Sanne stond in de keuken toen ik binnenkwam. Ze sneed champignons op een houten plank. De radio stond zachtjes aan op NPO Radio 2. Het rook naar knoflook en olijfolie. Een gewoon plaatje van een gewoon leven. Precies wat ik altijd had gewild. Rust. Geen gedoe.

'Hee,' zei ze over haar schouder. Ze glimlachte. 'Drukke dag?'

'Mwah, ging wel,' zei ik. Ik hing mijn jas aan de kapstok en schoof mijn werkschoenen uit. Mijn rug deed pijn van het tillen van zware eiken platen. Mijn hoofd deed pijn van het toneelspelen.

Sanne draaide zich om. Haar ogen glansden. Ze had dat gezicht dat ze altijd heeft als ze een plan heeft. 'Mijn moeder belde net,' zei ze. 'Ze willen zaterdag met zijn vieren gaan eten. Mijn ouders, jij en ik. In dat nieuwe visrestaurant bij de haven. Gezellig toch?'

Mijn maag kromp ineen tot een harde erwt.

Zaterdag. Ik had mezelf die zaterdagochtend beloofd om alleen te zijn. Gewoon een dag in mijn eentje in de schuur rommelen. Geen stemmen, geen verwachtingen, geen mensen. Bovendien haat ik vis. De structuur, de geur, de smaak. Sanne wist dat eigenlijk wel, maar haar vader was dol op oesters en kabeljauw. Haar vader was een dominante man, een voormalig registeraccountant die altijd hard sprak en grapjes maakte over mensen die minder verdienden dan hij.

'Leuk,' zei ik. Het woord glipte langs mijn lippen voor ik kon ademhalen.

Sanne keek me aan. Haar glimlach zakte een millimeter. 'Weet je het zeker? Je kijkt zo moeilijk.'

'Nee hoor, hartstikke leuk,' zei ik snel. Ik zette een glimlach op. Ik voelde de spieren in mijn wangen trekken. 'Echt. Gezellig. Heb je gereserveerd?'

'Nog niet. Maar ik doe het nu.' Ze pakte haar telefoon.

Terwijl ze belde, voelde ik mijn telefoon in mijn broekzak trillen. Drie korte trillingen. Een bericht. Ik haalde het toestel tevoorschijn. Het was Bert.

*Dennis, klant in Bilthoven wil die inbouwkast zaterdag af hebben. Moet gemonteerd worden. Kan jij zaterdagochtend en middag draaien? Krijg je dubbel uitbetaald. Laat effe weten.*

Ik staarde naar het scherm. Mijn duimen begonnen te trillen. Als ik 'nee' zei tegen Bert, zou hij maandag de hele dag met de deuren slaan. Dan zou hij grappen maken over jonge jongens die niet willen werken. Dan zou hij me misschien minder leuke klussen geven. Bert had een hekel aan mensen die niet loyaal waren. Loyaal betekende in zijn woorden: altijd beschikbaar zijn, zonder zeuren.

Maar als ik 'ja' zei tegen Bert, kon ik niet naar het etentje met de ouders van Sanne. Of ik moest me haasten, zwetend en met zaagsel in mijn haar aanschuiven, precies op tijd om afgezeken te worden door haar vader.

'Alles goed?' vroeg Sanne. Ze had opgehangen. 'Er was nog plek om zeven uur.'

'Ja, prima,' zei ik. Ik stopte de telefoon snel weer weg.

'Wie appte er?'

'Niemand. Reclame.' Ik loog zonder te knipperen. Het ging automatisch. De leugen was mijn schild. Zolang niemand wist wat er echt speelde, kon niemand boos op me worden. Niemand kon me afwijzen als ik geen weerstand bood.

Die nacht lag ik wakker. Naast me ademde Sanne rustig en diep. Haar hand lag warm op mijn buik. Ik durfde me niet te bewegen, bang dat ik haar wakker zou maken. Het plafond van de slaapkamer was grijs in het schijnsel van de lantaarnpaal buiten.

Ik tikte in gedachten de uren weg. Bert bellen en zeggen dat ik niet kon? Onmogelijk. Het zweet brak me al uit bij de gedachte aan zijn zware stem door de hoorn. *'Wat nou, privéleven? We hebben een deadline, Ridder.'*

Tegen Sanne zeggen dat ik moest werken en dat ik vis walgelijk vond? Dan zou ze teleurgesteld zijn. Dan zou ze zeggen dat ik nooit tijd voor haar familie maakte. Dan zou ze me misschien minder leuk vinden. Misschien zou ze gaan twijfelen aan ons. Aan mij.

Dat was de kern van de angst. Als ik liet zien wie ik werkelijk was – een vermoeide, onzekere meubelmaker die rust wilde en niet hield van vis en niet wilde overwerken – dan zou er niks overblijven om van te houden. Ze hielden van de man die meebootste. De man die altijd klaarstond. Haal die man weg, en er bleef een leeg gat over.

Om half vier stapte ik zachtjes uit bed. Ik liep op blote voeten naar de badkamer. Ik deed het licht niet aan. Ik dronk koud water uit de kraan met mijn handen als een kom. Mijn hart bonkte nog steeds in die idiote, onregelmatige cadans. Ik typte in het donker een bericht aan Bert:

*Is goed Bert. Ik ben er zaterdag om zeven uur. Komt in orde.*

Ik drukte op verzenden. De opluchting duurde twee seconden. Daarna kwam de paniek terug, tien keer zo zwaar. Ik had mezelf weer verkocht. Voor een fooi aan goedkeuring.

Hoofdstuk 3

Het feest bij de buren

Vrijdagavond, de dag voor de dubbele afspraak. We waren uitgenodigd voor de verjaardag van onze buurman Jeroen. Jeroen woonde drie deuren verderop. Hij werkte in de marketing en gaf feesten waar mensen met dure sneakers en wollen truien speciaalbier dronken uit veel te kleine glazen.

Ik wilde niet gaan. Mijn hele lichaam schreeuwde om de bank, om stilte. Maar Sanne had gezegd: 'We moeten wel even ons gezicht laten zien, Dennis. Het zijn de buren.' Dus stond ik daar.

De woonkamer van Jeroen stond blauw van de damp van een vapesigaret van iemand in de hoek. Er klonk eentonige elektronische muziek. Ik stond klem tussen een kamerplant en een boekenkast vol boeken die niemand ooit las. In mijn hand hield ik een glas IPA. Ik vind IPA smaken naar oorsmeer en grapefruitschil, maar Jeroen had gezegd: 'Deze moet je proberen, Dennis, heel hoppig, heel aards.' Dus had ik gezegd: 'Lekker man, topkeuze.'

Toen ging de voordeur open en stapte Mark binnen.

Mark was mijn beste vriend van de middelbare school. Hij kende me al vanaf mijn veertiende. Mark was lomp, eerlijk en werkte als automonteur. Hij paste absoluut niet op het feest van Jeroen, maar hij bleek via via een collega van de vriendin van Jeroen te kennen.

Zodra Mark me zag, lichtte zijn gezicht op. 'Hé, ouwe rukker!' riep hij dwars door de muziek heen. Mensen keken om. Sanne, die een paar meter verderop stond te praten met een vrouw in een linnen jurk, verstijfde even.

Mark liep op me af en gaf me een harde stomp tegen mijn schouder. 'Wat sta jij hier nou schaapachtig te kijken met dat kabouterbier?' Hij keek naar mijn glas. 'Drink jij tegenwoordig die zure troep? Je zuipt toch alleen maar gewoon pils?'

Mijn maag draaide zich om. Mijn werelden botsten. Hier was Mark, die wist dat ik het liefst goedkope pils dronk en naar hardrock luisterde. En hier waren Sanne en haar vrienden, voor wie ik de gevoelige, rustige meubelmaker was die hield van jazz en biologische wijn.

'Valt wel mee, Mark,' zei ik zachtjes. Ik probeerde mijn stem zo neutraal mogelijk te houden. 'Het is best een fris biertje.'

'Schei toch uit man,' lachte Mark luid. 'Je bent veranderd sinds je in deze chique straat woont. Ben je soms een snob geworden?'

Sanne kwam erbij staan. Ze sloeg een arm om mijn middel. Haar aanraking voelde niet warm, maar controlerend. 'Dennis heeft gewoon smaak, Mark,' zei ze met een strakke glimlach. 'Niet iedereen blijft zijn hele leven steken in een krat Schultenbräu.'

De spanning tussen hen was meteen voelbaar. En ik stond ertussen. Twee mensen die iets van mij vonden. Twee versies van Dennis. De ruwe werkplaatsjongen van vroeger en de keurige partner van nu. Wie was ik? Ik wist het niet. Ik voelde me een acteur die halverwege het toneelstuk zijn tekst was vergeten terwijl het doek open bleef.

'Nou, nou,' zei ik, en ik probeerde weer dat vreselijke lachje. 'Ieder zijn ding toch? Geen ruzie maken om een biertje.'

'Niemand maakt ruzie, pik,' zei Mark, en zijn blik werd serieuzer. Hij keek me strak aan. Hij zag me wankelen. 'Maar je doet raar de laatste tijd. Je belt nooit meer. Als ik vraag of we gaan sleutelen aan de motor, heb je altijd wat. Ben je bang dat je vieze handen krijgt?'

'Ik heb het gewoon druk met de zaak,' loog ik. De lucht in de kamer werd te dik om in te ademen. Ik kreeg geen zuurstof meer. De muren leken naar binnen te schuiven. De stemmen om me heen smolten samen tot een hard, zoemend geluid in mijn oren.

'Ik... ik moet even naar de wc,' bracht ik uit.

Ik duwde mezelf langs Mark en Sanne. Ik liep de gang in, trok de deur van het toilet achter me dicht en draaide hem op slot. Ik deed de deksel van de wc naar beneden en ging zitten. Ik boog voorover met mijn ellebogen op mijn knieën en greep mijn hoofd vast.

Ademhalen. Vier tellen in, vier tellen uit. Zoals ik ooit op internet had gelezen. Het hielp voor geen meter. Mijn hart sloeg wild tegen mijn ribben. Ik zweette alsof ik net een trap van tien verdiepingen was opgerend.

In de kleine spiegel boven het fonteintje zag ik mezelf weer. Rood aangelopen. Ogen vol angst. Ik was vierendertig jaar oud. Een volwassen vent. En ik zat opgesloten op een wc op een verjaardag omdat ik niet durfde te zeggen: *Hou allemaal je bek, ik haat dit feest, ik haat dit bier, en ik wil naar bed.*

Ik durfde het niet. Want als ik dat zei, zouden ze me raar vinden. Onaangepast. Vervelend. Dan zouden ze over me praten als ik weg was. *'Wat is er met Dennis? Wat doet hij onaardig.'* Die gedachte alleen al sneed als een scheermes door mijn maag. Ik kon het niet verdragen dat iemand een hekel aan me had. Ik ging liever kapot van binnen dan dat iemand buiten mij om een lelijk woord over me zei.

Hoofdstuk 4

De valse bodem

Zaterdagochtend half zeven. Het was nog pikkedonker. Ik sloop het huis uit zonder ontbijt. Sanne sliep nog. Ik had een briefje op het aanrecht achtergelaten: *Schat, spoedklusje tussendoor. Ben om vijf uur thuis voor het eten met je ouders. Kus.*

Weer een leugen. Een halve deze keer. De klus was geen spoedje, het was gewoon mijn onvermogen om nee te zeggen tegen Bert.

Om zeven uur stond ik in een villawijk in Bilthoven. Het huis was gigantisch, wit stucwerk, grindpad. De klant, een man in een zijden ochtendjas met een kop espresso in zijn hand, deed open. Hij keek me niet eens aan toen hij naar de hal wees. 'Kast moet daar komen. Zorg dat de plinten naadloos aansluiten. Om twee uur heb ik een bezichtiging, dan moet je weg zijn.'

'Geen probleem meneer, komt voor elkaar,' zei ik nederig.

Het was wél een probleem. Het was een klus voor twee man. De panelen waren van massief eiken, loodzwaar en bijna drie meter hoog. Ik moest ze in mijn eentje tillen, stellen en vastschroeven. Binnen een uur gierde de pijn door mijn onderrug. Mijn knokkels lagen open door een uitschieter met de schroefboormachine. Het bloed droogde op het hout. Ik schuurde het haastig weg met een stuk schuurpapier.

Om twaalf uur wist ik dat ik het niet ging redden. De vloer van het oude huis liep scheef af. De deuren van de kast klemden. Om het goed te doen, moest ik de hele onderbouw opnieuw uitvullen. Dat kostte minstens vier uur extra.

Mijn telefoon ging. Bert.

'En, staat hij al?' bromde zijn stem door de luidspreker.

Ik slikte. De waarheid lag op mijn tong: *Nee Bert, de vloer is zo scheef als een hoepel en ik ben alleen. Dit red ik niet voor twee uur.*

Maar ik zei het niet. De angst nam het weer over. De angst voor zijn boze zucht. De angst dat hij zou denken dat ik een prutser was. 'Bijna klaar, Bert,' loog ik. Mijn stem trilde. 'Nog even afhangen.'

'Mooi zo. Klant tevreden houden, Dennis. Dat is waar we het voor doen.' Hij hing op.

Ik smeet de schroeftol tegen de muur. Een diepe deuk in het verse stucwerk. Ik zakte door mijn knieën op het parket. De tranen brandden achter mijn ogen, heet en scherp. Waarom kon ik het gewoon niet zeggen? Waarom was een simpel 'nee' zo zwaar als een loden kogel?

Om half vier was ik pas klaar. Het was half werk. De deuren hingen erin, maar ze sloten niet mooi aan. De eigenaar van het huis had me uitgescholden voor rotte vis omdat ik te laat was en zijn bezichtiging in de soep was gelopen. Hij weigerde de bon te tekenen. 'Ik bel je baas wel,' had hij gezegd met een kille blik.

Gebroken stapte ik in de bus. Mijn spieren trilden van uitputting. Mijn telefoon gaf aan dat ik vijf gemiste oproepen had. Allemaal van Sanne.

Het was kwart voor zes toen ik de straat in reed. Ik was te laat. Mijn kleren zaten onder het zaagsel en stof. Ik stonk naar zweet.

Toen ik de voordeur opendeed, was het stil. Doodstil. Sanne zat aan de eettafel. Ze had haar nette zwarte jurk aan. Haar haren waren opgestoken. Haar make-up was perfect gedaan. Voor haar lag mijn geopende laptop.

'Sanne,' begon ik, en ik probeerde naar adem te happen. 'Het liep helemaal mis in Bilthoven. De vloer was scheef, en Bert—'

'Hou je mond,' zei ze. Haar stem was griezelig rustig. Geen geschreeuw. Gewoon ijs.

Ik viel stil.

Ze wees naar het scherm van de laptop. 'Je had je WhatsApp Web nog openstaan toen je vanmorgen wegglipte. Ik zocht het adres van het restaurant in je mailbox omdat ik dacht dat je de bevestiging had.'

Er viel een gat in de vloer onder mijn voeten. De bodem zakte weg.

'Je hebt donderdag al tegen Bert gezegd dat je zou gaan werken,' zei ze. Ze keek me recht aan. Haar ogen waren roodgerand. 'Je wist het al voor we die reservering maakten. En ik heb de berichten van de afgelopen weken gezien, Dennis. Tegen Mark zeg je dat je doodziek wordt van mijn gezeur over interieur. Tegen je moeder zeg je dat ik te veel geld uitgeef. Tegen mij zeg je dat alles geweldig is. Tegen Bert zeg je ja. Tegen iedereen zeg je ja.'

'Sanne, luister alsjeblieft—'

'Nee,' zei ze. Ze stond op. Ze beefde over haar hele lichaam. 'Jij moet luisteren. Weet je wat het allerergste is? Niet eens dat je vandaag te laat bent. Niet dat mijn ouders nu alleen in dat kutrestaurant zitten. Het ergste is dat ik geen idee heb wie jij bent. Ik woon al twee jaar samen met een schaduw. Met een spiegel. Jij bent gewoon wie ik wil dat je bent. En wie Bert wil dat je bent. Wie Mark wil dat je bent.'

Ze liep naar de gang en pakte haar tas die al klaarstond.

'Waar ga je heen?' riep ik. De paniek sloeg over in pure doodsnood. Ik greep haar arm vast. 'Alsjeblieft. Sanne. Ik doe alles. Ik zweer het. Ik stop bij Bert. Ik eet vis. Ik doe wat je wil.'

Ze keek naar mijn hand op haar arm, en daarna weer naar mijn gezicht. Haar blik was leeg. Er was geen woede meer. Alleen maar diepe, dodelijke vermoeidheid.

'Zie je wel?' fluisterde ze. 'Zelfs nu zeg je het weer. *Ik doe wat je wil.* Ik wil niet dat je doet wat ik wil, Dennis. Ik wilde een man. Maar er is niemand thuis.'

Ze trok haar arm los. De voordeur viel achter haar dicht. De klik van het slot klonk door het lege huis als een geweerschot.

Hoofdstuk 5

De stilte in het lege huis

Drie dagen lang bleef het stil. De stilte in een huis waar net iemand is weggegaan, is anders dan gewone stilte. Het is zwaarder. Het weegt een ton. Het stof dwarrelt in de zonnestralen alsof de tijd stilstaat. Haar geur hing nog in de badkamer, een mengeling van vanille en kokosshampoo. Haar laarzen waren weg uit het schoenenrek. Er was een leegte ontstaan die aan me vrat.

Ik had me ziek gemeld bij Bert. Zondagavond, via een sms. Ik durfde hem niet te bellen. De klant uit Bilthoven had hem natuurlijk al gebeld. Bert had drie keer teruggemaild en twee keer gebeld. Ik had mijn telefoon uitgezet en in de la van het dressoir gegooid.

Ik zat op de bank. Ik deed niks. De televisie bleef zwart.

Zonder publiek bestond ik niet. Dat was de pijnlijke, rauwe waarheid die langzaam tot me doordrong terwijl ik daar zat te staren naar de houten vloerdelen. Als er niemand was om te behagen, wie was ik dan? Wat vond ik leuk? Waar hield ik van? Wat wilde ik eten?

Op dinsdagavond kreeg ik honger. Mijn maag knorde pijnlijk. Ik liep naar de koelkast. Er lagen wat eieren, een restje pasta dat Sanne had gemaakt, en een krop sla die begon te rotten aan de randen. Ik pakte een ei. Wilde ik een gekookt ei? Een gebakken ei? Ik wist het oprecht niet. Ik stond daar, dertig seconden lang, met een ei in mijn hand, verlamd door een keuze van niks. Normaal at ik wat Sanne kookte. Of wat mijn moeder voorzette. Of een broodje bal uit de automaat op de werkplaats omdat Arjan dat ook haalde.

Ik bakte het ei. De dooier brak kapot in de pan. Ik at het staand op bij het fornuis, zonder zout, rechtstreeks van het bord. Het smaakte naar karton.

Ik liep terug naar de bank en pakte mijn telefoon uit de la. Zestien gemiste oproepen. Drie van Sanne – nee, geen drie van Sanne. Nul van Sanne. Twaalf van Bert. Drie van Mark. Eén van mijn moeder.

Sanne had niet gebeld. Ze meende het. Ze was echt weg. Ze zat bij haar zus in Amersfoort, dat had haar moeder me zaterdagavond nog in een ijskoud appje laten weten voor ze me blokkeerde.

Ik drukte op het nummer van Mark. Mijn hand zweette zo erg dat het scherm amper reageerde. Waarom belde ik Mark? Omdat ik gewend was de puinhopen op te ruimen door sorry te zeggen. Door mezelf op de knieën te werpen. Door te kruipen totdat de ander zei: *vooruit dan maar.*

Mark nam op na twee keer overgaan. 'Ja?' Zijn stem klonk kortaf. Geen 'ouwe rukker'. Gewoon 'ja'.

'Hee Mark,' zei ik. Mijn stem kraakte. Ik schraapte mijn keel.

'Wat is er met jou?' vroeg hij. 'Sanne belde me zondag. Ze was helemaal overstuur. Ze vroeg of ik wist waar je uithing zaterdag. En waarom jij tegen mij had gezegd dat ze een zeikerd was over dat interieur.'

Ik kneep mijn ogen dicht. De schaamte trok als hete lava door mijn keel. 'Mark, het spijt me. Ik... ik zat klem. Ik wist niet wat ik moest zeggen.'

'Klem?' Mark lachte, maar er zat geen vrolijkheid in. 'Dennis, jij zit altijd klem. Weet je hoe lang we elkaar al kennen? Twintig jaar. En ik weet nog steeds nooit wanneer je de waarheid spreekt. Als ik vraag of je meegaat naar de cross, zeg je ja, en dan kom je niet opdagen. Als ik vraag wat je van mijn nieuwe vriendin vindt, zeg je dat ze geweldig is, en later hoor ik via via dat je haar een bitch vond. Je lult met iedereen mee. Je bent net een dweil, man. Waar ben je nou eigenlijk bang voor? Dat iemand je op je bek slaat? Dat we je laten vallen?'

Zijn woorden kwamen hard aan. Als vuistslagen. Juist omdat ze niet boos klonken, maar teleurgesteld.

'Ja,' zei ik. Het woord kwam eruit voor ik het kon tegenhouden. Een klein, dun geluidje.

'Wat zeg je?' vroeg Mark.

'Ja,' herhaalde ik, en deze keer klonk het iets harder. 'Ik ben bang dat jullie me laten vallen. Dat als ik zeg wat ik echt denk, dat niemand me meer moet. Dat Sanne me verlaat. Dat jij me een klootzak vindt. Dat Bert me ontslaat.'

Het bleef stil aan de andere kant van de lijn. Zo lang dat ik dacht dat de verbinding was verbroken.

'Dennis,' zei Mark uiteindelijk, heel rustig. 'Kijk eens waar je nu staat. Sanne is weg. Ik ben pislink op je. En Bert staat op het punt je buiten te trappen. Je plannetje werkt niet, pik. Door altijd maar te slijmen ben je precies kwijtgeraakt wat je probeerde te houden.'

De waarheid trof me vol in mijn maag. Hij had gelijk. Mijn hele leven had ik geprobeerd afwijzing te voorkomen. Ik had mezelf weggecijferd, vervormd, uitgekleed tot er niks meer over was. En wat was de beloning? Afwijzing over de hele linie. Iedereen was boos. Iedereen was teleurgesteld. Niet omdat ik te hard was geweest, maar omdat ik er simpelweg niet was geweest.

'Kom morgen naar de garage,' zei Mark na een poosje. 'We gaan die uitlaat van mijn ouwe Golf lassen. En neem je eigen werkkleren mee. Geen gelul meer.'

Hij hing op.

Ik liet de telefoon op de bank vallen. Ik liep naar de schuur achter het huis. Het rook er naar oud hout, lijnolie en stof. Mijn eigen gereedschap hing aan de houten wand. Netjes geordend op maat. Beitels. Schaven. Zagen. Hier was ik de baas. Hier hoefde ik niet te liegen. Ik pakte een stuk ruw eikenhout van de stapel. Het voelde koud aan. Ik streek met mijn duim over de grove nerf. Het hout gaf niet mee. Het was hard, weerbarstig en echt.

Hoofdstuk 6

De eerste 'nee'

Woensdagochtend acht uur. Ik stond voor de deur van de werkplaats van Bert. De geur van vers gezaagd vurenhout en machineolie kwam me door de kieren tegemoet. Normaal gesproken zou ik naar binnen zijn geslopen met een doos saucijzenbroodjes van de warme bakker. Een zoenoffer. Een laffe poging om de storm te bezweren voor die losbarstte.

Ik had niks bij me. Alleen mijn broodtrommel in een plastic tasje.

Mijn hand trilde toen ik de klink naar beneden duwde. De zware schuifdeur rolde piepend open. Binnen draaide de formaatzaag. Arjan stond aan de machine. Hij keek op, knikte kort en keek meteen weer weg. De sfeer was ijskoud.

In zijn glazen kantoortje achterin zat Bert. Hij zag me aankomen. Hij smeet zijn pen neer, duwde zijn stoel naar achteren en kwam naar buiten beentjes. Zijn gezicht had de kleur van een overrijpe tomaat.

'Zo, meneer de Ridder heeft besloten om weer eens langs te komen,' bulderde hij over het lawaai van de afzuiging heen. Hij bleef op een halve meter van me staan. Zijn adem rook naar zware shag en pepermunt. 'Ziek gemeld via een lullig sms’je. Klant in Bilthoven ziedend over die deuren die klemmen. Weet je wat dat geintje me kost? Ik heb Arjan erheen moeten sturen om jouw teringzooi op te ruimen!'

Het oude vertrouwde gevoel schoot omhoog vanuit mijn tenen. De koude rilling. De drang om mijn schouders op te trekken, mijn kin op mijn borst te laten zakken en te zeggen: *Het spijt me Bert, het was stom van me, ik werk het gratis bij, trek het maar van mijn loon af.*

Het lag op mijn lippen. Het brandde om eruit te komen. De veilige uitweg. De kameleon die buigt voor de wind.

Ik kneep mijn handen tot vuisten in mijn zakken. Mijn nagels sneden in mijn handpalmen. Ik dwong mezelf om Bert recht in zijn ogen te kijken. Mijn hart ging tekeer, bonk-bonk-bonk, zo hard dat het pijn deed aan mijn slapen.

'Die deuren kleefden omdat de vloer scheef was,' zei ik. Mijn stem trilde een beetje, maar het was niet hard en niet hoog. Het was gewoon mijn stem.

Bert viel stil. Zijn mond bleef half openstaan. Hij was gewend dat ik direct begon te stotteren.

'Wat zeg je?' vroeg hij gevaarlijk zacht.

'Die klus was te groot voor één man,' ging ik verder. Ik voelde een enorme druk op mijn borstkas, alsof ik door een muur van modder heen moest duwen. 'Je wist dat die vloer scheef was. Ik had hulp nodig. Ik heb ja gezegd omdat jij dat wilde horen, maar het was een kutklus en je had me er nooit alleen naartoe moeten sturen.'

Bert deed een stap naar voren. Zijn borstkas raakte bijna de mijne. 'Heb je een grote bek gekregen, Ridder? Denk je dat je hier de baas bent? Als het je niet bevalt, lever je je bus maar in. Er staan tien anderen te trappelen voor jouw plek.'

Daar was de ultieme dreiging. Het einde van de wereld. De afwijzing waar ik mijn hele leven voor was weggerend. *Lever je bus maar in. Donder maar op.*

De stilte die volgde duurde misschien vijf seconden, maar het voelde als een eeuwigheid. Ik keek naar Berts woedende ogen, naar de adertjes op zijn neus, naar zijn gekromde vingers. En opeens, heel bizar, verdween de angst. Niet helemaal, maar de scherpe rand ging eraf.

Wat kon hij me eigenlijk doen? Me ontslaan? Dan zocht ik ander werk. Er was werk zat voor meubelmakers. Me uitschelden? Het waren maar woorden. Hij ging me niet slaan. En zelfs al deed hij dat, dan overleefde ik het wel.

'Dan moet je dat doen, Bert,' zei ik. Mijn stem was nu helemaal stabiel. 'Als jij vindt dat ik mijn werk niet goed doe, dan lever ik die sleutels in. Maar ik ga niet meer in mijn eentje onmogelijke klussen doen op zaterdagen. Dat is klaar.'

Bert staarde me aan. Secondenlang. De afzuiging loeide op de achtergrond. Arjan had de zaag uitgezet en stond met open mond te kijken.

Berts schouders zakten een klein stukje in. De woede leek langzaam uit hem weg te lopen, als lucht uit een lekke band. Hij wreef met zijn hand over zijn kale schedel. Hij was een bullebak, maar hij was geen idioot. Hij wist dondersgoed dat ik de beste meubelmaker van de zaak was. Arjan kon zagen, maar Arjan kon geen ingewikkelde kasten tekenen of hout buigen.

'Ga aan het werk, Dennis,' bromde Bert tenslotte. Hij draaide zich om. 'Er ligt een eettafel te wachten. Massief noten. Schuren en in de olie zetten.'

Hij liep zijn kantoortje in en trok de deur dicht. Niet met een klap. Gewoon dicht.

Ik bleef staan. Mijn benen voelden als pap. Ik liep naar mijn werkbank en moest me even vasthouden aan de rand. Mijn handen beefden na, maar niet van angst. Van adrenaline. Ik had 'nee' gezegd. Ik had tegengas gegeven. De wereld was niet vergaan. Het dak was niet ingestort. Bert had me niet ontslagen.

Arjan kwam langszij lopen met een stapel latten. Hij keek me even aan vanuit zijn ooghoek, grijnsde vaag en zei: 'Zo. Dat werd verdomme eens tijd.'

Hoofdstuk 7

Ruw hout

Een maand later. Zaterdagmiddag.

Ik zat op een terras aan de Oudegracht. Het was waterkoud, maar er stonden terrasverwarmers aan die een doffe, rode gloed over de houten tafels wierpen. Voor me stond een glas zwart bier. Een stevige stout. Donker, bitter, met een smaak van koffie en gebrand mout. Ik had er zelf om gevraagd. Geen IPA, geen gewoon pils. Gewoon iets wat ik wilde proberen.

Sanne kwam de stenen trap van de werf afgelopen. Ze droeg haar groene winterjas en een gebreide sjaal. Haar wangen waren rood van de kou. Ze zag me zitten, aarzelde even en liep toen op me af.

'Hee,' zei ze.

'Hee.' Ik stond op. Geen overdreven knuffel. Geen nerveus gewiebel. We gaven elkaar een ongemakkelijke omhelzing. Ze rook nog steeds hetzelfde, maar er zat afstand tussen ons. Een gezonde, noodzakelijke afstand.

Ze ging tegenover me zitten. De ober kwam langs en ze bestelde een muntthee. Toen de ober weg was, keek ze me onderzoekend aan. Alsof ze zocht naar de barsten in een pas gerepareerde vaas.

'Je ziet er anders uit,' zei ze.

'Korter haar,' zei ik. 'En ik slaap weer een beetje.'

'Mooi.' Ze vroette met haar vingers aan het touwtje van haar theezakje. 'Ik heb je brief gelezen.'

Ik had haar geen appje gestuurd van drie kantjes vol excuses. Geen bloemen gestuurd. Ik had haar een handgeschreven brief gestuurd. Zes kantjes. Niet vol zelfmedelijden, maar met de rauwe feiten. Dat ik altijd bang was geweest. Dat ik had gelogen over wie ik was omdat ik dacht dat de echte Dennis niet goed genoeg was voor haar. Dat ik haar daarmee vreselijk tekort had gedaan. En dat ik begreep waarom ze was weggegaan.

'Het was een eerlijke brief,' zei ze zacht. 'De eerste keer dat ik echt iets van jou las.'

'Het was verdomd moeilijk om op te schrijven,' zei ik. Ik nam een slok van mijn bier. De bittere smaak trok door mijn mond. 'Omdat ik mezelf onder ogen moest komen. Ik ben dertig jaar lang een lafaard geweest, Sanne. Ik wilde dat iedereen me aardig vond. En uiteindelijk vond niemand me meer te vertrouwen.'

'Nee,' beaamde ze. Ze keek me recht aan. Geen woede, wel pijn. 'Dat was het ergste. Ik kon niet meer bouwen op wat je zei. Als je zei dat je van me hield, dacht ik: meent hij dat nou, of zegt hij dat omdat hij denkt dat het moet?'

'Ik meende het,' zei ik direct. Mijn stem sloeg niet over. 'Dat was het enige wat geen leugen was.'

Ze knikte langzaam. Ze staarde in haar glas thee. Een rondvaartboot voer voorbij over de gracht. De golven klotsten tegen de lage kademuur. De mensen op de boot zwaaiden naar het terras. Vroeger zou ik direct hebben teruggezwaaid met een brede lach, om maar vriendelijk over te komen. Nu liet ik mijn handen rustig op tafel liggen.

'En nu?' vroeg ze.

'Nu weet ik het niet,' zei ik eerlijk. 'Ik mis je. Verschrikkelijk. Maar ik ga niet op mijn knieën liggen smeken of je terugkomt. Ik moet eerst leren om op mijn eigen benen te staan. Bij Bert gaat het beter. Ik heb vorige week een klus geweigerd. Hij vloekte, maar hij accepteerde het. Met Mark heb ik vorige week aan zijn auto geklust. We hebben ruzie gemaakt over gereedschap, ouderwets geschreeuwd, en daarna bier gedronken. Het luchtte op.'

Sanne glimlachte flauwtjes. 'Je hebt ruzie gemaakt met Mark? Dat meen je niet.'

'Twee uur lang,' grijnsde ik. 'Hij noemde me een eigenwijze eikel. En weet je wat? Ik vond het het mooiste compliment dat ik in jaren heb gekregen. Omdat hij het meende. En omdat ik een eigen mening had om ruzie over te maken.'

Ze zweeg even. Ze leunde achterover in haar stoel. 'Ik kom voorlopig niet terug, Dennis. Ik moet ook nadenken. Ik moet weten of ik jou wel leuk vind als je niet meer meepraat.'

Die zin kwam aan. De oude angst stak heel even de kop op, een venijnig stemmetje in mijn achterhoofd dat schreeuwde: *Zeg dat je verandert! Zeg dat je alles doet wat ze wil!*

Ik snoerde het stemmetje de mond. Ik slikte de angst weg.

'Dat begrijp ik,' zei ik. 'Dat is eerlijk.'

We bleven nog een uur zitten. We praatten over gewone dingen. Geen toneelstukjes meer. Als ze iets zei waar ik het niet mee eens was over de politiek of over een gemeenschappelijke vriend, zei ik gewoon: 'Daar denk ik anders over.' Ze keek elke keer even verbaasd op, maar ze liep niet weg. De wereld bleef gewoon doordraaien.

Toen we afrekenden – ieder zijn eigen deel, op mijn voorstel – liepen we samen de trap op naar de straat. De schemering viel over Utrecht. De lantaarns langs de gracht sprongen aan met een zacht gezoem.

Ze gaf me een zoen op mijn wang. Haar lippen waren koud, haar adem warm. 'Tot ziens, Dennis.'

'Tot ziens, San.'

Ik keek haar na terwijl ze wegliep richting het station. Mijn borst voelde leeg en vol tegelijk. Het deed pijn dat ze wegliep. Ontzettend veel pijn. Maar het was een schone pijn. Geen misselijkheid van leugens. Geen benauwdheid van aanpassen.

Ik liep terug naar mijn fiets. Ik dacht aan het meubelmaken. Als je hout schaaft, haal je de buitenste laag weg. Soms kom je dan noesten tegen, scheuren, plekken waar het hout donkerder is en dwarsligt. Vroeger plamuurde ik die plekken dicht met kneedbaar hout, zodat het leek alsof alles glad en perfect was. Tegenwoordig liet ik die noesten zitten. Ik schuurde ze glad, zette ze in de olie, en liet ze zien.

Ruw hout is sterker dan fineer. Het kan tegen een stootje. En het hoeft niet door iedereen mooi gevonden te worden om echt te zijn.