Naar de inhoud
Terug naar het boek

Psychische gezondheid

Als mijn hoofd niet meer stopt

Dit boek gaat over psychische klachten. Zoek hulp als het onderwerp je raakt.

Hoofdstuk 1

De vangrail

Mijn naam is Dennis. Ik ben tweeëndertig jaar en ik woon in Dordrecht, in een portiekflat met uitzicht op een spoorlijn. Tot vorig jaar werkte ik als servicemonteur voor industriële koelinstallaties. Mijn werk was simpel en overzichtelijk. Als er ergens een vriescel lekte of een compressor uitviel, sprong ik in mijn witte caddy en loste ik het op. Leidingen solderen, gas meten, printplaatjes vervangen. Ik hield van logica. Een machine werkt, of een machine is kapot. Als iets kapot is, zoek je het onderdeel dat hapert en zet je er een nieuw in. Klaar.

Maar in oktober vorig jaar begon er iets te haperen waar geen handleiding voor bestond: mijn eigen hoofd.

Het was een dinsdagochtend, kwart over zes. Ik reed op de A15 richting de Maasvlakte. Buiten was het aardedonker en het regende van die dikke, vette herfstdruppels die tegen je voorruit slaan alsof iemand handjes grind gooit. De ruitenwissers maakten een monotoon, schrapend geluid. Normaal gesproken zette ik de radio op Radio 2, dronk ik lauwe koffie uit mijn thermosbeker en at ik een boterham met pindakaas. Maar die ochtend stond de radio uit. Mijn koffie werd koud in de bekerhouder.

In mijn hoofd was het oorverdovend druk. Het was geen stem die tegen me praatte. Het was een soort zware, zoemende ruis. Alsof er tien televisies tegelijk op een lege zender stonden en iemand het volume vol open had gedraaid. Al weken sliep ik slecht. Drie uur per nacht, hooguit vier. Ik werd wakker met een harde bons in mijn keel, met het gevoel dat ik iets vergeten was. Een afspraak, een reparatie, een belofte. Maar ik was niets vergeten. Mijn agenda klopte. Mijn werkbonnen waren netjes afgetekend. Toch bleef die druk op mijn borstkast zitten, loodzwaar, alsof er een betonnen stoeptegel op lag.

Net voor de afslag naar Rozenburg zag ik de vangrail aan de rechterkant van de snelweg. Hij glom in het felle licht van mijn koplampen. Nat, grijs staal. Plotseling trok mijn rechterhand aan het stuur. Een fractie van een seconde maar. Mijn vingers klemden zich zo hard om het kunststof dat mijn knokkels wit werden.

Ik dacht: "Als ik nu naar rechts stuur, stopt het."

Het was geen wens om dood te zijn. Ik wilde niet verongelukken. Ik wilde geen bloed, geen sirenes, geen drama. Ik wilde alleen maar dat die ruis ophield. Ik wilde rust. Gewoon een schakelaar die omging, klik, stilte.

Een vrachtwagen achter me toeterde fel. Zijn luchthoorn sneed dwars door mijn cabine heen. Ik schrok zo hevig dat mijn voet van het gaspedaal schoot. Mijn bestelbus slingerde even over de witte streep van de vluchtstrook voordat ik hem weer recht kreeg. De koplampen van de vrachtwagen vulden mijn achteruitkijkspiegel met fel, wit licht. De chauffeur gaf me een boze lichtflits en haalde me links in.

Mijn hele lijf trilde. Mijn handpalmen waren kletsnat van het zweet. Ik stuurde de caddy de eerste de beste parkeerplaats op, zette de motor af en liet mijn voorhoofd op het stuur rusten. Het plastic voelde ijskoud aan tegen mijn huid. Buiten kletterde de regen op het dak. Ik zat daar een halfuur roerloos. Mijn ademhaling ging snel en oppervlakkig, hoog in mijn borst. Ik kon niet huilen. Er zat geen traan in me. Er zat alleen maar beton.

"Niet aanstellen, Den," zei ik hardop tegen mezelf in de stille cabine. Mijn stem klonk vreemd en hees. "Gewoon doorrijden. Je hebt een klus bij een visverwerker. Die mensen wachten op je."

Ik startte de motor weer. Het dashboard lichtte oranje op. Ik zette de ruitenwissers aan, keek in mijn spiegel en voegde weer in op de snelweg. Ik dacht dat ik het incident achter me kon laten. Ik dacht dat het gewoon een vlaag van vermoeidheid was geweest. Maar de vangrail bleef de hele dag op mijn netvlies gebrand staan.

Hoofdstuk 2

Het masker op

Als je buikpijn hebt, blijf je thuis. Als je je been breekt, zien mensen het gips en tekenen ze met een viltstift een hartje op je kuit. Maar als je vanbinnen langzaam uitdooft, ziet niemand iets. Zeker niet als je je best doet om te lachen.

Ik werd een meester in doen alsof. Mijn vriendin Sandra merkte natuurlijk wel dat er iets wrong, maar ik gaf haar steeds net genoeg om de boel te sussen. We waren toen vier jaar samen. Sandra werkt in de kinderopvang. Ze is warm, vrolijk en heeft een radar voor andermans emoties. Juist daarom moest ik bij haar extra hard mijn best doen.

"Je bent zo stil de laatste tijd," zei ze die avond, terwijl ze borden met pasta op tafel zette. De damp sloeg tegen het raam van onze kleine keuken.

"Drukke week," zei ik. Ik pakte een vork en schoof wat macaroni heen en weer. Ik had geen honger. Eten smaakte de laatste tijd naar nat karton. Alles had dezelfde textuur, hetzelfde gebrek aan smaak. "Veel storingen. Slechte planning vanuit kantoor. Je kent het wel."

"Je slaapt ook amper, Dennis. Je ligt alleen maar te draaien. Vannacht was je om vier uur al uit bed."

"Kwam door die koffie laat op de middag," loog ik soepel. "En ik lag na te denken over een schema van een koelmotor. Komt goed, schat. Vrijdag is het weekend, dan tank ik even bij."

Ze keek me aan. Haar bruine ogen stonden bezorgd. Ze legde haar hand op de mijne. Normaal vond ik dat fijn. Haar handen zijn zacht en altijd warm. Nu voelde haar aanraking als een brandijzer. Ik wilde mijn hand wegtrekken, maar ik dwong mezelf om stil te blijven zitten. Ik perste een glimlach op mijn gezicht. Een geoefende grijns. De Dennis-grijns. Vrolijke gozer, betrouwbare vent, altijd in voor een grapje over Feyenoord of over de baas.

"Beloof me dat je rustig aan doet," zei ze zacht.

"Beloofd," zei ik.

De volgende dagen werden een waas van overleven. Mijn werk begon steeds meer fouten te vertonen. Ik, de man die schema's kon dromen, vergat gereedschap mee te nemen. Ik liet een dure digitale manometer vallen op een betonnen vloer. Ik keek naar een simpel bedradingsschema en zag alleen maar zwarte lijntjes die kriskras door elkaar liepen, zonder enige logica. Mijn brein weigerde informatie te verwerken. Het voelde alsof mijn hersenen waren volgegoten met vloeibaar kaarsvet dat langzaam aan het stollen was.

Op vrijdagmiddag stond ik bij de groothandel in Barendrecht om koperen koppelstukken op te halen. De man achter de balie, Johan, kende me al jaren. Een gezette kerel met een schort voor en altijd een peuk achter zijn oor.

"Zo, Den!" riep hij luid over de toonbank. "Kratje pils vanavond of ga je het netjes houden?"

Ik wilde iets gevats terugzeggen. Iets over dat het bier al koud stond en dat het weekend niet vroeg genoeg kon beginnen. Maar mijn tong leek te dik voor mijn mond. Ik bleef staan. Mijn ogen staarden naar een rek met slangklemmen achter zijn hoofd.

"Dennis?" Johans stem klonk ineens een stuk minder vrolijk. Hij leunde naar voren op de toonbank. "Gaat het wel met je, maat? Je ziet zo wit als een laken."

Ik schraapte mijn keel. "Slecht geslapen, Johan. Griepje op komst, denk ik. Geef me die doos knelkoppelingen maar mee, dan taai ik af."

"Weet je het zeker? Je staat te trillen."

"Ja hoor. Nergens last van."

Ik griste de doos van de balie, tekende met een haastige krabbel de afleverbon en liep naar buiten. Op de parkeerplaats moest ik me met één hand vasthouden aan de buitenspiegel van mijn bus. De grond onder mijn werkschoenen leek te deinen, alsof ik op het dek van een schip stond tijdens windkracht acht. Mijn hart sloeg overslagen in mijn keel. Boem. Boem-boem. Stilte. Boem.

Ik stapte in, deed de deuren op slot en drukte mijn nagels diep in mijn handpalmen om de pijn te voelen. Pijn was tenminste scherp. Pijn was tenminste echt. Alles was beter dan die stompe, verlammende mist die me langzaam aan het verstikken was.

Hoofdstuk 3

Min achttien graden

De echte klap kwam op een maandag, tien dagen na het incident op de A15. Ik had een spoedklus gekregen in de Waalhaven. Een distributiecentrum voor diepvriesproducten had een storing in vriescel 4. Een gigantische loods van dertig meter lang en acht meter hoog, volgestapeld met pallets diepgevroren kip en varkensvlees. Temperatuur: min achttien graden.

Ik hees me in mijn dikke thermopak, trok mijn gevoerde veiligheidslaarzen aan en zette mijn muts op. Buiten scheen een waterig najaarszonnetje, maar zodra de dikke, geïsoleerde schuifdeur achter me dichtklikte, verdween de wereld.

In de cel hing een mist van ijskristallen. De kou sneed direct in het stukje van mijn gezicht dat niet bedekt was door mijn muts of sjaal. De enorme ventilatoren van de verdampers bovenin de hal maakten een daverend lawaai. Een diep, ronkend gebrom dat door de vloer rechtstreeks je botten in trilde.

Ik klom op een aluminium rolsteiger om bij de expansieventielen te komen. Vijf meter boven de grond. Mijn vingers, beschermd door dikke werkhandschoenen, voelden lomp en onhandig aan. Ik moest een klein stelschroefje verstellen met een inbussleutel. Een klusje van twee minuten.

Ik zette de sleutel op de bout. Mijn hand begon te beven. Niet van de kou. Van iets anders. De inbussleutel schoot uit de kop van de bout en kletterde met een schel geluid naar beneden, tussen de pallets.

"Verdomme," fluisterde ik.

Ik bukte om te kijken waar hij lag. En op dat moment hield alles op.

De lucht leek in één klap uit mijn longen te verdwijnen. Ik kon niet meer inademen. De koude vrieslucht stolde in mijn keel alsof iemand vloeibaar stikstof naar binnen goot. Mijn borst zat muurvast. Ik greep de reling van de steiger vast met beide handen. Het aluminium voelde aan alsof het aan mijn handschoenen vastvroor.

Beneden me strekten de rijen pallets zich uit in het kille tl-licht. Eindeloze stapels bevroren dozen. Er was niemand. De loodsmedewerkers reden rond in een ander deel van het pand. Niemand wist dat ik hier bovenop die steiger stond.

Het geluid van de ventilatoren veranderde. Het was geen machinegeluid meer. Het werd een massieve muur van geluid die van alle kanten tegelijk op me afkwam. Het drukte tegen mijn trommelvliezen, tegen mijn slapen. De ruis in mijn hoofd smolt samen met het gebrul van de motoren.

Ik zakte door mijn knieën. Recht op de houten vlonder van de rolsteiger. Ik kon niet meer rechtop staan. Mijn benen waren pap. Ik kromp ineen, trok mijn knieën tegen mijn borst en klemde mijn armen om mijn hoofd.

"Alsjeblieft," hoorde ik mezelf smeken. Tegen wie wist ik niet. "Alsjeblieft, stop. Hou op. Laat het stil zijn."

Er kwam geen stilte. Er kwam alleen maar paniek. Zwarte, ijskoude paniek. Ik dacht dat ik een hartaanval kreeg. Mijn hart sloeg zo hard tegen mijn ribben dat het pijn deed. Ik hapte naar adem, maar er kwam geen zuurstof binnen. Ik zat opgesloten in een ijskast van min achttien, en vanbinnen brandde ik af tot op het bot.

Ik weet niet hoe lang ik daar heb gezeten. Tien minuten? Een uur? De tijd bestond niet meer op die steiger. Het enige wat telde was de totale overgave van mijn lichaam. Ik gaf het op. Ik kon niet meer vechten tegen de mist, niet meer vechten tegen de angst, niet meer vechten tegen het gevoel dat ik een lege huls was geworden.

Uiteindelijk werd de schuifdeur beneden met een zware slag geopend. Een streep geel licht sneed door de mist. Een heftruck reed naar binnen met piepende banden. De chauffeur zag me niet zitten, hoog boven op de steiger.

Het geluid van de heftruck brak de betovering net genoeg. Met trillende ledematen schoof ik op mijn buik naar het luik van de steiger. Trede voor trede klom ik naar beneden, met trillende knieën die tegen de sporten kletterden. Beneden aangekomen liet ik mijn gereedschapskist staan. Ik liet mijn werklamp branden. Ik liet alles achter.

Ik liep naar buiten, trok op de parkeerplaats mijn thermopak uit en gooide het achter in de caddy. Ik stapte in, draaide de sleutel om en reed naar huis. Ik belde de planning niet. Ik meldde me niet af bij de receptie. Ik reed gewoon weg.

Hoofdstuk 4

De bodem

Toen ik thuiskwam, was Sandra aan het werk. Dat was mijn redding, dacht ik toen. Ik trok mijn werkschoenen uit bij de voordeur, liep op sokken naar de woonkamer en ging op de bank zitten. Ik deed mijn jas niet eens uit. Mijn sleutels lagen nog in mijn hand.

Ik bleef zitten.

De klok aan de muur tikte. Twee uur. Drie uur. Half vijf. De zon zakte weg achter de flat aan de overkant van de straat. De kamer werd grijs, daarna blauw, daarna donker. Ik deed geen lamp aan. Ik pakte mijn telefoon niet, ook al voelde ik hem om de haverklap trillen in mijn broekzak. Het kantoor. Collega's. Misschien een klant.

Toen Sandra om kwart over zes de voordeur opendeed, zag ze me direct zitten in het donker. Ze deed het grote licht aan. Het felle tl-licht van de gang sneed in mijn ogen.

"Dennis?" Ze liet haar tas op de grond vallen. "Wat doe je in het donker? Waarom neem je je telefoon niet op? René van kantoor heeft me wel drie keer gebeld! Ze wisten niet waar je was!"

Ik keek naar haar schoenen. Rode enkellaarsjes. Er zat een klein veegje modder op de neus van de linkerlaars. Ik kreeg mijn ogen niet omhoog. Mijn nek voelde aan alsof hij van lood was gegoten.

"Dennis, praat met me. Wat is er gebeurd? Ben je ziek?"

Ze knielde voor me neer op het vloerkleed. Ze pakte mijn handen. Mijn sleutels vielen kletterend op het laminaat.

"Ik kan niet meer," zei ik. Mijn stem was vlak. Geen drama, geen tranen. Gewoon een mededeling van een feit, zoals een monteur die zegt dat de koppakking doorgeslagen is. "Het is op, San. Alles is leeg."

Wat er in de drie dagen daarna gebeurde, herinner ik me flarden van. Ik verhuisde van de bank naar het bed. Ik trok het dekbed over mijn schouders en staarde naar een scheurtje in het stucwerk op het plafond. Als Sandra vroeg of ik wat wilde drinken, schudde ik mijn hoofd. Als ze vroeg of ze de dokter moest bellen, zei ik: "Nee. Laat maar."

Ik wilde geen dokter. Ik wilde geen pillen. Ik schaamde me kapot. Ik was tweeëndertig jaar, een gezonde Hollandse vent met twee sterke handen en een goed stel hersenen. Mijn vader had veertig jaar in de Rotterdamse haven gewerkt, weer of geen weer, nooit gezeurd, nooit een dag gemist. En ik lag hier te rotten onder een dekbed omdat ik een beetje bang was geworden op een steiger. Ik voelde me een mislukkeling. Een zwakkeling. Een aansteller.

Op donderdag trok Sandra het niet meer. Ik hoorde haar huilen in de keuken. Zachtjes, met haar hand voor haar mond, maar de muren van onze flat waren dun genoeg. Even later kwam ze de slaapkamer binnen. Ze had een weekendtas in haar hand.

"Ik ga naar mijn moeder, Dennis," zei ze. Haar ogen waren rood en opgezwollen. "Ik kan dit niet aanzien. Je praat niet. Je eet niet. Je ligt hier alleen maar dood te wezen. En je weigert hulp te zoeken."

Ik keek naar haar. Een deel van me wilde opspringen, haar vastpakken, smeken dat ze moest blijven. Maar de stoeptegel op mijn borst was te zwaar. Ik kon mijn armen niet eens optillen.

"Is goed," fluisterde ik.

"Is goed?" Haar stem sloeg over van woede en verdriet. "Is dat alles wat je zegt? We gaan hier kapot aan, hoor je me? Jij gaat kapot!"

Ze sloeg de deur achter zich dicht. De knal trilde na in de ruiten. Daarna hoorde ik het slot van de voordeur klikken.

Toen was het echt stil.

Geen Sandra. Geen werk. Geen ruis van radio's. Alleen ik, het scheurtje in het plafond en de ijskoude wetenschap dat ik helemaal op de bodem van de put zat. Ik had de bodem niet alleen geraakt, ik was erdoorheen gezakt. Ik stonk naar zweet en oud beddengoed. Mijn baard schuurde tegen mijn kussen. Ik was niets meer waard. Op dat moment besefte ik dat er maar twee keuzes over waren: of ik bleef hier liggen tot iemand over twee weken de deur intrapte omdat de stank te erg werd, of ik moest toegeven dat ik dit niet in mijn eentje kon repareren.

Hoofdstuk 5

Het witte bureau

Mijn broer Marco was degene die de knoop doorhakte. Sandra had hem gebeld, natuurlijk. Marco is twee jaar ouder dan ik, timmerman, nuchter tot op het bot. Hij had een eigen sleutel van mijn flat. Op vrijdagochtend hoorde ik zware stappen in de gang. Geen aarzeling, geen voorzichtig geklop. De slaapkamerdeur vloog open.

Marco bleef in de deuropening staan met zijn armen over elkaar. Hij keek naar de troep op mijn nachtkastje, naar de halflege glazen water, naar mij.

"Je ziet eruit als een lijk, Den," zei hij.

"Dank je," mompelde ik vanonder de deken.

"Eruit. Douchen. Nu."

"Marco, rot op."

Marco liep naar het bed, greep de deken vast en trok hem in één ruk naar beneden. De koude slaapkamerlucht sloeg tegen mijn blote benen. "Ik zei: douchen. Ik heb om half elf een afspraak voor je gemaakt bij dokter Van der Meer. En als je niet zelf meeloopt, til ik je naar die auto. Je weet dat ik sterker ben dan jij."

Ik keek in zijn gezicht. Er zat geen medelijden in zijn ogen. Er zat bezorgdheid in, vermomd als lichte agressie. Dat begreep ik tenminste. Dat was de taal van onze familie.

Twintig minuten later zat ik naast hem in zijn bus. Ik had een schone spijkerbroek aan en een trui die naar wasverzachter rook. Mijn haar was nog nat van de douche. Ik voelde me naakt, ontdaan van elk pantser.

De wachtkamer van de huisartsenpraktijk rook naar desinfectiemiddel en oude tijdschriften. Er zat een vrouw met een huilende peuter. Er zat een oude man die zwaar ademde door zijn neus. Ik staarde naar de linoleumvloer. Ieder patroontje in het grijs-witte kunststof leek zich in mijn ogen te branden. Mijn benen wilden opspringen en wegrennen. Terug naar de donkere slaapkamer. Terug naar de dekens.

Marco legde zijn zware hand op mijn knie. Hij zei niks. Hij kneep er gewoon even in. Een simpele greep. Blijven zitten.

"Dennis de Graaf?"

Dokter Van der Meer was een man van begin zestig met een brilletje op zijn neus en een geruit overhemd. Hij kende me al vanaf mijn tienerjaren. Hij had mijn pols gezet toen ik met een brommer onderuit was gegaan. Hij had me antibiotica gegeven toen ik een ontstoken pees had.

Ik liep het spreekkamertje binnen en ging op de stoel tegenover hem zitten. Marco bleef in de wachtkamer.

Van der Meer vouwde zijn handen over elkaar op zijn witte bureau. "Vertel het eens, Dennis. Ik zie in mijn systeem dat je hier al vier jaar niet bent geweest. Wat scheelt eraan?"

Ik wilde een verhaal ophangen over vermoeidheid. Over vitamines. Misschien bloedarmoede. Maar toen ik mijn mond opendeed, brak er iets. De dam waar ik wekenlang al dat water achter had gehouden, scheurde doormidden.

Ik huilde niet met tranen, maar met een schokkerige ademhaling die mijn hele borstkas deed schudden. "Mijn hoofd stopt niet meer, dokter," zei ik. De woorden kwamen eruit als scherven glas. "Het stopt gewoon niet meer. Ik kan niet meer werken. Ik kan niet meer bij Sandra zijn. Ik dacht laatst dat het beter was om tegen de vangrail te rijden. Gewoon om het stil te krijgen."

Van der Meer knipperde niet eens. Hij trok geen verbaasd gezicht. Hij schrok niet. Hij pakte een pen, klikte erop en schreef iets op een geel briefje.

"Dat klinkt ontzettend zwaar, Dennis," zei hij rustig. Zijn stem had geen medelijden, maar een zakelijke warmte die me meteen wat kalmeerde. "En ik ben heel blij dat je hier nu zit en me dit vertelt."

Hij stelde vragen. Korte, duidelijke vragen. Slaap je? Hoeveel uur? Heb je nog eetlust? Denk je de hele dag aan de dood, of alleen op momenten dat de druk te hoog wordt? Ik gaf antwoord. Eerlijk. Voor het eerst in maanden loog ik niet over hoe ik me voelde.

"Je bent over de rand gegaan," zei Van der Meer na een kwartier. Hij leunde achterover in zijn stoel. "Je lichaam en je geest hebben maandenlang signalen afgegeven die je hebt genegeerd. En nu hebben ze zelf de noodrem aangetrokken. Dat heet een zware depressieve episode, gecombineerd met overspannenheid. Een burn-out, als je dat een beter woord vindt. Maar de naam maakt niet uit. Het resultaat is hetzelfde: de batterij is niet alleen leeg, hij laadt niet eens meer bij."

"En nu?" vroeg ik hees. "Krijg ik pillen?"

"Dat kan een optie zijn, maar we beginnen vandaag met iets anders," zei hij. "Vanaf vandaag ben je ziek. Je gaat niet naar je werk. Je raakt geen gereedschap aan. En over drie dagen heb je een afspraak hier in de praktijk, met Jan. Jan is onze praktijkondersteuner voor de geestelijke gezondheidszorg. Je gaat met hem praten."

"Praten lost niks op," zei ik automatisch.

Van der Meer glimlachte flauwtjes. "Dennis, je hebt het maandenlang geprobeerd op te lossen met zwijgen en doordrukken. Kijk eens waar dat je heeft gebracht. Zullen we nu eens een andere methode proberen?"

Hoofdstuk 6

Lopen langs het water

Het eerste gesprek met Jan, de praktijkondersteuner, was een ramp. Jan was een kalme man met een grijze baard en een wollen trui. Hij stelde vragen over mijn jeugd, over mijn gevoelens, over wat ik dacht als ik wakker werd. Ik zat daar met mijn armen over elkaar en gaf antwoorden van één lettergreep. "Ja." "Nee." "Weet ik niet." Ik voelde me een idioot. Ik wilde niet praten over mijn gevoelens. Gevoelens waren dingen voor vrouwenbladen, niet voor monteurs uit Dordrecht.

Aan het eind van het tweede gesprek, een week later, keek Jan me aan over de rand van zijn aantekeningenblok.

"Weet je wat jouw probleem is, Dennis?" vroeg hij.

"Nou?"

"Je probeert je herstel te managen alsof het een kapotte koelmotor is. Je wilt een stappenplan, een handleiding, en na drie weken wil je klaar zijn. Maar zo werkt een mens niet. Je kunt je hoofd niet repareren met een steeksleutel."

"Wat moet ik dan verdomme doen?" beet ik hem toe. "Op de bank blijven liggen tot ik gek word?"

"Nee," zei Jan rustig. "Je gaat wandelen."

"Wandelen?"

"Elke dag. Dertig minuten. Regen of zonneschijn. Telefoon thuis laten. Geen muziek op je oren. Gewoon lopen. En als je hoofd volloopt met lawaai, ga je tellen hoeveel rode auto's je ziet. Of hoeveel meerkoeten in het water drijven. Dwing je ogen om naar buiten te kijken in plaats van naar binnen."

Ik vond het de grootste onzin die ik ooit had gehoord. Maar thuis had ik niets te doen. Sandra was nog steeds bij haar moeder. We hadden elkaar één keer gezien, kort, op een bankje in het park. Ze had gehuild, ik had haar hand vastgehouden. Ze zei dat ze van me hield, maar dat ze niet terugkwam zolang ik niets deed om beter te worden. Dat deed pijn. Fysieke pijn, alsof iemand een schroevendraaier tussen mijn ribben stak.

Dus ging ik lopen.

De eerste dag liep ik langs de Merwede. De wind kwam koud over het water en blies de geur van rivierklei en stookolie over de kade. Grote binnenvaartschepen gleden traag voorbij, geladen met zand of containers. Hun motoren maakten een diep, vertrouwd gebrom. Plop-plop-plop.

Na tien minuten begon de ruis weer. Mijn schouders kropen omhoog naar mijn oren. Mijn kaken klemden zich op elkaar. "Je bent een nietsnut," zei een stem in mijn hoofd. "Je loopt hier als een bejaarde langs het water terwijl je maten aan het bikkelen zijn op de Maasvlakte. Iedereen lacht je uit."

Ik stopte. Mijn adem ging snel. Ik keek naar het water. Grijs, kolkend, koud.

"Rode auto's," mompelde ik tegen mezelf. "Zoek naar rode auto's."

Er reden geen auto's op de kade. Alleen fietsers.

"Oké. Binnenvaartschepen dan." Ik dwong mezelf om naar de overkant te kijken, naar Papendrecht. Een geel kraanschip. Een blauwe duwboot. Een roestige tanker met de vlag van Liberia. Ik begon hardop de namen van de schepen op te noemen. "Cornelia. Rhenus. Spes Salutis."

Mijn hartslag zakte een fractie. De stoeptegel op mijn borst werd niet lichter, maar hij drukte tenminste niet meer door mijn ribben heen.

Ik liep door. Dertig minuten werden veertig minuten. Toen ik thuiskwam, waren mijn wangen rood van de kou en deden mijn benen een beetje zeer. Ik zette een kop thee. Ik dronk hem op terwijl hij nog warm was. Voor het eerst in twee maanden smaakte iets weer ergens naar: bittere Earl Grey.

Die avond stuurde ik Sandra een berichtje: *Heb net 5 kilometer gelopen langs de rivier. Ben moe, maar mijn hoofd was even iets rustiger. Ik mis je.*

Het duurde twintig minuten voor ze antwoordde. Drie puntjes die verschenen en weer verdwenen.

*Ik ben trots op je, Den. Stapje voor stapje. Ik mis jou ook.*

Hoofdstuk 7

Een barst in het beton

We zijn nu acht maanden verder. Het is juni. Buiten staan de bomen langs het spoor vol in het groene blad. De ramen van onze flat staan open en ik hoor het geroezemoes van spelende kinderen beneden op het pleintje.

Ik ben niet genezen. Dat is het eerste wat ik heb geleerd bij Jan, en later bij de psycholoog waar hij me naar doorverwees. Genezen is een woord voor een gebroken been of een blindedarmontsteking. Als je hoofd eenmaal zo hard op de rem heeft getrapt, vergeet je dat nooit meer. De barst in het beton blijft zichtbaar.

Maar ik leef weer.

Sinds drie weken werk ik weer op arbeidstherapeutische basis. Drie ochtenden in de week, vier uur per keer. Niet meer op de weg, niet meer vliegen van Dordrecht naar Europoort met een overvolle planning. Ik sta in de werkplaats op het hoofdkantoor. Ik reviseer compressoren die andere monteurs hebben binnengebracht. Rustig werk. Ik heb mijn eigen werkbank, mijn eigen gereedschap, en als het te druk wordt in mijn hoofd, leg ik mijn ringsleutel neer en loop ik een rondje over het terrein. Mijn baas, René, die ik vroeger zag als een slavendrijver, bleek achteraf verrassend schappelijk te zijn. Zijn eigen broer had ooit twee jaar thuisgezeten met dezelfde klachten.

"Waarom heb je nooit wat gezegd, sufferd?" had René gevraagd toen we voor het eerst weer om tafel zaten. "We zijn hier geen beesten. Als het niet gaat, trek je aan de bel."

Ik had alleen maar geknikt. Vroeger dacht ik dat hulp vragen een teken van zwakte was. Nu weet ik dat doormodderen tot je bijna tegen een vangrail rijdt pas echt dom is.

Sandra is terug. Ze kwam drie maanden geleden weer thuis met haar weekendtas. We hebben gehuild, we hebben geschreeuwd, we hebben avonden lang aan de keukentafel gezeten met een bak koffie ertussen. Het is niet vanzelf weer koek en ei geworden. Soms kijkt ze nog steeds met die bange, voorzichtige blik naar me als ik even stil ben op de bank. "Gaat het?" vraagt ze dan.

"Het gaat," zeg ik dan. En meestal meen ik het.

Soms meen ik het niet. Er zijn nog steeds dagen dat ik wakker word en de stoeptegel weer voel liggen. Dagen dat het grijs en zwaar is, dat de koffie weer naar karton smaakt en dat ik de neiging heb om de gordijnen dicht te trekken en de wereld buiten te sluiten. Maar ik doe het niet meer.

Ik heb een afspraak met mezelf en met Jan: op slechte dagen trek ik mijn schoenen aan en ga ik naar de rivier. Ik loop tot de kramp uit mijn kaken verdwijnt. Ik tel de schepen. Ik tel de meerkoeten. Ik laat de wind over mijn gezicht waaien tot ik weer voel dat ik besta.

Vanochtend reed ik voor het eerst weer over de A15. Niet in een werkbus, maar in Sandra's oude Opel Corsa, op weg naar de bouwmarkt om verf te halen voor de gang. De zon scheen fel op het asfalt. Het verkeer reed stevig door.

Bij de afslag naar Rozenburg zag ik de vangrail weer. Hetzelfde grijze staal. Geen regen deze keer, geen donkerte.

Mijn maag kromp even ineen. Een oude herinnering die door mijn zenuwen schoot als een stroomstootje. Mijn vingers klemden zich even iets steviger om het stuur.

Ik keek naar de vangrail. En toen keek ik weer naar voren, naar de weg, naar de witte strepen die onder de motorkap door gleden.

"Niet vandaag," zei ik zachtjes tegen de lege auto.

Ik zette de radio aan. Een stom popliedje. De muziek was te hard, maar deze keer deed het geen pijn aan mijn oren. Ik draaide het raampje een stukje open. De warme zomerwind blies naar binnen, rook naar gemaaid gras en warm asfalt. Ik ademde diep in, helemaal naar de bodem van mijn longen, en gaf een beetje gas bij.