Naar de inhoud
Terug naar het boek

Liefde, relaties en gezin

Alleenstaand met drie kinderen

Hoofdstuk 1

Alleenstaand met drie kinderen — De sleutel

De sleutel lag naast de fruitschaal. Niet op het haakje bij de deur, waar hij hoorde. Ernaast lag een briefje van Mark.

Ik slaap voorlopig bij Dennis. We praten morgen.

Ik las het terwijl mijn jongste aan mijn broek trok.

‘Mama, mijn sok zit verkeerd.’

Ik heet Sanne de Wit. Ik was achtendertig, woonde in Amersfoort en werkte vier dagen als doktersassistente. Mijn kinderen waren elf, acht en vier. Noor, Mees en Lotte. Die donderdag in november moest ik eerst een sok rechttrekken voordat ik kon begrijpen dat mijn relatie voorbij was.

Noor stond in de deuropening van de keuken. Ze had haar jas nog aan.

‘Is papa weg?’

‘Hij slaapt bij Dennis.’

‘Dat vroeg ik niet.’

Ik keek naar haar. Ze leek op Mark als ze boos was. Dezelfde stille mond.

‘Ja,’ zei ik. ‘Voor nu wel.’

Mees riep vanuit de woonkamer dat de afstandsbediening het niet deed. Lotte ging op mijn voet staan. Buiten reed de vuilniswagen achteruit. Dat piepende geluid bleef maar doorgaan.

Mark en ik hadden maanden ruzie gemaakt zonder echt iets te bespreken. Over zijn late diensten bij het installatiebedrijf. Over mijn moeder, die volgens hem te vaak binnenliep. Over geld dat verdween in gereedschap en uitjes waarvan ik achteraf hoorde.

De avond ervoor had ik gevraagd of hij nog met ons verder wilde.

‘Ik weet het niet,’ had hij gezegd.

Ik had geantwoord dat hij daar dan maar over moest nadenken. Ik bedoelde boven. Of tijdens een wandeling. Niet dat hij zijn sleutel moest neerleggen terwijl ik de kinderen ophaalde.

Ik belde hem. Geen gehoor. Daarna stuurde ik: De kinderen weten dat je weg bent. Bel vanavond.

Om zes uur aten we macaroni. Ik had te weinig saus gemaakt. Niemand zei er iets van.

‘Gaan jullie scheiden?’ vroeg Mees.

‘We moeten eerst praten.’

‘Dat is ja,’ zei Noor.

‘Dat is dat ik het nog niet weet.’

Mijn stem klonk scherp. Noor schoof haar bord weg.

Ik wilde haar terugroepen. In plaats daarvan zette ik de pan op tafel en liep naar de gang. Ze zat op de onderste traptrede.

‘Ik ben niet boos op jou.’

‘Je klinkt wel zo.’

‘Dat klopt. Dat was niet eerlijk.’

Ze trok een draadje uit haar mouw.

‘Was jij ook verrast?’

Ik ging naast haar zitten.

‘Door vandaag wel.’

Meer vroeg ze niet. Ze leunde even tegen mijn schouder en ging toen weer eten.

Mark belde om kwart over acht. Ik had Lotte net voor de derde keer ingestopt. Zijn stem klonk rustig. Dat maakte me woedend.

‘Ik moet ruimte hebben, San.’

‘Ik heb hier drie kinderen die ruimte nodig hebben in hun hoofd.’

‘Begin nou niet zo.’

Ik kneep mijn ogen dicht. In de badkamer drupte de kraan.

‘Kom zaterdag om tien uur. Niet om half elf. Om tien. Dan praten we.’

‘Goed.’

‘En bel morgen de kinderen.’

Er viel een stilte.

‘Natuurlijk.’

Na het gesprek opende ik onze bankapp. Op de gezamenlijke rekening stond 286 euro. De huur moest nog worden afgeschreven. Ik scrolde terug. Twee dagen eerder had Mark negenhonderd euro naar zijn eigen rekening overgemaakt.

Mijn handen begonnen te trillen.

Ik belde opnieuw. Dit keer nam hij meteen op.

‘Waar is dat geld voor?’

‘Ik moet ook ergens van leven.’

‘De huur, Mark.’

‘Mijn salaris komt volgende week.’

‘De huur gaat morgen.’

‘Dan regel ik dat.’

Ik geloofde hem niet. Dat was nieuw. Niet de twijfel, maar de zekerheid dat zijn geruststelling niets meer oploste.

Die nacht sliep Lotte naast me. Ze had haar voeten tegen mijn buik gedrukt. Om drie uur hoorde ik Mees naar de wc gaan. Om vier uur controleerde ik mijn banksaldo opnieuw.

Om zes uur belde mijn moeder.

‘Je stuurde alleen dat Mark weg is. Wat heb je nodig?’

Ik keek naar de drie broodtrommels op het aanrecht.

‘Dat weet ik niet.’

‘Zal ik de kinderen vanmiddag ophalen?’

Ik wilde zeggen dat het niet hoefde. Dat ik het wel kon. Ik werkte maar tot twee uur. Er lagen nog schone kleren. Er was brood.

Toen zag ik dat ik jam op een dichtgeklapte boterham stond te smeren.

‘Ja,’ zei ik. ‘Graag.’

Ik veegde het brood schoon, maakte drie nieuwe boterhammen en schreef op de achterkant van Marks briefje: huur, opvang, school, gesprek.

Daaronder zette ik één woord.

Vandaag.

Hoofdstuk 2

De rekening

Zaterdag kwam Mark om tien over tien. Hij droeg een trui die ik niet kende. Mijn moeder was met de kinderen naar de bibliotheek op het Eemplein. Ik had haar gevraagd zeker twee uur weg te blijven.

Mark bleef bij de keukendeur staan.

‘Mag ik koffie?’

‘Het apparaat doet het nog.’

Hij knikte. Ik hoorde hoe onaardig ik klonk en liet het zo.

Op tafel lagen bankafschriften, een schrift en onze agenda. Mark keek ernaar alsof ik een examen had klaargelegd.

‘Moet dit meteen?’

‘De huur is teruggeboekt.’

Hij pakte zijn telefoon en maakte geld over. Pas toen ik het bedrag op mijn scherm zag, kon ik weer normaal ademhalen.

‘Ik heb iemand ontmoet,’ zei hij.

Zijn telefoon lag nog tussen ons in.

Ik keek naar de barst in het hoesje.

‘Wie?’

‘Evelien. Van de planning.’

Ik kende haar. Ze had op de zomerbarbecue een pleister voor Lotte gezocht. Ik wist nog dat ik haar aardig vond.

‘Hoelang?’

‘Sinds september.’

Ik telde terug. Mijn verjaardag. De studiedag waarop hij niet kon oppassen. Het weekend dat ik met Mees op de huisartsenpost zat vanwege zijn benauwdheid.

‘Je slaapt niet bij Dennis.’

Mark keek omlaag.

Ik schoof mijn stoel naar achteren. De poten schraapten over de tegels.

‘Ga even naar buiten.’

‘Sanne, we moeten toch—’

‘Tien minuten. Ik ga nu dingen zeggen waar de kinderen later last van krijgen.’

Hij liep naar de voortuin. Ik bleef staan tot mijn knieën slap werden. Toen ging ik op de vloer zitten, tussen de tafel en de koelkast. Ik huilde zonder geluid. Niet waardig. Niet beheerst. Ik hield mijn hand voor mijn mond omdat ik bang was dat ik anders zou schreeuwen.

Na tien minuten klopte Mark op het raam.

We maakten die ochtend geen ouderschapsplan. We maakten een lijst voor twee weken. Hij zou dinsdag met de kinderen eten. Het volgende weekend zouden Noor en Mees bij hem slapen. Voor Lotte zouden we eerst een middag proberen. Mark beloofde met Evelien te bespreken hoe dat kon.

‘Ze gaan niet meteen bij haar logeren,’ zei ik.

‘Ik kan niet op straat blijven.’

‘Dat vraag ik niet. Ik vraag dat je nadenkt voordat je iets belooft.’

We spraken af een mediator te zoeken. Ik schreef alles op. Achteraf stuurde ik hem een foto van de afspraken. Hij antwoordde met een duimpje. Ik had zin mijn telefoon tegen de muur te gooien.

Maandag vroeg ik op mijn werk of ik tijdelijk andere uren kon draaien. Mijn leidinggevende, Farida, sloot haar computer af.

‘Wat is haalbaar?’

‘Ik weet niet eens wat haalbaar moet betekenen.’

Ze pakte het rooster.

We kwamen uit op drie langere dagen, zolang mijn moeder twee middagen kon helpen. De buitenschoolse opvang kon niet zomaar extra plaatsen regelen. Minder werken betekende minder salaris. Meer werken betekende extra opvang. Elke oplossing had een rekening.

In mijn lunchpauze belde ik het wijkteam. Een medewerker hielp me uitzoeken welke wijzigingen ik moest doorgeven en waar ik advies kon krijgen. Ik schreef namen, telefoonnummers en openingstijden op een doosje onderzoekshandschoenen. Mijn schrift lag thuis.

Die avond ging mijn vriendin Rachida naast me aan tafel zitten met haar laptop.

‘We doen alleen de aanvragen die vandaag nodig zijn.’

‘Er is nog was.’

‘Die krijgt geen boete als hij morgen pas droogt.’

We maakten een overzicht. Huur. Energie. Zorgverzekering. Opvang. Boodschappen. Ik ontdekte drie abonnementen waarvan ik het bestaan nauwelijks meer wist.

Om half tien kwam Noor beneden.

‘Ik kan stoppen met turnen.’

Ik draaide mijn stoel om.

‘Waarom zou je dat doen?’

Ze wees naar de papieren.

‘Dat kost toch geld?’

Ik had gedacht dat ze boven muziek luisterde.

‘We moeten dingen veranderen,’ zei ik. ‘Maar jij hoeft niet onze boekhouder te worden.’

‘Dus ik mag blijven?’

‘Voorlopig wel. Als er iets verandert, bespreken we dat.’

Ik wilde haar zekerheid geven. Geen belofte die ik misschien niet kon houden.

Toen ze boven was, duwde Rachida een glas water naar me toe.

‘Je deed het goed.’

‘Ze hoort alles.’

‘Dan praten we voortaan zachter. Of ergens anders.’

Later die week opende ik een eigen betaalrekening. Mijn salaris liet ik daarop storten. Over de gezamenlijke lasten maakte ik een tijdelijke schriftelijke afspraak met Mark.

Het voelde niet als vrijheid. Het voelde als extra werk waar ik niet om had gevraagd.

Maar vrijdag werd de huur alsnog betaald. Zaterdag kocht ik boodschappen voor vijf dagen.

En toen Lotte bij de kassa om aardbeien vroeg, kon ik gewoon nee zeggen omdat ze duur waren. Niet omdat ik niet wist of mijn pinpas zou werken.

Hoofdstuk 3

Een bed te veel

Het eerste weekend zonder de kinderen begon met drie tassen in de gang. In Lottes tas zaten zes onderbroeken, twee pyjama’s en haar konijn. Ze zou uiteindelijk toch één nacht meegaan. Mark had inmiddels een tijdelijke huurwoning in Leusden gevonden. Evelien zou er dat weekend niet zijn.

Ik had hem gevraagd dat laatste zelf aan Noor uit te leggen. Ze kende de naam inmiddels. Mark had haar verteld dat hij verliefd was geworden op iemand anders.

‘Dus daarom wilde je weg,’ had ze gezegd.

Hij had geprobeerd over onze ruzies te beginnen. Ik had hem aangekeken. Hij was gestopt.

Nu stond hij voor de deur met een kinderzitje onder zijn arm.

‘Die van Lotte past niet goed in de auto.’

Ik liep mee om te kijken. Het paste wel. De gordel zat gedraaid.

‘Ik doe het,’ zei ik.

‘Laat mij nou even.’

Ik stapte achteruit. Dat kostte meer moeite dan de gordel zelf.

Mees klom als eerste in de auto. Noor controleerde of haar oplader in haar tas zat. Lotte wilde nog één keer plassen.

Toen ze wegreden, zwaaide ik tot de auto de hoek om was. Binnen lagen drie kruimelige ontbijtborden op tafel. Ik zette ze in de vaatwasser. Daarna deed ik de was. Ik verschoonde mijn bed. Ik schrobde de douchevloer met een oude afwasborstel.

Om twee uur was er niets dringends meer te doen.

Ik ging op de bank zitten. Vijf minuten later stond ik weer op.

Rachida belde.

‘Kom mee de stad in.’

‘Ik moet nog—’

‘Je hoeft niet gezellig te zijn. Je moet wel eten.’

We aten soep in een lunchzaak aan de Krommestraat. Aan het tafeltje naast ons zat een stel met een baby. De man sneed het brood van de vrouw terwijl zij voedde. Ik keek zo lang dat Rachida haar hand op mijn arm legde.

‘Zullen we ergens anders gaan zitten?’

‘Nee. Ik wil alleen graag dat ze ruzie krijgen over parkeren.’

Ze proestte. Ik ook. Het lachen deed pijn aan mijn buik.

Om zes uur stuurde Mark een foto. Mees stond bij een pan pannenkoeken. Lotte had beslag op haar wang. Noor stond er niet op.

Ik typte: Waar is Noor?

Ik verwijderde het bericht.

Even later belde ze zelf.

‘Mijn kamer heeft geen deur.’

‘Wat bedoel je?’

‘Het is een stuk van de zolder. Achter een kast.’

Ik voelde de boosheid meteen omhoogkomen.

‘Wil je dat ik papa even spreek?’

‘Nee. Ik wilde het gewoon vertellen.’

Ik keek naar mijn hand, die al om mijn autosleutel zat.

‘Oké. Dat lijkt me wennen.’

‘Ja.’

Ze vertelde over de hond van de buren en een supermarkt met zelfscan. Daarna hing ze op. Ik legde mijn sleutel terug.

Zondag kwamen ze moe thuis. Mees had twee keer dezelfde sok aan. Lotte rook naar een ander wasmiddel. Noor zei dat het wel ging.

Pas die avond merkte ik dat Mees zijn inhalator niet bij zich had gehad. Die zat nog in zijn sporttas.

Ik belde Mark vanuit de bijkeuken.

‘Je wist dat hij die nodig kon hebben.’

‘Hij heeft nergens last van gehad.’

‘Dat is niet het punt.’

‘Jij hebt die tas ingepakt.’

Daar was het. De taak bleef van mij, zelfs als de kinderen bij hem waren.

‘Vanaf nu zorg jij voor een eigen voorraad spullen en voor zijn medicatie. Ik geef je de gegevens van de apotheek. We stemmen het gebruik af.’

Mijn stem trilde. Ik bleef toch praten.

‘Ik kan niet verantwoordelijk blijven voor wat er in twee huizen ligt.’

Hij zuchtte, maar schreef mee.

In de weken daarna kreeg ons leven een stroef ritme. Maandag school en werk. Dinsdag eten bij Mark. Woensdag turnen en zwemles. Vrijdag controleren waar iedereen sliep.

Mees werd boos om kleine dingen. Een gebroken cracker. Een verdwenen voetbalplaatje. Op een avond gooide hij zijn bord op de grond.

Ik schreeuwde terug. Harder dan nodig.

Toen we allebei stil waren, pakte ik stoffer en blik.

‘Het bord gooien mag niet. En ik had niet zo tegen je moeten schreeuwen.’

‘Gaat papa nu nooit meer hier eten?’

Ik ging op mijn hurken zitten, buiten het bereik van de scherven.

‘Niet zoals vroeger.’

Hij huilde terwijl ik de vloer schoonmaakte. Daarna zaten we samen op de bank.

Ik kon zijn vraag niet oplossen. Ik kon wel blijven zitten tot hij me losliet.

Hoofdstuk 4

Waar is Mees?

In februari belde school om kwart over drie. Ik stond op mijn werk bij de voorraadkast, met een doos urinepotjes tegen mijn buik.

‘Sanne, weet jij waar Mees is?’ vroeg zijn juf.

‘Bij de opvang.’

‘Daar is hij niet aangekomen.’

Ik zette de doos neer. Een potje viel op de grond en rolde onder de kast.

‘Hoe bedoel je?’

Die ochtend had Mark geappt dat hij Mees na school wilde ophalen voor een nieuwe winterjas. Ik had geantwoord dat hij dat met de opvang moest regelen en mij moest bevestigen dat het geregeld was. Er was geen bevestiging gekomen. Ik was een spreekuur ingegaan en had niet meer gekeken.

Mark dacht dat ik de opvang had gebeld. De opvang verwachtte Mees gewoon. Mees had de juf verteld dat zijn vader kwam. Maar Mark stond door een storing bij een klant nog in Nieuwegein.

In drie telefoongesprekken werd duidelijk hoeveel aannames er in één middag pasten.

En dat niemand wist waar mijn zoon was.

Farida pakte de doos van de vloer.

‘Ga. Ik regel het hier.’

Ik reed richting school. Bij elk rood licht belde ik iemand. Mark. Mijn moeder. De moeder van Mees zijn vriend Tijn.

Niemand had hem gezien.

Bij school stond de juf bij het hek. Een collega liep door de omliggende straten. Ze hadden de wc’s gecontroleerd, het speelplein en de gymzaal.

‘Hij had zijn blauwe jas aan,’ zei ze.

‘Dat weet ik.’

Het kwam eruit als een verwijt. Ze knikte alleen.

Ik belde de politie en vertelde dat mijn achtjarige zoon vermist was. Terwijl ik vragen beantwoordde, bleef ik naar het fietspad kijken. Blauwe jassen overal. Geen Mees.

Mark arriveerde twaalf minuten later. Hij stapte uit met zijn werktelefoon nog in zijn hand.

‘Waar kan hij heen zijn?’

Ik wilde hem slaan. Niet als uitdrukking. Ik voelde de beweging in mijn arm en stopte mijn handen in mijn jaszakken.

‘Denk na,’ zei ik. ‘Waar hebben jullie het over gehad?’

‘De sportwinkel. Misschien het winkelcentrum.’

Hij liep meteen terug naar zijn auto.

Mijn telefoon ging. Een onbekend nummer.

‘Spreek ik met de moeder van Mees?’

Ik moest tegen het hek leunen.

Een vrouw had hem aangetroffen bij een bushalte aan de rand van de wijk. Hij had gevraagd welke bus naar Leusden ging. Hij kende mijn nummer uit zijn hoofd. De vrouw had hem laten bellen met haar telefoon.

‘Ik blijf bij hem,’ zei ze. ‘Hij zit naast me.’

Ik gaf de locatie door aan de politie en reed erheen. Mark volgde.

Mees zat op het bankje met zijn rugzak op schoot. De vrouw naast hem droeg een felgroene regenjas. Ik bedankte haar minstens vier keer.

‘Ik wist de weg niet helemaal,’ zei Mees.

Ik knielde voor hem.

‘Ben je ergens bang van geworden? Heeft iemand je pijn gedaan?’

Hij schudde zijn hoofd.

‘Waarom ben je weggegaan?’

‘Papa kwam niet. Dus ik dacht dat ik naar hem moest.’

Mark stond achter mij. Ik hoorde hem ademhalen.

‘Dat hoefde niet,’ zei ik. ‘Jij hoeft dat niet te regelen.’

Mees begon te huilen toen ik zijn rugzak overnam.

Thuis gaf ik hem een tosti. Mijn handen trilden zo dat ik de kaas naast het brood legde. Hij keek naar me.

‘Ben je boos?’

‘Ik ben geschrokken. Weglopen was gevaarlijk. Maar het ophalen hadden wij goed moeten regelen.’

Die avond zaten Mark en ik opnieuw aan de keukentafel. De kinderen waren boven. Ik had mijn moeder gevraagd daar bij hen te blijven.

‘Dit gebeurt nooit meer,’ zei Mark.

‘Dat zei je over de medicatie ook.’

Hij schoof zijn stoel achteruit.

‘Ga je alles blijven opsommen?’

‘Tot we iets veranderen.’

We spraken af dat er geen gewijzigde ophaalmomenten meer kwamen zonder bevestiging van ons allebei én de opvang. De vaste planning bleef gelden zolang dat niet rond was. Geen boodschappen via Noor. Geen losse beloften aan Mees.

Bij de mediator legden we die afspraken vast. Ook de kosten, vakanties en momenten waarop we informatie uitwisselden. Het waren saaie gesprekken. Soms vernederend precies.

Maar de week erna kreeg ik op dinsdag om kwart over vijf een bericht: Alle drie opgehaald. We zijn thuis.

Ik zat op mijn fiets toen het binnenkwam. Ik stopte bij een parkeerhaven en las het twee keer.

Daarna stak ik mijn telefoon weg.

Voor het eerst die dag zakten mijn schouders.

Hoofdstuk 5

Niet meteen een gezin

Ik ontmoette Daan in april, bij een kapotte fiets. Mijn ketting zat vast tussen het tandwiel en het frame. Ik stond voor de supermarkt in Schothorst en had twee tassen boodschappen aan mijn stuur.

‘Als je blijft trekken, trek je hem krom,’ zei een man achter me.

‘Dank je. Dat maakt mijn middag beter.’

Hij grijnsde niet. Dat beviel me.

‘Zal ik de fiets vasthouden?’

Samen kregen we de ketting los. Hij had zwarte vingers. Ik had een gescheurde boodschappentas. De appels lagen onder een geparkeerde auto.

We raapten ze op. Daarna bood ik hem een pak papieren zakdoekjes aan.

‘Sanne.’

‘Daan.’

Hij woonde twee straten verder en werkte als planner bij een spoorbedrijf. Hij was gescheiden en had een dochter van vijftien, Isa, die ongeveer de helft van de tijd bij hem woonde.

Toen hij vroeg of ik koffie wilde drinken, zei ik meteen dat ik drie kinderen had.

‘Ik vroeg naar koffie,’ zei hij. ‘Niet naar je beschikbaarheid voor een wereldreis.’

Dit keer moest ik wel lachen.

We spraken een week later af, toen de kinderen bij Mark waren. Ik wisselde thuis vier keer van trui. Uiteindelijk droeg ik dezelfde als op mijn werk, omdat daar geen vlekken op zaten.

In een café bij de Hof vertelde ik te veel over de scheiding. Ik hoorde mezelf praten over opvang, geld en Marks manier van appen.

‘Sorry,’ zei ik. ‘Dit is vast niet wat je bedoelde.’

‘Het hoort bij je leven. Maar ik wil ook weten waar je om lacht.’

Ik moest nadenken. Dat vond ik erger dan de vraag.

Toen vertelde ik over Farida, die per ongeluk een hele ochtend twee verschillende schoenen had gedragen. Daan vertelde over een reiziger die hem buiten werktijd aansprak omdat hij dacht dat alle mannen met een rugzak bij de spoorwegen werkten.

Na twee uur had ik geen behoefte om naar huis te gaan. Dat maakte me blij en onrustig tegelijk.

Bij de fietsenstalling vroeg hij of hij me mocht zoenen.

‘Ja,’ zei ik.

Daarna fietste ik met mijn jas open naar huis. Het was te koud, maar ik merkte het pas in de gang.

Ik vertelde de kinderen niets. Niet omdat Daan geheim moest blijven. Ik wilde eerst weten of wij ook iets hadden als de koffie op was en de eerste spanning weg.

Er kwamen meer afspraken. Soms viel er een uit. Lotte kreeg buikgriep. Isa had ruzie met haar moeder en wilde bij Daan blijven. We stuurden geen boze berichten over wie nu weer moest wijken.

Toch ging het niet vanzelf.

Op een vrijdagavond stelde Daan voor een weekend naar Maastricht te gaan.

‘Ik kan het boeken,’ zei hij.

‘Wacht even.’

‘Je kinderen zijn toch bij Mark?’

‘Dat betekent niet automatisch dat ik weg kan.’

Hij zweeg.

Ik hoorde mijn eigen felheid en voelde hoe moe ik was. Ik had die week een oudergesprek gehad, twee rekeningen betwist en drie nachten naast een hoestende Lotte gezeten.

‘Ik wil niet dat iemand alvast beslist en dat ik daarna alles passend moet maken,’ zei ik.

‘Dat deed ik niet bewust.’

‘Ik weet het. Maar zo kwam het binnen.’

We boekten niets. Hij bleef wel eten. Dat vond ik belangrijker dan het weekend.

Na drie maanden vertelde ik Noor dat ik iemand zag. Ze zat op haar bed met haar knieën opgetrokken.

‘Wordt hij dan onze nieuwe vader?’

‘Nee.’

‘Dat zeggen mensen altijd eerst.’

Ik ging op haar bureaustoel zitten.

‘Hij heeft zijn eigen huis. Ik het mijne. We gaan rustig kijken of we bij elkaar passen.’

‘En als ik hem stom vind?’

‘Dan mag je dat vinden. Je hoeft alleen niet gemeen tegen hem te doen.’

De eerste ontmoeting was in Park Schothorst. Een uur wandelen en iets drinken. Geen etentje met kaarsen. Geen cadeautjes om de kinderen te winnen.

Lotte vroeg of Daan een hond had. Mees wilde weten of hij kon voetballen. Noor hield haar jas aan, ook in de zon.

Daan probeerde haar niet aan het praten te krijgen. Hij antwoordde als ze iets vroeg en liet haar verder met rust.

Bij het afscheid zei ze zacht ‘doei’.

Thuis vroeg ik hoe ze het vonden.

‘Hij schiet scheef,’ zei Mees.

‘Hij heeft geen hond,’ zei Lotte.

Noor haalde haar schouders op.

Ik liet het daarbij. Die avond stuurde ik Daan dat het wat mij betreft goed was gegaan.

Hij antwoordde: Volgende keer train ik mijn rechtervoet.

Hoofdstuk 6

De grens

In juni belde Mark terwijl ik aardappels stond te schillen.

‘Er gaat iets veranderen,’ zei hij.

Ik legde het mes neer.

Zijn tijdelijke huurcontract liep af. Hij wilde bij Evelien intrekken, in Nieuwegein. Dat was verder van school. Dinsdag ophalen zou lastig worden. Misschien moesten de kinderen voorlopig alleen om het weekend komen.

‘Voorlopig hoelang?’ vroeg ik.

‘Dat moeten we bekijken.’

Ik keek naar de kalender. Mijn rooster was aangepast aan zijn dinsdag. De opvang zat die middag vol. Mijn moeder had net gehoord dat ze aan haar heup geopereerd moest worden.

‘Je kunt dit niet alleen meedelen.’

‘Ik heb ook niet overal invloed op.’

‘Op waar je gaat wonen wel meer dan ik.’

Hij zei dat ik hem zijn geluk niet gunde. Ik hing niet op, al wilde ik het wel.

‘Stuur je voorstel op papier. Met vervoer en tijden. Daarna bespreken we het.’

Die nacht lag ik wakker. Niet alleen vanwege de planning. Ik was bang dat Mees weer bij een hek zou staan wachten. Dat Noor zou besluiten niets meer te verwachten. Dat Lotte elke wijziging als een straf zou zien.

De volgende ochtend gooide ik een beker melk om. Ik begon te huilen en kon niet stoppen.

‘Ik pak wel een doek,’ zei Noor.

‘Nee,’ zei ik te hard.

Ze verstijfde.

Ik haalde adem.

‘Sorry. Pak maar een doek. Maar je hoeft mij niet op te lossen.’

‘Ik wilde alleen de melk opruimen.’

Dat was raak. Ik was zo bang dat ze te veel verantwoordelijkheid droeg, dat ik zelfs gewone hulp verdacht maakte.

Na school belde ik de huisarts voor een afspraak. Ik sliep slecht, vergat kleine dingen en voelde de hele dag spanning in mijn kaak. Een week later zat ik bij de praktijkondersteuner.

‘Wat doet u als iemand hulp aanbiedt?’ vroeg ze.

‘Meestal uitleggen waarom het niet handig is.’

Ze keek even op van haar papier.

Ik moest lachen. Daarna huilde ik weer.

We spraken af dat ik niet alles tegelijk hoefde aan te pakken. Eerst slapen waar dat kon. Een paar vaste afspraken met mensen die echt beschikbaar waren. En niet wachten tot ik omviel voordat ik zei dat iets niet ging.

Ik vroeg Rachida of Mees op donderdag met haar zoon mee kon naar voetbal. Ik vroeg mijn buurvrouw Joke of zij één keer per week Lotte kon ophalen. Ik bood aan haar boodschappen mee te nemen op zaterdag. Ze zei dat ze dat fijn vond, maar dat ik niet elke gunst meteen hoefde terug te betalen.

Met Mark ging ik opnieuw naar de mediator.

Dit keer had ik een overzicht mee. Geen beschuldigingen. Wel schooltijden, reistijd, mijn werkuren en de bestaande afspraken.

‘Ik kan tijdelijk iets opvangen,’ zei ik. ‘Maar niet structureel jouw zorgdagen overnemen omdat jij verder weg gaat wonen.’

Mark wreef over zijn gezicht.

‘Ik weet niet hoe ik dat moet doen.’

Vroeger zou ik toen zijn gaan zoeken. Werkroosters bekijken. Zijn moeder bellen. Een oplossing bouwen waar hij alleen nog ja op hoefde te zeggen.

Ik bleef stil.

De mediator vroeg hem welke mogelijkheden hij zelf had onderzocht.

Er volgden twee ongemakkelijke weken. Uiteindelijk regelde Mark op dinsdag een eerdere dienst. Hij haalde de kinderen op, at met ze bij zijn moeder in Amersfoort en bracht ze thuis. Het weekendvervoer bleef zijn verantwoordelijkheid. Over extra opvangkosten maakten we een afspraak.

Niet ideaal. Wel uitvoerbaar.

Intussen vroeg Daan of hij vaker kon blijven slapen. De kinderen kenden hem nu een paar maanden. Soms at hij mee. Mees vond hem aardig. Noor was beleefd en waakzaam.

‘Nog niet vaker,’ zei ik.

Hij keek teleurgesteld.

‘Omdat het niet goed voelt met mij?’

‘Omdat er al zoveel verandert. En omdat ik soms een avond alleen wil zonder dat die meteen voor iemand anders wordt.’

Hij knikte, maar werd stiller. We hadden er later nog een gesprek over. Hij wilde geen afspraak zijn die steeds als eerste verviel. Daar had hij gelijk in.

We kozen één vaste avond samen, als de kinderen bij Mark waren. Niet perfect romantisch. Wel eerlijk.

Die zondag kwam Mark de kinderen terugbrengen. Hij stond even in de gang.

‘Dinsdag is geregeld,’ zei hij.

‘Fijn.’

Ik vroeg niet hoe. Ik controleerde niet wie hem had geholpen.

Toen hij weg was, deed ik de deur dicht en ging naast Lotte zitten. Ze wilde laten zien hoe ze zelf haar veters kon losmaken.

Daar had ik nu aandacht voor.

Hoofdstuk 7

Onze gewone zaterdag

Bijna een jaar na het briefje brak op een zaterdag de wasmachine. Hij stopte met een harde klap tijdens het centrifugeren. Er stond water onder de deur van de badkamer.

‘Hij is ontploft,’ riep Lotte.

‘Niet ontploft,’ zei Mees. ‘Anders waren er stukken.’

Ik trok de stekker eruit en draaide de kraan dicht. Noor haalde handdoeken. Dit keer zei ik gewoon dank je.

De machine was oud. Een reparateur kon maandag komen kijken. De voorrijkosten alleen al deden pijn. Ik opende mijn spaarrekening. Er stond 642 euro op. Geen vakantiepot. Geen ruime reserve. Maar het was geld dat ik niet al nodig had voor maandag.

Ik boekte de afspraak.

Een uur later stonden we met twee tassen natte was bij Joke. Haar machine mocht ik gebruiken.

‘Koffie?’ vroeg ze.

‘Ja. Maar ik moet om twaalf uur naar turnen.’

‘Dan doen we geen tweede kop.’

Zo zag hulp er inmiddels vaak uit. Niet iemand die mijn leven overnam. Iemand met een lege wasmachine op het juiste moment.

Noor had die middag een onderlinge turnwedstrijd. Mark zou komen. Daan ook, als Noor dat goed vond. Ik had het haar zelf laten bepalen.

‘Hij mag best kijken,’ had ze gezegd. ‘Als hij maar niet heel hard roept.’

‘Dat verbod geldt ook voor mij?’

‘Vooral voor jou.’

In de sporthal zat Mark al op de tribune. Evelien was er niet bij. Zij en de kinderen zagen elkaar inmiddels geregeld. Ik vond dat nog steeds moeilijk. Vooral wanneer Lotte iets vertelde over haar lekkere lasagne of een vlecht die zij kon maken en ik niet.

Maar moeilijk was niet hetzelfde als gevaarlijk. De kinderen mochten het prettig hebben waar ik niet was. Dat moest ik soms heel bewust tegen mezelf zeggen.

Mark schoof een tas opzij.

‘Hier is plek.’

Ik ging zitten met Lotte naast me. Mees rende naar een vriendje.

‘Hoe gaat het met je moeder?’ vroeg Mark.

‘Ze loopt weer buiten met één kruk.’

‘Mooi.’

We zwegen. Geen fijne stilte. Ook geen vijandige.

Daan kwam vijf minuten later binnen. Hij gaf mij een kus en Mark een hand. Daarna vroeg hij Lotte of ze haar losse tand nog had. Ze trok haar lip omlaag om het te laten zien.

Ik keek naar de vloer, waar Noor op haar beurt wachtte. Ze zocht ons op de tribune. Toen ze ons zag, stak ze kort haar hand op.

Haar oefening ging niet vlekkeloos. Bij de balk stapte ze eraf. Ze beet op haar lip, klom terug en maakte de oefening af.

Na afloop was ze boos.

‘Op training lukt het altijd.’

‘Dat zag er frustrerend uit,’ zei ik.

Mark wilde iets zeggen over volgende keer, maar hield zich in.

We kochten een broodje in de kantine. Noor praatte pas weer toen Mees mosterd op zijn trui knoeide. Toen lachte ze zo hard dat er melk uit haar neus kwam.

Om vier uur gingen de kinderen met Mark mee. Ik gaf Lotte haar konijn en herinnerde Mees aan zijn tas. De rest liet ik bij hun vader.

Daan liep met me naar huis.

‘Zal ik blijven eten?’ vroeg hij.

‘Ja. Maar ik moet eerst de was bij Joke ophalen.’

Hij droeg een van de tassen. Thuis hingen we ondergoed en shirts over twee droogrekken. Daarna maakten we omeletten.

We woonden niet samen. We hadden daar geen datum voor gekozen. Soms miste hij me vaker dan ik hem kon zien. Soms was ik bang dat hij zou vertrekken omdat mijn leven zo weinig ruimte liet. Dan praatten we. Niet altijd netjes. Wel zonder te doen alsof de kinderen vanzelf ergens tussen pasten.

Na het eten ging hij naar Isa. Ik bleef thuis.

Ik vouwde handdoeken op en luisterde naar een bericht van mijn moeder. Ze wilde zondag soep komen brengen. Ik stuurde terug dat ik brood zou halen.

Op tafel lag de kalender voor de volgende maand. Werk. Opvang. Een tandartsafspraak. Marks weekenden. Een avond met Daan. Ik zag ook een lege woensdagmiddag.

Die liet ik leeg.

Ik miste soms nog het gezin dat ik dacht te hebben. Vooral op gewone dagen, wanneer er iets kleins gebeurde dat ik automatisch met Mark wilde delen. Dat gevoel was niet verdwenen omdat ik nu iemand anders liefhad.

Maar ik hoefde hem niet meer te bellen om de dag af te maken.

Voordat ik naar bed ging, keek ik in de kinderkamers. Mees had een sok aan zijn deurklink gehangen. Op Noors bureau lag haar wedstrijdnummer. Lottes konijn was weg, zoals het hoorde.

Maandag kwam de reparateur. Morgen kwamen de kinderen terug.

Ik zette mijn wekker niet.