Psychische gezondheid
Altijd bang om bang te zijn
Dit boek gaat over psychische klachten. Zoek hulp als het onderwerp je raakt.
Hoofdstuk 1
De ketel op zolder
Mijn naam is Dennis de Ruiter. Ik ben tweeëndertig jaar oud en ik woon in Gouda. Als je me twee jaar geleden op straat had gezien, zag je een stevige kerel. Klusjeskleren aan, werkschoenen met stalen neuzen, gereedschapskist in de hand. Ik werk als monteur van cv-ketels. Ik kom al tien jaar bij wildvreemde mensen over de vloer. Ik kruip in krappe kelders, sta op wiebelige trappen en repareer leidingen op hete zolders. Nooit ergens last van gehad. Ik was nuchter. Een man van weinig woorden, maar altijd betrouwbaar. Als de klus geklaard moest worden, deed ik het.
Tot die dinsdagochtend in november. Het regende zachtjes. Ik was bezig bij een oudere vrouw in de wijk Bloemendaal. Haar zolder was klein, laag en muf. De geur van oude kranten en stoffige kerstspullen hing in de lucht. Ik zat op mijn knieën voor een Nefit-ketel uit 2004. Een simpel klusje. De driewegklep zat vast. Ik draaide mijn ringsleutel om, pakte een schroevendraaier en zette een nieuw onderdeel vast.
En toen gebeurde het.
Er was geen waarschuwing. Geen nare gedachte, geen schrik, niks. Mijn hart sloeg opeens over. Niet zomaar een tikje, maar een keiharde bons tegen mijn ribbenkast. Alsof er een vuist van binnenuit tegen mijn borst sloeg. Direct daarna begon mijn hart te razen. Niet snel zoals na een trap oplopen, maar krankzinnig snel. Tik-tik-tik-tik. Alsof de motor op hol sloeg en elk moment kon ontploffen.
Mijn vingers begonnen te tintelen. Alsof er honderden kleine naaldjes in mijn vingertoppen prikten. Binnen vijf seconden voelde ik mijn keel dichtknijpen. Er kwam geen lucht meer binnen. Ik trok hard adem door mijn neus, maar de lucht leek niet in mijn longen te zakken. De zolder begon te draaien. Het licht van het kale peertje aan het plafond werd veel te fel. De muren kwamen op me af.
Dit is het, dacht ik. Ik krijg een hartaanval. Ik ga hier dood, op een vieze vloerbedekking tussen oude kerstballen.
Ik liet mijn ringsleutel vallen. Het metaal kletterde op het hout. Mijn hele lijf trilde zo hard dat ik niet meer rechtop kon blijven zitten. Het zweet brak me aan alle kanten uit. Koud, plakkerig zweet dat over mijn rug en in mijn ogen liep. Ik greep naar mijn borstkas. Mijn T-shirt voelde klam aan.
'Gaat het daar boven, jongeman?' riep de bewoonster van beneden. Haar stem klonk hol en mijlenver weg.
Ik wilde antwoorden, maar er kwam alleen een hees gepiep uit mijn mond. Ik moest daar weg. Ik moest naar buiten. Als ik hier bleef, hield mijn hart ermee op. Ik kroop op handen en voeten naar het zoldertrappetje. Mijn benen voelden aan als zachte rubberen slangen. Trap voor trap liet ik me naar beneden zakken, half glijdend op mijn billen. De vrouw stond onderaan de trap met een theedoek in haar handen. Ze schrok zich rot van mijn gezicht.
'Meneer? Wat scheelt eraan? Bent u ziek?'
'Lucht,' perste ik eruit. 'Even... naar de bus.'
Ik strompelde langs haar heen door de gang. Mijn schouder schampte de kapstok. Ik rukte de voordeur open en wankelde de stoep op de motregen in. Ik liet me op de koude rand van de stoep vallen, vlak naast mijn witte werkbus. Ik trok mijn kraag open en hapte naar lucht. De koude regen sloeg in mijn gezicht. Mijn hart bleef maar rammen. Honderdzestig slagen per minuut, misschien wel meer. Ik durfde niet op te staan, bang dat ik dood neer zou vallen.
Pas na een kwartier zakte de storm een klein beetje af. Mijn hart sloeg nog steeds hard, maar niet meer zo blindelings snel. Ik zat daar, een volwassen vent van ruim tachtig kilo, te rillen op een natte stoeprand. Ik schaamde me kapot. Ik pakte mijn mobiel met trillende vingers en belde de huisarts. Mijn stem sloeg over.
'U moet komen,' stamelde ik. 'Er is iets mis met mijn hart. Ik ga kapot.'
Dat was het begin. Het moment dat mijn oude leven ophield en er een nieuw, donker tijdperk begon waarin ik niet meer wist wie ik was.
Hoofdstuk 2
Het monster sluipt mee
Een uur later zat ik in de wachtkamer van de dokter. Mijn shirt plakte nog van het zweet. Ik hield mijn handen strak tussen mijn knieën geklemd om te zorgen dat ze niet trilden. Ik durfde amper te bewegen. Elke beweging voelde alsof het mijn hart opnieuw aan het haperen kon brengen.
De dokter, een rustige man met een bril, liet me op de onderzoeksbank liggen. Hij luisterde naar mijn longen. Hij zette een stethoscoop op mijn borst. Daarna maakte de assistente een hartfilmpje. Zuignappen op mijn borst, polsen en enkels. Het apparaat printte een lange strook papier uit met zigzaggende lijntjes. Ik keek naar die lijntjes alsof mijn vonnis erop geschreven stond.
De dokter bekeek het papier. Hij knikte langzaam. 'Dennis,' zei hij. 'Je hart klopt wat snel, maar het ritme is perfect. Geen ruis, geen infarct, niks. Je bloeddruk is aan de hoge kant, maar dat is logisch als je zo geschrokken bent.'
'Maar dokter,' zei ik met schorre stem, 'het voelde alsof mijn borstkas uit elkaar scheurde. Ik kon niet ademen.'
'Dat geloof ik meteen,' zei hij rustig. 'Dat heet een paniekaanval.'
Ik keek hem aan alsof hij Chinees sprak. Een paniekaanval? Dat kregen mensen die overspannen waren. Mensen die te veel nadachten. Vrouwen in films die in een papieren zakje moesten blazen. Niet ik. Ik was nuchter. Ik legde leidingen aan. Ik at gehaktballen en dronk pils in het weekend.
'U vergist zich,' zei ik koppig. 'Er moet een ader verstopt zitten. Of iets in mijn hoofd.'
'Je bloed laten we voor de zekerheid prikken,' zei hij. 'Maar ik denk dat je lijf gewoon aan de noodrem heeft getrokken. Neem een paar dagen rust.'
Rust. Dat klonk makkelijk. Maar thuis begon de ellende pas echt. Ik woon samen met Linda in een rijtjeshuis. Linda werkt drie dagen per week bij de plaatselijke supermarkt. Toen ik die middag thuiskwam en op de bank ging zitten, zag ze meteen dat er iets mis was.
'Wat doe jij hier al?' vroeg ze bezorgd. 'Ben je wit weggetrokken?'
Ik vertelde het haar, maar ik maakte het kleiner. Ik zei dat ik even niet lekker was geworden. Dat de dokter dacht aan een griepje of vermoeidheid. Ik durfde het woord paniek niet eens uit te spreken. Het voelde vies in mijn mond. Alsof ik toegaf dat ik een mietje was.
Die nacht sliep ik niet. Ik lag op mijn rug naar het witte plafond te staren. Linda ademde rustig naast me. Maar ik lag te luisteren. Niet naar geluiden op straat, maar naar binnen. Naar mijn eigen borst. Bij elke slag dacht ik: gaat hij nog wel goed? Slaat hij niet over? Klopt hij niet te snel? Mijn vingers zochten steeds de slagader in mijn hals op. Drukken, tellen, voelen. Zestig slagen. Vijfenzestig. Zeventig.
En hoe meer ik luisterde, hoe sneller hij ging slaan.
Binnen een paar dagen kroop de angst onder mijn huid. Het ging allang niet meer om die ene zolder in Bloemendaal. Het ging om de vrees dat het weer zou gebeuren. Ik was bang om bang te zijn. Die angst liet me geen seconde meer los. Het was een zware, zwarte schaduw die op mijn schouders meelifte, waar ik ook ging.
Na drie dagen meldde ik me weer beter op het werk. Ik moest wel. Thuisblijven voelde als opgeven. Mijn baas, Henk, klopte op mijn schouder toen ik binnenkwam. 'Fijn dat je er weer bent, Den. De bussen moeten rollen.'
Ik stapte in mijn witte Peugeot Partner. Maar toen ik de sleutel omdraaide en de motor aansloeg, voelde ik direct een kramp in mijn maag. Mijn handen op het stuur waren klam. Ik moest naar een klant in Reeuwijk. Een ritje van tien minuten over een provinciale weg. Vroeger deed ik dat met twee vingers in mijn neus, terwijl ik meezong met de radio. Nu keek ik naar de weg en zag ik alleen maar gevaar.
Wat als ik straks rijd en het gebeurt weer? Wat als mijn zicht weer wazig wordt? Dan knal ik frontaal op een tegenligger. Of ik schiet de sloot in.
Ik reed met veertig kilometer per uur waar je tachtig mocht. Mijn ogen schoten van de binnenspiegel naar de berm. Ik zocht continu naar plekken waar ik de auto aan de kant kon zetten. Vluchtwegen. Dat werd mijn nieuwe obsessie. Waar kan ik weg? Hoe kom ik hier zo snel mogelijk uit als mijn hart weer op hol slaat?
Hoofdstuk 3
Een man van glas
Binnen twee maanden was mijn wereld gekrompen tot het formaat van een postzegel. Niemand zag het aan de buitenkant. Ik deed mijn werk nog, maar ik deed het als een dief in de nacht. Ik koos de klussen uit. Als Henk me vroeg om een ketel in een flat op de tiende verdieping te vervangen, zei ik dat mijn rug pijn deed. Ik durfde geen lift meer in. De gedachte om tussen twee verdiepingen vast te zitten met een hart dat honderdzestig slagen sloeg, maakte me kotsmisselijk.
Ook trappenhuizen vermeed ik. Want van traplopen ging mijn hart sneller kloppen. En zodra mijn hart sneller ging kloppen, dachten mijn hersenen: zie je wel, daar is het weer! De paniek nam het over.
Mijn zelfbeeld brokkelde steen voor steen af. Ik was altijd de rots in de branding geweest. Als de auto van mijn schoonouders kuren had, keek Dennis er even naar. Als er verhuisd moest worden, sjouwde Dennis de zwaarste kasten. En nu? Nu stond ik in de supermarkt en durfde ik niet in de rij voor de kassa te wachten.
Ik herinner me een zaterdagmiddag. Linda had gevraagd of ik even een pak koffie en melk wilde halen. De plaatselijke supermarkt was druk. Mensen schuifelden langs de schappen, kinderen renden rond, de kassa’s piepten zonder ophouden. Ik liep snel naar het koffieschap. Mijn ademhaling zat hoog, boven in mijn borst. Ik pakte de koffie en liep naar de kassa.
Er stonden vier mensen voor me. Een vrouw met een overvolle winkelwagen. De kassière moest nog wisselgeld bijvullen. Ik voelde de grond onder me wegzakken. Mijn keel ging dicht.
Ik sta vast, schoot er door me heen. Ik kan hier niet weg zonder een scène te schoppen. Iedereen kijkt naar me.
Mijn benen begonnen te trillen. Een koud zweet brak uit over mijn voorhoofd. Mijn shirt plakte tegen mijn rug. Ik keek naar de deuren aan het einde van de kassa’s. Het leek wel alsof ze honderd meter ver weg waren. Mijn adem kwam schokkerig. De vrouw voor me draaide zich om en keek me aan. Zag ze het? Zag ze dat ik op instorten stond?
Ik kon het niet meer houden. Ik liet het pak koffie en het pak melk gewoon vallen op de band. Zonder iets te zeggen draaide ik me om. Ik liep met grote, stijve passen naar de uitgang. Bijna rende ik. Ik duwde tegen het automatische poortje dat nog niet snel genoeg openging. Buiten snoof ik de koude lucht op, leunend tegen een lantaarnpaal.
Ik keek naar mijn schoenen. Wat was ik voor een man? Ik kon niet eens een pak koffie afrekenen. Een vent van tweeëndertig die bang was voor een supermarkt. Ik walgde van mezelf. Een lafaard. Een waardeloze slappe zak.
Thuisgekomen gooide ik de sleutels op het dressoir. Linda keek op vanuit de keuken.
'Waar zijn de spullen?' vroeg ze.
'Waren op,' loog ik hard. Mijn stem klonk kribbig. 'Drukke bende daar. Geen zin in.'
Linda keek me strak aan. Ze wist dat er iets niet klopte. De koffie was nooit op bij de Dirk. Ze zag mijn rode vlekken in mijn nek, mijn onrustige ogen. 'Dennis,' zei ze zachtjes, 'wat is er toch met jou aan de hand de laatste tijd? Je bent jezelf helemaal niet meer. Je zit alleen maar op de bank. Je snauwt tegen me. We gaan nergens meer naartoe.'
Haar bezorgdheid voelde als een klap in mijn gezicht. Ik wilde niet dat ze bezorgd was. Ik wilde dat ze me zag als de sterke vent op wie ze verliefd was geworden. Niet als een hoopje ellende dat bang was voor zijn eigen schaduw.
'Er is niks!' snauwde ik. 'Laat me gewoon even met rust. Ik werk me kapot, dat is het.'
Ik liep naar boven, smeet de slaapkamerdeur dicht en ging op de rand van het bed zitten. Mijn handen trilden nog steeds. Ik keek in de spiegel op de kledingkast. Ik zag een bleke kop, donkere kringen onder mijn ogen en schouders die naar voren hingen. Ik herkende mezelf niet meer. De echte Dennis was weg. Er was alleen nog een bange hond over die overal gevaar rook.
Hoofdstuk 4
De valkuil op de A12
Het dieptepunt kwam op een donderdag in januari. Het was grauw, waterkoud en het begon al vroeg te schemeren. Henk had me naar een spoedklus in Gouda-Goverwelle gestuurd, maar daarna moest ik door naar Woerden voor een lekkage. Ik had geprobeerd eronderuit te komen, maar Henk had gezegd: 'Den, er is niemand anders. Even doorbijten, jongen.'
Ik zat op de A12. Het verkeer was druk. Drie banen vol met vrachtwagens, forenzen en bestelbusjes. De ruitenwissers van mijn bus piepten ritmisch over het glas. Piep-kraak, piep-kraak. Mijn schouders zaten vast tot aan mijn oren. Ik hield het stuur zó stevig vast dat mijn knokkels wit zagen.
En toen ging het mis.
Net voorbij Bodegraven gingen voor me opeens overal rode remlichten aan. Felrood. Een zee van lampen. Iedereen trapte op de rem. Ik remde ook, schakelde terug naar zijn drie, naar zijn twee, naar zijn vrij. Binnen dertig seconden stond alles stil.
File. Geen langzaam rijdend verkeer, maar compleet stilstaand blik.
Links van me stond een metershoge buitenlandse vrachtwagen. Rechts van me stond een tankwagen met een brandgevaar-bord achterop. Achter me sloot een grote stationwagen aan, nog geen meter van mijn bumper. Ik zat klem. Ingesloten.
Op dat exacte moment sloeg het toe. Alsof er een emmer ijswater over mijn hoofd werd leeggegooid.
Mijn hart maakte een vreemde salto en schoot meteen door naar de hoogste versnelling. Het bloed suisde in mijn oren, zo hard dat het leek alsof er een straaljager overvloog. Mijn keel zat muurvast. Ik probeerde diep adem te halen, maar mijn borstkast zat op slot. Het was alsof er een stalen band omheen was getrokken die elke seconde strakker werd gedraaid.
Je kunt hier niet weg, schreeuwde een stem in mijn hoofd. Je zit vast. Als je nu doodgaat, kan de ambulance er niet eens bij. Je zit gevangen.
'Nee, nee, nee,' kreunde ik hardop. Ik sloeg met mijn vlakke hand op het stuur. 'Niet nu. Alsjeblieft niet nu.'
De ruiten van de bus sloegen aan de binnenkant aan door mijn snelle, oppervlakkige ademhaling. Ik zette de blower op de hoogste stand. Koude lucht blies in mijn gezicht, maar het hielp niks. Mijn armen werden gevoelloos. Mijn kaken klemden zo hard op elkaar dat mijn kiezen zeer deden. Ik zag zwarte vlekken voor mijn ogen dansen. Het leek alsof de vrachtwagen naast me langzaam naar links kantelde, recht op mijn bus af.
Ik raakte volledig de controle kwijt. Een volwassen man van tweeëndertig jaar, huilend achter het stuur.
Ik greep mijn telefoon. Mijn vingers waren zo stijf en verkrampt dat ik het scherm amper kon ontgrendelen. Ik toetste trillend Linda’s nummer in. De telefoon ging over. Eén keer. Twee keer.
'Lin,' jankte ik toen ze opnam. Het klonk niet eens als mijn eigen stem. Het was een dierlijk geluid. 'Lin, help me. Ik ga dood.'
'Dennis? Waar ben je?' Haar stem klonk direct scherp en bezorgd.
'Op de A12. Ik sta stil. Ik kan er niet uit. Mijn hart... Lin, bel 112. Alsjeblieft, bel een ambulance. Ik stik!'
'Dennis, luister naar me!' schreeuwde ze bijna door de speaker. 'Zet de alarmlichten aan. Haal adem. Je gaat niet dood. Hoor je me? Je gaat niet dood!'
Ik kon niet luisteren. De paniek was te groot, te woest. Het nam alles over. Ik gooide de telefoon op de bijrijdersstoel, trapte het portier open en strompelde de snelweg op. Midden tussen het stilstaande verkeer. De chauffeur in de vrachtwagen links van me keek vanuit zijn hoge cabine verbaasd naar beneden. Een man in een nette leasebak achter me draaide zijn raampje open.
'Hé maat! Wat doe je nou? We gaan zo weer rijden!' riep hij.
Ik hoorde het amper. Ik stond op de vluchtstrook, leunend tegen de vangrail, te kotsen van pure angst. Er kwam alleen maagzuur uit. Ik zakte door mijn knieën in het natte gras van het talud. De regen stroomde langs mijn nek naar binnen. Ik zat daar, in het vuil van de snelweg, te janken als een klein kind. Gebroken. Helemaal kapot. Het verkeer begon langzaam weer te rollen, auto's reden stapvoets langs me heen, mensen keken me aan met grote ogen.
Op dat moment wist ik het zeker: mijn leven was voorbij. De Dennis die ik kende, bestond niet meer. Ik was een wrak.
Hoofdstuk 5
Vier muren
De politie bracht me thuis. Een surveillancewagen had me langs de vangrail zien zitten. De agenten waren vriendelijk, maar zakelijk. Ze hadden mijn bus naar de dichtstbijzijnde carpoolplaats gereden en mij op de achterbank gezet. Toen ze me voor mijn eigen huis afleverden, kwam Linda naar buiten gerend. Ze had gehuild. Haar ogen waren rood.
Die avond meldde ik me ziek bij Henk. Ik zei niet eens meer dat het een griepje was. 'Het gaat niet, Henk,' zei ik tegen het tapijt. 'Ik kan niet meer rijden. Ik kan niet meer werken.'
Henk bleef even stil aan de andere kant van de lijn. 'Wat is er dan, Dennis? Heb je een burn-out of zo?'
'Ik weet het niet,' loog ik niet eens. 'Mijn kop wil niet meer. Mijn lijf doet raar.'
'Neem je tijd,' zei Henk, maar zijn stem klonk stroef. Een klein installatiebedrijf kan geen zieke monteurs gebruiken. Dat wist hij, dat wist ik.
De weken daarna werden de zwartste weken van mijn bestaan. Ik kwam het huis nauwelijks nog uit. Mijn wereld was teruggebracht tot de woonkamer, de keuken en het toilet. Als ik naar de gang liep en mijn werkschoenen zag staan, kreeg ik al een steek in mijn borst. Mijn gereedschapskist stond onaangeraakt in de schuur te verstoffen.
Ik zat hele dagen op de bank in een oude joggingbroek. De televisie stond aan, maar ik keek niet. Ik scrolde op internet op mijn telefoon. Urenlang zocht ik op symptomen. Onverklaarbare hartkloppingen. Hyperventilatie zonder het te weten. Zeldzame spierziekten. Hersenstumoren die paniek veroorzaken. Ik las verhalen op vage forums van mensen die al twintig jaar hun huis niet uit durfden. Mensen die hun baan waren kwijtgeraakt, hun partner, hun hele leven. Ik zag mijn eigen toekomst voor me en die was pikzwart.
Linda deed haar best, maar de spanning tussen ons was om te snijden. Ze liep op haar tenen. Ze durfde niks meer te vragen, want bij het minste of geringste vloog ik uit mijn vel. Van schaamte, al wist zij dat niet.
Op een dinsdagavond knapte er iets. Linda kwam thuis van haar werk bij de supermarkt. Ze zette de zware boodschappentassen op het aanrecht. Ze zuchtte diep. Ik zat op de bank, half onderuitgezakt, met mijn hand weer eens op mijn pols om mijn hartslag te checken.
Ze keek naar me. Niet boos, maar intens verdrietig en doodmoe.
'Dennis,' zei ze zacht. 'Stop daar eens mee.'
'Met wat?' bromde ik.
'Met voelen. Met zoeken naar iets wat er niet is.' Ze liet haar schouders hangen. 'Ik trek dit niet langer. Ik herken je niet meer. Je praat niet met me. Je zit hier alleen maar te wachten tot je doodgaat, terwijl de dokter heeft gezegd dat je lijf gezond is.'
'Die dokter weet helemaal niks!' beet ik haar toe. 'Jij voelt toch niet wat ik voel? Jij voelt die bom in mijn borst niet!'
'Nee,' zei ze, en er rolde een traan over haar wang. 'Dat voel ik niet. Maar ik zie wel dat je opgeeft. Je vecht niet eens. Je verstopt je hier binnen. En ondertussen raak ik je kwijt. Het bedrijf raakt je kwijt. Je bent een spook in je eigen huis.'
Die woorden sloegen harder in dan welke paniekaanval dan ook. Een spook in mijn eigen huis. Ze had gelijk. Ik leefde niet meer. Ik deed alleen nog maar aan overleven. Ik beschermde mezelf tegen de angst door niks meer te doen, maar daardoor had de angst me juist helemaal te pakken.
Ik sliep die nacht op de bank. Niet omdat Linda dat wilde, maar omdat ik mezelf niet onder ogen durfde te komen. Om vier uur 's nachts stond ik op. Ik liep naar het raam en keek naar de straat. De lantaarnpalen wierpen gele kringen op het natte asfalt. Verderop reed een vroege krantenbezorger op een krakende fiets. Een gewone jongen die gewoon zijn werk deed.
Ik balde mijn vuisten zó hard dat mijn nagels in mijn handpalmen sneden. Ik kon zo niet verder. Dit was geen leven. Dit was wachten tot de begrafenisondernemer me kwam halen. Als ik dan toch kapot moest gaan, dacht ik bitter, dan maar vechtend. Niet zittend op een versleten hoekbank.
Hoofdstuk 6
Met trillende knieën
De volgende ochtend begon de oorlog. Niet tegen de angst, want dat werkte niet. Vechten tegen de paniek was als trappelen in drijfzand: hoe harder je vocht, hoe dieper je wegzakte. Ik had op een forum iets gelezen van iemand die zei: je moet er niet tegen vechten, je moet het over je heen laten spoelen. Het klonk zweverig, en ik had een bloedhekel aan zweverig gedoe. Maar ik had geen keus meer.
Ik trok mijn spijkerbroek aan. Mijn gewone schoenen. Geen joggingbroek meer.
'Wat ga je doen?' vroeg Linda verbaasd toen ik in de gang stond.
'Naar de brievenbus,' zei ik kortaf. 'Op de hoek.'
De brievenbus stond honderdvijftig meter verderop. Voor een ander een wandelingetje van twee minuten. Voor mij voelde het als de beklimming van de Mount Everest zonder zuurstoffles.
Ik deed de voordeur open. De koude ochtendlucht sloeg in mijn gezicht. Mijn hart reageerde direct: boem, boem, boem. Daar ging de teller weer. Mijn benen voelden zwaar, alsof er lood in mijn kuiten was gegoten. Mijn ademhaling stokte.
Kom maar op dan, dacht ik woest. Schiet me maar dood. Laat die ader maar knappen.
Ik stapte over de drempel. Stap één. Stap twee. Bij het tuinhekje bleef ik even staan. De straat leek oneindig lang. Een buurvrouw liet haar hond uit en knikte vriendelijk. Ik knikte stijfjes terug. Mijn zicht werd alweer wazig aan de randen. Tunnelvisie. Mijn hersenen schreeuwden: *Draai om! Ren naar binnen! Binnen is het veilig! Gooi de deur op slot!*
Ik draaide niet om.
Met elke stap die ik zette, voelde ik de paniek stijgen. Het was een hete golf die vanuit mijn maag omhoog kroop naar mijn keel. Mijn handen begonnen te tintelen. Mijn knieën beefden zo erg dat ik bang was dat ik zou wankelen. Maar ik bleef lopen. Voet voor voet. Langzaam, als een man van tachtig met een rollator, maar ik liep.
Bij de rode brievenbus aangekomen, legde ik mijn hand op het koude metaal. Ik had geen brief om te posten. Ik stond daar gewoon, met mijn hand op de oranje verf. Mijn hart bonsde zo hard in mijn keel dat ik het kon horen suizen. Mijn hele lijf schreeuwde om te rennen.
Ik bleef staan. Ik keek op mijn horloge. Twee minuten. Ik sprak mezelf toe in stilte: *Je staat hier. Je hart gaat tekeer als een malle. Maar je valt niet om. Je stikt niet. Je staat gewoon bij een rood stuk blik op de stoep.*
En toen, heel langzaam, gebeurde er iets wonderlijks. De paniek bereikte een piek, een soort kookpunt waarop ik dacht dat mijn hoofd uit elkaar zou knallen... en daarna zakte het een klein beetje. Niet helemaal. De spanning bleef als een strak elastiek in mijn nek zitten. Maar de piek verdween. Het monster bleek een blaffende hond te zijn. Een hond met een gigantisch grote bek, maar zonder tanden.
Ik liep terug naar huis. Mijn benen waren slap als pudding, maar ik liep met mijn hoofd omhoog. Linda stond achter het raam te kijken. Toen ik binnenstapte, zei ze niks. Ze keek alleen maar naar me. Ik knikte een keer.
'Morgen ga ik naar de bakker,' zei ik hees.
De dagen daarna werden een aaneenschakeling van dit soort veldslagen. De bakker. Drie straten verderop. Ik stond in de winkel met het zweet op mijn rug, terwijl een oud vrouwtje treuzelde over een halfje volkoren. De paniek kwam, gierend hard. Ik voelde de naaldjes in mijn vingers, de kramp in mijn maag. Maar ik liep niet weg. Ik bleef staan tot het brood in een papieren zak over de toonbank werd geschoven. Ik betaalde met een hand die trilde, maar ik rekende af.
Het was verschrikkelijk. Het was het zwaarste werk dat ik ooit in mijn leven had gedaan, zwaarder dan tien uur lang leidingen sjouwen in een vrieskoude kruipruimte. Maar elke keer dat ik bleef staan en niet vluchtte, brokkelde de macht van de angst een klein stukje af. Ik begon te begrijpen wat er gebeurde: mijn lijf sloeg vals alarm. Telkens weer. De rookmelder in mijn hoofd ging af terwijl er nergens brand was. En door niet meer weg te rennen, liet ik mijn eigen brein zien dat het loos alarm was.
Hoofdstuk 7
Een barst in het harnas
We zijn nu anderhalf jaar verder. Ik ben weer aan het werk. Niet meer fulltime zoals vroeger; ik werk vier dagen per week voor Henk. Het heeft bloed, zweet en tranen gekost om zover te komen.
De eerste keer dat ik weer in de werkbus stapte, heb ik tien minuten stilgestaan op de oprit voordat ik de sleutel durfde om te draaien. De eerste keer dat ik weer op een zolder stond, moest ik halverwege op de trap gaan zitten om te wachten tot het bonzen in mijn oren minder werd. Maar ik ben gebleven. Ik heb die ketel gerepareerd.
Ik heb Henk uiteindelijk alles verteld. We zaten op kantoor, een grauwe vrijdagmiddag met een mok slappe koffie tussen ons in. Ik schaamde me kapot, keek naar de vlekken op het linoleum en vertelde over de A12, over het supermarktpoortje, over de paniekaanvallen. Ik verwachtte dat hij me zou uitlachten. Of dat hij zou zeggen dat hij niks aan een gehandicapte monteur had.
Henk keek uit het raam, nam een slok koffie en zei: 'Verdomme Dennis. Had dat meteen gezegd man. Mijn jongere broer heeft dat ook gehad na zijn scheiding. Die durfde de brug over de Lek niet meer over.' Hij zette zijn mok neer. 'We bouwen het rustig op. Je doet eerst maar de klussen in Gouda zelf. Geen verre ritten. Als het niet gaat, bel je me.'
Die reactie was als een warme deken. De schaamte verdween niet meteen, maar het giftige randje ging eraf. Ik was geen uniek misbaksel. Ik was gewoon een vent bij wie de zekeringen waren doorgebrand.
Ben ik er nu helemaal vanaf? Nee. Zeker niet.
Vorige week stond ik nog voor het stoplicht bij de Koningin Julianasluis. Een lange rij auto's, een brug die openstond. Meteen voelde ik die bekende kriebel in mijn buik. De strakke band om mijn borst. De gedachte: *je zit klem.* Mijn ademhaling schoot omhoog. Even leek het weer alsof de muren op me afkwamen.
Maar ik raak niet meer in paniek van de paniek. Dat is het grote verschil. Ik legde mijn handen ontspannen onderaan het stuur. Ik keek in de spiegel naar mijn eigen ogen. 'Hé ouwe bekende,' zei ik hardop tegen het dashboard. 'Ben je er weer? Ga je gang maar. Ga maar lekker tekeer. Ik blijf gewoon zitten.'
En dat deed ik. Mijn hart sloeg honderdveertig slagen per minuut, mijn handen waren nat van het zweet, maar ik bleef wachten tot het licht op groen sprong. Ik schakelde door naar zijn één en reed rustig over de sluis.
Mijn zelfbeeld is veranderd. Ik ben niet meer de onverwoestbare kerel van vroeger. Ik ben niet die stoere Dennis die nergens om maalt en overal doorheen beukt. Er zit een flinke barst in mijn harnas. Ik ben kwetsbaarder geworden. Ik moet beter op mezelf letten. Als ik te veel hooi op mijn vork neem, waarschuwt mijn lijf me meteen met die vertrouwde steken en trillingen.
Maar weet je wat gek is? Ik voel me sterker dan voorheen. Echte kracht zit niet in nooit bang zijn. Echte kracht zit in doodsbang zijn, voelen dat je knieën knikken en dat je hart uit je lijf wil springen, en tóch de voordeur opendoen en naar buiten stappen.
Vanavond zit ik weer op de bank met Linda. We eten Chinees van de afhaal. Ik heb het zelf opgehaald. Ik stond in dat kleine, warme restaurantje tussen tien andere wachtende mensen, met de geur van babi pangang en gebakken uitjes om me heen. Het zweet brak me even uit bij de kassa. Maar ik bleef staan. Ik pakte de warme plastic tas aan, zei vriendelijk 'fijne avond' tegen het meisje achter de balie, en liep naar buiten.
De angst loopt nog steeds af en toe met me mee. Soms als een schaduw achter me, soms als een zware last op mijn schouder. Maar hij zit niet meer aan het stuur. Het stuur heb ik weer zelf in handen. Met klamme handen, dat wel. Maar ik rijd.